Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW3428

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
11-00625
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Watersysteemheffing.

Ongebouwde onroerende zaken. Belang bij taakvervulling van het waterschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1059
FutD 2012-1174
Belastingblad 2012/251
V-N Vandaag 2012/1092
V-N 2012/32.26.19

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00625

uitspraakdatum: 11 april 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juli 2011, nummer 10/342 WASCHB, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van Tricijn Belastingen te Harderwijk (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft voor het Waterschap Vallei & Eem (hierna: het Waterschap) aan belanghebbende voor het jaar 2009 aanslagen in de watersysteemheffing opgelegd van in totaal € 430,49 voor één gebouwde en dertien ongebouwde onroerende zaken.

1.2 In zijn op 3 juni 2009 gedagtekende bezwaarschrift heeft belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslagen bezwaar gemaakt. De Ambtenaar heeft in zijn op 25 januari 2010 gedagtekende uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 juli 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Ambtenaar.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar van een gebouwde onroerende zaak aan de a-straat 1 te Q, waar hij een agrarische onderneming drijft. Rondom deze onroerende zaak zijn zes kadastraal gescheiden percelen weidegrond gelegen met een totale oppervlakte van 8,1 hectare. Deze percelen zijn eveneens eigendom van belanghebbende, evenals zeven kadastraal gescheiden percelen weidegrond in R met een totale oppervlakte van 7,5 hectare. De weidegronden zijn alle gelegen in het gebied van het Waterschap.

2.2 De gronden worden gebruikt voor het weiden van vee en het telen van gras.

2.3 De rondom de a-straat 1 te Q gelegen weidegronden zijn hoog gelegen in een onbemalen gebied. Belanghebbende heeft geklaagd over het beheer en onderhoud van een beek. Deze waterloop stroomt langs de zes in Q gelegen percelen van belanghebbende. In de brief van 22 februari 2010 heeft de medewerker van het Waterschap namens de dijkgraaf en heemraden van het Waterschap het volgende aan belanghebbende meegedeeld:

“Om te voorkomen dat het water (te) snel wegstroomt, maaien we al jarenlang met uw instemming en mede op uw verzoek het gedeelte van de beek tussen de a-straat en de b-straat één keer per jaar.

Ook hebben wij op uw verzoek in 2006 enkele vaste overlaten gemaakt in de beek om te voorkomen dat de bodem zich steeds verder verdiept. Omdat uw percelen 2 tot 3 meter hoger liggen dan de percelen van uw buurman zijn er geen verdere reële mogelijkheden om de waterhuishouding van uw hoog gelegen perceel nog verder te verbeteren.”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Ambtenaar de zes in Q gelegen ongebouwde onroerende zaken terecht en tot het juiste bedrag in de watersysteemheffing voor overige ongebouwde onroerende zaken heeft betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Ambtenaar beantwoordt deze bevestigend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Ambtenaar alsmede primair tot vernietiging van de aanslagen en subsidiair tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar het tarief voor natuurterreinen.

3.4 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Waterschapswet (hierna: de Wet) luidt, voor zover voor deze procedure van belang is, als volgt:

“Artikel 116

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. (…)

b. (…)

c. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.

Artikel 117

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

Artikel 118

1. (…)

2. (…)

3. Als één ongebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 117, onderdeel b, wordt aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

a. hetgeen ingevolge het eerste en tweede lid wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

b. een natuurterrein.

4. Als één natuurterrein wordt aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

a. hetgeen ingevolge het eerste en tweede lid wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

b. hetgeen ingevolge het derde lid wordt aangemerkt als een ongebouwde onroerende zaak.”

4.2 De Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Vallei & Eem 2009 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover voor deze procedure van belang is, als volgt:

“Besluit tot vaststelling van de ‘Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Vallei & Eem 2009’

(…)

Hoofdstuk I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

a. ingezetene: degene die blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte;

b. (…);

c. (…);

d. (…);

e. (…);

f. (…);

g. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;

h. ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

i. (…);

j. de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117, aanhef, Waterschapswet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.

