Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW4605

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
21.000432-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2010:BL1498, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1745, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurmoord. Formele verweren. “Entourage” stelselmatige informatie-inwinner. Strafmaat.

Samenvatting

Formele verweren. Voor wat betreft de overgang van het Crick- naar Dille-onderzoek blijft het hof er bij, dat daaraan niets onrechtmatigs valt te ontdekken. Over de inzet van stelselmatige informatie-inwinner “Alex” is het hof van oordeel dat de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit niet zijn overschreden. Dat geldt zowel voor het inzetten van een aantal figuranten om “Alex” heen als voor het door verdachte auto laten rijden ondanks een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof is van oordeel dat dit een geschikt middel was om zijn vertrouwen te winnen en zeker niet te zwaar, gelet op de ernst van het feit waarom het ging. Het niet op tijd vernietigen van de geheimhoudersgesprekken was inderdaad een fout, maar verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Daarom houdt het hof het bij de enkele constatering. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Bij het bepalen van de strafmaat gaat het hof er van uit, dat voor moord de straffen zo gemiddeld tussen de twaalf en de achttien jaar liggen. Het hof ziet binnen de genoemde bandbreedte van vrijheidsstraffen reden om de duur van de gevangenisstraf boven het midden te leggen. Het hof komt daardoor op een gevangenisstraf van 17 jaren voor de moord. Voor de overige feiten acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar passend en geboden.

Concluderend komt dit neer op een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 55
Wet wapens en munitie 31
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000432-10

Uitspraak d.d.: 2 mei 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

1 februari 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 06-580306-08 en 06-850117-09, tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 16 december 2010, 1 november 2011, 10 april 2012 en 26 april 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 06-580306-08 feit 1 tot en met 4 tenlastegelegde en het onder parketnummer 06-850117-09 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van

€ 53.718,56 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van

€ 53.718,56, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 200 dagen hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J. Vlug, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing ten aanzien van de benadeelde partij komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 06-580306-08:

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg,

met een pistool, althans een vuurwapen, vijf, althans één of meer kogel(s) op

die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 02 juli 2008 in

de gemeente [plaats] en/of de gemeente [plaats] en/of (elders) in Nederland,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten een pistool (merk Feg, type P9R, kaliber 9 mm)

en/of (daarbij behorende) munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten 24, althans meerdere, althans één, kogelpatro(o)n(en) (kaliber Luger 9mm) voorhanden heeft gehad

en/of

hij op of omstreeks 02 juli 2008 in de gemeente [plaats],

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten een pistool (merk Feg, type P9R, kaliber 9 mm)

en/of (daarbij behorende) munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten 24, althans meerdere, althans één, kogelpatro(o)n(en) (kaliber Luger 9mm) heeft overgedragen.

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 03 september

2008 in de gemeente [plaats] en/of de gemeente [plaats], in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten een pistool (merk FN Browning, kaliber 7.65 mm)

en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens

en munitie, te weten 59, althans één of meer, kogelpatronen, kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad.

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 03 september

2008 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats], in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet

wapens en munitie, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad.

Zaak met parketnummer 06-850117-09:

hij op of omstreeks 29 mei 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

bedrijfspand (gelegen aan/nabij [adres]) heeft

weggenomen (uit een kluis) een bedrag van 18.000 Euro, althans enig

geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam zaak] en/of [eigenaar zaak], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoeken

Door de raadsman is in een eerder stadium, namelijk op de regiezitting van 1 november 2011, een aantal verzoeken gedaan die beogen de rechtmatigheid te controleren van onder meer de startinformatie van het Dille-onderzoek. Op de inhoudelijke zitting van het hof van 10 april 2012 heeft de raadsman zich wederom op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is geworden waarom ervoor is gekozen het gehele TGO Crick, inclusief de officier van justitie, te vervangen en wat de rol hierin is van de lekkende rechercheur, [naam rechercheur]. In dit verband heeft de raadsman een aantal verzoeken herhaald. Zo acht de raadsman het noodzakelijk om de betrokken anonieme CIE-informant, de betrokken officieren van justitie, mrs Duijts, Van Holland en Spoon en rechercheur [naam rechercheur] te horen.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Naar aanleiding van de eerdere verzoeken van de raadsman, gedaan op de regiezitting van

1 november 2011, is door het hof in het tussenarrest van 23 november 2011 het volgende overwogen.

