Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW1077

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
21-001739-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tsjechische ski-zaak. Veroordeling ter zake van het medeplegen van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar.

Bruikbaarheid in buitenland afgelegde verklaringen, artikel 26 EVOS en 552gg lid 1 Sv. Beroep op noodweer(exces) verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001739-11

Uitspraak d.d.: 6 april 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 27 april 2011 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 31 januari 2012 en 2 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 01 februari 2010 te Zaclér (stadsdeel Bobr), in elk geval in de Tsjechische Republiek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met een of meer mes(sen) en/of (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) in diens hoofd en/of nek/hals en/of bovenlichaam, althans in het lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Subsidiair

hij op of omstreeks 01 februari 2010 te Zaclér (stadsdeel Bobr), in elk geval in de Tsjechische Republiek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] met een of meer mes(sen) en/of (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) in diens hoofd en/of nek/hals en/of bovenlichaam, althans in het lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot de bewijsvraag

Bruikbaarheid van de in Tsjechië afgelegde verklaringen

Standpunt verdediging

Primair is door de verdediging aangevoerd dat de navolgende verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd:

- de door [verdachte] op 1 en 2 februari 2010 tegenover de Tsjechische politie afgelegde verklaringen;

- de door [medeverdachte] op 1 februari 2010 ten overstaan van de Tsjechische politie afgelegde verklaring;

- de door [verdachte] en [medeverdachte] op de plaats delict op 1 februari 2010 afgelegde verklaringen zoals opgenomen in de door de verbalisanten [getuige 1] en [getuige 2] opgemaakte “Notities” en

- de ten overstaan van de Nederlandse rechter-commissaris door [getuige 2] , [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4] afgelegde verklaringen.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft daaromtrent in zijn requisitoir gemotiveerd een andersluidend standpunt ingenomen inhoudend dat al die verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Oordeel hof

Het hof heeft voor de beoordeling van de bruikbaarheid voor het bewijs van de in Tsjechië ten overstaan van de Tsjechische politie op 1 en 2 februari 2010 door verdachten afgelegde verklaringen en de overige verklaringen afgelegd ten overstaan van de Nederlandse rechter-commissaris in het kader van de uitvoering van een rechtshulpverzoek in Tsjechië door [getuige 2], [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4] voor zover die verklaringen zijn gebaseerd op de door verdachten [verdachte] en [medeverdachte] in de eerste fase van het onderzoek afgelegde verklaringen, als volgt overwogen.

De aan verdachte tenlastegelegde gedragingen hebben in Tsjechië plaatsgevonden. Daarop is aldaar een onderzoek gestart. Tsjechië heeft vervolgens op basis van het Europees Verdrag tot Overdracht van Strafvervolging (hierna: EVOS) de strafvervolging overgedragen aan Nederland. Het hof stelt voorop dat het strafproces na de overname van Nederland van de strafvervolging volgens de bepalingen van het Nederlandse strafprocesrecht wordt gevoerd. In het strafdossier bevindt zich een aantal brieven met uitleg over de Tsjechische regelgeving met betrekking tot de vraag of en zo ja wanneer de door een verdachte in de eerste fase van het opsporingsonderzoek – dit is de fase vóórdat een verdachte officieel in staat van beschuldiging is gesteld – ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen kunnen worden gebezigd voor het bewijs. Op grond van artikel 158 lid 3 en 5 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Tsjechië mogen dergelijke verklaringen niet als bewijsmiddel in de strafzaak worden gebruikt. Ingevolge artikel 212 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Tsjechië kan een proces-verbaal van verhoor opgemaakt in die eerste fase van het onderzoek waarnaar ter terechtzitting kort is verwezen niet de basis vormen voor een uitspraak over de schuld van verdachte, ook niet wanneer dit gebeurt in verband met ander aangedragen bewijsmateriaal.

