Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW2539

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
200.085.911
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2010:BO1956, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pandrecht op stil verpande vorderingen. Registratie terwijl oorspronlkelijk pandhouder vorderingen al gecedeerd heeft. Betalingen voor en na faillissement pandgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 239
Registratiewet 1970
Registratiewet 1970 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/300
RI 2012/62

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.085.911

(zaaknummer rechtbank 110890)

arrest van de tweede kamer van 13 maart 2012

in de zaak van

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Graaco B.V.,

gevestigd te Coevorden,

appellante,

hierna: Graaco,

advocaat: mr. S.J.B. Drijber,

tegen:

Mr. A.C. Huisman q.q. in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X],

kantoorhoudende te Enschede,

geïntimeerde,

hierna: de curator,

advocaat: mr. A.C. Huisman.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 27 oktober 2010 dat de rechtbank Almelo tussen Graaco als eiseres en de curator als gedaagde heeft gewezen. Van dit vonnis is een kopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 januari 2011,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.a tot en met 1.k van het bestreden vonnis.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Deze zaak gaat kort samengevat over het volgende. Bij vonnis van 19 maart 2008 is [X] in staat van faillissement verklaard waarbij mr. Huisman tot curator is benoemd. F. van Lanschot Bankiers N.V. (hierna: Van Lanschot) heeft aan onder meer [X] krediet verleend op basis van verschillende financieringsovereenkomsten. Als zekerheid zijn bij akte van 18 juni 2007 ten behoeve van Van Lanschot pandrechten gevestigd, onder meer op (toekomstige) vorderingen van [X] op derden.

4.2 Op 27 februari 2008 heeft [X] aan Van Lanschot een pandlijst gestuurd die ter registratie is aangeboden op 4 maart 2008. Op 4 maart 2008 heeft [X] wederom een pandlijst opgestuurd, die Van Lanschot ter registratie heeft aangeboden op 11 maart 2008.

4.3 Op 4 maart 2008 heeft Van Lanschot de financieringsovereenkomsten opgezegd. Bij akte van overdracht en cessie van 7 maart 2008 heeft Van Lanschot haar vorderingen verkocht en geleverd aan (de rechtsvoorganger) van Graaco voor een bedrag van € 315.993,98 (inclusief rente).

4.4 Tussen 7 maart 2008 en 19 maart 2008 hebben debiteuren van [X] een totaalbedrag van € 44.815,83 voldaan op de rekening van [X] bij Van Lanschot. Na 19 maart 2008 hebben debiteuren nog een totaalbedrag van € 35.871,60 voldaan op diezelfde rekening. Omdat de curator en Graaco geen overeenstemming konden bereiken over de vraag wie gerechtigd was tot de vermelde bedragen, is het totaalbedrag, zijnde

€ 80.687,43, op de derdengeldrekening van de curator geparkeerd.

4.5 In eerste aanleg heeft Graaco verklaringen voor recht gevorderd dat zij gerechtigd is tot het hele bedrag. de curator heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat Graaco met de cessie het door Van Lanschot bedongen pandrecht op vorderingen van debiteuren van [X] heeft verkregen. Omdat Graaco stil pandhouder is gebleven – er is geen mededeling van de cessie gedaan – en vorderingen zijn geïnd, is het aan die vorderingen verbonden pandrecht vervallen, maar heeft Graaco mogelijk een voorrangsrecht op het geïnde behouden, aldus de rechtbank. Verder heeft zij overwogen dat de betalingen voor datum faillissement gelden als inning door de pandgever zelf en na datum faillissement als inning door de curator. Ingevolge het arrest Mulder q.q./CLBN heeft Graaco volgens de rechtbank dan slechts een voorrangsrecht op hetgeen de curator heeft geïncasseerd voor zover het de inning van stil verpande vorderingen betreft. Vervolgens heeft de rechtbank over-wogen dat de in de eerste pandlijst van 27 februari 2008 genoemde vorderingen op Graaco zijn overgegaan. De vorderingen op de tweede pandlijst die op 11 maart 2008 ter registratie is aangeboden door Van Lanschot, zijn volgens de rechtbank niet rechtsgeldig verpand omdat Van Lanschot op 11 maart 2008 geen vordering meer had op de pandgever. Per saldo heeft de rechtbank geoordeeld dat twee vorderingen die de curator heeft geïnd, staan vermeld op de pandlijst van 27 februari 2008 en dat Graaco daarop voorrang heeft (in totaal

€ 5.276,01). De overige vorderingen vallen volgens de rechtbank in de boedel en Graaco kan geen voorrangsrecht doen gelden op het door de curator geïnde.