“Het hof stelt vast dat de officier van justitie mr. E.E.G. Duijts in haar brief van 24 augustus 2009 uitvoerig uiteen heeft gezet, wat indertijd ten grondslag heeft gelegen aan het afbouwen van het “Crick”-team en het opstarten van het “Dille”-team. De divisiechef Hogeboom stemde in met de inhoud van deze brief. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze brief dat er aannemelijke redenen waren voor de “verversing” van het onderzoeksteam.

De verdediging heeft daar niets concreets tegenover gezet. De terminologie blijft “mogelijk iets mis met de start van het Dille-onderzoek” en “niet denkbeeldig dat er iets niet deugt.”

Onderzoek naar de rechtmatigheid van opsporing en vervolging is prima, maar wat de verdediging heeft aangevoerd leidt het hof tot het oordeel dat gesproken moet worden van een fishing expedition aan de zijde van de verdediging en dat het horen van de genoemde getuigen ook thans moet worden afgewezen, door welke afwijzing verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Voor toevoeging van het evaluatierapport inzake het “Crick”-onderzoek, zoals de raadsman subsidiair heeft gevraagd, ziet het hof geen noodzaak. Dit is een intern rapport, dat niet wordt opgesteld met het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten en in zoverre niet relevant is voor het beantwoorden van de vragen in de zin van de artikelen 348 en 350 Sv. Bovendien bevat zo’n rapport, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd, ook privacygevoelige informatie over bij dat onderzoek betrokken functionarissen, bijvoorbeeld over hun persoonlijk functioneren. Dit verzoek wordt door het hof afgewezen.

Hetgeen het hof heeft overwogen omtrent de hiervóór genoemde getuigen geldt evenzeer ten aanzien van het verzoek tot het horen van [rechercheur]. Het hebben van “nare stemmetjes bij de verdediging dat er iets onder de pet wordt gehouden” maakt dit niet anders. Het hof wijst dit verzoek af; de verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.”

Het hof blijft bij het bovengenoemd standpunt en zal de verzoeken dan ook afwijzen. De stelling van de raadsman dat een lekkende rechercheur een rol kan hebben gespeeld in de overgang van het Crick- naar het Dille-onderzoek, is niet uit feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, nog daargelaten het feit dat het hof een overgang van het ene naar het andere onderzoeksteam als gevolg van een lekkende rechercheur in feite nu juist een logische en geenszins onwenselijke stap zou vinden.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt raadsman

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 van de dagvaarding met parketnummer 06-580360-08 verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

o Stelselmatige informatie inwinning

De inzet van de stelselmatige informatie-inwinner ‘Alex’, is rechtmatig geweest. Daarnaast is echter sprake geweest van een opsporingsmethode die niet is geregeld in het Wetboek van Strafvordering. Immers de overige onder dekmantel werkende opsporingsambtenaren waren geen stelselmatige informatie inwinners, maar slechts acteurs in een door het openbaar ministerie geregisseerd toneelstuk. Er is een hele schijnwerkelijkheid van een criminele organisatie om verdachte heen gebouwd. Het gebruik van niet geregelde opsporingsmethoden is in strijd met een behoorlijke procesorde, immers wat niet is geregeld mag ook niet. Er is zonder enige wettelijke basis een te grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Daarnaast is er sprake van strijd met het nemo tenetur beginsel. Tenslotte is verdachte aangezet tot het plegen van een strafbaar feit, althans, dit is gedoogd.

o Geheimhoudersgesprekken

De regeling met betrekking tot de vernietiging van de geheimhoudersgesprekken is niet nageleefd.