2. De heffing wordt geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

3. Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is;

4. (…)

5. (…)

Artikel 3 Heffingsmaatstaf

Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:

a. (…);

b. ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;

c. (…).

(…)

Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken

Artikel 5 Belastingobject

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2, onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

a. hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

b. een natuurterrein.

2. (…)

Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken

1. Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 25,06 per hectare.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor ongebouwde onroerende zaken die zijn gelegen in bemalen gebieden, € 37, 59 per hectare;

Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen

Artikel 7 Belastingobject

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid, onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

a. hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

b. hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde onroerende zaak.

Artikel 8 Tarief natuurterreinen

Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor natuurterreinen € 1,20 per hectare.

(…)

Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel

1. De Omslagverordening Waterschap Vallei & Eem 200, vastgesteld bij besluit van 29 november 2007, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van haar bekendmaking.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009.

4. Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei & Eem 2009’.

Aldus besloten in de openbare vergadering op 27 november 2008.

(…)”

4.3 Niet in geschil is dat belanghebbende eigenaar is van de ongebouwde gronden die binnen de agrarische onderneming van belanghebbende in gebruik zijn als weiland. Evenmin is in geschil dat de gronden tot het gebied van het Waterschap behoren en in onbemalen gebied zijn gelegen.

4.4 Belanghebbende stelt dat de percelen in Q te lijden hebben van verdroging en dat door werkzaamheden van het Waterschap het water te snel wordt afgevoerd. Daarom heeft belanghebbende, zo stelt hij, geen genot van de werkzaamheden van het Waterschap.

4.5 Deze stelling is naar het oordeel van het Hof onjuist. Beslissend is niet of belanghebbende genot heeft van de werkzaamheden van het Waterschap, maar of de weilanden in algemene zin belang hebben bij de taakvervulling van het waterschap (vgl. HR 23 september 1998, nr. 32 559, LJN AA2380, BNB 1998/359). Uit de onder 2.3 genoemde werkzaamheden van het Waterschap ten behoeve van de beek leidt het Hof reeds af, dat de weilanden belang hebben bij de werkzaamheden van het Waterschap. Overigens geldt na de wijziging van de Wet per 1 januari 2009 slechts een globale relatie tussen de mate van belang en de heffing. Dienaangaande is in de Memorie van Toelichting het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz. 26):

“Bij dit wetsvoorstel is besloten de classificatie te laten vervallen. De relatie tussen de mate van belang en de omvang van de betaling is in de nieuwe kostentoedelingssystematiek een globale, hetgeen past bij het collectieve karakter van het watersysteembeheer. Classificatie, welke veelal is gebaseerd op kostenveroorzaking, past daar niet bij en verhoudt zich ook niet goed met het streven naar een eenvoudige, transparante en fiscaal-juridisch robuuste bekostigingsstructuur.

Er is echter wel reden de tarieven van de heffing van gebouwde en ongebouwde onroerende zaken niet in alle gevallen gelijk te stellen. (…)

Afwijkende tarieven kunnen alleen worden vastgesteld voor buitendijks gelegen onroerende zaken voor onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden en voor onroerende zaken die in hoofdzaak bestaan uit glasopstanden).”

4.6 Naar het oordeel van het Hof heeft de Ambtenaar belanghebbende terecht op grond van de Wet en de Verordening in de heffing betrokken. De Wet en de Verordening bieden geen ruimte om de onderhavige gronden buiten de heffing te laten om de enkele reden dat belanghebbende geen genot heeft van de taakvervulling door het Waterschap.

4.7 Belanghebbende beklaagt zich erover dat de Ambtenaar in zijn uitspraak op het bezwaar ten onrechte spreekt over bebouwde onroerende zaken, terwijl het bezwaarschrift ziet op ongebouwde onroerende zaken. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangegeven, dat het hem duidelijk was dat de uitspraak betrekking had op zijn bezwaar tegen de aanslagen watersysteemheffing voor de ongebouwde onroerende zaken. Dan is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet benadeeld door de verschrijving van de Ambtenaar en verbindt het Hof aan deze verschrijving geen gevolgen.

