Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW4599

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
21.000595-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2010:BL1516, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1743, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurmoord. Formele verweren. “Entourage” stelselmatige informatie-inwinner. Strafmaat.

Samenvatting

Formele verweren. Voor wat betreft de overgang van het Crick- naar Dille-onderzoek blijft het hof er bij, dat daaraan niets onrechtmatigs valt te ontdekken. Schutznorm. Over de inzet van stelselmatige informatie-inwinner “Alex” is het hof van oordeel dat de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit niet zijn overschreden. Dat geldt zowel voor het inzetten van een aantal figuranten om “Alex” heen als voor het door de medeverdachte auto laten rijden ondanks een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof is van oordeel dat dit een geschikt middel was om zijn vertrouwen te winnen en zeker niet te zwaar, gelet op de ernst van het feit waarom het ging. Het niet op tijd vernietigen van de geheimhoudersgesprekken was inderdaad een fout, maar verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Daarom houdt het hof het bij de enkele constatering. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Bij het bepalen van de strafmaat gaat het hof er van uit, dat voor moord de straffen zo gemiddeld tussen de twaalf en de achttien jaar liggen. Het hof ziet binnen de genoemde bandbreedte van vrijheidsstraffen reden om de duur van de gevangenisstraf boven het midden te leggen. Gezien verdachtes beperkte rol wordt een gevangenisstraf van 16 jaar opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000595-10

Uitspraak d.d.: 2 mei 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

1 februari 2010 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 16 december 2010, 1 november 2011, 5 en 6 april 2012 en 26 april 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van

€ 53.718,56 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van

€ 53.718,56, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 200 dagen hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr A.D. Kloosterman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging en tot een andere beslissing ten aanzien van de benadeelde partij komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 21 juni 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg,

met een pistool, althans een vuurwapen, vijf, althans één of meer kogels op

die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 21 juni 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers hebben/heeft [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg,

met een pistool, althans een vuurwapen, vijf, althans één of meer kogel(s) op

die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 01 april 2007 tot en met 21 juni 2007 in de gemeente [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

behulpzaam is geweest door opzettelijk:

- meermalen, althans eenmaal, aan die [medeverdachte 1] te vragen of hij een persoon

wilde doodschieten, althans neerschieten en/of

- aan die [medeverdachte 1] te beloven dat hij een bedrag van 10.000 Euro, althans enig

geldbedrag, zou ontvangen als beloning voor het doodschieten, althans

neerschieten, van die [slachtoffer] en/of

- aan die [medeverdachte 1] te beloven dat hij voor het doodschieten, althans

neerschieten, van die [slachtoffer] werkzaamheden voor hem, verdachte en/of zijn

mededader(s) zou mogen verrichten waarvoor die [medeverdachte 1] een financiële

vergoeding zou krijgen en/of

- aan die [medeverdachte 1] een bedrag van 10.000 Euro, althans enig geldbedrag, te geven

als beloning voor het doodschieten, althans neerschieten, van die [slachtoffer]

en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [medeverdachte 1] een pistool, althans een vuurwapen,

te geven, althans te verschaffen en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [medeverdachte 1] informatie te geven over de

verblijfplaats van voornoemde [slachtoffer] en/of de plaats(en) waar die [slachtoffer]

werkt en/of de/het vervoermiddel(en) welke/dat die [slachtoffer] gebruikt en/of de route

die [slachtoffer] aflegt en/of

- die [medeverdachte 1] meerdere, althans een, scooter(s) (merk Beta Ark en/of Peugeot

Zenith), althans (een) vervoermiddel(en), te verstrekken, althans te

verschaffen, die/dat meermalen, althans eenmaal, gebruikt zijn/is om die

[slachtoffer] en/of de omgeving en/of de verblijfplaats(en) van die [slachtoffer] en/of

de route die [slachtoffer] aflegt te observeren en/of

- die [medeverdachte 1] een TNT-jas te verstrekken, althans te verschaffen, die

meermalen, althans eenmaal, door die [medeverdachte 1] gedragen is bij het observeren

van die [slachtoffer] en/of de omgeving en/of de verblijfplaats(en) van die

[slachtoffer] en/of de route die [slachtoffer] aflegt en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [medeverdachte 1] in een personenauto (merk Ford Ka

en/of merk Ford Mondeo) te vervoeren en/of

- meermalen, althans eenmaal, de omgeving rondom [school] en/of

die [slachtoffer] en/of de omgeving en/of de verblijfplaats(en) van die [slachtoffer]

en/of de route die [slachtoffer] aflegt te observeren en/of

- op 21 juni 2007 die [medeverdachte 1] te vervoeren naar de directe omgeving van [school] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer] en/of de directe omgeving van die [slachtoffer] en/of

- op 21 juni 2007 die [medeverdachte 1] een scooter (merk Peugeot Zenith), althans een

vervoermiddel te verstrekken, althans te verschaffen, om als vervoermiddel

te gebruiken bij het doodschieten, althans neerschieten, van die [slachtoffer]

en/of om de vlucht mogelijk te maken en/of

- op 21 juni 2007 die [medeverdachte 1] een TNT-jas te verstrekken, althans te

verschaffen, die door [medeverdachte 1] gedragen is bij het doodschieten, althans

neerschieten, van die [slachtoffer] en/of om de vlucht mogelijk te maken en/of

- op 21 juni 2007 op de uitkijk te gaan staan in de directe omgeving van de

Berg en Bosschool en/of de directe omgeving van die [slachtoffer] en/of

- op 21 juni 2007 een oprijteken te geven aan die [medeverdachte 1].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Standpunt raadsman

De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

o Transitie Crick-Dille

Onoverzichtelijk is gebleven hoe de onderzoeken Crick en Dille zich tot elkaar verhouden en in welke mate vormverzuimen en normschendingen in het Crick-onderzoek hebben doorgewerkt in het Dille-onderzoek. Het is de vraag waarom het groots opgezette en al maanden lopende Crick-onderzoek moest worden afgebouwd. Een plausibele verklaring zou zijn het lekken van geheime informatie door rechercheur [naam rechercheur].

Er zijn kanttekeningen te plaatsen bij de waarheidsvinding die in het Crick- en Dille-onderzoek heeft plaatsgevonden. Het onderzoeksteam in de zaak Dille heeft zich met complete tunnelvisie op [medeverdachte 1] gestort.

o Proportionaliteit en subsidiariteit BOB-middelen

De aanvraag en de inzet van het stelselmatig inwinnen van informatie voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De minder vergaande opsporingsmiddelen observatie en het tappen waren al ingezet en kennelijk is niet afgewacht of hiermee voldoende resultaat zou worden bereikt. Dat geldt ook voor de verlenging van het bevel tot het stelselmatig inwinnen van informatie. Ook hier waren er andere manieren om onderzoeksresultaten te verkrijgen zonder een inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [medeverdachte 1].

Voorts voldoet de aanvraag en inzet van het OVC (opnemen vertrouwelijke communicatie) in de woning van [medeverdachte 1] niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Er liepen reeds taps en een SI-traject, waarin een reactie op Opsporing Verzocht kon worden afgeleid. Bovendien was de ‘waslijst’ aan onderzoeksresultaten die inmiddels was verkregen over [medeverdachte 1], voldoende geweest voor een redelijk vermoeden van schuld.

Tenslotte is ook het opnemen van de vertrouwelijke communicatie tussen verdachte, zijn broer, zijn moeder en vriendin in de bezoekersruimte van het huis van bewaring niet proportioneel en subsidiair. Immers er lagen vele mogelijkheden open voor het opsporingsteam om onderzoek te verrichten en toch werd ervoor gekozen een zeer ingrijpend BOB-middel in te zetten.

o Stelselmatige informatie inwinning

Het SI-team is gelet op de navolgende punten te ver gegaan in dit traject.

