Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW3655

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
200.092.177
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0619, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Omvang merkenrecht Monatoetje; Puddingvorm; hoger beroep van LJN: BR0619

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.177

(zaaknummer rechtbank 305261)

arrest van de eerste kamer van 24 april 2012

in het kort geding (spoedappel) van

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1 FrieslandCampina Consumer Products Europe B.V.,

tevens handelend onder de naam: Mona, en

2 Friesland Brands B.V.,

beide gevestigd te Amersfoort,

appellanten,

hierna: FrieslandCampina c.s.,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Natuurhoeve B.V.,

gevestigd te Benschop, gemeente Lopik,

geïntimeerde,

hierna: De Natuurhoeve,

advocaat: mr. M.F.J. Haak.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 6 juli 2011, dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht heeft gewezen tussen FrieslandCampina c.s. als eiseressen en De Natuurhoeve als gedaagde. Een afschrift van dit vonnis is aan dit arrest gehecht. Het is gepubliceerd onder LJN: BR0619.

2. Het geding in hoger beroep (spoedappel)

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 augustus 2011 (met daarin de grieven),

- de dienovereenkomstige memorie van eis in hoger beroep,

- de memorie van antwoord met producties,

- een akte van FrieslandCampina c.s. met de aanvullende producties 27 tot en met 30 ten behoeve van de pleidooien,

- een akte van De Natuurhoeve, houdende verweer "wezenlijke waarde",

- de op 12 maart 2012 gehouden pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van mr. G.S.P. Vos (met uitzondering van de niet gepleite nummers 96, 104, 105, 106, 159, 160 en 164) en mr. M.F.J. Haak, beiden advocaat te Amsterdam, waaronder voormelde akten alsmede de door De Natuurhoeve ingezonden productie 17 (tegen de akten met bijbehorende documenten en productie 17 waartegen de advocaten desgevraagd over en weer hebben verklaard geen bezwaar te hebben),

- de door de advocaten tijdens de pleidooien geprojecteerde afbeeldingen.

2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op het door FrieslandCampina c.s. overgelegde dossier).

3. De vaststaande feiten

Met inachtneming van de naar de opvatting van De Natuurhoeve slagende grief 1 staan de volgende feiten vast.

3.1 FrieslandCampina is een onderneming die zuivelproducten produceert en verhandelt, waaronder puddingproducten onder de naam Mona. Sinds de jaren zeventig giet FrieslandCampina haar puddingen in een beker met verticale ribbels. Die Mona-beker is in 2003 voor het laatst gemoderniseerd. Bovendien heeft Mona vanaf 1998 de bekers voorzien van een kartonnen bedekking (hierna te noemen de clip).

3.2 Frieslands Brands heeft op 3 december 2010 een tweetal beeldmerken gedeponeerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom onder de depotnummers 1215063 en 1215064. Die depots zijn op 10 december 2010 ingeschreven onder de inschrijvingsnummers BX 892124 en BX 892125 voor waren en/of diensten in de klasse 29 (zuivelproducten, met inbegrip van room, zure room, melkpoeder, yoghurt, vla en kwark; desserts, voor zover niet begrepen in andere klassen) en in de klasse 30 (gerechten op basis van meel en graan; pap op basis van melk; pudding, mousses en dergelijke nagerechten, voor zover niet begrepen in andere klassen; consumptie-ijs, waaronder sorbets en preparaten voor de bereiding daarvan; zoete sausen, uitgezonderd slasausen). De inschrijvingen betreffen spoedinschrijvingen als bedoeld in artikel 2.8 lid 2 Beneluxverdrag intellectuele eigendom (BVIE), waartegen door Boermarke Holding B.V. oppositie is ingesteld, welke op 9 december 2011 is afgewezen. De ingeschreven merken zijn als volgt afgebeeld in het Benelux-Merkenregister:

BX nummer 892124 BX nummer 892125

Als kleur is voor beide gedeponeerde merken vermeld: “Rood, wit, geel”. Het betreft tevens vormmerken.