De verdediging heeft betoogd dat, zo voorgaande verweren op zichzelf niet reeds leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zij in onderlinge samenhang en in onderling verband beschouwd alsnog moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Voor zover deze verweren niet tot niet-ontvankelijkheid mochten leiden, is aangevoerd dat het voorgaande dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs als gevolg van de onrechtmatige inzet van ‘Alex’ en zijn collega’s en uitsluiting van al het daaruit voortgekomen bewijs als ‘fruit of a poisonous tree’. Er blijft dan geen bewijs over dat een bewezenverklaring kan dragen zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Indien het hof ook deze lijn niet zou volgen, verzoekt de raadsman rekening te houden met de vormverzuimen door tot strafvermindering te komen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verweren moeten worden verworpen, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen reden is voor bewijsuitsluiting of strafvermindering. De advocaat-generaal heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd.

o Stelselmatige informatie inwinning

De wijze van uitvoering van de bevelen tot stelselmatige informatie-inwinning is geheel rechtmatig geweest. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de inzet van deze bevoegdheid en de inzet van de collega’s van ‘Alex’ valt uitdrukkelijk onder de bevelen van de officier van justitie. Gelet op de ernst van de zaak en het ontbreken van andere reële mogelijkheden om tot voldoende bewijs tegen [verdachte] te komen was om onderzoektactische redenen het door [verdachte] laten rijden gerechtvaardigd. Er is geen sprake geweest van een verhoorsituatie, dus het nemo tenetur-beginsel is niet geschonden.

o Geheimhoudersgesprekken

Er is weliswaar niet geheel conform de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders gehandeld, maar de niet nageleefde formaliteiten zijn in een later stadium alsnog hersteld en de verdediging is op geen enkel moment in haar belangen geschaad.

Oordeel hof

o Stelselmatige informatie inwinning

In artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Bij deze vorm van opsporing kan dus niet alleen een inbreuk worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, maar kan tevens sprake zijn van misleiding.

Op 7 augustus 2008 werd door de officier van justitie een schriftelijk bevel afgegeven terzake het stelselmatig inwinnen van informatie over de verdachte [verdachte]. Dit bevel werd op 31 oktober 2008 verlengd voor de duur van 3 maanden.

Het hof stelt voorop dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de inzet van de bevoegdheid en de wijze van uitvoering van de stelselmatige informatie inwinning. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het Wetboek van Strafvordering geen systematische beschrijving van opsporingsbevoegdheden bevat, maar bedoeld is om bevoegdheden te creëren ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening van delicten. Leidend daarbij is geweest dat bevoegdheden die ingrijpen op de vrijheid of op andere grondrechten van burgers, een specifieke regeling behoeven. De regeling behoeft niet uitputtend te zijn.(1)

De inkleding van de stelselmatige informatie inwinning hangt, onder meer, af van de aard van het delict en de persoon van de verdachte. In de onderhavige zaak ging het om een zeer ernstig delict en om een verdachte die dringend om geld verlegen zat en in het verleden wel eens klusjes van criminele aard had gedaan in ruil voor geld.

Gelet hierop is ervoor gekozen de schijn van een criminele organisatie te wekken. Daarvoor is de hoofdinformant ‘Alex’ ingezet en zijn daarnaast verschillende opsporingsambtenaren ingezet als entourage voor ‘Alex’. Deze collega’s van ‘Alex’ zijn naar het oordeel van het hof slechts te beschouwen als figuranten, nu zij enkel zijn ingezet om ‘Alex’ postuur en geloofwaardigheid te geven. Zij hebben dan ook niet of nauwelijks contact gehad met verdachte en zij hebben op geen enkele manier, laat staan stelselmatig, informatie over de verdachte [verdachte] ingewonnen.

Ten aanzien van het in het kader van de stelselmatige informatie inwinning laten rijden door verdachte [verdachte] terwijl hij een ontzegging van de rijbevoegdheid had overweegt het hof dat ook hiervoor geldt dat de officier van justitie degene is die de regie voert. Blijkens het dossier is hierover overleg geweest tussen de zaaksofficier, de teamleider WOD en de tactisch coördinator. De zaaksofficier heeft toestemming gegeven voor het laten rijden onder de voorwaarde dat aan [verdachte] korte tijd een auto ter beschikking zou worden gesteld en dat de veiligheid van de overige weggebruikers geen gevaar zou lopen. Ook was bij het verlenen van de toestemming in aanmerking genomen dat Alex met verdachte [verdachte] had afgesproken dat hij geen drugs en alcohol zou gebruiken tijdens de werkzaamheden voor Alex en is een en ander van meet af aan bij proces-verbaal verantwoord.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de inzet van de collega’s van ‘Alex’ en het laten rijden door [verdachte] niet te ver is gegaan en niet onrechtmatig was. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op de ernst van de zaak en het ontbreken van andere reële mogelijkheden om tot voldoende bewijs tegen verdachte te komen was de inzet van het middel stelselmatige informatie inwinning gerechtvaardigd.