- Tijdens het SI-traject is door [medeverdachte 1] een strafbaar feit begaan, namelijk rijden zonder een geldig rijbewijs.

- De wettelijke grondslag voor de inzet van de undercoveragenten ontbreekt.

- Er is sprake geweest van een verhoorsituatie. Er is immers sprake geweest van zware psychologische druk, mede door beloftes en misleiding, hetgeen afdoet aan de vrijwilligheid van de afgelegde verklaringen door [medeverdachte 1]. Hierdoor is het pressieverbod geschonden.

Hoewel het middel is ingezet op [medeverdachte 1], is ook verdachte ernstig in zijn belangen geschaad nu het onderzoek naar [medeverdachte 1] het begin van verdenking en onderzoek jegens verdachte is geweest.

o Waarheidsvinding

De verdediging plaatst diverse kanttekeningen bij de waarheidsvinding:

- De regeling met betrekking tot de vernietiging van de geheimhoudersgesprekken is niet nageleefd.

- In het Dille-onderzoek is te veel uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 1], terwijl hij op verschillende punten niet consistent heeft verklaard.

- Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar ontlastend bewijs.

- De verhoren van [medeverdachte 1], [getuige] en verdachte zijn niet volledig geverbaliseerd en hen zijn gesloten vragen gesteld of bevindingen voorgehouden waaraan conclusies werden verbonden.

De optelsom van hetgeen hiervoor is aangevoerd, leidt ertoe dat is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces en dat het wettelijke systeem hierdoor in de kern is geraakt. Om die reden dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor zover deze verweren niet tot niet-ontvankelijkheid mochten leiden, is betoogd dat de onderzoeksresultaten naar aanleiding van het SI-traject, de verklaringen van [medeverdachte 1] en het OVC-gesprek van verdachte met zijn moeder in het Huis van Bewaring, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Er blijft dan onvoldoende wettig en overtuigend bewijs over om te komen tot een bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde en hij moet daarom worden vrijgesproken.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van mening dat de verweren van de raadsman moeten worden verworpen, dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden verklaard en dat er geen bewijs behoeft te worden uitgesloten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

o Transitie Crick-Dille

De officier van justitie, mr. E.E.G. Duijts, heeft in haar brief van 24 augustus 2009 uitvoerig uiteengezet, wat indertijd ten grondslag heeft gelegen aan het afbouwen van het Crick-team en het opstarten van het Dille-team. Divisiechef Hogeboom stemde in met de inhoud van deze brief. Deze gang van zaken wordt door, onder anderen, H. Groenouwe, F. Nijkamp, A. Dooijeweerd en W. te Brake uitdrukkelijk bevestigd. Het volledige Crick-dossier is inmiddels aan het hof en de verdediging verstrekt. Het hof en de verdediging hebben nu zelf kunnen constateren dat er geen relevante informatie uit het Crick-onderzoek is weggelaten in het procesdossier van het Dille-onderzoek.

o Proportionaliteit en subsidiariteit BOB-middelen

Het openbaar ministerie maakt de beslissing om bepaalde opsporingsmiddelen in te zetten en weegt daarbij de belangen af. De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de inzet van opsporingsmiddelen zijn niet geschonden. De ernst van de verdenking rechtvaardigde de middelen. De stelling dat er eerst eindeloos moet worden geprobeerd om met minder vergaande opsporingsmiddelen wat te bereiken voordat je verdergaande middelen in mag zetten, is niet juist.

o Stelselmatige informatie inwinning

De wijze van uitvoering van de bevelen tot stelselmatige informatie inwinning is geheel rechtmatig geweest. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de inzet van deze bevoegdheid en de inzet van de collega’s van ‘Alex’ valt uitdrukkelijk onder de bevelen van de officier van justitie. Gelet op de ernst van de zaak en het ontbreken van andere reële mogelijkheden om tot voldoende bewijs tegen [medeverdachte 1] te komen was om onderzoektactische redenen het door [medeverdachte 1] laten rijden gerechtvaardigd. Er is geen sprake geweest van schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tenslotte is geen sprake geweest van een verhoorsituatie, dus het nemo tenetur-beginsel is niet geschonden.

o Waarheidsvinding

Er is weliswaar niet geheel conform de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders gehandeld, maar de niet nageleefde formaliteiten zijn in een later stadium alsnog hersteld en de verdediging is op geen enkel moment in haar belangen geschaad.

Daarnaast is er uitgebreid gerechercheerd. In het kader van de waarheidsvinding is alles uit de kast gehaald. Er is naar allerlei informatie gezocht, zowel belastend als ontlastend.

De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn voldoende betrouwbaar. Zij zijn consistent en gedetailleerd en vinden steun in verschillende getuigenverklaringen.

Ten aanzien van het verweer dat de verhoren van [medeverdachte 1] en [getuige] niet goed zouden zijn geverbaliseerd geldt de schutznorm. Ten aanzien van het verhoor van verdachte is er geen sprake van ongeoorloofde druk of een andere onrechtmatigheid.

Oordeel hof

o Transitie Crick-Dille

Naar aanleiding van de regiezitting van 1 november 2011 waarin de raadsman eveneens betoogde dat er onduidelijkheden waren met betrekking tot de overgang van het Crick- naar het Dille-dossier en daartoe een aantal verzoeken heeft gedaan, die overigens alle zijn afgewezen door het hof, heeft het hof het volgende overwogen.

“Het hof stelt vast dat de officier van justitie mr. E.E.G. Duijts in haar brief van 24 augustus 2009 uitvoerig uiteen heeft gezet, wat indertijd ten grondslag heeft gelegen aan het afbouwen van het “Crick”-team en het opstarten van het “Dille”-team. Divisiechef Hogeboom stemde in met de inhoud van deze brief. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze brief dat er aannemelijke redenen waren voor de “verversing” van het onderzoeksteam.”

Het hof blijft bij dit reeds eerder ingenomen standpunt.

De stelling van de raadsman dat een lekkende rechercheur wellicht de oorzaak van de overgang is, is niet uit feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, nog daargelaten het feit dat het hof een overgang van het ene naar het andere onderzoeksteam als gevolg van een lekkende rechercheur in feite nu juist een logische en geenszins onwenselijke stap zou vinden.

Nu het hof inmiddels het Crick-dossier zelf ook heeft bestudeerd, wordt de stelling van het openbaar ministerie dat het Crick-onderzoek te ver was uitgewaaierd en daarom over is gegaan in het Dille-onderzoek, onderschreven door het hof. De beslissing om niet alle onderzoekshandelingen uit het Crick-dossier over te nemen in het Dille-dossier acht het hof alleszins redelijk. Het is voorts begrijpelijk dat in geval van verschillende scenario’s uiteindelijk het meest waarschijnlijke scenario wordt uitgerechercheerd. Dat is niet hetzelfde als het hebben van tunnelvisie.

o Proportionaliteit en subsidiariteit BOB-middelen

Het verweer ten aanzien van de stelselmatige informatie inwinning zal onder het volgende kopje worden meegenomen.

Ten aanzien van de aanvraag en inzet van het OVC in de woning van [medeverdachte 1] geldt de schutznorm, welke norm behelst dat de verdachte in beginsel geen beroep toekomt op schending van rechtsnormen, voor zover die normen jegens een ander dan de verdachte zijn geschonden. De inzet van het OVC was gericht tegen medeverdachte [medeverdachte 1]. Het zijn aldus niet de belangen van de verdachte die geschonden kunnen zijn.