3.3 De Natuurhoeve produceert en verhandelt eveneens zuivelproducten. Sedert 1997 produceert De Natuurhoeve onder eigen label zuivelproducten. Sedert 2009 produceert De Natuurhoeve ook onder private label kant-en-klare puddingproducten en verkoopt deze aan supermarkten zoals Albert Heijn en Lidl en tot voor enige tijd geleden ook aan C1000.

3.4 De Natuurhoeve heeft die puddingproducten voor Albert Heijn, Lidl en C1000 in de navolgende verpakkingen op de markt gebracht.

Albert Heijn 2009 Albert Heijn 2010

Lidl C1000

3.5 Bij aangetekende brief van 20 december 2010 heeft FrieslandCampina De Natuurhoeve verzocht binnen veertien dagen te bevestigen dat zij elk gebruik van de Milbona- en C1000-puddingverpakkingen zal staken en gestaakt zal houden. De Natuurhoeve heeft niet aan dat verzoek voldaan.

3.6 Na het vonnis heeft De Natuurhoeve de verpakkingen enigszins aangepast en is zij tevens gaan produceren voor Superunie met formules als Hoogvliet, Coop, Jan Linders et cetera.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Op basis van primair merkenbescherming ingevolge artikel 2.20 lid 1, aanhef en onder b., althans c., BVIE, subsidiair slaafse nabootsing, meer subsidiair oneerlijke handelspraktijken, heeft FrieslandCampina - samengevat - gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1 De Natuurhoeve zal bevelen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis iedere verdere inbreuk op de exclusieve merkrechten van FrieslandCampina te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom;

2 De Natuurhoeve zal bevelen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis ieder verder onrechtmatig handelen te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom;

3 De Natuurhoeve zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een door een registeraccountant gecertificeerde verklaring te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom;

4 De Natuurhoeve zal veroordelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de nog in voorraad hebbende inbreukmakende puddingverpakkingen te vernietigen, zulks op straffe van een dwangsom;

5 De Natuurhoeve zal veroordelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, bij wijze van voorschot op de schadevergoeding en/of winstafdracht EUR 25.000,-- te betalen, een en ander berekend aan de hand van de verklaring van de registeraccountant;

6 de termijn waarbinnen op grond van artikel 1019i Rv FrieslandCampina een bodemprocedure aanhangig dient te maken te stellen op zes maanden na betekening van dit vonnis en

7 De Natuurhoeve zal veroordelen in de kosten van dit geding als bedoeld in artikel 1019h Rv.

4.2 Na verweer van De Natuurhoeve heeft de voorzieningenrechter het gevorderde afgewezen.

Daartegen richten FrieslandCampina c.s. hun grieven.

De omstandigheid dat FrieslandCampina c.s. naast hun grieven 2 tot en met 8 niet een aparte grief tegen het dictum van het vonnis hebben gericht, brengt, anders dan De Natuurhoeve heeft voorgesteld, niet mee dat het vonnis onherroepelijk zou zijn geworden. Uit die grieven en het petitum behoorde De Natuurhoeve immers redelijkerwijs te begrijpen, zoals zij ook blijkens haar memorie van antwoord en pleidooi heeft gedaan, dat FrieslandCampina c.s. in hoger beroep vernietiging van het afwijzende vonnis vorderen alsmede toewijzing van hetgeen zij in eerste aanleg hebben gevorderd.

Wel blijkt uit de omstandigheid dat FrieslandCampina c.s. ondanks hun verder nauwkeurig gerichte grieven geen grief in het bijzonder hebben aangevoerd tegen rov. 4.18 (tot afwijzing van de grondslag oneerlijke handelspraktijken) dat zij daartegen, zoals De Natuurhoeve redelijkerwijs mocht begrijpen, geen grief beoogde te richten. Dit wordt bevestigd in de pleitnota van FrieslandCampina onder 15 met de daarop gegeven toelichting bij de pleidooien. Daarom komt deze grondslag in hoger beroep niet meer aan de orde.

