Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW4998

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
107.001.691/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen opdrachtgever en aannemer omtrent aard van de overeenkomst en het in redelijkheid in rekening gebrachte aantal (werk)uren. na deskundigenbericht krijgt de aannemer gelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 1 mei 2012

Zaaknummer 107.001.691/01

(zaaknummer rechtbank: 108238/HA ZA 05-540)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[B.V. A],

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [B.V. A],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Arslan, kantoorhoudende te Zwolle.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 31 mei 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De door het hof benoemde deskundige heeft zijn rapport en de eindafrekening ter griffie gedeponeerd. De eindafrekening sluit op het bedrag van het voorschot. Partijen hebben desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen de eindafrekening.

[B.V. A] heeft een memorie na deskundigenbericht genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoord-memorie na deskundigenbericht heeft genomen.

Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken gefourneerd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In zijn tussenarrest van 31 mei 2011 heeft het hof een deskundige benoemd en aan deze deskundige de volgende vraag ter beantwoording voorgelegd:

Heeft [B.V. A] voor de door haar verrichte werkzaamheden in redelijkheid een bedrag groot € 52.500,43 (4 x € 10.000,-- aan voorschotten en € 12.500,43) in rekening heeft kunnen brengen, zulks gelet op de tussen partijen als vaststaand geldende uitgangspunten, als neergelegd in overweging 2 van het tussenarrest van 16 februari 2010 ?

Geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die

in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn?

2. In zijn rapport d.d. 13 september 2011 heeft de deskundige berekend dat in de door [B.V. A] aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte facturen (totaal € 52.500,43 inclusief BTW) een bedrag groot € 13.402,56 ex BTW is opgenomen voor verrichte arbeid, oftewel - uitgaande van een gemiddeld uurloon van € 40,-- ex BTW - 335 uren. De deskundige heeft vervolgens voor de verrichte werkzaamheden in totaal 413 uren gecalculeerd. Zijn conclusie luidt dan ook dat [B.V. A] niet heeft overvraagd met de door haar gedeclareerde uren.

In reactie op zijdens [geïntimeerde] op het concept rapport gegeven commentaar heeft de deskundige opgemerkt dat hij is uitgegaan van een gemiddeld uurloon, waarin kosten, winst en risico zijn verwerkt en dat het door [B.V. A] gehanteerde gemiddelde uurloon van € 40,-- geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Het hof begrijpt uit deze reactie dat het gehanteerde uurloon redelijk voorkomt, ook als rekening wordt gehouden met de inzet van een leerling/stagiaire.

Het hof verenigt zich met deze conclusies van de deskundige.

3. [geïntimeerde] heeft voorts nog aangevoerd dat er - anders dan de deskundige tot uitgangspunt heeft genomen - geen drie, maar twee dakramen zijn geplaatst. De deskundige heeft gemotiveerd aangegeven dat er blijkens de facturen sprake is van de levering van 2 dakramen Velux M04 78x98 cm en van 1 dakraam Velux C02 55x78. Nu die leveranties op zich niet betwist worden, is het hof van oordeel dat de deskundige op goede gronden is uitgegaan van de plaatsing van 3 dakramen. Overigens zit er tussen het door de deskundige gecalculeerde bedrag aan arbeidsuren en het in rekening gebrachte aantal arbeidsuren een zodanig groot verschil dat het plaatsen van een extra dakraam niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

4. Onder verwijzing naar hetgeen het hof in zijn tussenarrest d.d. 16 februari 2010 onder 13 en 14 heeft overwogen en gelet op hetgeen partijen ter comparitie van partijen d.d. 21 april 2010 omtrent het afzien van bewijs door getuigen zijn overeengekomen, impliceert het hiervoor overwogene dat de grieven 2, 2a en 3 doel treffen en dat de vordering van [B.V. A] in hoofdsom alsnog voor toewijzing gereed ligt.

5. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg bestreden dat [B.V. A] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft doen verrichten welke apart voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen. Nu [B.V. A] het desbetreffende onderdeel van zijn vordering vervolgens niet nader heeft onderbouwd, komen de gevorderde incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking.

De slotsom

6. Het vonnis van 8 maart 2006 zal worden bekrachtigd. Het vonnis van 10 januari 2007 dient te worden vernietigd. De vordering van [B.V. A] zal worden toegewezen als na te melden. Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente, is door [geïntimeerde] weliswaar geen verweer is gevoerd, maar nu niet is gesteld of gebleken dat het in casu gaat om een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW, komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking en zal slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief de kosten van de deskundige (salaris advocaat in hoger beroep: 3 punten, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 8 maart 2006, waarvan beroep;

vernietigt het vonnis d.d. 10 januari 2007, waarvan beroep

en - in zoverre - opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [B.V. A] van een bedrag groot € 12.500,43 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf

1 december 2004 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties,

in eerste aanleg aan de zijde van [B.V. A] begroot op € 362,93 aan verschotten en op € 1.080,-- aan salaris gemachtigde

en in hoger beroep op € 988,09 (inclusief het € 512,24 aan kosten deskundige) en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper en H. de Hek en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 mei 2012 in het bijzijn van de griffier.