Ten aanzien van de inzet van het OVC in het huis van bewaring, waarin verdachte verbleef, overweegt het hof dat de aard en ernst van de tegen verdachte bestaande verdenking, namelijk het medeplegen van een moord, de inzet van het OVC in het huis van bewaring rechtvaardigden. Het beginsel van proportionaliteit is niet geschonden. Met betrekking tot de subsidiariteit overweegt het hof nog dat gelet op het feit dat verdachte zich in het huis van bewaring bevond, de inzet van andere opsporingsmethoden weinig kans op succes zou hebben gehad, zodat gezegd kan worden dat het onderzoek de inzet van het OVC dringend vorderde.

o Stelselmatige informatie inwinning

Het hof stelt voorop dat ook ten aanzien van dit verweer de schutznorm geldt. De inzet van de stelselmatige informatie inwinner ‘Alex’ en zijn collega’s was gericht tegen medeverdachte [medeverdachte 1]. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het aldus niet de belangen van de verdachte zijn, die geschonden kunnen zijn.

Voorts geldt het volgende.

In artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Bij deze vorm van opsporing kan dus niet alleen een inbreuk worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, maar kan tevens sprake zijn van misleiding.

Op 7 augustus 2008 werd door de officier van justitie een schriftelijk bevel afgegeven terzake het stelselmatig inwinnen van informatie over de verdachte [medeverdachte 1]. Dit bevel werd op 31 oktober 2008 verlengd voor de duur van 3 maanden.

Het hof stelt voorop dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de inzet van de bevoegdheid en de wijze van uitvoering van de stelselmatige informatie inwinning. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het Wetboek van Strafvordering geen systematische beschrijving van opsporingsbevoegdheden bevat, maar bedoeld is om bevoegdheden te creëren ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening van delicten. Leidend daarbij is geweest dat bevoegdheden die ingrijpen op de vrijheid of op andere grondrechten van burgers, een specifieke regeling behoeven. De regeling behoeft niet uitputtend te zijn.(1)

De inkleding van de stelselmatige informatie inwinning hangt, onder meer, af van de aard van het delict en de persoon van de verdachte (in dit geval: [medeverdachte 1]). In de onderhavige zaak ging het om een zeer ernstig delict en om een verdachte die dringend om geld verlegen zat en in het verleden wel eens klusjes van criminele aard had gedaan in ruil voor geld.

Gelet hierop is ervoor gekozen de schijn van een criminele organisatie te wekken. Daarvoor is de hoofdinformant ‘Alex’ ingezet en zijn daarnaast verschillende opsporingsambtenaren ingezet als entourage voor ‘Alex’. Deze collega’s van ‘Alex’ zijn naar het oordeel van het hof slechts te beschouwen als figuranten, nu zij enkel zijn ingezet om ‘Alex’ postuur en geloofwaardigheid te geven. Zij hebben dan ook niet of nauwelijks contact gehad met verdachte [medeverdachte 1] en zij hebben op geen enkele manier, laat staan stelselmatig, informatie over de verdachte [medeverdachte 1] ingewonnen.

Ten aanzien van het in het kader van de stelselmatige informatie inwinning laten rijden door verdachte [medeverdachte 1] terwijl hij een ontzegging van de rijbevoegdheid had overweegt het hof dat ook hiervoor geldt dat de officier van justitie degene is die de regie voert. Blijkens het dossier is hierover overleg geweest tussen de zaaksofficier, de teamleider WOD en de tactisch coördinator. De zaaksofficier heeft toestemming gegeven voor het laten rijden door [medeverdachte 1] onder de voorwaarde dat aan hem korte tijd een auto ter beschikking zou worden gesteld en dat de veiligheid van de overige weggebruikers geen gevaar zou lopen. Ook was bij het verlenen van de toestemming in aanmerking genomen dat ‘Alex’ met verdachte [medeverdachte 1] had afgesproken dat hij geen drugs en alcohol zou gebruiken tijdens de werkzaamheden voor ‘Alex’ en is een en ander van meet af aan bij proces-verbaal verantwoord.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de inzet van de collega’s van ‘Alex’ en het laten rijden door [medeverdachte 1] niet te ver is gegaan en niet onrechtmatig was. Het hof is van oordeel dat voldaan aan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op de ernst van de zaak en het ontbreken van andere reële mogelijkheden om tot voldoende bewijs tegen [medeverdachte 1] te komen was de inzet van het middel stelselmatige informatie inwinning gerechtvaardigd.

Ten aanzien van het verweer dat er sprake zou zijn van een verhoorsituatie overweegt het hof het volgende.

In het algemeen geldt voor de stelselmatige inwinning van informatie dat het stellen van vragen door de niet als opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte niet plaatsvindt in de door artikel 29 Wetboek van Strafvordering bedoelde verhoorsituatie. De cautie, strekkende tot bescherming tegen de druk en verwarring die in de verhoorsituatie van de als zodanig kenbare opsporingsambtenaar of rechter uitgaat, is dan ook niet van toepassing. Daarmee moet worden aangenomen dat door de enkele misleiding de verklaringsvrijheid niet geacht wordt onder druk te staan, noch dat sprake kan zijn van een schending van het nemo tenetur beginsel. De verdediging heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn.

o Waarheidsvinding

Voor zover het gaat om geheimhoudersgesprekken van medeverdachte [medeverdachte 1] geldt de schutznorm. In dat geval zijn het immers niet de belangen van de verdachte die geschonden kunnen zijn.

Indien het gaat om geheimhoudersgesprekken betreffende verdachte is het hof, met de raadsman, van oordeel dat niet geheel conform de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders is gehandeld. Hierdoor is sprake van een vormverzuim. De verdachte is echter op geen enkel moment in zijn belangen geschaad omdat de formaliteiten die niet geheel zijn nageleefd in een later stadium zijn hersteld. Immers – hoewel soms te laat – zijn uiteindelijk zowel de papieren als de digitale versies van de geheimhoudersgesprekken vernietigd. Het hof is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, maar dat met deze vaststelling kan worden volstaan.

Ook het verweer dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar ontlastend bewijs betreffende verdachte gaat niet op. Het hof is van oordeel dat het onderzoek door de politie goed en volledig is gedaan.

Het verweer dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet consistent en betrouwbaar zouden zijn, zal het hof bespreken onder het navolgende kopje ‘Overweging met betrekking tot het bewijs’.

Ten aanzien van de verhoren van verdachte is het hof van oordeel dat de door de raadsman gemaakte selectie van verhoorfragmenten die het hof op verzoek van de raadsman op de zitting van 5 april 2012 heeft laten afspelen, geenszins voeding geven aan de stelling van de raadsman dat een verkeerde danwel ontoelaatbare verhoormethode is gebruikt. Het hof kan daarin geen enkele onregelmatigheid ontdekken. Dit laatste geldt overigens ook voor de verhoren van [medeverdachte 1] en [getuige].

Overweging met betrekking tot het bewijs (2)

Bewijsuitsluiting

Hetgeen hiervoor is overwogen en beslist naar aanleiding van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie brengt naar het oordeel van het hof met zich, dat de aangevoerde gronden evenmin reden zijn om enig onderzoeksresultaat van het bewijs uit te sluiten.

Bewijs

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt raadsman

Verdachte heeft geen wetenschap en dus geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de door [medeverdachte 1] gepleegde moord op [slachtoffer]. Verdachte ontkent dat hij de handelingen heeft verricht die [medeverdachte 1] hem toeschrijft, maar zelfs indien wordt aangenomen dat hij die handelingen heeft verricht waren de handelingen niet verricht met het voorwaardelijk opzet op het van het leven beroven van [slachtoffer]. Eveneens heeft om die reden de voorbedachten rade bij verdachte ontbroken.

Voorts zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] dermate onbetrouwbaar dat zij dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Er is daarnaast onvoldoende steunbewijs.