4.3 Uit de hiervoor onder 3.2 weergegeven gedeponeerde en ingeschreven merken van Mona (afbeeldingen 1 en 2) blijkt dat het gaat om driedimensionale verpakkingen met deksel respectievelijk clip, in beide gevallen met grafische elementen. De vormmerken zoals ingeschreven bevatten onder meer de volgende elementen:

- twaalf ronde verticale ribbels (bogen) die naar beneden taps toelopen;

- de transparantie van het materiaal waardoor de gelige kleur van de pudding en de rode kleur van de onderliggende saus te zien is;

- de verhouding tussen de pudding en de saus

en voorts bij de verpakking als weergegeven op afbeelding 1:

- een rood afdekfolie met driehoekig lipje met op de afdekfolie het grafische element “MONA” in witte letters

en voorts bij de verpakking als weergegeven op afbeelding 2:

- een om de bovenkant en de halve voorzijde van de beker gevouwen wit/grijs gekleurde enigszins vierkante kartonnen clip met daarop zowel op de bovenzijde als de voorzijde de grafische elementen “Mona“ in de kleur wit op rood.

Hieraan heeft de voorzieningenrechter, in hoger beroep terecht niet bestreden, de gevolgtrekking verbonden dat de merken zowel een twee- als een driedimensionaal karakter hebben en derhalve een gecombineerd beeld- en vormmerk betreffen.

4.4 Volgens artikel 2.1 lid 1 BVIE moet een teken, wil het een merk zijn, dienen om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden, dat wil zeggen dat het merk zich ertoe leent de waren of diensten waarvoor de inschrijving is verleend, als afkomstig van een bepaalde onderneming te identificeren en dus deze waren of diensten van die van andere ondernemingen te onderscheiden. Volgens artikel 2.1 lid 2 BVIE kunnen niet als merken worden beschouwd tekens die uitsluitend bestaan uit een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald, die een wezenlijke waarde aan de waar geeft of die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen. Een teken kan onderscheidend vermogen verwerven door gebruik (inburgering), met dien verstande dat ingeval een van de in artikel 2.1 lid 2 BVIE bedoelde uitsluitingsgronden van toepassing is het niet mogelijk is dat het teken door inburgering als merk bescherming verkrijgt (HvJEG 18 juni 2002, zaak C-299/99 (Koninklijke Philips Electronics NV/Remington Consumer Products Ltd).

Op de door het hof gestelde vraag waarom FrieslandCampina c.s. voor de door hen hier in het bijzonder verlangde vormbescherming niet hebben volstaan met inschrijving van pure vormmerken (met name: de naar beneden taps toelopende 12 ronde verticale ribbels (de bogen)) heeft de advocaat van FrieslandCampina c.s. het volgende geantwoord. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) heeft aangekondigd de inschrijving hiervan te zullen weigeren wegens afwezigheid van inburgering in de gehele Benelux (met name in België en Luxemburg). FrieslandCampina c.s. erkennen die afwezigheid, maar oordelen een dergelijke weigeringsgrond onjuist. Niettemin hebben zij toen alsnog besloten tot (spoed-) inschrijvingen van de thans ingeroepen gecombineerde beeld/vormmerken.

4.5 Ongeacht het antwoord op de vraag of inschrijving van een puur vormmerk in dit geval wel of niet toelaatbaar zou zijn, dienen de merken zoals deze zijn ingeschreven en thans voorliggen uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van dit geschil, hetgeen tot gevolg heeft dat FrieslandCampina c.s. de gecombineerde woord- en beeldmerken niet zonder meer mag reduceren tot enkel de vormelementen zonder de grafische elementen, welke laatste immers ook deel uitmaken van de inschrijvingen. Het hof onderschrijft derhalve de (door grief 2 aangevallen) overwegingen in rov. 4.4 van het vonnis dat de beschermingsomvang van het merk wordt bepaald door het merk zoals het is ingeschreven en niet kan worden uitgebreid tot een of meer afzonderlijke elementen of bestanddelen daarvan, ongeacht de mate waarin die (door marketing- en reclameactiviteiten) als karakteristiek voor het vormmerk hebben te gelden, alsook dat als uitgangspunt moet gelden het merk zoals dat door FrieslandCampina is gedeponeerd en is ingeschreven.

