Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW4223

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
21-002280-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Hoewel niet vaststaat wie van verdachten de braak heeft gepleegd en de buit heeft weggenomen, kan worden bewezen dat verdachte schuldig is aan medeplegen."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002280-08

Uitspraak d.d.: 11 april 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 21 mei 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-515036-06, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, S. de Korte, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 08 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een personenauto ([auto merk], kenteken [kenteken]) heeft weggenomen een tas (met inhoud, waaronder een bedrag aan geld (van in totaal ongeveer 2.450 euro) en/of twee mobiele telefoons en/of twee paspoorten en/of een verblijfsvergunning en/of rijbewijs en/of bril en/of portemonnee en/of bankpas en/of agenda en/of twee acculaders en/of meerdere kentekenbewijzen en/of contactlenzendoos en/of armband), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft /hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebbengebracht door middel van braak, verbreking te weten door het inslaan van een ruit van die auto;

subsidiair:

hij op of omstreeks 8 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een andere of anderen, althans alleen. twee mobiele telefoons, in elk geval enig goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze goederen en/of goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het signalement van de dader niet duidelijk is en daarmee niet vastgesteld kan worden wie de dader is geweest. Ook zou er geen sprake van medeplegen kunnen zijn nu niet uit het dossier blijkt van een vooropgezet plan.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.1

Aangeefster is het slachtoffer geworden van een beroving waarbij een raam van de door haar bestuurde auto is ingeslagen waarna vervolgens haar handtas met inhoud werd weggenomen. Zij heeft verklaard2 dat zij op 8 januari 2008 rond 01.30 uur vanaf het [straatnaam A] in Utrecht naar huis reed in haar donderblauwe [auto merk]. Vanaf het [straatnaam A] rijdt zij de [straatnaam B] op. Haar handtas staat naast haar op de bijrijdersstoel. Een paar minuten later staat zij stil voor een rood stoplicht op de [straatnaam B]. Op dat moment hoort zij een heleboel lawaai. Zij ziet dat het raam aan de passagierszijde kapot is. Zij ziet ook dat een jongen met een capuchon om zijn hoofd haar handtas van de passagiersstoel wegpakt. In haar handtas zitten onder andere een mobiele telefoon van het merk [merk] en een mobiele telefoon van het merk [merk] (goederenbijlage bij aangifte). Nadien heeft aangeefster nog verklaard dat in haar handtas naast een ander bedrag ook een bedrag van

€ 700,00 zat en dat zij een witte auto heeft zien wegrijden waarvan de eerste twee letters van het kenteken een [kenteken] en een [kenteken] waren.3 Kort na de beroving komen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse. Aangeefster verklaart tegenover verbalisant [verbalisant 1] dat het gaat om twee jongens van vermoedelijk Marokkaanse afkomst die beiden een capuchon droegen.4 [getuige 1]5 verklaart tegenover verbalisant [verbalisant 2] dat hij met [getuige 2] in een auto naast de auto van aangeefster stond op het moment van de beroving. Hij ziet dat er een witte auto schuin achter hem ging staan, dat er twee jongens uit deze auto stappen, dat een van de jongens de ruit had "geknald" en dat vervolgens een tas uit de auto wordt getrokken waarna beide jongens wegrennen en de witte auto wegrijdt. Het kenteken van de witte auto begon met de combinatie [kenteken].

Om 01.31 uur wordt de beroving via het portofonisch berichtenverkeer van de politie doorgegeven.6 Even later zien verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een witte [auto merk] met kenteken [kenteken] rijden over de [straatnaam C]. In de auto zitten vier personen. De auto wordt aan de kant gezet en om 01.41 uur worden de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] aangehouden.7 [medeverdachte 1] is de bestuurder van de auto. [medeverdachte 2] de bijrijder. [medeverdachte 3] en [verdachte] zitten links respectievelijk rechts achterin. [medeverdachte 3] draagt een zwart bomberjack met capuchon, [verdachte] een wit vest met horizontale donkere strepen met capuchon. De beide anderen hebben geen kleding met capuchon aan.8

In de auto treft de politie aan een mobiele telefoon [merk] en een mobiele telefoon [merk]9. Nader onderzoek wijst uit dat het hier de weggenomen mobiele telefoons van aangeefster betreft. 10