Artikel 26 EVOS bepaalt dat in de verzoekende staat (het hof leest: Tsjechië) rechtsgeldig verrichte opsporings- en vervolgingshandelingen dezelfde rechtskracht hebben als in de aangezochte staat (het hof leest: Nederland) met dien verstande dat de bewijskracht niet groter is dan in de verzoekende staat. Artikel 552gg van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat door de vreemde staat overgelegde stukken betreffende ambtshandelingen ter zake van opsporing en vervolging de bewijskracht hebben die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige door de Nederlandse ambtenaar verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in de vreemde staat hebben.

Voor de vraag of een verklaring in een Nederlands strafproces voor het bewijs kan worden gebezigd, zijn de bepalingen opgenomen in Titel VI, derde afdeling van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. In artikel 339 Wetboek van Strafvordering zijn de wettige bewijsmiddelen opgesomd.

De eerste vraag die beantwoord moet worden voor de vraag naar de bruikbaarheid van een verklaring, een notitie of een proces-verbaal voor het bewijs is of die verklaring, notitie of dat proces-verbaal valt onder de wettige bewijsmiddelen zoals opgesomd in artikel 339 Wetboek van Strafvordering. Het hof beantwoordt die vraag voor zover het gaat om de in Tsjechië door de Tsjechische politie opgemaakte processen-verbaal van verhoor en van bevindingen positief nu deze processen-verbaal aangemerkt kunnen worden als schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 339 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering. Datzelfde geldt voor de door de rechter-commissaris van de in Tsjechië verrichte ambtsverrichtingen opgemaakte processen-verbaal.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of die bewijsmiddelen ook daadwerkelijk kunnen worden gebruikt in de Nederlandse strafzaak tegen beide verdachten. In de onderhavige zaak is de strafvervolging door Tsjechië aan Nederland overgedragen op basis van het EVOS. Daarmee heeft Nederland de rechtsmacht van Tsjechië overgenomen en bepaalt Nederland op basis van de eigen Nederlandse regelgeving of de resultaten van de opsporingshandelingen in de inmiddels Nederlandse strafzaak als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. Er zijn geen nationale of internationale bepalingen aan te wijzen die zich verzetten tegen het gebruik voor het bewijs in Nederland in een Nederlandse strafzaak van het in het kader van het EVOS en het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in Strafzaken door de Tsjechische autoriteiten aan de Nederlandse justitiële autoriteiten overgedragen bewijsmateriaal. Aan internationale verdragen als het EVOS en het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in Strafzaken ligt het vertrouwensbeginsel tussen bij het verdrag aangesloten staten ten grondslag. Dit houdt in dat men zoveel vertrouwen heeft in elkaars rechtssystemen dat resultaten van strafrechtelijke onderzoeken in alle bij het verdrag aangesloten landen als bewijs kunnen en mogen worden gebruikt, indien die resultaten zijn verkregen met inachtneming van de in die landen geldende regelgeving, zonder dat de rechter in het land waar de strafzaak dient een onderzoek hoeft te doen naar de rechtmatigheid van dat bewijsmateriaal. Het uit Tsjechië verkregen bewijsmateriaal mag dus als bewijsmiddel in de Nederlandse strafzaak worden gebruikt.

Tenslotte moet de vraag naar de bewijskracht worden beantwoord. Relevant daarvoor is het bepaalde in voornoemd artikel 26 EVOS en artikel 552gg Wetboek van Strafvordering. Deze laatste bepaling is de uitwerking in de Nederlandse wetgeving van artikel 26 EVOS. De vraag naar de bewijskracht van een bewijsmiddel komt eerst aan de orde indien er sprake is van een wettig bewijsmiddel dat ook daadwerkelijk gebruikt mag worden voor het bewijs. In de onderhavige zaak wordt door de verdediging een beroep gedaan op Tsjechische bepalingen op grond waarvan verklaringen van verdachten die zijn afgelegd in de fase voorafgaand aan de inbeschuldigingstelling volgens Tsjechisch recht in een Tsjechisch strafproces niet voor het bewijs kunnen en mogen worden gebezigd indien de strafzaak in Tsjechië zou hebben gediend. In het bijzonder wordt hierbij gewezen op de brief van 3 december 2010 van [getuige 5], plaatsvervangend lid voor de Republiek Tsjechië van Eurojust aan [getuige 6], plaatsvervangend lid voor Nederland van Eurojust en op de brief van 11 februari 2011 van [getuige 7], officier van justitie bij het arrondissementsparket Hradec Kralové in Tsjechië aan [getuige 8], rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht. In genoemde brieven wordt een aantal bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Tsjechië aangehaald. Gelet op artikel 158 lid 3 en 5 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Tsjechië mogen verklaringen die in Tsjechië worden afgelegd in de eerste fase van een strafzaak voorafgaand aan de officiële in staat van beschuldigingstelling niet als bewijsmiddel in de rechtszaak worden gebruikt.

