Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW4243

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11/00388 en 11/00389
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Inwoner van Duitsland die zowel in Nederland als in Duitsland werkzaamheden verricht, is in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1926 met annotatie van deHaan
FutD 2012-1234
V-N Vandaag 2012/1143
V-N 2012/31.2.4

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00388 en 11/00389

uitspraakdatum: 17 april 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2011, nummers AWB 10/2841 en AWB 09/4391, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.930. Daarbij is bij beschikking een bedrag aan heffingsrente vergoed. Voor het jaar 2004 is aan belanghebbende een aanslag IB/PV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.163. Daarbij is bij beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2003 ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft op het bezwaar van belanghebbende de voor het jaar 2004 opgelegde aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.468 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 10 mei 2011 gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag voor het jaar 2003 verminderd met het daarin begrepen bedrag aan inkomstenbelasting, tot een bedrag van € 7.840 aan premie volksverzekeringen en de aanslag voor het jaar 2004 verminderd met het daarin begrepen bedrag aan inkomstenbelasting tot een bedrag van € 8.009 aan premie volksverzekeringen.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, voorafgaand aan het onderzoek ter zitting door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.7 Met instemming van partijen zijn ter zitting de beroepschriften van belanghebbende met de rolnummers 11/00387 tot en met 11/00393, alsmede het verzetschrift dat door belanghebbende namens A BV is ingediend tegen de uitspraak met het rolnummer 11/00386 van de eerste enkelvoudige belastingkamer van het Hof, gelijktijdig behandeld. Hetgeen ter zitting is opgemerkt wordt geacht op alle zaken betrekking te hebben tenzij uit het zinsverband anders blijkt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8 Belanghebbende heeft, na het sluiten van het onderzoek ter zitting, per fax nog nadere stukken overgelegd. Het Hof slaat op deze stukken, die geen aanleiding vormen het onderzoek te heropenen, geen acht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende was in de onderhavige jaren als directeur in dienstbetrekking werkzaam bij A BV (hierna: de Holding). Belanghebbende was enig aandeelhouder van de Holding. De Holding heeft aan belanghebbende, in verband met het verrichten van werkzaamheden, een personenauto ter beschikking gesteld.

2.2 Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren in Duitsland.

2.3 De Holding was enig aandeelhouder van B BV (hierna: de BV), van C GmbH (hierna: de GmbH) en van D Limited (hierna: de Ltd). De gezamenlijke rechtspersonen worden hierna ook aangeduid als het concern. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Holding in de onderhavige jaren feitelijk door belanghebbende werd geleid vanuit zijn woonplaats in Duitsland en dat de Holding in Duitsland was gevestigd. Dit oordeel is door de Inspecteur in hoger beroep niet bestreden.

2.4 Binnen het concern werden in de onderhavige jaren ondernemingen uitgeoefend die zich richtten op - onder meer - het verrichten van metselwerken. Belanghebbende verrichtte als werknemer van de Holding werkzaamheden ten behoeve van de BV, de GmbH en de Ltd. De Holding heeft hiervoor managementfees in rekening gebracht bij de desbetreffende vennootschappen. Naast het salaris van de Holding ontving belanghebbende ook rechtstreeks van de GmbH een salaris. Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden voor de Holding, de BV en voor de GmbH zowel in Nederland als in Duitsland.

2.5 Op schriftelijk verzoek van de Sociale Verzekeringsbank te Q heeft GVK Spitzenverband, Deutsche Verbindungsstelle – Krankenversicherung Aussland te R, op 2 juli 2010 verklaard dat belanghebbende “in seiner Tätigkeit als Geschäftsführer sowohl der [GmbH] als auch der niederländischen Gesellschaften als Selbständiger [galt].”

Feiten met betrekking tot het jaar 2003

2.6 Belanghebbende had in 2003 voor het verrichten van zijn werkzaamheden de beschikking over een Mercedes S320 CDI Sedan, met een cataloguswaarde van € 92.487 (hierna: de Mercedes). De rittenadministratie met betrekking tot deze personenauto vermeldt in 2003, naast een groot aantal ritten naar andere adressen in Nederland, 99 ritten naar het adres a-straat 1 in S, het kantooradres van Accountantskantoor E (hierna: E), de toenmalige belastingadviseur van belanghebbende en het concern.

2.7 Belanghebbende heeft het hem uitgereikte aangiftebiljet IB/PV voor het jaar 2003 niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. De Inspecteur heeft daarop het belastbare inkomen van belanghebbende ambtshalve vastgesteld, berekend als volgt:

Loon uit dienstbetrekking bij de Holding € 20.430

Andere inkomensbestanddelen € 4.500

Totaal € 24.930

De vastgestelde aanslag, gedagtekend 8 november 2006, bedraagt € 8.761, te weten € 921 aan inkomstenbelasting en € 7.840 aan premie volksverzekeringen.

2.8 E heeft op 21 maart 2007 alsnog voor belanghebbende een aangifte ingediend waarin de volgende bestanddelen zijn opgenomen:

Loon uit dienstbetrekking bij de Holding € 20.430

Inkomsten GmbH € 8.386

Privégebruik auto 10% van € 60.000 € 6.000

Negatieve inkomsten uit eigen woning € 12.448 -/-

Betaalde premies WAZ € 2.370 -/-

Totaal € 19.998

Feiten met betrekking tot het jaar 2004

2.9 E heeft op 7 juni 2007 voor belanghebbende een aangifte ingediend waarin de volgende bestanddelen zijn opgenomen:

Loon uit dienstbetrekking bij de Holding € 15.300

Inkomsten GmbH € 12.876

Privégebruik auto 22% van € 92.487 x 10/12 € 16.955

Negatieve inkomsten uit eigen woning € 12.359 -/-

Totaal € 32.772

2.10 Na het belastbare inkomen aanvankelijk op € 36.163 te hebben vastgesteld, heeft de Inspecteur het belastbare inkomen bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 34.468, uitgaande van een privégebruik van de Mercedes gedurende 11 maanden. Na de uitspraak bedraagt de aanslag € 11.294, te weten € 3.285 aan inkomstenbelasting en € 8.009 aan premie volksverzekeringen, het voor 2004 verschuldigde bedrag over een maximaal premie-inkomen van € 29.543.

