Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW1788

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
200.075.773/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldigheid van niet ondertekend aanvullen convenant. Artikel 3:35 BW. Hof acht aannemelijk dat bij de man de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Burgerlijk Wetboek Boek 3 34
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2012/113 met annotatie van C. de Bie-Koopman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 maart 2012

Zaaknummer 200.075.773

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.A. van der Kleij,

kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Thoenes-van der Veen,

kantoorhoudende te Zwolle.

Het hof verwijst voor wat betreft het procesverloop naar zijn tussenbeschikking van 23 juni 2011.

Het verdere procesverloop

Na die tussenbeschikking is op 1 augustus 2011 ter griffie van het hof binnengekomen een brief met bijlagen van mr. Van der Kleij gedateerd

29 juli 2011.

Bij brief met bijlagen van mr. Thoenes-Van der Veen, gedateerd 28 augustus 2011 maar binnengekomen bij het hof op 26 augustus 2011, is namens de man daarop gereageerd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder het faxbericht van mr. Van der Kleij van 1 augustus 2011, de brief met bijlagen van

mr. Van der Kleij van 16 november 2011 en de brief met bijlagen van mr. Thoenes-van der Veen van 16 november 2011.

Ter zitting van 28 november 2011 is de zaak verder behandeld. Partijen zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

De beoordeling

Feiten en achtergronden

1. Het hof verwijst voor wat betreft de feiten en achtergronden van het geschil naar de opsomming in de bestreden beschikking en in de tussenbeschikking van het hof van 23 juni 2011.

Het gewijzigde convenant: de bewijsopdracht

2. Het hof heeft de vrouw bij die tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld om, door alle middelen rechtens, te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het tussen partijen op 9 februari 2004 opgemaakte convenant niet per

1 februari 2006 is gewijzigd zoals vastgelegd in het niet ondertekende concept aanvullend convenant.

3. Ter voldoening aan de bewijsopdracht zijn namens de vrouw bij brief van 29 juli 2011 de volgende bewijsmiddelen aangedragen en toegelicht:

- aantekeningen van mr. Thoenes-van der Veen (advocaat van de man) die tijdens het viergesprek op 2 februari 2006 zijn gemaakt (productie 17);

- een brief van mr. Thoenes-van der Veen aan de voormalige advocaat van de vrouw mr. Koerhuis van 25 juli 2006 (productie 18);

- een brief van mr. Koerhuis aan mr. Thoenes-van der Veen van 8 augustus 2006 (productie 19);

- een brief van mr. Thoenes-van der Veen aan mr. Koerhuis van 11 augustus 2006 (productie 20); en

- een brief van de man aan mr. Koerhuis gedateerd 16 oktober 2006 (productie 21).

4. Namens de man is daarop bij brief van 28 augustus 2011 gereageerd. De man heeft daarbij eveneens correspondentie overgelegd omtrent de wijziging c.q. het aanvullend convenant.

5. Bij faxbericht van 1 augustus 2011 heeft mr. Van der Kleij het hof voorts meegedeeld dat de vrouw afziet van het leveren van bewijs door middel van getuigen.

De (vermeende) wijziging van het convenant van 9 februari 2004

6. De overgelegde stukken geven het hof geen aanleiding om terug te komen op zijn oordeel dat, gezien de beschikbare gegevens, aannemelijk moet worden geacht dat het convenant van 9 februari 2004 in onderlinge overeenstemming tussen partijen is gewijzigd ten tijde van het viergesprek op 2 februari 2006 op de wijze als vastgelegd in het tot de stukken behorende, niet ondertekende, aanvullend convenant.

7. Uit de door partijen overgelegde correspondentie blijkt dat partijen reeds voorafgaand aan het viergesprek op 2 februari 2006 contact hadden omtrent de wijziging van de onderhoudsbijdragen (conversie) en dat van de kant van de vrouw daartoe het initiatief is genomen. Vast staat voorts dat het viergesprek heeft geleid tot de opstelling van een aanvullend convenant en dat de vrouw na het viergesprek voor een lange periode de gewijzigde betalingen heeft geaccepteerd, althans niet daartegen heeft geageerd, ook niet toen de man met toepassing van de 'eigen verdienregeling' in het oorspronkelijke convenant de eigen inkomsten van de vrouw in mindering ging brengen op de alimentatie. Pas in september 2008 heeft de vrouw via haar nieuwe advocaat laten weten dat zij bezwaar maakt tegen de afspraken zoals die zijn neergelegd in het aanvullend convenant. Onder die omstandigheden acht het hof aannemelijk dat bij de man ten tijde van het viergesprek de gerechtvaardigde verwachting is gewekt, bedoeld in artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de conversie van de onderhoudsbijdragen als verwoord in het aanvullend convenant. Dat het niet tot ondertekening van het aanvullend convenant is gekomen en de vrouw in reactie op het aanvullend convenant heeft gewezen op de ongewijzigd gebleven 'eigen verdienregeling', maakt dat niet anders.