Subsidiair voert de verdediging aan dat er geen sprake is van medeplegen van de moord. Verdachte is niet aanwezig geweest bij de uitvoering van de moord en van een actieve, initiërende, organiserende of coördinerende rol in de voorfase is niet gebleken.

Meer subsidiair is er geen sprake van medeplegen van medeplichtigheid aan moord.

Oordeel hof

Inleiding

Op donderdag 21 juni 2007, omstreeks 08:42 uur is bij de Centrale Meldkamer van de politie te [plaats] een melding binnengekomen dat een man op de [straatnaam] in [plaats], ter hoogte van [school], was neergeschoten. De vermoedelijke dader zou op een bromfiets of scooter zijn gevlucht.(3) Door de politie is ter plaatse onderzoek ingesteld. Vastgesteld is dat het slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], is.(4)

Het slachtoffer had zijn 6-jarige zoontje naar [school] gebracht en was daarna teruggelopen naar zijn auto. Nadat hij was ingestapt, is hij door een bestuurder van een bromfiets/scooter neergeschoten.(5) De bestuurder stopte naast het voorportier van de auto.(6)

Ter plaatse zijn bij de auto van [slachtoffer] vijf hulzen aangetroffen van het kaliber 7.65 mm die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten. De schutter heeft vijf keer op [slachtoffer] geschoten.(7) Het slachtoffer is drie keer in de borst geraakt. De verwondingen hebben geleid tot de dood van [slachtoffer].(8)

Naar aanleiding van de gewelddadige dood van [slachtoffer] is het Team Grootschalig Optreden Crick opgericht. Vanaf mei-juni 2008 is het onderzoek voortgezet door het Regionaal Onderzoeksteam Dille.

Verklaringen medeverdachte [medeverdachte 1]

- Voorbereiding

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft over de moord op [slachtoffer] onder meer verklaard dat er op een gegeven moment enkele mensen bij hem kwamen. Hij zat toen financieel zwaar in de problemen. Dat was in de tijd dat hij bij [betrokkene] werkte en de tijd erna toen hij zonder werk kwam te zitten. Zijn drugsgebruik vergrootte zijn financiële problemen. Deze personen beloofden hem dat als hij werkzaamheden voor hen zou verrichten, hij veel geld zou kunnen verdienen. Met werkzaamheden werd onder andere bedoeld het leeghalen van weedhokjes en het plegen van een inbraak.(9) Een van deze personen was [medeverdachte 2]. Hij heeft ongeveer een half jaar voor de moord klusjes voor [medeverdachte 2] gedaan en werd langzamerhand afhankelijk van [medeverdachte 2] en het geld dat hij met hem verdiende.(10) [medeverdachte 1] kent verdachte uit de tijd dat hij klusjes voor [medeverdachte 2] deed.(11)

Op een gegeven moment kwam [medeverdachte 2] met de vraag of hij iemand voor hem neer wilde schieten. Deze vraag heeft [medeverdachte 2] hem meermalen gesteld. [medeverdachte 2] beloofde dat hij geen geldzorgen meer zou hebben als verdachte de persoon zou doodschieten. De afspraak was dat hij € 10.000,- zou krijgen en daarnaast voldoende klusjes zodat hij zich geen geldzorgen meer hoefde te maken.(12)

[medeverdachte 1] stemde erin toe een persoon door het hoofd te schieten. In de loop van de tijd kreeg hij steeds meer informatie over wie het betrof. Het ging om iemand in een zwarte Mercedes die ook wel eens in een grijze Porsche reed. De man had een zaak in [plaats]. De woning van de persoon is hem aangewezen. Enkele maanden voor de moord, in de maanden mei en juni, is hij bezig geweest met het observeren van de man die hij dood moest schieten. Op een gegeven moment werd besloten dat de beste plek om de man dood te schieten bij [school] was. [medeverdachte 1] wist toen dat het om [slachtoffer] ging. (13)

[medeverdachte 2] en verdachte vertelden hem waar hij moest observeren. Deze informatie kwam altijd van hen.(14) Er is bij het observeren gebruik gemaakt van twee scooters en een paar auto’s. Tijdens de voorbereiding werd [medeverdachte 1] meestal bij de kiosk bij zijn woning opgehaald en dan naar de kelderbox gebracht, waar hij de scooter pakte.(15)

Bij iedere observatie kreeg hij het vuurwapen, een pistool, met kaliber 7.65 mm van [medeverdachte 2] aangereikt, voor het geval er gelegenheid was dat [medeverdachte 1] het wapen kon gebruiken.(16) Hij kreeg het wapen altijd van [medeverdachte 2] en nooit van verdachte. Het pistool leek op een pistool dat de politie ook gebruikt.(17)

Eén van de scooters waarmee [medeverdachte 1] een paar keer is gaan observeren was een zwarte scooter van het merk Beta, type Ark.(18) De scooter had hij van [medeverdachte 2] gekregen. Toen de motor van de Beta vastliep kreeg hij een andere scooter, een Peugeot Zenith. Hij kreeg de scooter soms van verdachte en soms van [medeverdachte 2]. Zij hadden de sleutel van de kelderbox bij de woning van [getuige] aan de [straatnaam], waar de scooter werd gestald. De TNT jas en de helm die hij tijdens het observeren droeg, lagen ook in dezelfde kelderbox. De jas zat in een doos met jassen. Hij heeft gehoord van [medeverdachte 2] en/of verdachte dat [getuige] bij TNT had gewerkt. Na afloop van de observatie liet hij de jas en de helm weer achter in de kelderbox. Als [medeverdachte 1] weer terug kwam bij de kelderbox waren verdachte en/of [medeverdachte 2] er meestal ook al. De Peugeot Zenith nam [medeverdachte 1] ook wel eens mee naar het huis van zijn moeder, aan [straatnaam], waar hij de scooter stalde onder het afdak. De scooter is overgespoten door verdachte en [medeverdachte 2] in de kelderbox van [getuige]. Hij werd van bordeaux-rood naar zwart en grijs overgespoten. [medeverdachte 1] heeft van [medeverdachte 2] en/of verdachte een jerrycan met benzine gekregen.(19)

[medeverdachte 1] is ook wel met verdachte met de auto aan het observeren geweest. Verdachte en [medeverdachte 2] moesten hem aanwijzen waar hij moest kijken. Eén van de auto’s was een rode Ford Ka. De auto is van [getuige]. Verdachte reed in de auto. Medeverdachte [medeverdachte 2] reed een aantal keren mee. Ook hebben ze gebruik gemaakt van een champagnekleurige Ford Mondeo. Deze auto is van de broer van verdachte. Verdachte was altijd de bestuurder van deze auto. (20)

- De schietpartij op 21 juni 2007

Op 21 juni 2007 had [medeverdachte 1] een tijd afgesproken wanneer hij verdachte en [medeverdachte 2] zou ontmoeten. De scooter stond bij zijn moeder. Hij heeft [medeverdachte 2] en verdachte ontmoet ergens in [plaats], in de buurt van zijn moeder. Dit was een uur voor de moord. Hij moest van hen het wapen krijgen. Toen hij het wapen kreeg, hebben ze afgesproken dat verdachte en hij elkaar na de moord zouden treffen in de buurt van de [straatnaam].(21)

[medeverdachte 1] kreeg de jas, de helm en het wapen aangereikt.(22) Hij droeg ook zwarte handschoenen.(23) Hij is toen op de scooter naar de wijk [naam]. Vervolgens is hij naar de woning van [slachtoffer] gereden en zag daar de auto van [slachtoffer] staan. Hij is toen gaan wachten bij de parkeerplaats van [plaats]. Op een gegeven moment kwam een auto hem tegemoet met daarin [medeverdachte 2] en verdachte. Hij kreeg van een van de inzittenden het teken dat hij moest oprijden omdat [slachtoffer] al voorbij gereden was.