4.8 Belanghebbende meent voorts dat de aanslagen vernietigd moeten worden, omdat de Ambtenaar bij de behandeling van het bezwaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Na de mededeling door de Ambtenaar aan belanghebbende dat hij binnen dertien weken uitspraak zal doen, heeft de Ambtenaar voorafgaand aan de overschrijding van deze termijn verzuimd belanghebbende mee te delen, dat hij eerst op een later moment uitspraak op bezwaar zal doen. Belanghebbende heeft na de overschrijding van de aangekondigde beslistermijn van dertien weken de Ambtenaar niet verzocht alsnog uitspraak op bezwaar te doen. Evenmin heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar of de Ambtenaar in gebreke gesteld in de zin van artikel 6:12, lid 2, onderdeel b, Awb of artikel 7:14 juncto art. 4:17 Awb (teksten vanaf 1 oktober 2009). Nu andere wegen openstonden om de behandeling van het bezwaar te bespoedigen, kan het zonder aankondiging overschrijden van de termijn van dertien weken niet ertoe leiden dat de aanslagen dienen te worden vernietigd.

4.9 Belanghebbende stelt voorts dat de watersysteemheffing over het jaar 2009 130% hoger is dan de waterschapslaten in het jaar 2008. De Wet is met ingang van 2009 gewijzigd, waarbij onder meer de indeling in tariefklassen is vervallen. Aan het gegeven dat tot en met 2008 door het Waterschap aan belanghebbende aanslagen tot lagere bedragen zijn opgelegd kan dan niet het in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend, dat belanghebbende in het onderhavige jaar tot een lager bedrag in de heffing zal worden betrokken.

4.10 Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat de onderhavige gronden kunnen worden aangemerkt als natuurterreinen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Verordening. Belanghebbende wenst echter, zo begrijpt het Hof, wel in aanmerking te komen voor het tarief voor natuurterreinen. Hij baseert zich daarbij op de nieuwsbrieven van het Waterschap van 30 juli 2010 en december 2010, waaruit volgt dat het Waterschap 4000 hectare landbouwgrond heeft aangemerkt als natuurterrein. Het Hof verstaat belanghebbendes stelling aldus dat hij in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan de nieuwsbrieven.

4.11 De Ambtenaar heeft de herschikking van agrarische grond als natuurterrein als volgt toegelicht. Na de wijziging van de Wet per 1 januari 2009 is gebleken dat de waterschappen verschillend omgingen met de afbakening van natuurterreinen en overige ongebouwde gronden (waaronder agrarische gronden) en dat het Waterschap voor het jaar 2009 is uitgegaan van een verouderde kaart bij de indeling van de gronden. In de nieuwsbrief van juli 2009 is vermeld, dat de waterschappen tot een uniforme afbakening willen komen van natuurterreinen en overige ongebouwde gronden. In de nieuwsbrief van december 2010 is vermeld dat het Waterschap 4000 hectare grond die voorheen als overige ongebouwde grond is aangemerkt, tot natuur heeft gerekend, dat het niet aanpassen van de kostentoedeling een verhoging van 6 procent watersysteemheffing voor agrariërs betekende, doch dat door een besluit van het Algemeen Bestuur de agrariërs niet te maken krijgen met een extra stijging van de watersysteemheffing overig ongebouwd.

4.12 Naar het oordeel van het Hof hebben de in algemene bewoordingen gestelde nieuwsbrieven die na het heffingstijdvak aan belanghebbende zijn toegezonden, niet in redelijkheid de indruk bij belanghebbende kunnen wekken, dat het tarief voor natuurterreinen op zijn ongebouwde gronden van toepassing is. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 11 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 april 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.