8. De door de vrouw overgelegde stukken bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Bovendien heeft de vrouw om haar moverende redenen afgezien van de mogelijkheid om haar stelling dat het viergesprek een oriënterend karakter had, te onderbouwen met getuigenverklaringen.

9. De afspraken in het aanvullend convenant laten zich aldus samenvatten dat de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdragen voor de twee minderjarige kinderen van partijen: [kind 1], geboren [in 1997] en [kind 2], geboren [in 1999], per

1 februari 2006 komen te vervallen en dat de man in plaats daarvan per genoemde datum € 850,- per maand (bruto) partneralimentatie aan de vrouw zal betalen. De bepalingen in het oorspronkelijk convenant die niet bij het aanvullend convenant worden aangevuld dan wel gewijzigd, zoals de eigen verdienregeling in artikel 4.5, blijven van kracht.

De geldigheid van de overeenkomst tot wijziging van het convenant

10. De klacht van de vrouw dat de afspraken in het aanvullend convenant nietig zijn wegens strijd met artikel 1:400 lid 2 BW, faalt. Uit hetgeen partijen over en weer hebben verklaard omtrent de aanleiding voor de wijziging en uit de overgelegde correspondentie tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, blijkt dat partijen met name om fiscale redenen ervoor hebben gekozen om de kinderalimentatie aan te merken als partneralimentatie. Naar het oordeel van het hof is daarom niet zozeer sprake van afstand van kinderalimentatie als wel van het wijzigen van de benaming en fiscale duiding ervan. Uit de brief van 23 december 2005 van de toenmalige advocaat van de vrouw mr. Koerhuis, kan voorts worden afgeleid dat de vrouw zelf het initiatief tot de conversie van de onderhoudsbijdragen heeft genomen. Nu zij bovendien de gewijzigde betalingen gedurende lange tijd heeft geaccepteerd, kan zij zich achteraf niet met succes op de nietigheid van de afspraken beroepen.

11. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de overeenkomst kan worden gehouden, kan het hof dat niet volgen omdat voor een dergelijke conclusie onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangedragen. Dat de vrouw netto minder overhoudt ten opzichte van de oorspronkelijke onderhoudsbijdragen, is onvoldoende voor een dergelijke conclusie.

12. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking op het punt van de verklaring voor recht in stand blijft.

De verzochte wijziging van de overeenkomst met terugwerkende kracht

13. De vrouw heeft in haar beroepschrift geklaagd dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op haar verzoek om de overeengekomen uitkering tot levensonderhoud met terugwerkende kracht te wijzigen op de voet van artikel 1:401 lid 1 dan wel lid 5 BW. De man heeft de betreffende klacht gemotiveerd betwist.

14. Het hof stelt voorop dat de rechter - binnen de grenzen van de rechtsstrijd zoals aan hem voorgelegd - in beginsel vrij is in het bepalen van de ingangsdatum van een onderhoudsverplichting dan wel de wijziging daarvan. Van die vrijheid dient evenwel behoedzaam gebruik te worden gemaakt waar het gaat om een wijziging over een periode in het verleden, gelet op de mogelijk ingrijpende financiële gevolgen daarvan.

* de grove miskenning

15. Voor een wijziging van een overeengekomen uitkering tot levensonderhoud op grond van artikel 1:401 lid 5 BW, is voorts noodzakelijk dat door de verzoeker wordt gesteld en bij betwisting met relevante bescheiden aannemelijk wordt gemaakt, dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven bij het aangaan van de overeenkomst. Daartoe dient onder meer inzichtelijk te worden gemaakt en onderbouwd welk bedrag in rechte zou zijn vastgesteld en in hoeverre dat afwijkt van het overeengekomen bedrag. Indien sprake is van bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven geldt naar analogie het toetsingscriterium genoemd in artikel 1:159 lid 3 BW. Ook in dat geval dienen de nodige feiten en omstandigheden te worden aangedragen. Het hof is in dit verband van oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de betwisting zijdens de man. De opsomming van omstandigheden die de vrouw onder grief 3 van haar beroepschrift heeft gegeven maakt dat niet anders.