Toen hij bij de school kwam, zag hij dat [slachtoffer] zijn zwarte Mercedes al geparkeerd had aan de rechterkant van de weg nabij de school. Hij reed bij de school rechtdoor en zag dat [slachtoffer] met zijn zoontje uit de auto stapte. Hij is toen iets doorgereden en gekeerd en heeft gewacht op een grasstrook tegenover de school met de voorzijde in de richting van de auto van [slachtoffer]. Hij zag dat [slachtoffer] weer uit de school kwam en in de auto stapte en is toen naar de auto gereden. Hij stopte naast de auto en stond op ongeveer 2 à 3 meter van de auto. [slachtoffer] zat toen net in de auto. Hij heeft uit zijn rechterjaszak van de TNT jas met zijn rechterhand het pistool gepakt en heeft met het pistool geschoten. Hij richtte op het lichaam van [slachtoffer]. Hij stond ongeveer aan het einde van het deurportier. Na het schieten deed hij het pistool weer in de rechter jaszak van de TNT jas en reed weg.(24)

- Afwikkeling

Tijdens de voorbereiding was afgesproken dat de plek waar verdachte en [medeverdachte 1] van voertuig zouden wisselen aan de [straatnaam] zou zijn. Ook in het geval [medeverdachte 1] [slachtoffer] op de dagen voor 21 juni 2007 zou neerschieten hadden ze op die plek afgesproken. Ook op die dagen zou het verdachte zijn die de scooter zou overnemen. [medeverdachte 1] heeft geen idee waar [medeverdachte 2] in de tussentijd verbleef. In ieder geval was het nooit de bedoeling dat [medeverdachte 2] de scooter zou overnemen. [medeverdachte 1] is in de Ford Mondeo weggereden naar de [straatnaam]. Verdachte is op de scooter weggereden. Bij de [straatnaam] is [medeverdachte 1] naar binnen gelopen bij de eerste ingang van de eerste flat aan de zijde van [straatnaam]. Hij is na binnenkomst via een trap naar beneden gelopen.(25) [medeverdachte 1] moest even wachten voordat verdachte weer arriveerde.(26) De scooter is na de moord aan [straatnaam] in een van de kelderboxen van de flat achtergebleven. [medeverdachte 1] was erbij toen verdachte de scooter na de moord daar neer zette. Daar zijn toen ook de helm, de TNT jas, het zwarte vest en het vuurwapen achtergebleven. Toen hij bij de kelderbox aankwam stonden daar [medeverdachte 2] en een hem onbekende man. De spullen die hij noemde zijn in de kelderbox achtergebleven en verdachte en hij zijn een eindje gaan rijden. [medeverdachte 1] heeft wel enkele malen gevraagd waar de jas, de scooter, het wapen en de helm waren gebleven en kreeg alleen te horen dat de spullen weg waren gewerkt. Dit werd door verdachte en/of [medeverdachte 2] verteld.(27)

[medeverdachte 1] is uiteindelijk in [plaats] in de buurt van zijn moeder uit de auto gezet. Ongeveer 1 à 2 weken later heeft hij van [medeverdachte 2] € 10.000,- gekregen op [straatnaam] in [plaats]. Het geld zat verpakt in aluminiumfolie. Het was een stapeltje met verschillende bankbiljetten. Hij heeft het geld mee naar zijn huis – aan [straatnaam] – genomen.(28) [medeverdachte 1] is nog regelmatig naar [medeverdachte 2] gegaan om te vragen hoe het nu zat met de beloofde werkzaamheden. Hij kreeg toen ook een auto van [medeverdachte 2], een groene Citroën Berlingo. Hij kon met die auto de beloofde klusjes doen. Omdat [medeverdachte 1] wel de benzine moest betalen, verdiende hij nog steeds niets en is er van de beloften niets terecht gekomen.(29)

Overweging ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1]

Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] overweegt het hof het volgende.

[medeverdachte 1] is zowel door de politie als door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Op 1 september 2009 heeft [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd die ging over de inzet van informant ‘Alex’. Op 1 en 14 december 2009 en op 8 maart 2011 is [medeverdachte 1] nogmaals door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen aangegeven te blijven bij zijn verklaringen zoals afgelegd bij de politie en zich verder te beroepen op zijn verschoningsrecht.

Het hof is van oordeel dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn en bruikbaar als bewijsmiddel nu zij op de hoofdlijnen consistent zijn. Voorts heeft [medeverdachte 1] zijn bekennende verklaringen niet alleen afgelegd op het politiebureau, maar heeft hij tevens uitlatingen gedaan over de schietpartij buiten een verhoorsituatie om. Dit blijkt onder andere uit OVC (opnemen vertrouwelijke communicatie) gesprekken, uit telefoontaps en uit de gesprekken met ‘Alex’ zoals hieronder zal worden weergeven.

- In een telefoongesprek op 13 november 2008 te 09:38 uur tussen [medeverdachte 1] en zijn partner [getuige] wordt gepraat over het programma Opsporing Verzocht. [getuige] zegt dat er mensen zullen zijn die [medeverdachte 1] zullen herkennen.(30)

- In een telefoongesprek op 16 november 2008 te 23:08 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige] zegt [medeverdachte 1] dat hij een afspraak heeft gemaakt dat als hij vast komt te zitten er voor [getuige] iedere keer een krant in de brievenbus komt met een envelop met geld ertussen. [medeverdachte 1] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat er meer geld bijbetaald moest worden. Op een vraag van [getuige] antwoordt [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] hem zelf ook knijpt.(31)

- In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [getuige] op 18 november 2008 te 23:11 uur heeft [medeverdachte 1] gezegd dat hij die Turken heeft gesproken en dat ze bij hem aan de deur zijn geweest. [getuige] zegt dat als die lui weer komen, [medeverdachte 1] opslag moet vragen. Hierop antwoordt [medeverdachte 1] dat er weer gedokt moet worden: er moet minimaal € 10.000,- bij. Verder wordt gesproken over de voorbereiding. [medeverdachte 1] zegt dat ze er heel lang mee bezig waren. [getuige] zegt daarop dat “hun alles uit hadden moeten zoeken en dan pas moet jij komen”.(32) Nadat [getuige] is geconfronteerd met dit OVC gesprek waarin zij spreekt over “Turken aan de deur”, heeft zij verklaard daarmee te bedoelen dat verdachte [medeverdachte 1] op kwam halen om hem naar [medeverdachte 2] te brengen. (33)

- In gesprekken met informant ‘Alex’ heeft verdachte gezegd dat hij de moord op [slachtoffer] heeft gepleegd, dat hij daarvoor benaderd was door Turken en daarvoor € 10.000,- had gekregen.(34)

Verder heeft [medeverdachte 1] getoond daderwetenschap te hebben. Zo heeft hij tegen zowel ‘Alex’ als tegen [getuige] gezegd dat hij vijf keer heeft geschoten. Tegen Alex heeft hij voorts gezegd dat het kaliber van de patronen 7.65 mm was.(35)

De verklaringen van [medeverdachte 1] bevatten daarnaast vele details en worden ondersteund door andere onderzoeksresultaten, zoals verklaringen van getuigen in de omgeving van verdachte, zoals zijn moeder, broer en vriendin.