Voor zover de verdediging daarmee heeft willen betogen dat het feit dat dergelijke in een preliminair stadium afgelegde en opgenomen verklaringen in Tsjechië niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt, op grond van artikel 26 lid 1 EVOS en artikel 552gg Wetboek van Strafvordering met zich mee zou brengen dat dergelijke in Tsjechië afgelegde en opgenomen verklaringen evenmin in Nederland in een strafzaak zouden mogen worden gebruikt voor het bewijs, berust dit verweer op een onjuiste lezing en/of interpretatie van de toepasselijke bepalingen. In artikel 26 lid 1 EVOS en artikel 552gg Wetboek van Strafvordering immers wordt niets gezegd over de bruikbaarheid als bewijsmiddel van verrichte ambtshandelingen. Beide bepalingen gaan enkel en alleen over de bewijskracht. Zoals hiervóór uiteengezet komt de vraag naar de bewijskracht van een bewijsmiddel pas aan de orde indien sprake is van het mogen toepassen als bewijsmiddel van ambtshandelingen. In Tsjechië komt men kennelijk aan die vraag niet toe voor zover het gaat om verklaringen van verdachten die in de fase voorafgaand aan de inbeschuldigingstelling zijn afgelegd omdat die verklaringen naar Tsjechisch recht kennelijk überhaupt niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. Het Nederlandse recht kent een dergelijke beperking niet. Anders dan kennelijk in Tsjechië mogen in Nederland verklaringen van verdachten afgelegd in welk stadium van het onderzoek dan ook voor het bewijs worden gebruikt indien van die verklaringen uit een wettig bewijsmiddel blijkt.

Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat aan artikel 26 lid 1 EVOS noch aan artikel 552gg Wetboek van Strafvordering argumenten kunnen worden ontleend op basis waarvan het in Tsjechië verzamelde en in het kader van internationale rechtshulpverdragen aan Nederland overgedragen bewijsmateriaal in Nederland niet voor het bewijs zou mogen worden gebezigd voor zover dat materiaal uitdrukking heeft gevonden in wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 339 Wetboek van Strafvordering. Steun voor die opvatting kan ook worden ontleend aan het antwoord van [getuige 7], officier van justitie bij het arrondissementsparket Hradec Kralové in Tsjechië in zijn voornoemde brief van 11 februari 2011 aan [getuige 8], rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht op de vraag van de Nederlandse autoriteiten of en door welke Tsjechische autoriteit op basis van welk Tsjechisch wetsartikel toestemming moet worden verleend voor het gebruik in het Nederlandse strafproces van de op 1 en 2 februari 2010 door [verdachte] en [medeverdachte] afgelegde verklaringen. Het antwoord van [getuige 7] luidt dat het volledig onder de bevoegdheid van de desbetreffende Nederlandse organen valt de genoemde feiten te beoordelen conform de geldende Nederlandse rechtsorde zonder dat daarvoor de toestemming van de Tsjechische organen noodzakelijk zou zijn.

Het beroep van de verdediging op bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen.

Salduz (raadsman bij het verhoor)

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte op 1 en 2 februari 2010 afgelegde verklaringen ten overstaan van de Tsjechische politie dienen te worden uitgesloten voor het bewijs nu deze verklaringen zijn afgelegd zonder dat verdachte tevoren een raadsman had geconsulteerd. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 in de zaak van Salduz tegen Turkije en de daarop volgende uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009.