4.6 Op grond van artikel 2.20 lid 1, aanhef en onder b BVIE heeft de merkhouder het uitsluitend recht het gebruik van een teken te verbieden wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk. De globale beoordeling dient, wat de visuele, auditieve of begripsmatige gelijkenis betreft, te berusten op de totaalindruk die door merk en teken wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Bij de beoordeling van de overeenstemming van een merk en een teken mag niet slechts één enkel bestanddeel van een samengesteld merk in de beschouwing worden betrokken, doch moeten het merk en het betrokken teken juist elk in hun geheel worden onderzocht. Hierbij moet worden uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument van het betrokken product (o.a. HvJEG 22 juni 1999, LJN: AD3067 (Lloyd/Loint’s) en HvJEG 29 september 1998, LJN: AD2945 (Canon/Cannon)).

De totaalindruk die bij het relevante publiek door een samengesteld merk wordt opgeroepen, kan in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd. Evenwel kan alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, de overeenstemming op basis van enkel het dominerende bestanddeel worden beoordeeld. (o.a. HvJEG/EU 3 september 2009, LJN: BK2729 (Carbonell/La Espanola). Bestanddelen van een merk die niet of nauwelijks onderscheidend zijn, of waarvoor op grond van artikel 2.1 lid 2 BVIE geen merkenrecht kan worden verkregen, mogen bij deze globale beoordeling evenwel slechts een beperkte rol spelen. Voorts geldt dat op grond van artikel 2.23 lid 1 sub (b) het uitsluitend recht van de merkhouder zich niet uitstrekt tot het gebruik in het economische verkeer door een derde van “aanduidingen inzake soort, kwaliteit, […] of andere kenmerken van de waren of diensten.” Voorts moet bij de beoordeling worden uitgegaan van de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven en die waarvoor het merk wordt gebruikt, maar geen rekening moet worden gehouden met de administratieve, voor de inschrijving van de merken toegepaste rangschikking in klassen (art. 2.20 lid 3 BVIE).

4.7 Ter toepassing hiervan oordeelt het hof als volgt.

Afgezien van de voorstelling van dieren (een vis of beer) bestaat de puddingvorm vanouds uit taps toelopende ronde verticale ribbels (bogen) (zie de afbeeldingen in productie 17 bij de inleidende dagvaarding en in de memorie van antwoord, pagina 10). Dat geldt zelfs voor de door FrieslandCampina c.s. getoonde boogvormige (rijst-)puddingen van AH en La Laitière (pleitnota onder 29 en onder 93). Als regel representeert deze traditionele vorm de waar pudding, terwijl het begrip pudding veelal geassocieerd wordt met deze vorm. Het hof merkt hierbij op dat pudding zoals die door partijen op de markt wordt gebracht zich onderscheidt van andere kant en klare nagerechten op zuivelbasis, doordat die andere nagerechten veelal uit een bak worden geschept of gegoten zodat de verpakkingen daarvan glad zijn, terwijl een pudding bedoeld is omgekeerd en uitgestort te worden en dan zonder hulpmiddelen kan blijven "staan". Bij uit te scheppen producten is een ribbelvorm hinderlijk en verdient een gladde vorm de voorkeur; bij uit te storten puddingen is een gladde vorm niet noodzakelijk en bevordert de ribbelvorm juist het rechtstandig uitstorten van de pudding. De consument die deze vorm, al dient zij tot verpakking, in de winkel aantreft zal dus in de eerste plaats aan pudding denken; hij zal de vorm associëren met de aard van de waar. Als gevolg hiervan komt aan de specifieke vorm van de gecombineerde beeld- en vormmerken van FrieslandCampina c.s., die naar het oordeel van het hof niet significant afwijkt van de traditionele puddingvorm, mede in het licht van artikel 2.1 lid 2 BVIE niet of nauwelijks onderscheidend vermogen toe. Veelzeggend is in dit verband dat de vragenlijst behorend bij het marktonderzoek door Metrix Lab (de eerste gerichte vraag, question 8; zie productie 18 bij de inleidende dagvaarding) opent met de inleiding: "U hebt zojuist een foto van een puddingverpakking gezien."