4.6 De verrekeningsbevoegdheid die Van Lanschot voorheen als bank had, is volgens de rechtbank door de cessie niet overgegaan zodat Graaco zich niet op die wijze op het creditsaldo van € 44.815,83 kan verhalen. Evenmin is sprake van schuldoverneming of contractoverneming en een pandrecht heeft Graaco niet gevestigd op de vordering van [X] op Van Lanschot. Die vordering valt ook niet onder de ‘catch all’bepaling, aldus de rechtbank. Het beroep van Graaco op ongerechtvaardigde verrijking van de boedel heeft de rechtbank gepasseerd. De rechtbank heeft tot slot de gevorderde verklaring voor recht toe-gewezen in die zin dat zij – kort samengevat – heeft verklaard voor recht dat Graaco op termijn voorrang heeft op het door de curator geïnde bedrag van € 5.276,01, vermeerderd met rente, onder de verplichting van Graaco om bij te dragen in de algemene faillissementskosten. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en Graaco veroordeeld in de proceskosten. Tegen enkele van de hiervoor weergegeven beslissingen richt zich het hoger beroep.

Ten aanzien van het bedrag van € 44.815,83, voldaan voor faillissement

4.7 Voor datum faillissement hebben debiteuren van [X] op de bij Van Lanschot gehouden rekening vorderingen voldaan. Vast staat dat Graaco geen mededeling van het pandrecht heeft gedaan zodat [X] bevoegd was de verpande vorde-ringen te innen (artikel 3:246 lid 1 BW). Door betaling gaan de vordering en het daarop rus-tende pandrecht teniet. Naar geldend recht komt geen pandrecht te rusten op het door de pandgever als gevolg van de inning verkregen geld, ook niet indien niet hij maar zijn bank het geld voor hem ontvangt. Er is dus geen substitutie van het pandrecht op de vordering van de pandgever op de bankinstelling.

4.8 In haar derde grief betoogt Graaco – kort samengevat – dat haar pandrecht via de catch all bepaling ook is komen te rusten op de vordering (het creditsaldo) van [X] op Van Lanschot. Ook indien wordt aangenomen dat aan de overige vereisten voor de vestiging van een pandrecht is voldaan, kan dit betoog Graaco niet baten. De ontvangst van gelden op een op naam van de pandgever gestelde bankrekening geldt als ontvangst door de pandgever zelf en substitutie van het pandrecht op de vordering van [X] op Van Lanschot vindt naar geldend recht niet plaats. De catch all bepaling kan hieraan niet afdoen en biedt in elk geval onvoldoende aanleiding om een inbreuk op het hiervoor weergegeven geldende recht te rechtvaardigen. Indien Graaco had willen voorkomen dat de aan haar verpande vorderingen door voldoening aan de pandgever tenietgingen, had zij mededeling van haar pandrecht aan de debiteuren moeten doen. Het komt voor haar risico dat zij dit niet heeft gedaan. De derde grief faalt dan ook.

4.9 Tegen het oordeel van de rechtbank onder 4.7 dat Graaco geen verrekeningbevoegd-heid toekomt en Van Lanschot de bankrekening van [X] niet voor Graaco maar voor [X] houdt, heeft Graaco geen grieven gericht. Evenmin heeft

Graaco een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de blijkens artikel 6.4 van de cessieakte beoogde indeplaatsstelling niet mogelijk is. Wel heeft Graaco tegen de laatste alinea van voormelde rechtsoverweging een grief gericht (grief V). In die alinea heeft de rechtbank onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden overwogen dat van schuldoverneming of contractoverneming geen sprake is omdat gesteld noch gebleken is van toestemming respectievelijk medewerking van de zijde van [X].

4.10 In haar grief betoogt Graaco dat met de cessie contractoverneming heeft plaatsgevonden en dat [X] daarvoor toestemming heeft verleend. Zij stelt daartoe dat (met artikel 6.4) niet beoogd werd de schuld (van Van Lanschot) aan [X] over te nemen maar de positie van [X] als gerechtigde op het creditsaldo. Naar het oordeel van het hof volgt uit de cessieakte tussen Van Lanschot en Graaco, waarbij Van Lanschot haar vordering op [X] heeft overgedragen, niet (tevens) dat [X] haar vordering op Van Lanschot met betrekking tot het creditsaldo aan Graaco heeft gecedeerd. [X] is geen partij bij de cessieakte en een afzonderlijke cessieakte tussen [X] en Graaco is niet opgemaakt. Hoe en op welke wijze Graaco de positie van [X] als gerechtigde op het bij Van Lanschot gehouden creditsaldo heeft overgenomen, is in dit licht onvoldoende toegelicht. De grief faalt.