- Getuige [getuige], de moeder van [medeverdachte 1], heeft verklaard dat een zwarte scooter bij haar in de schuur heeft gestaan.(36)

- Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] begin 2007 heeft leren kennen en dat zijn broer [medeverdachte 1] klusjes deed voor [medeverdachte 2]. Eind 2006/begin 2007 zat [medeverdachte 1] in de financiële problemen en was hij drugsverslaafd. [medeverdachte 1] heeft hem verteld dat hij door [medeverdachte 2] was benaderd om voor geld iemand dood te schieten. De voorbereiding heeft ongeveer een half jaar geduurd. [medeverdachte 1] heeft op een Peugeot Zenith gereden. Die scooter heeft [medeverdachte 1] van [medeverdachte 2] gekregen in februari/maart/april 2007. Die scooter heeft ook een tijdje bij zijn moeder in de schuur aan de [straatnaam] in [plaats] gestaan. Dat was begin 2007. [medeverdachte 1] werd regelmatig door [medeverdachte 2] opgehaald tussen 06:00 uur en 08:00 uur ’s morgens. [medeverdachte 1] stapte dan bij [medeverdachte 2] in de auto. Vanaf daar reed hij naar [plaats], zo heeft [getuige] gehoord van [medeverdachte 1]. [getuige] heeft gezien dat [medeverdachte 2] soms met zijn auto achter [medeverdachte 1] – die op een scooter zat – aanreed. [medeverdachte 1] heeft hem een wapen laten zien. Het was een pistool dat er ongeveer hetzelfde als een politiepistool uit zag. Het magazijn zat nog helemaal vol met kogels en er zat nog een kogel in de kamer. [getuige] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 2] een Citroën Berlingo voor [medeverdachte 1] heeft gekocht om daarmee werkzaamheden te verrichten. [medeverdachte 1] moest bijvoorbeeld goederen halen voor het café, maar hij moest ook wel eens iemand in elkaar slaan of weedhokjes leeghalen.(37)

- Getuige [getuige], de partner van [medeverdachte 1], heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de dag van de schietpartij tegen haar heeft gezegd dat hij [slachtoffer] had neergeschoten. In de loop van die week heeft [getuige] gevraagd in wiens opdracht hij heeft gehandeld en zei “…dat het zeker die Turken waren”. [medeverdachte 1] heeft toen gezegd dat hij de opdracht van [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] had gekregen. [medeverdachte 2] kwam aanvankelijk één keer per week, en later vaker, bij hen aan de deur. Verdachte haalde [medeverdachte 1] ook wel eens op. Dat was in de week na de inbraak (hof: van 29 mei 2007). In de tijd dat ze in [plaats] woonden, had [medeverdachte 1] heel veel contact met [medeverdachte 2] en verdachte. Sinds ze in [plaats] wonen niet meer. Per 1 augustus 2007 zijn ze naar [plaats] verhuisd. [medeverdachte 1] heeft de week na de moord geld ontvangen voor het doden van [slachtoffer]. Hij had een stapel geld bij zich, dat verpakt zat in zilverfolie. In het zilverfolie zaten verschillende pakketjes geld in doorzichtig folie. [medeverdachte 1] had haar verteld dat het totale bedrag € 10.000,- was.(38) Verdachte heeft ze voor het eerst gezien toen verdachte samen met [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] kwam ophalen. Dit is geweest voor de moord op [slachtoffer]. Verdachte reed omdat [medeverdachte 2] zich meestal liet rijden.(39)

Daarnaast hebben ook getuigen die zich niet in de relatie- dan wel familiesfeer van [medeverdachte 1] bevinden verklaringen afgelegd waardoor de verklaringen van [medeverdachte 1] worden bevestigd, zoals de getuigen [getuige], [getuige], [getuige], medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte zelf.

- Getuige [getuige], de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat zij aan de [straatnaam] woont en een kelderbox heeft. Verdachte en zij hadden als enigen de sleutel van haar woning en de kelderbox. In haar kelderbox stond een jerrycan. Ten aanzien van haar rode Ford Ka, heeft zij verklaard dat zij die regelmatig aan verdachte heeft uitgeleend.(40) Voorts heeft zij verklaard dat zij bij TNT heeft gewerkt en dat zij in september 2006 een doos met werkkleding heeft ontvangen. In de doos zaten onder andere handschoenen, een sweater en een TNT jas. Alle kleding zat nieuw in plastic verpakt. De doos met de werkkleding bewaarde ze in haar kelderbox. Toen ze de doos met kleding weer inleverde bij TNT heeft ze niet gecontroleerd of alles erin zat.(41)

- Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 21 juni 2007 rond 08:40 uur bij de [straatnaam] een Ford Mondeo, oud model met kofferbak, heeft gezien. Het linker voorportier stond open. Een man op straat naderde de Ford Mondeo. De beide mannen hebben met elkaar gesproken. De man die in de auto zat, stapte uit en liep weg. Nadat de bestuurder was uitgestapt is de tweede man – die eerder de auto was genaderd – in de auto gestapt en weggereden in de richting van de [straatnaam]. De getuige stak de straat over en, na ongeveer vijftien meter de [straatnaam] opgelopen te zijn, zag de getuige vanachter de flat een zwarte bromfiets met een hoge snelheid wegrijden. De bromfiets reed dezelfde kant op als de Ford Mondeo. Hij omschrijft de huidskleur van de man die met de brommer weg reed als bruiner dan van de gemiddelde Nederlander. Hij denkt in de richting van Marokkaans of Turks.(42)

- Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij in het bezit was van een Ford Mondeo. De Mondeo staat op zijn naam, maar hij heeft de auto samen met zijn broer, verdachte, gekocht. Van deze auto maakten alleen [getuige] en zijn broer gebruik.(43)

- Verdachte heeft zelf verklaard dat hij een sleutel had van de kelderbox van

[getuige] en dat [medeverdachte 2] ook wel eens gebruik maakte van de kelderbox. [medeverdachte 2] vroeg dan de sleutel van hem en gebruikte die sleutel. Hij was er niet altijd bij als [medeverdachte 2] naar de kelderbox ging. Ten aanzien van de Ford Ka van [getuige] heeft verdachte verklaard dat hij regelmatig de rode Ford Ka van haar heeft geleend. (44) Hij heeft voorts verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van een Ford Mondeo. Die was van hem.(45) Ter terechtzitting bij de rechtbank van 12 januari 2010 heeft verdachte verklaard dat hij in het bezit is geweest van een Citroën Berlingo. Hij heeft deze auto gekocht voor € 2.500,-.

Tenslotte vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] steun in meer objectieve onderzoeksresultaten zoals het onderzoek naar de verschillende auto’s en het onderzoek naar de [straatnaam] en de [straatnaam].

- Uit de gegevens van de RDW blijkt dat [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [plaats] een Ford Mondeo met het kenteken [kentekennummer] van 22 november 2005 tot 7 maart 2007 op zijn naam had staan. Vanaf die datum tot 3 april 2008 heeft de auto op naam van zijn broer gestaan. Uit gegevens van het Centraal Justitieel Incassobureau blijkt dat verdachte op 27 november 2006 in [plaats] in deze auto is bekeurd. Voorts is gebleken dat verdachte enkele malen door politieambtenaren in deze auto als bestuurder is gesignaleerd.(46)

- Uit de gegevens van het RDW blijkt dat verdachte vanaf 26 juni 2007 een Citroën Berlingo op zijn naam heeft gehad.(47)

- [medeverdachte 1] is met verbalisanten langs de flat/kelderbox gereden, hij heeft aangewezen welk kelderbox het betreft. Het betreft een kelderbox gelegen in een flat aan de [straatnaam] met perceelnumers [nummers] als de flat waar [getuige] woont. [getuige] blijkt te wonen aan de [adres getuige]. Zij is een vriendin van verdachte.(48)

- [medeverdachte 1] is met verbalisanten langs de flat gereden aan de [straatnaam]. [medeverdachte 1] heeft aangewezen om welke flat aan de [straatnaam] het hier ging: de portiek (trappenhal) met huisnummers [nummers].(49) Getuige [getuige] woont aan de [adres getuige] en heeft verklaard [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] te kennen. [medeverdachte 2] kwam wel eens bij hem thuis. [medeverdachte 2] noemt [getuige] ook wel [getuige] of [getuige].(50) [medeverdachte 2] heeft op 19 juni 2007 gebeld en naar [getuige] gevraagd en is later die dag door ene [betrokkene] teruggebeld vanaf het vaste telefoonnummer van de woning van [getuige].(51)

Gelet op de volgende feiten en omstandigheden, zoals deze uit de bewijsmiddelen hierboven zijn af te leiden, komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat er sprake is geweest van opzet, voorbedachten rade en medeplegen.

