Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW3257

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
200.092.060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 6:228 BW

Vernietiging van een overeenkomst tussen pachter en verpachter dat bij teruggave van het gebruik van de grond de toeslagrechten mee overgaan met de grond. Beide partijen zijn bij het maken van de afspraak uitgegaan van de onjuiste voorstelling van zaken dat toeslagrechten grondgebonden zijn. De onbekendheid met het persoonsgebonden karakter van de toeslagrechten op het moment van het maken van de afspraak rechtvaardigt onder de gegeven omstandigheden een beroep op (wederzijdse) dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2012/170

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.060

(zaaknummer rechtbank 667496)

arrest van de pachtkamer van 10 april 2012

inzake

[verpachter],

wonende te [woonplaats] gemeente [gemeente],

appellant,

advocaat: mr. R.K.E. Buysrogge,

tegen:

[pachter],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Damstra.

Partijen worden hierna [verpachter] en [pachter] genoemd.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 10 mei 2010 en 11 juli 2011 die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen tussen [verpachter] als eiser in conventie/verweerder in reconventie en [pachter] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie heeft gewezen. Van het eindvonnis van 11 juli 2011 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure volgt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 augustus 2011;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Tussen [verpachter] als verpachter en [pachter] als pachter heeft gedurende enige jaren een pachtverhouding bestaan.

3.2 In de oorspronkelijke pachtovereenkomst tussen partijen is onder meer het volgende bepaald:

“Overdracht productierechten

Artikel 14

De verpachter en de pachter komen nadrukkelijk overeen dat zowel bij het aangaan als bij het einde van onderhavige pachtovereenkomst geen productierechten van welke aard of soort dan ook, overgaan van verpachter op pachter respectievelijk van pachter op verpachter.”

3.3 Op 3 mei 2006 heeft [pachter] de volgende verklaring ondertekend:

“In bevestiging op gemaakte afspraken met [verpachter], voor het gebruik van 9.73 ha land,

Bevestig ik hiermee dat bij teruggave van het gebruik van de grond, de Toeslagrechten volgens het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid mee overgaan met de grond.

Zoals bij aanvang afgesproken behoren deze Toeslagrechten bij die 9.73 ha grond.”

3.4 De verklaring van 3 mei 2006 is op verzoek van [verpachter] op papier gezet door [accountant] (hierna: [accountant]).

3.5 Door [verpachter] is een schriftelijke verklaring van [accountant] over het opstellen van de verklaring van 3 mei 2006 in geding gebracht. Deze verklaring luidt – voor zover thans relevant – als volgt:

“In april 2006 heeft [verpachter] mij gevraagd, op verzoek van [X], accountant bij ABAB, om met [pachter] in contact te treden en iets op papier te zetten om de toeslagrechten die in de voorgaande jaren opgebouwd zijn op de grond van [verpachter], ten tijde van teruggave van die grond mee over te dragen aan [verpachter]. (…)

Het verzoek om een schriftelijke bevestiging kwam mij op dat moment logisch over, omdat bij aanvang van het in gebruik geven van de grond van [verpachter] aan [pachter] (…) afgesproken was dat eventuele rechten op de grond bij teruggave mee teruggeleverd zouden worden. (…)

Naar goede eer en geweten heb ik op 3 mei 2006 bij [pachter] uitgelegd hoe de Toeslagrechten in de jaren 2000, 2001 en 2002 op zijn bedrijf, met de in gebruik zijnde grond van [verpachter] zijn opgebouwd. Ook heb ik duidelijk vermeld dat ik deze schriftelijke verklaring op verzoek van [X] van de ABAB deed.

Ter plekke heb ik de hier in geding zijnde verklaring opgesteld, met de duidelijke uitleg dat dit in lijn was van wat bij de aanvang van de ingebruikname van de grond was afgesproken.”

3.6 Noch de pachtovereenkomst noch de verklaring van 3 mei 2006 is ter goedkeuring aan de Grondkamer ingezonden.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [verpachter] heeft in eerste aanleg na wijziging van eis teruglevering van toeslagrechten gevorderd die rusten op de voorheen door [pachter] gepachte grond (9,73 ha à € 536,27). [pachter] heeft zich er onder meer op beroepen dat hij bij het maken van de in de verklaring van 3 mei 2006 vervatte afspraak in de (onjuist gebleken) veronderstelling verkeerde dat toeslagrechten, evenals productierechten, grondgebonden rechten waren en dat hij, indien hij toen had geweten dat toeslagrechten persoonsgebonden rechten zijn, die afspraak niet had gemaakt. De rechtbank heeft dit beroep op dwaling gehonoreerd. Met zijn enige grief richt [verpachter] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [pachter] heeft gedwaald toen hij de verklaring van 3 mei 2006 tekende.

4.2 De bewoordingen van de verklaring van 3 mei 2006 laten geen andere conclusie toe dan dat bij de opstelling van de verklaring er van uit werd gegaan dat de toeslagrechten bij de grond behoorden. Dat volgt ook uit de verwijzing naar hetgeen partijen “bij aanvang” hebben afgesproken. Onbetwist is immers dat dit verwijst naar de bij de oorspronkelijke pachtovereenkomst gemaakte afspraak zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.2 en dat deze afspraak betrekking had op grondgebonden productierechten. Dat partijen daarvan uitgingen wordt bevestigd door de door [verpachter] in geding gebrachte verklaring van [accountant] zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.5. De stelling van [verpachter] dat partijen bij het maken van de afspraak niet dachten dat de toeslagrechten bij de grond behoorden, verdraagt zich met het voorgaande niet en kan zonder nadere redengeving, die ontbreekt, dan ook niet worden gevolgd.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat toeslagrechten persoonsgebonden rechten zijn. Dit betekent dat beide partijen, [verpachter] in deze vertegenwoordigd door zijn accountant/[accountant], bij het maken van de in de verklaring van 3 mei 2006 vervatte afspraak van een onjuiste voorstelling van zaken zijn uitgegaan. Tegen de vaststelling door de rechtbank dat [pachter] bij een juiste voorstelling van zaken de verklaring niet zou hebben getekend, is niet gegriefd. Deze onbekendheid met het persoonsgebonden karakter van de toeslagrechten op het moment van het maken van de afspraak rechtvaardigt een beroep op (wederzijdse) dwaling. Dit betreft, anders dan [verpachter] heeft aangevoerd, geen dwaling in toekomstig recht. Dat eerst later in de jurisprudentie is bevestigd dat toeslagrechten persoonsgebonden zijn, maakt dat niet anders. De toeslagrechten waren immers reeds persoonsgebonden ten tijde van het maken van de afspraak. Dat de dwaling overigens onverschoonbaar is of op andere gronden voor rekening van [pachter] zou moeten blijven, is door [verpachter] niet gesteld.

4.4 Dit betekent dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [verpachter] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, van 11 juli 2011;

veroordeelt [verpachter] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [pachter] begroot op € 894,00 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 284,00 voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en F.J.P. Lock en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.K.C. Roelofsen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2012.