4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Graaco geen rechten kan doen gelden op het bedrag dat debiteuren van [X] op de bij Van Lanschot gehouden rekening hebben voldaan voor datum faillissement.

Ten aanzien van het bedrag van € 35.871,60, voldaan na faillissement

4.12 Het hof stelt het volgende voorop. De curator heeft na datum faillissement voormeld bedrag geïnd. Voor zover sprake is geweest van stil verpande vorderingen, is op het geïnde geen pandrecht komen te rusten. Graaco heeft wel voorrang behouden op het geïnde, maar zal moeten wachten tot de uitdelingslijst verbindend is geworden voordat zij aanspraak heeft om bij de uitdeling overeenkomstig de aan het pandrecht ontleende voorrang te worden voldaan. Op de voet van artikel 182 Fw dient zij bovendien bij te dragen aan de algemene faillissementkosten.

4.13 De grieven I, II en IV stellen in de kern aan de orde dat de rechtbank het aandeel stil verpande vorderingen die betrokken zijn bij bovenstaand bedrag te beperkt heeft opgevat. De grieven slagen.

4.14 Voor verpanding van toekomstige vorderingen is voldoende dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. In dit geval hebben Van Lanschot en [X] een stampandakte opgemaakt op 18 juni 2007. In die akte is onder meer een catch all bepaling opgenomen. Voorts heeft [X] op 27 februari 2008 en op 4 maart 2008 aan Van Lanschot een pandlijst gestuurd welke laatste Van Lanschot op 11 maart 2008 ter regi-stratie heeft aangeboden. Anders dan de rechtbank, oordeelt het hof dat de op deze pandlijst opgenomen vorderingen rechtsgeldig per 11 maart 2008 zijn verpand. Dat Van Lanschot – die op dat moment geen pandhouder meer was – als pandhouder staat vermeld en de lijst heeft aangeboden, doet aan de rechtsgeldigheid van de registratie niet af. Het hof licht dit toe.

4.15 De Registratiewet 1970 en de Uitvoeringbeschikking Registratiewet 1970 schrijven slechts voor dat de te registreren akte de gegevens van ten minste één van de bij de akte optredende partijen vermeldt (artikel 5 Registratiewet 1970 juncto artikelen 4c, 8 lid 4, 12 junc-to 11 lid 1 sub e Uitvoeringsbeschikking). Ten aanzien van de hoedanigheid van de aanbieder van de akte gelden uit hoofde van deze wet geen voorschriften. De onderhavige ter registratie aangeboden pandlijst en de daarbij gevoegde aanbiedingsbrieven van [X] en van Van Lanschot (productie 5 bij memorie van grieven) vermelden de gegevens van de pandgever, zijnde één van de bij de akte betrokken partijen. Al in 1956 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de pandakte niet tweezijdig hoeft te zijn en evenmin hoeft te doen blijken van de verklaring van de pandhouder dat hij het pandrecht aanvaardt (30 november 1956, NJ 1957, 81). Op het moment dat [X] de pandlijst aan Van Lanschot stuurde, was Van Lanschot nog pandhouder en als zodanig vermeld op de pandlijst. Vanwege de cessie op 7 maart 2008 was Van Lanschot op 11 maart 2008 geen pandhouder meer, maar dat doet op basis van het voorgaande aan de rechtsgeldigheid van de te registreren pandlijst niet af. Voor de verkrijger van de pandrechten op de gecedeerde vorderingen (Gra-aco) is bovendien redelijkerwijs uit het samenstel van de akten te begrijpen dat de pandlijst tot vestiging van pandrechten op vorderingen van [X] op derden was bedoeld (Hoge Raad 29 juni 2001, LJN AB 2435). De vorderingen op de pandlijsten van zowel 27 februari 2008 als van 4 maart 2008 zijn dus rechtsgeldig aan Graaco verpand.