Oordeel hof

Uit de “Salduz”-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie de gelegenheid moet worden geboden om een advocaat te raadplegen. Verzuim hiervan levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dat na daartoe strekkend verweer in de regel – behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken – dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak verdachte was aangehouden toen hij op 1 en 2 februari 2010 vanaf 18.09 uur is gehoord. Tevoren is hem door de verbalisanten door tussenkomst van een tolk medegedeeld dat hij recht had op bijstand van een raadsman. Verdachte heeft blijkens zijn eigen verklaring op 1 februari 2010 alsmede de verklaringen van de verhorende verbalisant en de tolk uitdrukkelijk verklaard afstand te doen van het recht op consultatie en/of bijstand van een advocaat. Hem zijn de rechten voorgehouden die een verdachte van een strafbaar feit volgens de bepalingen van het Tsjechische recht toekomen waaronder het recht om te zwijgen. Voor zover de verdediging voorts nog heeft betoogd dat verdachte überhaupt geen afstand kon doen van het recht op consultatie en/of bijstand van een advocaat gelet op het feit dat het aan verdachte tenlastegelegde delict een (in de opvatting van het Nederlandse openbaar ministerie) zogenaamde categorie-A zaak betreft, is het hof van oordeel dat dit verweer moet worden gepasseerd nu de categorie-indeling van zaken ter toetsing van het recht op al dan niet verplichte consultatie van een advocaat, een interne Nederlandse OM-richtlijn betreft. Het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de bij de Tsjechische politie afgelegde verklaringen wegens schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt dan ook verworpen.

Betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen

Meer subsidiair is door de verdediging bepleit de verklaringen niet voor het bewijs te gebruiken omdat de inhoud van de verklaringen niet juist en niet betrouwbaar zou zijn.

Gezien het feit dat de door [verdachte] op 1 en 2 februari 2010 afgelegde verklaringen niet audio- en/of visueel geregistreerd zijn, heeft het hof bij de beoordeling van de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaringen uiterste behoedzaamheid in acht genomen. Het hof heeft er daarbij vooral op gelet of en in hoeverre de verklaringen ondersteuning vinden in ander bewijsmateriaal.

In het dossier zijn onder meer de volgende stukken opgenomen:

Stamproces-verbaal

Op 31 januari 2010 vertrokken [medeverdachte] , [verdachte] en [slachtoffer] in de nachtelijke uren in de richting van Tsjechië. De bedoeling was om daar samen van een wintersportvakantie te genieten. Ze kwamen ’s middags aan bij de vakantiewoning. Vlak daarna gingen ze naar een in de buurt gelegen restaurant waar bier en een maaltijd werden genuttigd. Omstreeks 18.00 uur gingen ze terug naar de vakantiewoning alwaar bier werd gedronken. Later op de avond vertrokken ze weer naar het restaurant. Daar werd bier en tequila gedronken. Aan het eind van de avond zijn de drie vrienden teruggekeerd naar de vakantiewoning. Daar ontstond een vechtpartij. [Slachtoffer] raakte gewond en overleed op 1 februari 2010 om 06.15 uur (p. 1 en 2).

Forensisch rapport vakgebied gezondheidszorg, specialisatie gerechtelijke geneeskunde (p. 825 e.v.)

Op 2 februari 2010 is in Tsjechië een lijkschouwing en een sectie uitgevoerd op het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer]. In het naar aanleiding van dat onderzoek opgestelde rapport wordt onder meer vermeld dat het slachtoffer steek en steek/snijverwondingen heeft aan het hoofd, de hals, romp en bovenste ledematen. Aan het hoofd werden vele steek- en snijwonden geconstateerd. In het ooglid van het rechteroog en de bovenlip werden doordringende steek/snijwonden gezien. In de hals zat een steekwond die de diepe halsstructuren doordrong. Op de romp zaten kleine steekwondjes en in rechterhandpalm en verschillende vingers van de rechterhand diepe steek/snijwonden. Op de linkerarm en linkerhand zaten oppervlakkige snijwonden. Daarnaast zijn vele zogenaamde stompe letsels (schaafwonden, schrammen en bloeduitstortingen) geconstateerd (p. 834 en 835).