* de wijziging van omstandigheden

16. De beslissing van de rechtbank in de bestreden beschikking om aan de hand van de wettelijke maatstaven te beoordelen of aanleiding bestaat de overeengekomen bijdrage per 7 januari 2010, de dag van indiening van het zelfstandig verzoek van de vrouw, te wijzigen, impliceert een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Nu tegen het aannemen van een zodanige wijziging van omstandigheden geen grief is gericht en deze ook overigens uit de stukken voldoende blijken, zal het hof daar met partijen van uitgaan.

17. Het hof onderschrijft de overweging van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat om de wijziging op enig moment vóór de dag van indiening van het (zelfstandig) verzoek, 7 januari 2010, te doen ingaan. Ook in hoger beroep zijn door de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan tot een andere ingangsdatum moet worden besloten dan gebruikelijk, namelijk de dag van indiening van het verzoek. Met name is door de vrouw niet overtuigend toegelicht dat zij geen mogelijkheid had om het verzoek eerder in te dienen.

18. Het hof zal hierna de grieven van partijen tegen de door de rechtbank gemaakte draagkrachtberekening ten aanzien van de man bespreken. Voor het overige zal het hof uitgaan van de niet betwiste posten in de draagkrachtberekening van de rechtbank ten aanzien van de man, zoals gehecht aan- en toegelicht in de bestreden beschikking.

De kinderalimentatie

De draagkracht van de man

* de bijstandsnorm

19. De rechtbank heeft in de draagkrachtberekening ten aanzien van de man, meer in bijzonder bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen, de bijstandsnorm voor een alleenstaande bedoeld in de Wet Werk en Bijstand (WWB) tot uitgangspunt genomen.

20. De grief van de man dat uit moet worden gegaan van de bijstandsnorm voor een gezin, voor zover gehandhaafd nu de man ter zitting heeft meegedeeld dat zijn partner inmiddels economisch zelfstandig is, faalt. Met de inwerkingtreding van de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008, 500) met ingang van 1 maart 2009, is in artikel 1:400 lid 1 BW een wettelijke voorrangsregeling voor kinderalimentatie opgenomen ten opzichte van andere onderhoudsverplichtingen. Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft onder meer tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige de norm voor een alleenstaande wordt gehanteerd. Het hof verwijst in dit verband naar de Tremanormen. Het hof ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval daarvan af te wijken.

* de advocaatkosten

21. De rechtbank heeft in haar draagkrachtberekening ten aanzien van de man rekening gehouden met een maandelijkse last van € 114,- en heeft daartoe in de bestreden beschikking gewezen op een aantal bijzondere omstandigheden, zoals de voorgeschiedenis van de zaak en de omstandigheid dat de man niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand en de vrouw wel, die volgens de rechtbank afwijking van de Tremanormen in het onderhavige geval rechtvaardigen.

22. De vrouw heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van de Tremanormen, die ervan uitgaan dat advocaatkosten niet ten laste van de kinderalimentatie kunnen worden gebracht.

23. De man heeft in incidenteel appel geklaagd dat de rechtbank in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met advocaatkosten. De man heeft zijn visie gegeven op de handelwijze van de vrouw in en voorafgaand aan deze procedure. Het handelen van de vrouw en haar onredelijke verzoeken hebben ertoe geleid dat de man meer dan € 20.000,- aan advocaatkosten heeft moeten maken. De man acht het redelijk dat minimaal rekening wordt gehouden met een maandlast van € 400,- gedurende de termijn waarin de man onderhoudsplichtig is ten opzichte van de kinderen.

24. Het hof schaart zich achter de beslissing van de rechtbank op dit punt en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen daartoe in de bestreden beschikking. De man heeft zijn stelling dat de vrouw misbruik maakt van (proces)recht onvoldoende onderbouwd. Bovendien, zo daarvan al sprake zou zijn, is dat in casu geen aanleiding voor verdergaande afwijking van de Tremanormen op dit punt.