De stelling van de raadsman dat ‘wat niet geregeld is, niet mag’ wordt door het hof niet gevolgd, gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad.

Ten aanzien van de beweerde strijd met het nemo tenetur beginsel overweegt het hof het volgende.

In het algemeen geldt voor de stelselmatige inwinning van informatie dat het stellen van vragen door de niet als opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte niet plaatsvindt in de door artikel 29 Wetboek van Strafvordering bedoelde verhoorsituatie. De cautie, strekkende tot bescherming tegen de druk en verwarring die in de verhoorsituatie van de als zodanig kenbare opsporingsambtenaar of rechter uitgaat, is dan ook niet van toepassing. Daarmee moet worden aangenomen dat door de enkele misleiding de verklaringsvrijheid niet geacht wordt onder druk te staan, noch dat sprake kan zijn van een schending van het nemo tenetur beginsel. De verdediging heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn.

o Geheimhoudersgesprekken

Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat niet geheel conform de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders is gehandeld. Hierdoor is sprake van een vormverzuim. De verdachte is echter op geen enkel moment in zijn belangen geschaad omdat de formaliteiten die niet geheel zijn nageleefd in een later stadium zijn hersteld. Immers – hoewel soms te laat – zijn uiteindelijk zowel de papieren als de digitale versies van de geheimhoudersgesprekken vernietigd.

Het hof is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, maar dat met deze vaststelling kan worden volstaan.

o Conclusie

Concluderend is het hof van oordeel dat de verweren moeten worden verworpen, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen sprake zal zijn van bewijsuitsluiting of strafvermindering.

Overweging met betrekking tot het bewijs (2)

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 van de dagvaarding met parketnummer 06-580360-08 en het onder parketnummer 06-850117-09 tenlastegelegde.

Standpunt verdachte en raadsman

De verdachte heeft (ook) ter terechtzitting van het hof alle tenlastgelegde feiten volledig bekend. De raadsman heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van parketnummer 06-580360-08 feit 1

Op donderdag 21 juni 2007, omstreeks 08:42 uur is bij de Centrale Meldkamer van de politie te [plaats] een melding binnengekomen dat een man op de [straatnaam] in [plaats], ter hoogte van [school], was neergeschoten. De vermoedelijke dader zou op een bromfiets of scooter zijn gevlucht.(3) Door de politie is ter plaatse onderzoek ingesteld. Vastgesteld is dat het slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], is.(4)

Het slachtoffer had zijn 6-jarige zoontje naar [school] gebracht en was daarna teruggelopen naar zijn auto. Nadat hij was ingestapt, is hij door een bestuurder van een bromfiets/scooter neergeschoten.(5) De bestuurder stopte naast het voorportier van de auto.(6)

Ter plaatse zijn bij de auto van [slachtoffer] vijf hulzen aangetroffen van het kaliber 7.65 mm die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten. De schutter heeft vijf keer op [slachtoffer] geschoten.(7) Het slachtoffer is drie keer in de borst geraakt. De verwondingen hebben geleid tot de dood van [slachtoffer].(8)

Naar aanleiding van de gewelddadige dood van [slachtoffer] is het Team Grootschalig Optreden Crick opgericht. Vanaf mei-juni 2008 is het onderzoek voortgezet door het Regionaal Onderzoeksteam Dille.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 van parketnummer 06-580360-08 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 10 april 2012, inhoudende dat hij op 21 juni 2007 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een pistool na kalm beraad en rustig overleg vijf kogels op [slachtoffer] af te vuren, waardoor die [slachtoffer] is overleden.