- Verdachte is ter voorbereiding een aantal malen mee geweest om de dagelijkse gang van [slachtoffer] te observeren. Verdachte reed dan meestal.

- Verdachte was meermalen bij de kelderbox aan de [straatnaam], waarvan hij de sleutel had, om de scooter, de helm en de kleding aan [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen.

- Op de dag van de moord heeft hij ’s ochtends [medeverdachte 1] nog ontmoet. Voorts bevond hij zich later in de auto met [medeverdachte 2] van waaruit het oprijteken aan [medeverdachte 1] werd gegeven.

- Na de moord heeft hij diverse hand- en spandiensten verricht die tevoren waren afgesproken, zoals het met [medeverdachte 1] wisselen van voertuig, het plaatsen van de scooter in de kelderbox en het vervolgens met [medeverdachte 1] nog even rondrijden alvorens hem af te zetten.

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair

hij op 21 juni 2007 te [plaats],

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, vijf kogels op die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer].

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft medeverdachte [medeverdachte 1] ertoe aangezet het slachtoffer van het leven te beroven door hem een financiële vergoeding en voldoende klussen in het vooruitzicht te stellen. Verdachte heeft bij de voorbereidingen en op de dag van de moord een meer faciliterende rol gehad.

Van enig motief is niet gebleken, los van de vraag of enig motief een moord zou kunnen rechtvaardigen. Het ontbreken van een kenbaar motief maakt de moord op [slachtoffer] voor de nabestaanden echter nog smartelijker en onbegrijpelijker. Na een zorgvuldige en georganiseerde voorbereiding is het slachtoffer uiteindelijk in de ochtenduren van 21 juni 2007 bij de basisschool waar hij zojuist zijn zoontje naar toe had gebracht, vijfmaal beschoten. Drie kogels hebben het lichaam van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is als gevolg van de daardoor opgelopen verwondingen overleden. Verschillende ouders die op dat moment ook hun kind(eren) wegbrachten waren getuige van de moord.

Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van ernstig gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Door bovendien niet volledig opening van zaken te geven over het motief, de precieze toedracht van hun daad en de voorafgaande omstandigheden, heeft verdachte het verwerkingsproces bij met name de nabestaanden bemoeilijkt.

Aan de echtgenote, kinderen, verdere familie en kennissen van het slechts 47-jarige slachtoffer is door deze gewelddadige dood onpeilbaar leed toegebracht. Aan te nemen valt dat zij dat leed en de mede als gevolg daarvan ontstane schade nog lang, zo niet de rest van hun leven, zullen ervaren. Door feiten als het onderhavige worden niet alleen de nabestaanden maar wordt ook de rechtsorde op ernstige wijze geschokt en worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Moord, zoals in het onderhavige geval met het primair tenlastegelegde bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 maart 2012 betreffende verdachte heeft hij zich eerder aan geweldsdelicten schuldig gemaakt.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft het hof rekening gehouden met het adviesrapport en voorlichtingsrapport van de reclassering van 30 januari 2009 respectievelijk 8 april 2009 en het trajectconsult van J.H. Verhoef van 11 februari 2009. Uit het trajectconsult blijkt dat verdachte zich concreet en simpel denkend en pratend coöperatief toont tot volgzaam-aangepast met ook enige neiging tot bagatelliseren en externaliseren. Naast kortdurende PTSS-klachten en actueel piekeren over het tenlastegelegde zijn er in het consult verder geen psychiatrische functiestoornissen aantoonbaar en is de impulscontrole intact. Naast een persoonlijkheid met enige antisociale trekken, middelengebruik en matige begaafdheid, zijn geen psychiatrische stoornissen in engere zin, noch een verstandelijke beperking aantoonbaar die van invloed zouden kunnen zijn op de ontkenning.

Het hof is gelet op hetgeen hierboven is overwogen van oordeel dat het opleggen van een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

Door de rechtbank is het primair tenlastegelegde bewezenverklaard en is na de eis van de officier van justitie van een gevangenisstraf van 20 jaren, een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens hetzelfde feit als door de rechtbank bewezenverklaard tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

De raadsman heeft in zijn pleidooi betoogd dat rekening gehouden moet worden met het feit dat verdachte niet de hoofdrol had bij het plegen van de moord. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat uit de Wet herijking strafmaxima niet kan worden afgeleid dat vanuit de samenleving de behoefte bestaat om hogere straffen op te leggen voor gepleegde levensdelicten. Tenslotte heeft hij aangevoerd dat uit een strafmaatvergelijking in de jurisprudentie blijkt dat de onderhavige casus en de rol van verdachte meer vergelijkbaar zijn met zaken waarin gevangenisstraffen tot 12 jaar werden opgelegd, dan met zaken waarin hoger dan 12 jaren werd gestraft.

Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige moord hanteert het hof een gevangenisstraf van tussen de twaalf en achttien jaren, zoals ook wordt weergegeven in de databank consistente straftoemeting, waarin straffen zijn opgenomen die eerder voor dit soort feiten zijn opgelegd. Het hof ziet binnen de genoemde bandbreedte van vrijheidsstraffen, gelet op de in voormelde databank opgenomen, eerdere strafopleggingen voor levensdelicten van vergelijkbare aard en ernst, reden om de duur van de gevangenisstraf boven het midden te leggen. Zo is er geen enkele link tussen het slachtoffer en de daders en is er dus geen emotioneel of kenbaar motief. Het gaat om een lang tevoren geplande kille liquidatie die bovendien bij een school is gepleegd op een tijdstip dat veel ouders hun kind wegbrachten. Gelet op de in vergelijking met zijn mededaders geringere rol van verdachte komt het hof tot een lagere straf dan aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wordt opgelegd.

Het hof komt daardoor op een gevangenisstraf van 16 jaren voor de moord en acht deze straf passend en geboden.

Redelijke termijn

De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschreden nu het bijna 2 jaar en

2 maanden geleden is sinds het hoger beroep werd ingesteld. Hierdoor dient strafvermindering plaats te vinden.

Na onderzoek van de zaak is het volgende gebleken:

> verdachte is op 27 januari 2009 in verzekering gesteld;

> op 1 februari 2010 is door de rechtbank vonnis gewezen;

> op 11 februari 2010 is namens verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis;

> op 15 februari 2010 is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld;

> het dossier is op 12 april 2010 binnen gekomen bij het hof;

> op 16 december 2010 heeft de eerste regiebehandeling bij het gerechtshof te Arnhem plaatsgevonden. Het hof heeft toen bepaald een aantal getuigen te horen en het Crick-dossier aan het Dille-dossier toe te voegen;

> naar aanleiding van de toevoeging van het Crick-dossier heeft op 1 november 2011 andermaal een regiezitting plaatsgevonden. Hieruit zijn geen onderzoekshandelingen gekomen;

> de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 5 en 6 april 2012;

> dit arrest wordt gewezen op 2 mei 2012.