25. Het voorgaande betekent dat het hof geen aanleiding ziet voor een correctie op de draagkrachtberekening van de rechtbank op dit punt. Het hof zal een 'knip' maken in de draagkrachtberekening in die zin dat de advocaatkosten per 7 januari 2011 buiten beschouwing zullen worden gelaten.

* de woonlasten

26. De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de woonlasten van de man heeft bepaald op € 1.179,- per maand en heeft daartoe onder meer opgemerkt dat het de keuze van de man is geweest om met zijn huidige partner te gaan samenwonen aan het adres [adres] te [woonplaats], alvorens de door de man verlaten woning aan het adres [adres] te [woonplaats] is verkocht.

27. De man schaart zich achter de bestreden beschikking op dit punt en heeft onder meer toegelicht dat hij in 2009 is gaan samenwonen met zijn nieuwe partner, dat zijn oude woning aan de [adres] dat jaar te koop is gezet en dat zulks door de situatie op de woningmarkt nog niet tot verkoop heeft geleid. Ter zitting van het hof heeft de man hieraan toegevoegd dat zijn oude woning per

1 januari 2012 zal worden verhuurd.

28. Het hof overweegt dat in geval van samenwoning van de onderhoudsplichtige met een nieuwe partner, uitgangspunt is dat de onderhoudsplichtige wordt geacht de woonlasten te kunnen delen. In het onderhavige geval doet zich de bijzonderheid voor dat de man is gaan samenwonen nog vóór de oude woning is verkocht. Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt dat die keuze tot gevolg moet hebben dat geen rekening met de (extra) woonlasten dient te worden gehouden. Het hof acht een dergelijke gevolgtrekking niet redelijk en neemt in aanmerking dat de man zijn oude woning reeds vóór de onderhavige procedure te koop heeft gezet, terwijl aannemelijk is - gelet op de verslechterende situatie op de woningmarkt - dat de verkoop langer op zich laat wachten dan destijds was te voorzien.

29. Nu ter zitting van het hof is gebleken dat de man zijn oude woning inmiddels uit de verkoop heeft gehaald en per 1 januari 2012 heeft verhuurd, zal het hof de lasten van de oude woning per 1 januari 2012 buiten de draagkrachtberekening houden. Voor wat betreft de periode tot 1 januari 2012 schaart het hof zich achter de beslissing van de rechtbank om rekening te houden met de dubbele woonlasten. Dit betekent dat het hof, naast de voormelde knip in de draagkrachtberekening per 7 januari 2011, ook per 1 januari 2012 een knip zal maken in de draagkrachtberekening.

* de berekeningen

30. Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekening van de rechtbank ten aanzien van de man, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte berekeningen.

31. De draagkrachtberekening (I) met betrekking tot de eerste periode van 7 januari 2010 tot 7 januari 2011 is conform de berekening in eerste aanleg. Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkracht van de man toereikend is om de behoefte van de kinderen van € 398,- voor zijn rekening te nemen en dat daarnaast nog draagkracht resteert voor partneralimentatie tot een bedrag van € 382,- per maand (inclusief fiscaal voordeel).

32. Uit de draagkrachtberekening (II) met betrekking tot de periode van 7 januari 2011 tot 1 januari 2012 blijkt dat de draagkracht van de man toereikend is om de behoefte van de kinderen voor zijn rekening te nemen en dat daarnaast nog draagkracht resteert voor partneralimentatie tot een bedrag van € 505,- per maand (inclusief fiscaal voordeel).

33. Uit de berekening (III) met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 2012 blijkt dat de man, naast de prevalerende kinderalimentatie, nog draagkracht heeft voor

€ 1.041,- per maand partneralimentatie (inclusief fiscaal voordeel).

De draagkracht van de vrouw en de verdeling van de behoefte van de kinderen

34. De rechtbank is bij de bestreden beschikking ervan uitgegaan dat de vrouw geen draagkracht heeft om een deel van de behoefte van de kinderen voor haar rekening te nemen. Hoewel de man ter zitting van het hof het standpunt heeft ingenomen dat de vrouw een deel van de behoefte van de kinderen voor haar rekening kan nemen, dan wel dat zij daartoe in staat moet worden geacht, volgt het hof dat niet gelet op haar persoonlijke situatie. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken, waaronder de brief met bijlagen van 16 november 2011, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen draagkracht heeft om een deel van de behoefte van de kinderen voor haar rekening te nemen. De man heeft zijn stelling dat de vrouw beschikt over relevant inkomen uit vermogen niet geconcretiseerd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.