Naast deze verklaring baseert het hof zich tevens op het navolgende:

- de OVC gesprekken tussen [verdachte] en [getuige](9);

- de verklaringen van getuige [getuige](10);

- de verklaringen van getuige [getuige](11);

- de verklaringen van getuige [getuige](12);

- de verklaringen van getuige [getuige](13);

- de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2](14).

Ten aanzien van parketnummer 06-580360-08 feit 2

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 2 van parketnummer 06-580360-08 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 10 april 2012, inhoudende dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 2 juli 2008 in [plaats] en [plaats] een wapen, te weten een pistool (merk Feg, type P9R, kaliber 9 mm) en daarbij behorende munitie te weten meerdere kogelpatronen voorhanden heeft gehad en dat hij op 2 juli 2008 in [plaats] dit pistool en deze munitie heeft overgedragen.

Naast deze verklaring baseert het hof zich tevens op het navolgende:

- de verklaring van [getuige] (15);

- het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van het vuurwapen en munitie in de woning van [getuige] (16);

- het proces-verbaal, ambtelijk verslag met betrekking tot het aangetroffen vuurwapen en de munitie(17);

- de verklaringen van [getuige] (18).

Ten aanzien van parketnummer 06-580360-08 feit 3 en 4

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 3 en 4 van parketnummer 06-580360-08 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 10 april 2012, inhoudende dat hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 3 september 2008 in [plaats] en [plaats] een pistool (merk FN Browning, kaliber 7.65 mm) en munitie, te weten 59 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm en een geluiddemper voorhanden heeft gehad.

Naast deze verklaring baseert het hof zich tevens op het navolgende:

- de verklaringen van getuige [getuige] (19);

- het ambtelijk verslag met betrekking tot het onderzoek naar het aangetroffen vuurwapen, de munitie en de geluiddemper (20);

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (21).

Ten aanzien van parketnummer 06-850117-09

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder parketnummer 067650117-09 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 10 april 2012, inhoudende dat hij op 29 mei 2007 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand (gelegen aan [adres]) uit een kluis een geldbedrag heeft weggenomen waarbij zij het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Naast deze verklaring baseert het hof zich tevens op het navolgende:

- de aangifte van [aangever], namens de benadeelde [benadeelde] (22);

- de verklaringen van medeverdachte [naam] (23);

- de verklaringen van medeverdachte [naam] (24).

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 06-850117-09 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 06-580306-08:

1.

hij op 21 juni 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn

mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

met een pistool, vijf kogels op die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 02 juli 2008 in

de gemeente [plaats] en de gemeente [plaats], een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Feg, type P9R, kaliber 9 mm) en daarbij behorende munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere kogelpatronen voorhanden heeft gehad

en

hij op of omstreeks 02 juli 2008 in de gemeente [plaats],

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten een pistool (merk Feg, type P9R, kaliber 9 mm)

en daarbij behorende munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere kogelpatronen heeft overgedragen.

3.

hij in de periode van 01 december 2007 tot en met 03 september

2008 in de gemeente [plaats] en de gemeente [plaats], een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk FN Browning, kaliber 7.65 mm) en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 59 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

4.

hij in de periode van 01 december 2007 tot en met 03 september

2008 in de gemeente [plaats] en in de gemeente [plaats], een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voorhanden heeft gehad.

Zaak met parketnummer 06-850117-09:

hij op 29 mei 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een

bedrijfspand (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen uit een kluis enig

geldbedrag, toebehorende aan [eigenaar zaak], waarbij verdachte en

zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben

gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (pistool)

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie).

en

Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (pistool)

en

Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie).

het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (pistool)

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie).

het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

het in de zaak met parketnummer 06-850117-09 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer].

Na een zorgvuldige en georganiseerde voorbereiding heeft hij, in opdracht van zijn medeverdachte, op 21 juni 2007 het slachtoffer koelbloedig en zonder enige aanwijsbare reden vijfmaal beschoten. Drie kogels hebben het lichaam van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is als gevolg van de daardoor opgelopen verwondingen overleden. De moord heeft in de ochtenduren plaatsgevonden bij de basisschool waar het slachtoffer zojuist zijn zoontje had gebracht. Verschillende ouders die op dat moment ook hun kind(eren) wegbrachten waren getuige van de moord.

Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van ernstig gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Hij kende het slachtoffer in het geheel niet en heeft zich slechts laten leiden door financieel gewin. Aan de echtgenote, kinderen, verdere familie en kennissen van het slechts 47-jarige slachtoffer is door deze gewelddadige dood onpeilbaar leed toegebracht. Aan te nemen valt dat zij dat leed en de mede als gevolg daarvan ontstane schade nog lang, zo niet de rest van hun leven, zullen ervaren. Door feiten als het onderhavige worden niet alleen de nabestaanden maar wordt ook de rechtsorde op ernstige wijze geschokt en worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Moord, zoals in het onderhavige geval onder parketnummer 06-580306-08 feit 1 bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Verder heeft verdachte vuurwapens, munitie en een geluiddemper voorhanden gehad en heeft hij een vuurwapen overgedragen. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Het gevaarzettende karakter van de aanwezigheid van vuurwapens in handen van verdachte klemt temeer nu verdachte, blijkens de inhoud van het strafdossier, verkeerde in een milieu waarin sprake was van criminele activiteiten.

Tenslotte heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak. Hij heeft zich hierbij wederom laten leiden door financieel gewin en heeft daardoor overlast en financiële schade toegebracht aan het gedupeerde bedrijf.

Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 maart 2012 betreffende verdachte is hij, op een openlijke geweldpleging uit 2007 na, niet eerder voor geweldsdelicten veroordeeld.

Het hof houdt rekening met de verschillende rapportages die omtrent de persoon van verdachte zijn uitgebracht en neemt met name in aanmerking het omtrent verdachte opgemaakte rapport van J.B. Seinen, psycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater van

15 december 2009, onder meer inhoudende als conclusie van voormelde deskundigen:

“Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dat komt vooral tot uiting in een neiging tot externaliseren, beperkte gewetensfuncties en een gebrekkige empathie. Daarnaast is sprake van middelenproblematiek, die zeker de aard en omvang van misbruik, maar in het geval van cocaïne ook van afhankelijkheid had aangenomen ten tijde van het tenlastegelegde.

Het tenlastegelegde lijkt overwegend gerelateerd aan de combinatie van de genoemde antisociale persoonlijkheidsstoornis, verdachtes middelengebruik en de daaraan gerelateerde financiële problemen. Verdachtes gebrekkige gewetensfuncties, zijn gebrek aan empathie en zijn middelengebruik dient niet meer dan een faciliterende functie te worden toegekend. Het onderzoekend team acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar.”

Het hof neemt voormelde conclusies over en maakt deze tot de zijne. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het onder parketnummer 06-580306-08 onder 1 bewezenverklaarde feit de verdachte volledig kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de overige feiten acht het hof geen redenen aanwezig om anders te oordelen.

Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het opleggen van een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

Door de rechtbank zijn de feiten 1 tot en met 4 onder parketnummer 06-580306-08 en het feit onder parketnummer 06-850117-09 bewezenverklaard en is na de eis van de officier van justitie van een gevangenisstraf van 18 jaren, deze straf ook opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens dezelfde feiten als door de rechtbank zijn bewezenverklaard tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

De raadsman heeft in zijn pleidooi betoogd een lagere gevangenisstraf op te leggen dan opgelegd door de rechtbank en geëist door de advocaat-generaal. Hij heeft aangevoerd dat de minimum gevangenisstraf voor moord, afgeleid uit jurisprudentie, ongeveer 12 jaar is. De strafvermeerderende en strafverminderende aspecten in het onderhavige geval vallen tegen elkaar weg. Indien verder nog rekening gehouden wordt met een korting naar aanleiding van de overschrijding van de redelijke termijn en daarnaast de straf voor de overige strafbare feiten wordt opgeteld, komt de raadsman uit op een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar en 6 maanden.

Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige moord hanteert het hof een gevangenisstraf van tussen de twaalf en achttien jaren, zoals ook wordt weergegeven in de databank consistente straftoemeting, waarin straffen zijn opgenomen die eerder voor dit soort feiten zijn opgelegd. Het hof ziet binnen de genoemde bandbreedte van vrijheidsstraffen, gelet op de in voormelde databank opgenomen, eerdere strafopleggingen voor levensdelicten van vergelijkbare aard en ernst, reden om de duur van de gevangenisstraf boven het midden te leggen. Zo is er geen enkele link tussen het slachtoffer en de dader en is er dus geen emotioneel of kenbaar motief. Het betreft een kille huurmoord voor geld, die lang tevoren was gepland en die bovendien bij een school is gepleegd op een tijdstip dat veel ouders hun kind wegbrachten.

Het hof komt daardoor op een gevangenisstraf van 17 jaren voor de moord. Voor de overige feiten acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar passend en geboden.

Concluderend komt dit neer op een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

Anders dan de raadsman heeft betoogd is het niet hebben van relevante documentatie geen strafverminderende omstandigheid.

Redelijke termijn

Zoals hierboven opgenomen heeft de raadsman betoogd dat de redelijke termijn is overschreden nu het bijna 2 jaar en 2 maanden geleden is sinds het hoger beroep werd ingesteld. Hierdoor dient een strafkorting te volgen van 10%.

Na onderzoek van de zaak is het volgende gebleken:

> verdachte is op 25 november 2008 in verzekering gesteld;

> op 1 februari 2010 is door de rechtbank vonnis gewezen;

> op 2 februari 2010 is namens verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis;

> op 15 februari 2010 is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld;

> het dossier is op 2 april 2010 binnengekomen bij het hof;

> op 16 december 2010 heeft de eerste regiebehandeling bij het gerechtshof te Arnhem plaatsgevonden. Het hof heeft toen bepaald het Crick dossier aan het Dille dossier toe te voegen;

> naar aanleiding van de toevoeging van het Crick-dossier heeft op 1 november 2011 andermaal een regiezitting plaatsgevonden. Hieruit zijn geen onderzoekshandelingen gekomen;

> de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2012;

> dit arrest wordt gewezen op 2 mei 2012.

Het hof heeft geconstateerd dat tussen het instellen van hoger beroep en het arrest van het gerechtshof een te lange periode is verstreken. Dit betreft echter een geringe overschrijding. Een duidelijk aanwijsbare oorzaak hiervoor is niet te geven. Het feit dat in de zaken van de medeverdachten getuigen zijn gehoord, dat het hof de zaken van verdachte en zijn medeverdachten bij elkaar wilde houden en het zittingsrooster van het hof spelen een rol. Het hof zal echter volstaan met deze constatering en hieraan geen verdere consequenties verbinden, nu de geringe overschrijding in hoger beroep teniet gedaan wordt door de snelheid van de totale behandeling. Immers binnen drie jaar en zes maanden is er in twee instanties uitspraak gedaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Standpunt benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 71.848,73. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 28.680,32. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van EUR 71.755,29.

Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende kosten:

- € 34.810,71 uitvaartkosten;

- € 540,00 kosten reizen en vervoer;

- € 250,00 kosten telefoon en porto;

- € 21.654,58 overige kosten, o.a. aangaande rouwbegeleiding resp. uitloven beloning;

- € 4.500,00 kosten rechtsbijstand;

- € 10.000,00 shockschade.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft geen verweren gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, anders dan de opmerking dat de verdediging de beslissing van de rechtbank kan billijken.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat de uitvaartkosten, de reiskosten, de telefoon en portokosten en de kosten rechtsbijstand geheel dienen te worden toegewezen. Ten aanzien van de overige kosten dienen de kosten van het notariskantoor ad € 390,35 en de kosten van de rouwbegeleiding ad € 3.227,50 te worden toegewezen. Ten aanzien van de kosten in verband met het uitloven van een beloning is de advocaat-generaal van oordeel dat wellicht een deel van deze kosten kan worden meegenomen. Met betrekking tot de kosten van de rouwadvertenties van het personeel van [slachtoffer] en de shockschade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Concluderend komt de advocaat-generaal tot een toewijzing tot een bedrag van € 53.718,56. Voor dat bedrag vordert hij tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De vordering terzake van uitvaartkosten is geheel toewijsbaar. De kosten zijn door middel van nota’s goed onderbouwd en zijn, gegeven de levensstandaard van het slachtoffer en zijn gezin, niet bovenmatig. Het hof heeft daarbij acht geslagen op artikel 6:108 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek waarin wordt bepaald dat degene die aansprakelijk is voor het overlijden verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

De kosten van de rechtsbijstand zullen eveneens geheel worden toegewezen.