4.8 Het voorgaande geldt evenzeer voor de afzonderlijke kenmerken van de puddingvorm die onderdeel uitmaken van de gecombineerde beeld- en vormmerken van FrieslandCampina c.s. Aan de bogen als zodanig komt nauwelijks of geen onderscheidend vermogen toe, hetgeen bij pudding eveneens geldt voor de geelachtige puddingkleur. In de voorstelling van het publiek hoort dit nu eenmaal allemaal bij de waar pudding. In dit licht onderscheidt het eerste merk van FrieslandCampina c.s. zich vooral door de dominerende rode afdekfolie met daarop in witte letters “MONA” en de rode sauslaag onderin, terwijl haar tweede merk als dominerend bestanddeel een om de bovenkant en de halve voorzijde van de beker gevouwen wit/grijs gekleurde kartonnen enigszins vierkante clip draagt met daarop op zowel de bovenzijde als de voorzijde de met grafische elementen “Mona“ in de kleur wit op rood. De onder 3.4 afgebeelde tekens van gedaagde missen die aspecten maar hebben, al tonen zij ook de bogen en de gelige kleur, daarentegen een in het oog springende veelkleurig bedrukte ronde afdekfolie en daarop aansluitend aan de bovenzijde van de bogen rondom een brede veelkleurig bedrukte, in de beker gegoten band, waardoor de bogen slechts aanwezig zijn op de onderste helft van de beker en de verhouding tussen pudding en saus anders oogt.

Gerelateerd aan de in rov. 4.6 geformuleerde toetsingsnormen is naar het voorlopige oordeel van het hof daarom geen sprake van gelijkenis of overeenstemming tussen de door Natuurhoeve gebruikte tekens en de merken van FrieslandCampina c.s., waardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk.

4.9 Naar aanleiding van het marktonderzoek door Metrix Lab heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.15 overwogen:

"Het feit dat het tonen van de gehele verpakkingen van AH, Lidl en C1000 slechts respectievelijk 12%, 26% en 28% van de respondenten Mona als eerste associatie noemt en bij een tweede associatie respectievelijk 31%, 16% en 23%, van de respondenten, alsmede dat bij het tonen van verpakking waarbij de beeldmerken van AH, Lidl en C1000 zijn verwijderd slechts respectievelijk 23%, 26% en 29% van de respondenten Mona als eerste associatie noemt en bij een tweede associatie respectievelijk 27%, 16% en 24%, betekent op zich niet dat die respondenten vanwege overeenstemming met de ingeschreven merken van FrieslandCampina een verband leggen. Uit deze gegevens blijkt vooralsnog ook niet dat sprake is van (indirecte) verwarring dan wel van associatie in de hiervoor onder 4.14. bedoelde zin. Weliswaar stelt FrieslandCampina onder punt 77 van de dagvaarding dat uit het marktonderzoek blijkt dat het in aanmerking komend publiek een verband legt tussen de verpakking van De Natuurhoeve en de “MONA Vormmerken”, maar die als zodanig door FrieslandCampina gedefinieerde merken betreffen slechts de driedimensionale bestanddelen van de door FrieslandCampina gedeponeerde merken en niet de daadwerkelijk door FrieslandCampina gedeponeerde en op grond daarvan ingeschreven merken. Die conclusie van FrieslandCampina op grond van het marktonderzoek is dan ook op een onjuist uitgangspunt gebaseerd."

