Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW1762

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
200.061.940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrijgende verjaring van bezit van een strook. Tussentijds komen buurpercelen in één hand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

sector civiel recht

zaaknummer hof: 200.061.940

(zaaknummer rechtbank: 187821)

arrest van de tweede kamer van 27 maart 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. N.P.H. Vissers,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.J. Brugge.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof volhardt bij zijn tussenarrest van 15 november 2011.

1.2 Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte aan de zijde van [appellant] en de antwoordakte.

1.3 Vervolgens heeft [appellant] de stukken andermaal voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Bij het laatste tussenarrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweer van [geïntimeerde] dat de percelen [straatnaam] op enig moment weer in één hand zijn gekomen, namelijk in handen van DGG, en dat daardoor de inbezitneming van de strook is geëindigd. Tevens is [appellant] verzocht de akte van levering in het geding te brengen waarbij hij het perceel [straatnaam] geleverd heeft gekregen.

2.2 [appellant] heeft de akte van levering in het geding gebracht en gereageerd op voormeld verweer. [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte gereageerd. Uit de thans overgelegde akte volgt dat DGG op 3 februari 2003 de eigendom heeft verkregen van het later op 31 juli 2003 aan [apellant] geleverde perceel. In het tussenarrest is al overwogen dat DGG [straatnaam] op 20 november 2001 heeft verworven en op 15 december 2008 aan [geïntimeerde] heeft geleverd. Vast staat daarmee dat de percelen [straatnaam] enige tijd in één hand zijn geweest. Vervolgens ligt de vraag voor welke gevolgen dit heeft voor het beroep op verjaring van [appellant]. [appellant] heeft in zijn akte betoogd dat voordat DGG [straatnaam] aankocht de verjaringstermijn al was voltooid en dat DGG het bezit van de strook voortgezet heeft. Zonder betekenis is dat [persoonsnaam] in zijn verklaring heeft gesteld dat DGG alleen de kadastrale grenzen heeft erkend. Bovendien blijkt nergens uit, aldus nog steeds [appellant], dat DGG als eigenaar van [straatnaam] afstand heeft gedaan van het recht de door [appellant] gestelde eigendom te claimen op grond van verjaring.

2.3 Het hof passeert dit betoog. DGG heeft als rechthebbende op het buurperceel [straatnaam] gekocht waardoor beide percelen in één hand kwamen en een geheel zijn gaan vormen. Voor zover DGG niet reeds eigenaar was van de strook, is zij daarmee eigenaar/rechthebbende op de strook geworden.

2.4 Vervolgens heeft DGG het haar in eigendom toebehorende ongedeelde perceel gesplitst verkocht. In de overgelegde leveringsakten wordt in dat verband slechts verwezen naar kadastrale nummers, behorend bij de adressen [straatnaam]. Gesteld noch gebleken is dat DGG de strook, die kadastraal hoort bij het buurperceel, desondanks aan [appellant] heeft verkocht. Vanaf de levering op 31 juli 2003 is een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen die niet is voltooid. De conclusie is dat [appellant] geen eigenaar is geworden van de strook.

2.5 Bij deze stand van zaken komt het hof aan de (overige) stellingen en het daaraan gekoppelde bewijsaanbod van [appellant] niet toe.

Slotsom

2.6 Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis moet onder verbetering van gronden worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 314 voor griffierecht en op € 2.235 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2,5 punten x tarief II).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 17 februari 2010;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.235 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 314 voor griffierecht;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.M. Mostermans, K.J. Haarhuis en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012.