35. Het ontbreken van draagkracht bij de vrouw betekent dat de man de behoefte van de kinderen voor zijn rekening dient te nemen. Het hof zal voor wat betreft de behoefte van de kinderen de berekening van de rechtbank in eerste aanleg overnemen, concluderende tot een behoefte van € 398,- per kind per maand, omdat daartegen geen grief is gericht.

36. Hieruit volgt dat de bestreden beschikking ook op het punt van de kinderalimentatie in stand blijft.

De partneralimentatie

37. Uit de voormelde draagkrachtberekening blijkt dat de man, na voldoening van de prevalerende kinderalimentatie, nog ruimte heeft voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Tussen partijen is in dit verband in geschil of en zo ja tot welk bedrag, ten laste van de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te worden vastgesteld.

38. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte aan een zodanige bijdrage wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij mede gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

39. Bij de bepaling van de hoogte van de alimentatiebehoefte dient volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven in de laatste periode van het huwelijk en daarnaast dient de behoefte zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde te worden bepaald. Dit wordt ook wel een behoeftelijst genoemd.

40. In de praktijk wordt de behoefte ook wel vastgesteld door middel van de zogenoemde hofnorm, zijnde 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, zonder rekening te houden met de fiscale voordelen als gevolg van aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en dergelijke.

41. Het hof stelt in dit verband vast dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man niet is vastgesteld in de bestreden beschikking en overigens ook niet ten tijde van het uiteengaan van partijen in het oorspronkelijk convenant. Partijen zijn er aanvankelijk vanuit gegaan dat geen van partijen behoefte had aan een bijdrage van de ander in het levensonderhoud.

42. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof haar behoefte en behoeftigheid onvoldoende gepreciseerd en onderbouwd. Zo ontbreekt in de stukken een met relevante bescheiden onderbouwde berekening (behoeftelijst) en ook heeft de vrouw niet een uitgewerkte berekening aan de hand van de zogenoemde hofnorm ingebracht. Anderzijds kan op grond van de beschikbare gegevens bezwaarlijk worden volgehouden, en is ook niet in geschil tussen partijen, dat helemaal geen behoefte bestaat bij de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Het hof zal er daarom in deze procedure naar redelijkheid vanuit gaan dat de behoefte van de vrouw niet de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 382,- per maand overschrijdt. Gelet op de aangehechte draagkrachtberekeningen heeft de man ten aanzien van alle perioden voldoende draagkracht om € 382,- per maand aan partneralimentatie te betalen.

43. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedrag van de vrouw aanleiding tot matiging van de partneralimentatie dient te zijn. Het hof ziet daarvoor onvoldoende grond.

44. Het gestelde misbruik van recht door de vrouw, is onvoldoende aannemelijk geworden. Wellicht ten overvloede overweegt het hof in dit verband dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden uitgesloten dat de vrouw daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat het voormelde viergesprek een oriënterend karakter had. De omstandigheid dat bij de man de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat tijdens het viergesprek tot overeenstemming is gekomen, sluit dat immers niet uit. Dat door de vrouw mogelijk lichtvaardig gebruik is gemaakt van het middel van beslaglegging, kan hier in het midden blijven. Zelfs indien dat zo zou zijn is dat voor het hof geen aanleiding tot matiging. Dit betreft veeleer een executiegeschil en valt buiten het bestek van deze procedure.

45. De bestreden beschikking blijft derhalve ook in stand voor zover daarbij omtrent de partneralimentatie is beslist.

De kostenveroordeling

46. De man heeft verzocht om de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding en heeft daartoe met name gewezen op de processuele houding van de vrouw en de omstandigheid dat zij de afspraken in het aanvullend convenant heeft ontkend.

47. Het hof ziet, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het inhoudelijke geschil en in bijzonder de stellingen van de man aangaande de (processuele) houding van de vrouw, geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige tussen gewezen echtgenoten dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt.

De slotsom

48. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 22 juli 2010 waarvan beroep;

compenseert de proceskosten tussen partijen zodanig dat ieder de eigen kosten van het geding draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, G.M. van der Meer en J.G. Idsardi, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 maart 2012 in het bijzijn van de griffier.