De verwondingen zijn ontstaan binnen een relatief kort tijdsinterval (hoogstens enkele tientallen minuten (p. 836)).

De directe doodsoorzaak is de uitwendige verbloeding geweest in combinatie met luchtembolie bij de steekwond aan de linker halsader (p. 837).

De verwondingen aan de rechterhand van het slachtoffer getuigen van een actieve verdediging van het slachtoffer tegen de aanval met een steek/snij instrument, in die zin dat het slachtoffer herhaaldelijk geprobeerd heeft het lemmet te pakken (p. 837).

De steek- en snijwonden aan het hoofd, de romp en ledematen kunnen door het in beslaggenomen mes zijn ontstaan. Gezien het karakter van de steek/snijwonden aan de linkerkant van de hals wordt geconstateerd dat deze – voor het slachtoffer dodelijke verwondingen – zeer waarschijnlijk door een steek/snijvoorwerp zijn veroorzaakt met een gladde (niet gekartelde) snede, dus door een ander dan het getoonde mes (p. 838).

De opgelopen verwondingen van het slachtoffer zijn zodanig ernstig geweest, wegens de algemene aard ervan en de veelvoudigheid, dat zijn dood onafwendbaar was ook bij het verlenen van adequate medische hulp (p. 838).

Bij [medeverdachte] werden de volgende verwondingen vastgesteld:

- een zwelling van de zachte weefsels van de neuswortel;

- schrammen aan de voor- en achterkant van de rechterdij en aan de binnenkant van de rechterknie.

De verwondingen zijn door inwerking van stomp geweld met kleine intensiteit ontstaan (p. 839 en 840).

Bij [verdachte] werden de volgende verwondingen geconstateerd:

- puntachtige kleine bloeduitstortingen aan de voorkant van de rechterarm;

- een schram aan de binnenkant van de rechteronderarm;

- een bloeduitstorting aan de voorkant van de linkerarm;

- op zijn linkerpols en – hand was verband aangebracht.

Uit medische informatie bleek dat de verdachte oppervlakkige snijwondjes op het handpalmvlak en vingers van zijn linkerhand heeft opgelopen.

De verwondingen op de vingers van de linkerhand van verdachte zijn door inwerking van een snijdend voorwerp ontstaan (bijvoorbeeld een mes). De overige verwondingen zijn ontstaan door een directe inwerking van stomp geweld (p. 840).

Medisch verslag [medeverdachte] (p. 942)

Op 1 februari 2010 is een medisch verslag opgemaakt dat betrekking heeft op [medeverdachte]. Genoteerd werd dat [medeverdachte] een klap in zijn gezicht had gekregen en een neusbloeding had opgelopen. Ook had hij hoofdpijn (voor een deel als gevolg van alcoholconsumptie).

Rapport inzake het DNA-onderzoek (p. 879 e.v.)

In en vóór de woning werden verschillende bloedsporen aangetroffen. In afstrijksels van twee bloedplassen voor de ingang van de woning werd het DNA-profiel aangetroffen dat overeenkwam met het DNA-profiel van het slachtoffer (p. 912). In een afstrijksel van een bloedplas uit gang nr.1 (het hof begrijpt: de schoenenruimte of -hok waarover in verschillende verklaringen wordt gesproken) werd eveneens het DNA-profiel gevonden dat overeenkwam met dat van het slachtoffer (p. 913).

Op verschillende kledingstukken die onder [medeverdachte] in beslag waren genomen, werden DNA-sporen gevonden die afkomstig waren van het slachtoffer, zoals op de boxershort. Op de achterzijde op de elastiek en onder de elastiek werd een roodbruin spoor aangetroffen met een breedte van ongeveer 12 cm, waarin de aanwezigheid van menselijk bloed werd vastgesteld. Uit het genomen monster werd een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkwam met het DNA-profiel van het slachtoffer (p. 896).

