Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW1431

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
24-000992-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van medeplegen van poging tot doodslag vrijgesproken. Het hof heeft in onvoldoende mate kunnen vaststellen dat het schoppen en slaan door verdachte van zodanige aard en intensiteit is geweest dat daardoor de aanmerkelijke kans is ontstaan dat het slachtoffer ten gevolge van die schoppen of trappen zou komen te overlijden. Daarnaast is het hof van oordeel dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet niet was gericht op het doden van [..] nu overtuigend bewijs van wetenschap van de wel potentieel dodelijke handelingen van zijn zoon, te weten het steken met het mes, niet voorhanden is.

Verdachte wordt ter zake van medeplegen van zware mishandeling veroordeeld. Hierbij heeft het hof overwogen dat verdachte in het gevecht met aangever zo nauw en bewust met zijn zoon heeft samengewerkt dat sprake is van het tezamen en in vereniging met een ander plegen van zware mishandeling. De door verdachte zelf verrichte handelingen waren geëigend op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met dat handelen was verdachtes opzet op het grondfeit gericht. Dat verdachte zelf de messteken niet heeft toegebracht en een andere feitelijke invulling van het grondfeit dan verdachte mogelijk voor ogen stond is gebleken, staat er niet aan in de weg dat alle gewelddadige handelingen, waaronder het steken, ook verdachte onder de gegeven omstandigheden als deelnemer worden toegerekend. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000992-11

Uitspraak d.d.: 5 april 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 mei 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, en opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de in beslag genomen kleding zal worden teruggegeven aan de rechthebbende. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 07 juli 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, met een mes en/of een schroevendraaier/priem, althans met één of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en), in de borst en/of buik en/of rug en/of elders in het lichaam, heeft/hebben gestoken en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (hard) tegen het hoofd heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 07 juli 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (harttamponade en/of een bloeding uit de arterai mammaria) heeft/hebben toegebracht, door deze opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een mes en/of een schroevendraaier/priem, althans met één of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en) in de borst en/of buik en/of rug en/of elders in het lichaam te steken, en/of meermalen, althans eenmaal, (hard) tegen het hoofd, te schoppen/trappen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 07 juli 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes en/of een schroevendraaier/priem, althans met één of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en), in de borst en/of buik en/of rug en/of elders in het lichaam heeft gestoken, en/of meermalen, althans eenmaal, (hard) tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte samen met zijn zoon geprobeerd heeft om het slachtoffer van het leven te beroven door hem met een mes en een scherp en puntig voorwerp meerdere malen in het lichaam te steken en met geschoeide voet meerdere malen tegen het hoofd te schoppen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat - indien het hof niet bewezen acht dat verdachte zelf heeft gestoken - er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het van het leven beroven van het slachtoffer door het steken door de medeverdachte en het schoppen door verdachte.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte met zijn handelen geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het handelen van verdachte, bestaande uit - onder meer - het (per ongeluk) eenmaal schoppen tegen het hoofd, levert geen aanmerkelijke kans op de dood op. Dit schoppen heeft evenmin zwaar lichamelijk letsel opgeleverd. Dit dient te leiden tot algehele vrijspraak, aldus de raadsman.

Het hof stelt ten aanzien van de feiten het volgende vast.

Op 5 juli 2010 wordt [naam 1], de zoon van verdachte, in elkaar geslagen door een groep jongens, onder wie [naam 2]. Twee dagen later, op 7 juli 2010, komt [naam 1] die op dat moment samen met zijn vriend [naam 3] was, die [naam 2] tegen in het winkelcentrum. Aangever [slachtoffer] vergezelde [naam 2]. Als ook zijn vriend [naam 3] wordt geslagen belt [naam 1] zijn vader [verdachte], verdachte, en vraagt of hij snel naar het winkelcentrum komt. [naam 1] wacht op verdachte. [naam 3] gaat weg. Nadat verdachte is gearriveerd heeft hij contact met zijn zoon [naam 1], waarna verdachte en zijn zoon gezamenlijk op een op een bank zittend groepje jongens aflopen, waarvan aangever [slachtoffer] deel uitmaakt. Verdachte spreekt [slachtoffer] aan en vraagt waarom hij zijn zoon heeft geslagen. [slachtoffer] geeft te kennen dat hij [naam 1] niet heeft geslagen. Verdachte is boos. Er ontstaat een woordenwisseling en geduw. Dan stompt verdachte - aldus de verklaring van verdachte - [slachtoffer] twee keer met volle kracht op het gezicht, waardoor [slachtoffer] op de grond valt. Nadat [slachtoffer] weer is opgestaan raken [naam 1] en [slachtoffer] in gevecht. Verdachte mengt zich in dit gevecht. [slachtoffer] wordt door verdachte en zijn zoon geslagen en geschopt. Het gevecht verplaatst zich daarbij in de richting van de dierenwinkel. Door een schop van verdachte valt [slachtoffer] weer op de grond. [slachtoffer] op de grond ligt schopt verdachte met kracht tegen zijn lichaam en hoofd. Ook [naam 1] slaat en schopt. [naam 1] steekt aangever [slachtoffer] tijdens het gevecht onderwijl met een mes. De vechtpartij eindigt doordat [naam 1] en verdachte snel weglopen. [slachtoffer] strompelt naar zijn vrienden en zakt bij het bankje in elkaar. Hij bloedt hevig en wordt door een ambulance overgebracht naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis blijkt dat [slachtoffer] meerdere steekwonden in en rond de hartstreek heeft, waarvan één dwars door de hartspier. Er is sprake geweest van (onder meer) een harttamponade en bloeding uit de arterai Mammaria veroorzaakt door perforatie. [slachtoffer] moet gereanimeerd worden en er volgt een open hartoperatie. In totaal was er sprake van negen penetrerende steekverwondingen, drie oppervlakkige krasverwondingen en twee mogelijk penetrerende puntverwondingen. De verwondingen waren gelegen op zowel de voor- en achterzijde van het lichaam.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde

In tegenstelling tot de advocaat-generaal acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zelf [slachtoffer] heeft gestoken, noch dat hij ten tijde van het steken door zijn zoon daarvan wetenschap heeft gehad.

Uit de weergegeven feitelijke vaststelling volgt - onder meer - dat verdachte aangever [slachtoffer] tegen het gezicht heeft gestompt en meerdere malen met geschoeide voet tegen zijn lichaam en hoofd heeft geschopt of getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte hierbij het (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof heeft in onvoldoende mate kunnen vaststellen dat het schoppen en slaan door verdachte van zodanige aard en intensiteit is geweest dat daardoor de aanmerkelijke kans is ontstaan dat het slachtoffer ten gevolge van die schoppen of trappen zou komen te overlijden.

Het hof acht het medeplegen van een poging tot doodslag evenmin bewezen, omdat verdachtes (voorwaardelijk) opzet niet was gericht op het doden van [slachtoffer] nu overtuigend bewijs van wetenschap van de wel potentieel dodelijke handelingen van zijn zoon, te weten het steken met het mes, niet voorhanden is.

Derhalve zal verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit bovenomschreven vaststaande feiten leidt het hof af dat verdachte in het gevecht met aangever [slachtoffer] zo nauw en bewust met zijn zoon heeft samengewerkt dat sprake is van het tezamen en in vereniging met een ander plegen van zware mishandeling.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte zelf verrichte handelingen geëigend zijn voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vaststaat immers dat verdachte het slachtoffer met kracht tegen het hoofd heeft gestompt en geschopt, ook terwijl het op de grond lag. Het hof is van oordeel dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met dat handelen van verdachte was zijn opzet derhalve op het grondfeit gericht. Dat niet is komen vast te staan dat de door verdachte verrichte handelingen ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel hebben opgeleverd, doet aan het vorenstaande niet af.

Het hof heeft hierboven vastgesteld, samengevat, dat verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk - gedurende zekere tijd en op verschillende plaatsen - geweld hebben uitgeoefend op het slachtoffer door te slaan of stompen en te schoppen of trappen en het toebrengen van messteken. Daarbij is sprake geweest van gelijktijdige en elkaar ondersteunende handelingen, ook op de momenten dat het slachtoffer probeerde zich aan dat geweld te onttrekken. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte het slachtoffer benaderd, is samen met zijn medeverdachte gewelddadig opgetreden en is samen met zijn medeverdachte, zijn zoon, weggegaan.

Uit deze vaststelling volgt dat het handelen van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, welk letsel - naar is komen vast te staan - door (meerdere) messteken toegebracht door de medeverdachte, ook daadwerkelijk is ontstaan. Dat verdachte zelf de messteken niet heeft toegebracht en een andere feitelijke invulling van het grondfeit dan verdachte mogelijk voor ogen stond is gebleken, staat er niet aan in de weg dat alle gewelddadige handelingen, waaronder het steken, ook verdachte onder de gegeven omstandigheden als deelnemer, in casu medepleger, van het feit worden toegerekend.

Dat brengt het hof tot de slotsom dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

hij op 07 juli 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (harttamponade en een bloeding uit de arterai mammaria) heeft toegebracht, door deze opzettelijk, meermalen, met een mes in de borst en rug en elders in het lichaam te steken, en/of meermalen hard tegen het hoofd te schoppen/trappen;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 7 juli 2010 heeft verdachte zich samen met zijn zoon schuldig gemaakt aan zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer]. Op klaarlichte dag hebben zij het slachtoffer zichtbaar voor anderen gestompt, geschopt en gestoken met een mes. Uit het dossier wordt duidelijk dat het geweld op omstanders grote indruk heeft gemaakt. Door zo te handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. [slachtoffer] heeft moeten vechten voor zijn leven. De toegediende letsels (de harttamponade en het lekkende bloedvat) hebben hem zwaar verwond. Dat dit incident voor aangever zeer traumatisch is geweest blijkt ook uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.

Het is kwalijk dat verdachte met zijn zoon op het slachtoffer is afgegaan, de confrontatie heeft gezocht en zich op een dergelijke gewelddadige wijze heeft gemanifesteerd.

Een strafbaar feit als dit is een ernstig geweldsdelict dat de rechtsorde schokt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 maart 2012 volgt dat verdachte niet eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

Alles afwegende, mede gelet op de rol van verdachte en de door hem verrichte feitelijke handelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte weliswaar het opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar dat hij niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 11.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die tot heden in dit strafproces aannemelijk gebleken schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen kleding aan de rechthebbende.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] terzake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. J.A.A.M. van Veen en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 5 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.