Onder [medeverdachte 1] wordt een bedrag van € 750,00 in beslag genomen.11 Op camerabeelden ziet de politie dat op 8 januari 2008 om 01.24.26 uur een witte personenauto over het [straatnaam A] rijdt, om 01.27.46 uur een donkerkleurige auto gelijkend op de auto van aangeefster het [straatnaam A] verlaat richting [straatnaam B] en om 01.27.56 uur een witte personenauto het [straatnaam A] verlaat in de richting van de [straatnaam B].12 Op grond van vergelijking van foto's van de auto waarin verdachten reden met de hiervoor genoemde camerabeelden concludeert verbalisant [verbalisant 5] dat deze auto overeenkomt met de auto op de camerabeelden.13 In de auto waarin verdachten reden, is een stukje glas aangetroffen.14 Dit stukje glas is onderzocht door deskundige Hordijk van het NFI. De conclusie van dit onderzoek is dat dit stukje glas zeer waarschijnlijk overeenkomt met het glas van de auto van aangeefster.15

[verdachte] heeft, nadat hem werd voorgehouden dat er twee telefoons die enige minuten daarvóór waren weggenomen bij een straatroof, zijn aangetroffen in de auto waarin hij zat, verklaard "wij zijn niet gestopt of zo"16.

Op basis van voorgaande feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachten [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging aangeefster hebben beroofd. Zij zijn aangeefster, die als prostituee op het [straatnaam A] werkte en na haar werk naar huis ging, in de witte [auto merk] gevolgd. Vervolgens zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] uit de door [medeverdachte 1] bestuurde auto gestapt en naar de auto van aangeefster gerend. Eén van hen heeft de ruit ingeslagen en de tas weggenomen. Korte tijd later worden de drie verdachten aangehouden met een deel van de buit: twee mobiele telefoons en € 750,00. Dat de telefoons onderweg zouden zijn opgeraapt, acht het hof niet aannemelijk gelet op de verklaring van [verdachte] dat men niet is gestopt. Daarmee acht het hof ook niet aannemelijk dat het in de auto van verdachte aangetroffen glasstukje dat zeer waarschijnlijk afkomstig is van de auto van aangeefster bij dat oprapen is versleept en op die manier in de auto van verdachten is terechtgekomen. Over het bij hem inbeslaggenomen geld heeft verdachte [medeverdachte 1] wisselend verklaard zonder overigens zijn verklaring ook maar enigszins te onderbouwen, wat in dit geval wel op zijn weg lag, en zijn verklaringen acht het hof niet aannemelijk en niet geloofwaardig. Het feit dat aangeefster onder meer spreekt van een bedrag van € 700,00 en dat bij verdachte [medeverdachte 1] € 750,00 in beslag is genomen, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg nu uit de verklaringen van aangeefster volgt dat in ieder geval een bedrag van meer dan € 750,00 is weggenomen. Voorts heeft het hof in zijn overwegingen nog betrokken het feit dat toen de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de witte [auto merk] van verdachten in het zicht kregen, die auto kwam aanrijden uit de richting van de [straatnaam D]. Door een burger zijn op de [straatnaam D] diverse goederen gevonden afkomstig uit de auto van aangeefster.

Het hof is van oordeel dat de verdachte [medeverdachte 1] het feit heeft medegepleegd met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3]. Het hof baseert dit oordeel op de gedragingen van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3] kort voor, tijdens en kort na het moment dat het bewezenverklaarde feit plaatsvond. Zij zijn aangeefster met de auto gevolgd, twee van hen, [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn uit de door [medeverdachte 1] bestuurde auto gestapt en naar de auto van aangeefster gerend waarna een van beiden de ruit heeft ingeslagen en zij beiden zijn weggerend waarna zij kort daarop in de door [medeverdachte 1] bestuurde auto waarin een deel van de buit, deels in bezit van [medeverdachte 1] deels op de bodem van de auto, worden aangetroffen. Zij gelet hebben gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken intensief en volgens een vooropgezet plan samengewerkt. Dat slechts een van de drie de ruit van de auto van aangeefster heeft ingeslagen en de tas heeft weggenomen en dat niet vaststaat wie dat is, staat er niet aan in de weg om elk van hen als medepleger van het feit te kunnen aanmerken.

