Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW4592

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
200.099.551
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BU7469, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overtreding relatiebeding. Spoedeisend belang bij voorschot op contractuele boete aangenomen. Geen matiging. Uitleg relatiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0479

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.551

(zaaknummer rechtbank 222059)

arrest in kort geding van de derde kamer van 17 april 2012

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A. Robustella,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Young Career B.V.,

handelend onder de naam Young Engineering,

statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

hierna: Young Career,

advocaat: mr. F. van Passel.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 24 november 2011 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem, sector civiel recht, tussen [appellant] als gedaagde en Young Career als eiseres heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 21 december 2011 Young Career aangezegd van dat vonnis van 24 november 2011 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Young Career voor dit hof.

2.2 In genoemd exploot heeft [appellant] vier als zodanig geformuleerde grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

- de door Young Career in de dagvaarding van 31 oktober 2011 geformuleerde en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het kort geding gewijzigde vorderingen zal afwijzen;

- Young Career zal veroordelen aan [appellant] te voldoen het bedrag van € 6.452,31, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van restitutie van het bedrag van € 6.452,31;

- Young Career zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 [appellant] heeft schriftelijk voor eis geconcludeerd overeenkomstig het hiervoor vermelde exploot.

2.4 Bij memorie van antwoord heeft Young Career verweer gevoerd en heeft zij zes nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen als ongegrond en onbewezen zal afwijzen, en het bestreden vonnis, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.5 Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd.

Grief I

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter nagelaten ambtshalve te overwegen, respectievelijk vast te stellen, dat het Young Career ontbreekt aan een spoedeisend belang bij toewijzing van een voorschot op de contractuele boete van € 5.000,-.

Grief II

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.6: “Het relatiebeding verstaat onder zakelijke contacten ‘het acquireren in de ruimste zin des woords dan wel het betrokken zijn bij dergelijke acquisities met betrekking tot producten en artikelen dan wel diensten die Young Career in haar assortiment heeft en/of had, dan wel trachten deze te verkopen of daadwerkelijk te verkopen’. Young Career heeft onbetwist gesteld dat het in de branche van werving en selectie en detachering gebruikelijk is dat kandidaten worden aangezocht die vervolgens aan de opdrachtgevers worden voorgesteld met als doel een kandidaat in een vacature bij een opdrachtgever te plaatsen. Young Career houdt met het oog hierop een kandidatenbestand bij. Bij plaatsing van een kandidaat ontvangt het werving- en selectiebedrijf een vergoeding van de opdrachtgever en op die manier genereert Young Career winst. Het kandidatenbestand is dan ook van wezenlijk belang voor Young Career. Het ligt dan ook voor de hand dat Young Career ook deze kandidaten onder het relatiebeding heeft willen brengen. Bovendien wijst de vermelding ‘acquisitie kandidaat’ op de daglijsten erop dat het binnen de onderneming van Young Career ook gebruikelijk was dat onder acquireren ook de kandidaten werden verstaan. Voorshands oordelend ligt het dan ook meest voor de hand om onder ‘zakelijke contacten’ ook het werven (acquireren) van kandidaten te begrijpen. Van een onduidelijk relatiebeding is dan ook geen sprake. Het verweer van [appellant] dat zij nooit een aanvullende uitleg over het relatiebeding heeft gehad en dat de contra-proferentemregel zich hier laat gelden, kan gelet op het bovenstaande dan ook niet slagen.”

Grief III

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.10:

“Ook het gevorderde verbod het relatiebeding te overtreden op straffe van een dwangsom zal worden toegewezen nu Young Career voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gevaar bestaat dat [appellant] haar overtreding van het relatiebeding wellicht zal voortzetten.

De voorzieningenrechter ziet echter wel aanleiding de gevorderde dwangsom te maximeren op een bedrag van € 50.000,00.”, en oordeelt de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.11 ten onrechte dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van € 1.452,31 zal worden veroordeeld.

Grief IV

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de - gewijzigde - vorderingen van Young Career toegewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure van € 1.452,31.

4. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis. Bij haar memorie van antwoord heeft Young Career een arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Parco Payrolling B.V., waarin is vermeld dat deze vennootschap [appellant] ter beschikking stelt aan Young Career, overgelegd, alsmede (tussen [appellant] en Young Career overeengekomen) “aanvullende bepalingen ter zake de arbeidsovereenkomst van Parco Payrolling B.V.”, waarin het in rechtsoverweging 2.2 van het bestreden vonnis vermelde relatiebeding is opgenomen. Nu [appellant] nog niet op deze stukken - die op zichzelf niet leiden tot een andere beoordeling van de vorderingen van Young Career - heeft kunnen reageren, zal het hof deze stukken buiten beschouwing laten.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 De voorzieningenrechter heeft terecht tot uitgangspunt genomen, dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. Daarbij zal niet alleen moeten worden onderzocht, of het bestaan van de door de eisende partij ingestelde vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl bij de afweging van de belangen van de partijen mede zal moeten worden betrokken de vraag naar het restitutierisico, welk risico kan bijdragen tot weigering van de gevorderde voorziening.

Aan het voorgaande voegt het hof nog toe dat voor nader onderzoek om tot vaststelling van een bepaalde rechtstoestand of van feiten en/of omstandigheden te komen, in een kort gedingprocedure in beginsel geen plaats is. Dat dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.

5.2 Voor zover [appellant] met grief I heeft betoogd, dat de voorzieningenrechter ten onrechte een spoedeisend belang aan de zijde van Young Career bij het door haar gevorderde voorschot op de contractuele boete aanwezig heeft geoordeeld, faalt deze grief. Naar het oordeel van het hof vloeit het spoedeisend belang van Young Career bij deze vordering voort uit de door haar gestelde overtreding van het relatiebeding door [appellant]. Een in een relatiebeding overeengekomen boete dient immers vooral als een prikkel voor degene die door het beding is gebonden, om zich aan het overeengekomen relatiebeding te houden. Die prikkel wordt in stand gehouden wanneer een verbeurde boete ook snel kan worden geïncasseerd. Ook in hoger beroep is niet gesteld of gebleken dat het risico bestaat dat Young Career het gevorderde bedrag niet zal kunnen terugbetalen indien de bodemrechter anders zou oordelen.

5.3 Voor zover in de toelichting op grief I wordt betoogd, dat het voorschot op de contractuele boete dient te worden afgewezen, omdat een meer dan gerede kans bestaat, dat de bodemrechter de boete zal matigen tot nihil, zal het hof grief I gezamenlijk met de grieven II en III behandelen.

5.4 Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de vraag, hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen de partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat, die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers volgens vaste jurisprudentie aan op de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kring(en) partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Aan de taalkundige betekenis en interpretatie van de bewoordingen van de overeenkomst komt grote betekenis toe, waarbij beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende betekenis van de omstreden bewoordingen.

5.5 Zoals [appellant] ook zelf in hoger beroep heeft betoogd, is de constatering van de voorzieningenrechter, dat Young Career onbetwist heeft gesteld dat het in de branche van werving en selectie en detachering gebruikelijk is dat kandidaten worden aangezocht die vervolgens aan de opdrachtgevers worden voorgesteld met als doel een kandidaat in een vacature bij een opdrachtgever te plaatsen, juist. Voorts is volgens [appellant] de constatering van de voorzieningenrechter, dat Young Career bij plaatsing van die kandidaat een vergoeding van de opdrachtgever ontvangt en op die manier winst genereert, juist. [appellant] onderschrijft eveneens dat het kandidatenbestand voor Young Career van belang is. Het vervolgens door haar gemaakte onderscheid tussen het kandidatenbestand en het bestand van opdrachtgevers, welk bestand volgens haar “van wezenlijk belang” is, acht het hof echter niet juist. Niet valt in te zien, dat het bestand van opdrachtgevers van groter belang is voor Young Career dan het kandidatenbestand: zonder kandidaten immers ook geen opdrachten (en dus geen inkomsten).