4.16 Blijkens de opstelling van de curator onder randnummer 7 van de conclusie van du-pliek is het bedrag van € 35.871,60 opgebouwd uit betalingen van facturen die merendeels dateren uit de periode van 26 februari 2008 tot en met 4 maart 2008. De in het overzicht van de curator gedateerde en met factuurnummer aangeduide facturen heeft het hof aangetroffen op de pandlijsten van 27 februari 2008 en 4 maart 2008, met uitzondering van een creditnota ter hoogte van € 1.338,70 aan Wisa Enschede B.V., twee facturen aan Wisa Enschede B.V. van € 184,19 en € 287,06 (nrs. 961890 en 961891) en drie betalingen van Knol Oud Papier (€ 90,80), Delta Lloyd (€ 293,08) en Vitens (€ 17,71). Het hof oordeelt dat de aan deze betalingen ten grondslag liggende vorderingen desondanks rechtsgeldig aan Graaco zijn verpand.

4.17 De curator heeft niet weersproken dat de stampandakte en de pandlijsten catch all bepalingen bevatten. Uit de stellingen van de curator volgt dat de hiervoor vermelde betalingen gegrond zijn op door [X] verzonden facturen (zie randnummer 7, eerste alinea conclusie van dupliek). In de administratie van [X] zijn dus kennelijk gegevens voorhanden die op deze betalingen betrekking hebben en aan de hand waarvan bepaald kan worden dat en wanneer de aan de facturen ten grondslag liggende vorderingen in het vermogen van [X] zijn ontstaan of door haar zijn verkregen. Anders dan de rechtbank en de curator voorstaan, ontstaat een vordering niet pas op het moment dat een factuur wordt uitgeschreven, maar op het moment dat de aanspraak op betaling uit hoofde van een titel ontstaat, bij [X] zal dit doorgaans zijn het moment dat een opdracht is uitgevoerd.

4.18 Voorts heeft de curator niet (voldoende) weersproken dat [X] korte tijd voor haar faillissement met al haar werkzaamheden was gestopt en dat na het faillissement geen opdrachten meer zijn afgemaakt (randnummer 30 memorie van grieven). Het hof gaat er daarom van uit dat de aan de betalingen ten grondslag liggende vorderingen voortvloeien uit vóór het faillissement bestaande rechtsverhoudingen. De hoedanigheid van debiteuren Vitens en Delta Lloyd wijst er bovendien op dat [X] met deze partijen al langer een rechtsbetrekking had; Wisa Enschede B.V. staat daarnaast al langere tijd met meerdere schulden op de debiteurenlijst. Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft de verkrijger van het pandrecht (Graaco) redelijkerwijs uit het samenstel van de akten mogen begrijpen dat de akten mede tot vestiging van het pandrecht op voormelde vorderingen was bedoeld (Hoge Raad 29 juni 2001, LJN AB2435). In het licht van de in het arrest Mulder q.q./Rabobank vermelde vereisten (Hoge Raad 20 september 2002, LJN AE7842) zijn de vorderingen ook voldoende bepaald. Tot slot overweegt het hof dat, daar waar de curator over de administratie van [X] beschikt en het in het algemeen op de weg van de curator ligt de pandhouder op diens verzoek alle informatie te verstrekken aangaande de debiteuren van (al dan niet) verpande vorderingen opdat de pandhouder zijn rechten kan onderzoeken en geldend maken (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, LJN BJ 0861) van hem mag worden verwacht dat hij zijn betwisting van de stellingen van Graaco – waaronder de stelling dat de aan de betalingen ten grondslag liggende vorderingen voortvloeien uit voor het faillissement bestaande rechtsverhoudingen – voldoende onderbouwt. Dat heeft hij echter nagelaten.

4.19 Het bovenstaande brengt mee dat Graaco voorrang heeft behouden op het door de curator geïnde bedrag van € 35.871,60, maar zal moeten wachten tot de uitdelingslijst ver-bindend is geworden. Op de voet van artikel 182 Fw dient zij bij te dragen in de algemene faillissementkosten (vgl. rov 4.12).

Slotsom

4.20 De derde en de vijfde grief falen. De overige grieven slagen zodat het bestreden vonnis vernietigd moet worden. De subsidiair onder II gevorderde verklaring voor recht is voor toewijzing vatbaar. De overige vorderingen zullen worden afgewezen. Gelet op de omstandigheid dat partijen vanwege hun geschil ervoor gekozen hebben het totaal bedrag van

€ 80.687,43 te parkeren en zich tot de rechter te wenden alsmede het feit dat Graaco en de curator in gelijke mate in het (on)gelijk te stellen zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 27 oktober 2010 en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat Graaco bij voorrang gerechtigd is tot het bedrag van € 35.871,60, te vermeerderen met de opgebouwde rente over dit bedrag vanaf het moment dat de curator beschikte over dit bedrag (op zijn derdengeldrekening dan wel de boedelrekening);

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, K.J. Haarhuis en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2012.