[medeverdachte 2] moet van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken nu het dossier ten aanzien van hem niets bevat op grond waarvan de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan worden afgeleid. Dat hij in de auto zat en dat de van aangeefster gestolen telefoons onder de bijrijdersstoel zijn aangetroffen is daarvoor alleen onvoldoende.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 januari 2008 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto ([auto merk], kenteken [kenteken]) heeft weggenomen een tas (met inhoud, waaronder een bedrag aan geld (van in totaal ongeveer 2.450 euro) en twee mobiele telefoons en twee paspoorten en een verblijfsvergunning en rijbewijs en bril en portemonnee en bankpas en agenda en twee acculaders en meerdere kentekenbewijzen en contactlenzendoos en armband),geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) de weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, te weten door het inslaan van een ruit van die auto.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat indien het hof niet tot een vrijspraak komt, verdachte dient te worden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte was, aldus de raadsman, op weg naar de politie om de telefoons - die hij zou hebben gevonden- in te leveren. Gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld, namelijk dat verdachte samen met anderen de telefoons heeft gestolen, wordt het verweer verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens diefstal met braak in vereniging tot gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen.

De politierechter in de rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld wegens diefstal met braak in vereniging tot gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens diefstal met braak in vereniging tot gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen en een werkstraf voor de duur van 30 uren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de bepaling van de op te leggen straf betrekt het hof dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens is geschonden.

De politierechter in de rechtbank Utrecht heeft vonnis gewezen op 21 mei 2008. Verdachte heeft op 28 mei 2008 hoger beroep aangetekend tegen dat vonnis. In hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. In hoger beroep doet het gerechtshof einduitspraak op 11 april 2012, dus bijna vier jaar na het instellen van hoger beroep. Er zijn geen omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen. De redelijke termijn in de fase van hoger beroep is geschonden.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Het bewezenverklaarde betreft een brutale diefstal in vereniging met braak uit een auto op de openbare weg midden in de nacht terwijl het slachtoffer als bestuurster in de auto zat. . Dergelijke feiten zijn voor het slachtoffer een beangstigende ervaring en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden zou op zijn plaats zijn.

Rekening houdend met de schending van de redelijke termijn acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 144 dagen een passende en geboden straf.

Het hof heeft bij de strafoplegging ook rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Utrecht van 27 september 2006 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van veertien dagen, parketnummer 16-515036-06. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 63, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77dd, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 144 (honderdvierenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Utrecht van 27 september 2006, parketnummer 16-515036-06, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 14 dagen, een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15

(vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr M.J. Stolwerk, voorzitter,

mr A. van Waarden en mr B.W.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van B. Moorlag, griffier,

en op 11 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna zonder nadere aanduiding wordt verwezen naar dossierpagina's betreft dat het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van [verbalisant 6][verbalisant 5], hoofdagent-rechercheur van politie, recherche stad Utrecht, dossiernummer PL0915/08-000599, gesloten en ondertekend op 10 januari 2008 danwel de daarbij behorende doorgenummerde bijlagen.

2 p.v. aangifte, blz. 61 e.v.

3 p.v. verhoor aangeefster, blz. 66 e.v.

4 p.v. van bevindingen [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blz. 72.

5 p.v. van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blz. 72. Dat het om [getuige 1] gaat, leidt het hof af uit het p.v. van verhoor van [getuige 2], als bijlage op blz. 101 e.v. gevoegd bij het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullende proces-verbaal (einddossier) van [verbalisant 7], hoofdagent-rechercheur van politie, recherche stad Utrecht.

6 p.v. bevindingen [verbalisant 8] en [verbalisant 9], blz. 80.

7 p.v. van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4], blz. 76 e.v. en de p.v.'s van aanhouding van de verdachten, respectievelijk blz. 30, 36, 44 en 54.

8 p.v. van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4], blz. 76 e.v.

9 onderzoek regionale technische recherche, blz. 83 jo kvi, blz. 15.

10 p.v. van bevindingen van [verbalisant 5] en [verbalisant 7], blz. 85.

11 kvi, blz. 13 dossier.

12 p.v. bevindingen van [verbalisant 5], blz. 21 dossier.

13 p.v. bevindingen van [verbalisant 5], blz. 21 dossier.

14 onderzoek regionale technische recherche, blz. 83 e.v.

15 rapport Hordijk, blz. 94 e.v bij het hiervoor genoemde aanvullende proces-verbaal (einddossier) van [verbalisant 7].

16 p.v. verhoor verdachte [verdachte], blz. 108.