2.11 De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende als inwoner van Duitsland in Nederland geen binnenlands belastbaar inkomen heeft genoten en dat de aanslagen voor 2003 en 2004, voor wat betreft het daarin opgenomen bedrag aan inkomstenbelasting, ten onrechte aan belanghebbende zijn opgelegd. Dit oordeel is in hoger beroep niet bestreden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is nog slechts in geschil of belanghebbende in 2003 en 2004 in Nederland verzekerd was voor de volksverzekeringen.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de vorenstaande vraag ontkennend. Hij stelt dat verzekeringsplicht slechts kan worden aangenomen als het lichaam waarbij hij in loondienst werkzaam is, in Nederland is gevestigd. Het staat echter vast dat de Holding en de GmbH in Duitsland zijn gevestigd.

3.3 De Inspecteur is van mening dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vestigingsplaats van de werkgever niet van belang is voor het antwoord op de vraag waar iemand verzekerd is. Doorslaggevend is waar de werkzaamheden worden verricht en hoe de Lid-Staat de werkzaamheden kwalificeert die op zijn grondgebied zijn uitgeoefend. De Inspecteur beantwoordt de vorenstaande vraag bevestigend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de aanslagen.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende woonde in 2003 en 2004 in Duitsland en oefende in die jaren zijn werkzaamheden voor de Holding, de BV en de GmbH zowel in Duitsland als in Nederland uit. De vraag in welk land belanghebbende verzekerd is, moet worden beantwoord aan de hand van de bepalingen in de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen (hierna: Verordening 1408/71). Dit is tussen partijen niet in geschil.

4.2 Belanghebbende stelt zich, naar het Hof begrijpt, in hoger beroep op het standpunt dat er in Nederland geen lichaam is gevestigd tot welk hij in loondienst staat/kan staan, dat de Duitse bevoegde instantie zijn arbeid, zowel die verricht voor de GmbH als de arbeid verricht voor de in Duitsland gevestigde Nederlandse vennootschappen, beschouwt als arbeid die is verricht door een zelfstandige en dat hij, op grond van artikel 14bis van de Verordening 1408/71, verzekerd is in Duitsland.

4.3 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat artikel 14quater, van de Verordening 1408/71 van toepassing is en dat de verzekeringsplicht is toegewezen aan Nederland. Hij heeft ter zitting van het Hof verklaard dat belanghebbende premieplichtig is op grond van artikel 6a van de AOW en overeenkomstige bepalingen in de overige volksverzekerings-wetten en dat het premie-inkomen van belanghebbende bestaat uit zijn wereldinkomen.

4.4 Voor de toepassing van de artikelen 14bis en 14quater van de Verordening 1408/71 moeten onder “werkzaamheden in loondienst” en “werkzaamheden anders dan in loondienst” de werkzaamheden worden verstaan die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan deze werkzaamheden worden uitgeoefend (HvJ EG 30 januari 1997, nr. C-340/94 De Jaeck, punt 34, LJN: ZB6758). Dit houdt in dat iedere Lid-Staat bevoegd is de werkzaamheden te kwalificeren die op zijn grondgebied zijn verricht, ongeacht de kwalificatie die aan dezelfde werkzaamheden wordt gegeven in de woonstaat of de vestigingsstaat van degene die de werkzaamheden verricht of voor wie de werkzaamheden worden verricht.

4.5 Het is niet in geschil dat de werkzaamheden die belanghebbende in Duitsland verricht voor de Holding, de BV en de GmbH, door het bevoegde Duitse orgaan worden aangemerkt als arbeid, verricht door een zelfstandige, derhalve, in de Nederlandse vertaling, als werkzaamheden, anders dan in loondienst. Het is evenmin in geschil dat de arbeidsverhouding tussen belanghebbende en de Holding en tussen belanghebbende en de GmbH naar Nederlandse maatstaven als een dienstbetrekking moet worden aangemerkt en de werkzaamheden in loondienst zijn verricht (verg. HR 2 juli 1997, nr. 29332, LJN AA3216, BNB 1997/309).

4.6 Artikel 14quater, aanhef en onder a, van de Verordening 1408/71 bepaalt dat op degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van verschillende Lid-Staten uitoefent, de wetgeving van toepassing is van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent.

4.7 Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank alsnog aanvaard dat hij, naar de in Duitsland aangelegde maatstaven, zijn werkzaamheden aldaar als zelfstandige en niet in loondienst uitoefent. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij zijn werkzaamheden in loondienst, naast Nederland, op het grondgebied van een andere Lid-Staat uitoefent. De situatie van belanghebbende is voorts niet genoemd in Bijlage VII bij de Verordening 1408/71. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende dan, met uitsluiting van iedere andere Lid-Staat, onderworpen aan de sociale zekerheidswetgeving van Nederland. Dat de loondienstverhouding niet bestaat tot een in Nederland gevestigd lichaam doet, anders dan belanghebbende kennelijk meent, daaraan niet af.

4.8 In hoger beroep is niet in geschil dat het premie-inkomen voor de onderhavige jaren niet te hoog is vastgesteld.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 17 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 april 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.