Ten aanzien van de vergoeding van de gevorderde shockschade heeft het hof gelet op HR 22 februari 2002, LJN AD5356. Hieruit blijkt dat de aard van deze schade meebrengt dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en, (?) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt. Daarnaast is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Een dergelijke vordering is niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding (HR 3 juli 2007, LJN BA5624). Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de overige gevorderde schadeposten is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het bijzonder de vraag of deze posten in het kader van artikel 6:108, tweede lid BW niet te buiten gaan, verdient uitgebreider bespreking dan in het kader van deze strafzaak mogelijk is. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 289 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer

06-850117-09 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 06-850117-09 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] terzake van het in de zaak met parketnummer 06-580306-08 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 34.810,71 (vierendertigduizend achthonderdtien euro en eenenzeventig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van EUR 34.810,71 (vierendertigduizend achthonderdtien euro en eenenzeventig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 209 (tweehonderdnegen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.P. Bordes en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 2 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 20 december 2011, LJN BP0070

2 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt verwezen naar de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal "onderzoek DILLE" regiopolitie Noord en Oost Gelderland, te weten de ordners 1 tot en met 18 en de aanvullende procesdossiers A tot en met H.

3 Het proces-verbaal van bevindingen (map 1, pag. 8 e.v.)

4 Het proces-verbaal van confrontatie (map 1, pag. 276.e.v.)

5 De processen-verbaal van verhoor van [getuige] (map 1, pag. 89), [getuige] (map 1, pag. 47 e.v.), [getuige] (map 1, pag. 71 e.v.) en [getuige] (map 1, pag. 57)

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] (map 1, pag. 43 e.v.)

7 Proces-verbaal van het Forensisch Technisch Onderzoek op de plaats delict (map 2, pag. 368 e.v.) en het NFI deskundigenrapport munitieonderzoek van 28 augustus 2007 van B. Jacobs (map 5, pag. 1661 e.v.).

8 Het deskundigenrapport (sectierapport) opgemaakt door dr B. Kubat van 2 juli 2007 (map 2, pag. 409 e.v.)

9 OVC-gesprekken met gespreksnummers 275901846 (map 2, pag. 695), 275924195 (map, 2 pag. 704), 275932521 (map 2, pag. 710) en 275962774 (map 2, pag. 736).

10 Processen-verbaal van verhoor van [getuige] (map 3, pag. 1006 e.v. i.h.b. 1007, 1008 en 1010 en pag. 1055 e.v. i.h.b. 1056)

11 Processen-verbaal van verhoor van [verdachte] (map 5, pag. 1434 e.v.)

12 Processen-verbaal van verhoor van [getuige] (map 4, pag. 1300 e.v. i.h.b. pag. 1303, 1304, 1305 en 1306 en pag. 1312 e.v. i.h.b. pag. 1316 en 1317)

13 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] (map 5, pag. 1667 e.v.)

14 Processen-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] (map 4, pag. 1189 e.v. i.h.b. pag. 1192 en 1193 en pag. 1207 e.v. i.h.b. pag. 1210)

15 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 7, pag. 2222 e.v.)

16 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant (map 7, pag. 2208 e.v.)

17 Proces-verbaal ambtelijk verslag van verbalisant (map 7, pag. 2242 e.v.)

18 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 7, pag. 2196 e.v.)

19 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 7, pag. 2305 e.v. en 2309 e.v.)

20 Proces-verbaal ambtelijk verslag (map 7, pag. 2289 e.v.)

21 Proces-verbaal verhoor verdachte (map aanvullend proces-dossier B, pag. 7370 e.v.)

22 Proces-verbaal van verhoor [aangever], (map 7, pag. 2327 e.v.)

23 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] (map 7, pag. 2397 e.v.)

24 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] (map 7, pag. 2404 e.v.)