Het hof heeft geconstateerd dat tussen het instellen van hoger beroep en het arrest van het gerechtshof een te lange periode is verstreken. Dit houdt echter een geringe overschrijding in. Een duidelijk aanwijsbare oorzaak hiervoor is niet te geven. Het hof zal echter volstaan met de constatering en hieraan geen verdere consequenties verbinden, nu de geringe overschrijding in hoger beroep teniet gedaan wordt door de snelheid van de totale behandeling. Immers binnen drie jaar en vier maanden is er in twee instanties uitspraak gedaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Standpunt benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 71.848,73. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 28.680,32. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van EUR 71.755,29.

Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende kosten:

- € 34.810,71 uitvaartkosten;

- € 540,00 kosten reizen en vervoer;

- € 250,00 kosten telefoon en porto;

- € 21.654,58 overige kosten, o.a. aangaande rouwbegeleiding resp. uitloven beloning;

- € 4.500,00 kosten rechtsbijstand;

- € 10.000,00 shockschade.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende betoogd. De kosten van rouwadvertenties, de kosten die zijn gemaakt ter uitloving van een beloning en de shockschade komen niet voor toewijzing in aanmerking. Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand stelt de verdediging zich op het standpunt dat deze gelet op de relatieve mate van ingewikkeldheid dienen te worden beoordeeld naar redelijkheid en billijkheid. Een toewijzing tot een bedrag van € 2.500,- is redelijk en billijk.

De gevorderde uitvaartkosten dienen in overeenstemming te zijn met de omstandigheden van de overledene. De kosten van het grafmonument ad € 5.359,-en de bronzen gedenkplaat ad € 1.577,- voldoen niet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid en zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat de uitvaartkosten, de reiskosten, de telefoon en portokosten en de kosten rechtsbijstand geheel dienen te worden toegewezen. Ten aanzien van de overige kosten dienen de kosten van het notariskantoor ad € 390,35 en de kosten van de rouwbegeleiding ad € 3.227,50 te worden toegewezen. Ten aanzien van de kosten in verband met het uitloven van een beloning is de advocaat-generaal van oordeel dat wellicht een deel van deze kosten kan worden meegenomen. Met betrekking tot kosten van de rouwadvertenties van het personeel van [slachtoffer] en de shockschade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Concluderend komt de advocaat-generaal tot een toewijzing tot een bedrag van € 53.718,56. Voor dat bedrag vordert hij tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De vordering terzake van uitvaartkosten is geheel toewijsbaar. De kosten zijn door middel van nota’s goed onderbouwd en zijn, gegeven de levensstandaard van het slachtoffer en zijn gezin, niet bovenmatig. Het hof heeft daarbij acht geslagen op artikel 6:108 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek waarin wordt bepaald dat degene die aansprakelijk is voor het overlijden verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

De kosten van de rechtsbijstand zullen eveneens geheel worden toegewezen.

Ten aanzien van de vergoeding van de gevorderde shockschade heeft het hof gelet op HR 22 februari 2002, LJN AD5356. Hieruit blijkt dat de aard van deze schade meebrengt dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en, (?) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt. Daarnaast is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Een dergelijke vordering is niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding (HR 3 juli 2007, LJN BA5624). Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de overige gevorderde schadeposten is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het bijzonder de vraag of deze posten het kader van artikel 6:108, tweede lid BW niet te buiten gaan, verdient uitgebreider bespreking dan in het kader van deze strafzaak mogelijk is. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 34.810,71 (vierendertigduizend achthonderdtien euro en eenenzeventig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van EUR 34.810,71 (vierendertigduizend achthonderdtien euro en eenenzeventig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 209 (tweehonderdnegen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.P. Bordes en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 2 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 20 december 2011, LJN BP0070

2 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt verwezen naar de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal "onderzoek DILLE" regiopolitie Noord en Oost Gelderland, te weten de ordners 1 tot en met 18 en de aanvullende procesdossiers A tot en met H. 3 Het proces-verbaal van bevindingen (map 1, pag. 8 e.v.)

4 Het proces-verbaal van confrontatie (map 1, pag. 276.e.v.)

5 De processen-verbaal van verhoor van [getuige] (map1, pag. 89), [getuige] (map 1, pag. 47 e.v.), [getuige] (map 1, pag. 71 e.v.) en [getuige] (map 1, pag. 57)

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] (map 1, pag. 43 e.v.)

7 Proces-verbaal van het Forensisch Technisch Onderzoek op de plaats delict (map 2, pag. 368 e.v.) en het NFI deskundigenrapport munitieonderzoek van 28 augustus 2007 van B. Jacobs (map 5, pag. 1661 e.v.).

8 Het deskundigenrapport (sectierapport) opgemaakt door dr B. Kubat van 2 juli 2007 (map 2, pag. 409 e.v.).

9 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 876)

10 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 881 e.v. i.h.b. pag. 883)

11 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 885 e.v. i.h.b. pag. 886)

12 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 881 e.v. i.h.b. pag. 883)

13 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 876 en 877)

14 Proces-verbaal ven verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 885 e.v. i.h.b. pag. 888)

15 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 893 e.v. i.h.b. pag. 894)

16 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 878)

17 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 893 e.v. i.h.b. pag. 895)

18 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 877)

19 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 885 e.v. i.h.b. pag. 887 en 888)

20 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 893 e.v. i.h.b. pag. 894)

21 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 893 e.v. i.h.b. pag. 895)

22 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 878)

23 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 893 e.v. .h.b. pag. 895)

24 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 878 en pag. 893 e.v. i.h.b. pag. 895)

25 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 916 e.v. i.h.b. pag. 917)

26 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 879)

27 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 885 e.v. i.h.b. pag. 889)

28 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 875 e.v. i.h.b. pag. 879 en pag. 933 e.v. i.h.b. pag. 938 .)

29 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (map 3, pag. 881 e.v.) i.h.b. pag. 884

30 OVC gesprek gespreksnummer 275901846 (map 2, pag. 695 e.v.)

31 OVC gesprek gespreksnummer 275932521 (map 2, pag. 710 e.v.)

32 OVC gesprek gespreksnummer 275962774 (map 2, pag. 736 e.v.)

33 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] (map 3, pag. 1055 e.v.)

34 Proces-verbaal van bevindingen A-3170 (‘Alex’) (map 2, pag. 666 e.v, pag. 677 e.v. en pag. 686 e.v.)

35 Proces-verbaal van bevindingen A-3170 (‘Alex’) (map 2, pag. 686 e.v. en 666 e.v.) en het OVC gesprek gespreksnummer 275962774 (map 2, pag. 736 e.v. i.h.b. p. 740)

36 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 4, pag. 1410 e.v. i.h.b. pag. 1412)

37 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 5, pag. 1434 e.v.)

38 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 3, pag. 1006 e.v. i.h.b. 1007, 1008 en 1010)

39 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] (map 3, pag. 1055 e.v. i.h.b. 1056)

40 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 4, pag. 1300 e.v. i.h.b. pag. 1303, 1304, 1305 en 1306)

41 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 4, pag. 1312 e.v.i.h.b. pag. 1316 en 1317)

42 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 4, pag. 1667 e.v.)

43 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] (map 5, pag. 1700 e.v. i.h.b. pag. 1702)

44 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] (map 4, pag. 1189 e.v. i.h.b. pag. 1192 en 1193)

45 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] (map 4, pag. 1207 e.v. i.h.b. pag. 1210)

46 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (map 5, pag. 1681 e.v.)

47 Uitdraai van het RDW (map 6, pag. 1997)

48 Proces-verbaal van bevindingen (map 3, pag. 913 e.v.)

49 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (map 3, pag. 915 e.v.)

50 Proces-verbaal van verhoor [getuige] (map 6, pag. 1977 e.v.)

51 Tapgesprek 273997031 en tapgesprek 273997058 (map 6, pag. 1989)