4.10 Tegen het oordeel dat geen sprake is van directe of indirecte verwarring dan wel associatie hebben FrieslandCampina c.s. grief 5 gericht.

Het hof onderschrijft echter het hiervoor geciteerde oordeel van de voorzieningenrechter. Aannemelijk is dat de respondenten de hen integraal dan wel na verwijdering van de beeldmerken getoonde verpakkingen van AH, Lidl en C1000 (de afbeeldingen onder 3.4) dan wel van het droomdessert op basis van de vraagsteling onder 8 in de eerste plaats op basis van de bogen en de door de verpakking heen zichtbare geelachtige inhoud associëren met kant-en-klare pudding, aan welk product zij dan de langjarige marktleider van dergelijke puddingproducten in Nederland Mona koppelen. Daarmee is echter nog geenszins aannemelijk geworden dat bij de respondenten of het publiek verwarring kan ontstaan door een overeenstemming met de beide gedeponeerde merken onder 3.2 (dus niet beperkt tot de driedimensionele bestanddelen ervan).

Grief 5 faalt daarom.

4.11 Met de voorzieningenrechter oordeelt het hof evenmin aannemelijk dat indirecte verwarring kan ontstaan. De verpakkingen zoals gedeponeerd en ingeschreven door FrieslandCampina c.s. en de door De Natuurhoeve op de markt gebracht verpakkingen bieden immers uiteenlopende totaalindrukken.

De grieven 2 en 3 mislukken.

4.12 Evenmin is sprake van inbreuk op artikel 2.20 lid 1, aanhef en onder c. BVIE, omdat met inachtneming van het hierboven gestelde naar het oordeel van het hof geen sprake is van gelijkenis of overeenstemming tussen de door De Natuurhoeve gebruikte tekens en de merken van FrieslandCampina c.s. Grief 4 wordt verworpen.

4.13 De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.17 van het vonnis het beroep van FrieslandCampina c.s. op slaafse nabootsing verworpen op de grond dat vooralsnog niet is gebleken dat de producten van De Natuurhoeve verwarring wekken ten opzichte van de merken van FrieslandCampina c.s.

Daartegen richten FrieslandCampina c.s. grief 6 met de klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte een te eng criterium heeft gehanteerd.

Ook indien, zoals FrieslandCampina c.s. aanvoeren, moet worden uitgegaan van directe dan wel indirecte verwarring, veroorzaakt door de gelijkenis van de producten, dan is nog niet aan dat criterium voldaan. Op grond van het voorgaande is immers niet voldoende aannemelijk dat de totale indruk van beide producten voor de doorsnee consument tot, al was het maar indirecte, verwarring leidt. De consument die voor het schap staat (zie foto 162 in de pleitnota van FrieslandCampina c.s.) zal ook bij oppervlakkige en vluchtige waarneming op basis van de duidelijke belettering en, afgezien van de puddingbogen, verdere vormgeving zoals hiervoor beschreven, snel het verschil tussen Mona en AH opmerken en dat geldt eveneens voor de puddingproducten van Lidl en C1000.

Grief 6 treft geen doel.

4.14 De grieven 7 en 8 bouwen slechts voort op de voorafgaande grieven, missen zelfstandige betekenis en behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking.

5. Slotsom

5.1 Grief 1 is terecht voorgedragen, maar kan niet leiden tot vernietiging. De andere grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2 Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof FrieslandCampina c.s., zoals onweersproken gevorderd en hoofdelijk, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 1019h Rv veroordelen in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij, De Natuurhoeve, heeft gemaakt.

Deze kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van De Natuurhoeve worden begroot op € 1.769 aan verschotten (voor griffierecht) en op € 42.727 (ex BTW) voor salaris.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding (spoedappèl) in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2011;

veroordeelt FrieslandCampina c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Natuurhoeve vastgesteld op € 42.727 (ex BTW) voor salaris op € 1.769 voor verschotten;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, J.M. Brandenburg en P.B. Hugenholtz, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 april 2012.