5.6 [appellant] kan worden toegegeven, dat de omstandigheid, dat het voor de hand ligt, dat Young Career ook de kandidaten onder het relatiebeding heeft willen brengen, op zichzelf niet leidt tot een uitleg zoals voorgestaan door Young Career. De omstandigheid, dat het kandidatenbestand van Young Career voor haar even belangrijk is als haar bestand van opdrachtgevers, leidt echter in samenhang met de constatering, dat op de daglijsten “acquisitie kandidaat” is vermeld - op grond waarvan voorshands aannemelijk is dat het binnen de onderneming van Young Career gebruikelijk is om onder “acquireren” niet alleen het werven van opdrachtgevers, maar ook het werven van kandidaten te verstaan - wel tot de door Young Career verdedigde uitleg. Met de voorzieningenrechter acht het hof het dan ook voor de hand liggend om onder “zakelijke contacten” ook het werven van kandidaten te begrijpen. Anders dan [appellant] is het hof van oordeel, dat de tekst van het relatiebeding, waarin een aantal voorbeelden van zakelijke contacten naast elkaar worden vermeld, niet onduidelijk is of tot een andere uitleg dwingt.

5.7 Nu [appellant] geen grieven heeft gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 van het bestreden vonnis voor zover het de contacten tussen haar en [naam] betreft, gaat ook het hof er in deze kort gedingprocedure van uit, dat [appellant] het relatiebeding in ieder geval eenmaal heeft overtreden en wel door de email- en twitter-correspondentie met [naam]. Daarmee heeft Young Career naar het voorlopig oordeel van het hof reeds voldoende belang bij haar vordering tot het geven van een verbod om het relatiebeding te overtreden.

5.8 [appellant] heeft verder op grond van deze, vooralsnog voldoende aannemelijk geworden, overtreding van het relatiebeding in ieder geval eenmaal de overeengekomen boete van € 5.000,- verbeurd. Voor haar betoog dat de vordering van Young Career tot betaling van een voorschot van € 5.000,- (op het volgens Young Career inmiddels verbeurde hogere boetebedrag) moet worden afgewezen omdat een meer dan gerede kans bestaat, dat de bodemrechter de boete zal matigen tot nihil, heeft [appellant] een beroep gedaan op artikel 6:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Feiten of omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid klaarblijkelijk eist, dat de bedongen boete wordt gematigd, zijn naar het voorlopig oordeel van het hof echter gesteld noch gebleken. Het ontbreken van schade aan de zijde van Young Career acht het hof daarvoor niet voldoende. Een boete dient immers als prikkel tot nakoming en niet tot vergoeding van schade. [appellant] heeft ook gesteld dat zij eigener beweging een verklaring aan Young Career (in de persoon van haar bestuurder [naam]) heeft verstrekt omtrent haar contacten met [naam], maar uit die reactie van [appellant] (“Ik zag je post v. [naam]. (…)”) volgt reeds dat zij heeft gereageerd naar aanleiding van een opmerking van [naam] en dus niet uit eigen beweging.

5.9 Naar het oordeel van het hof zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken, op grond waarvan de boete het hof bovenmatig voorkomt zoals bedoeld in artikel 7:650 lid 6 BW.

5.10 Gelet op het voorgaande faalt grief I, voor zover weergegeven in rechtsoverweging 5.3, en de grieven II en III. Grief IV heeft geen zelfstandige betekenis en deelt daarom het lot van de andere grieven. Het bewijsaanbod van [appellant] passeert het hof, reeds omdat, zoals in rechtsoverweging 5.1 is overwogen, in een kort gedingprocedure geen plaats is voor een nadere instructie van de zaak.

6. De slotsom

6.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Young Career worden begroot op € 649,- voor griffierecht en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief I).

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 24 november 2011;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Young Career vastgesteld op € 649,- voor griffierecht en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en G.P.M. van den Dungen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 april 2012.