Ook op de kledingstukken die onder [verdachte] in beslag werden genomen, werd het DNA-profiel van het slachtoffer aangetroffen, zoals op de zwarte stoffen broek van het merk G-star. Deze broek was bevlekt met roodbruine sporen waarin de aanwezigheid van menselijk bloed werd vastgesteld. Van de broek werden acht monsters genomen. In twee monsters van bloedsporen werd het DNA-profiel van [verdachte] aangetroffen en in de overige zes bloedsporen werd het DNA-profiel aangetroffen dat overeenkwam met het DNA-profiel van het slachtoffer (p. 906 en 907).

In de keuken van de woning was een blauwe spijkerbroek van het merk Jack&Jones met witte riem in beslag genomen. De gehele oppervlakte was vuil en bedekt met roodbruine sporen waarin de aanwezigheid van menselijk bloed werd vastgesteld. Er werden twee monsters genomen en in beide monsters werd het DNA-profiel verkregen dat overeenstemde met het DNA-profiel van het slachtoffer (p. 925).

In de gootsteen van het keukenblok werd een keukenmes aangetroffen. Er werd een afstrijksel van het lemmet en een afstrijksel van het handvat genomen. Uit het afstrijksel van het lemmet werd een DNA-profiel verkregen dat overeenkwam met het DNA-profiel van het slachtoffer. Uit het afstrijksel van het handvat werd een DNA-profiel verkregen dat overeenkwam met het DNA-profiel van [verdachte] (p. 926).

Op de slaapkamer van de zolderetage werd een zwarte sweater met capuchon aangetroffen. Over de gehele voorkant werden roodbruine sporen aangetroffen, waarin de aanwezigheid van menselijk bloed werd vastgesteld. In twee monsters werd een DNA-profiel gevonden dat overeenkwam met het DNA-profiel van [medeverdachte]. In een derde monster werd een zogenaamd mengprofiel verkregen en in een vierde monster (namelijk van het onderste gedeelte van de achterkant van de sweater boven de onderste zoom) werd een DNA-profiel gevonden dat overeenkwam met het DNA-profiel van het slachtoffer.

Afgelegde verklaringen

[Getuige 9] is op 2 februari 2010 gehoord door de Tsjechische politie. Hij heeft verklaard dat de familie [familie van medeverdachte] ongeveer vier jaar geleden een vakantiehuis in Tsjechië heeft gekocht en dat hij in diezelfde tijd naar Tsjechië is verhuisd. Op 1 februari 2010 rond 03.10 uur werd hij gebeld door de moeder van [medeverdachte]. Zij vertelde dat ze door [verdachte] was gebeld die had gezegd dat één van de drie personen buiten bebloed zou liggen. [Getuige 9] is naar het vakantiehuis gereden waar hij om ongeveer 03.30 uur aankwam. Bij de voordeur zag hij veel bloed liggen. Hij is het huis binnen gegaan. In de tweede gang zag hij het slachtoffer liggen. [Getuige 9] zag dat het slachtoffer boven zijn oog een snijwond had die niet meer bloedde. Het gezicht zat onder het bloed. [verdachte] was totaal buiten zinnen. Hij rende heen en weer maar zorgde gelijktijdig voor het slachtoffer. [verdachte] zei dat hij niet wist wat er gebeurd was. [Verdachte] zei verder dat [medeverdachte] boven lag en hij hem niet wakker kon krijgen. [Getuige 9] rende naar boven en sloeg [medeverdachte] op zijn wangen om hem wakker te krijgen. Dat lukte echter niet. [Getuige 9] is vervolgens naar beneden gegaan en heeft 112 gebeld. Toen [getuige 9] probeerde [medeverdachte] wakker te krijgen, zag hij dat [medeverdachte] gekleed was in een T-shirt en een slip. Op een gegeven moment was [medeverdachte] beneden. [medeverdachte] zei dat hij zich niets kon herinneren. [Verdachte] zei dat hij tussen de keuken en de woonkamer wakker is geworden, nadat hij daar flauw was gevallen. De jongens wisten nog dat in het huis, boven, ruzie is ontstaan. Er was ruzie over een meisje. [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) viel één van beiden aan, waarna de ander er tussenkwam. Ze zijn gaan vechten maar vertelden niet hoe het afgelopen was. [medeverdachte] zei dat [slachtoffer] van de trap was gevallen. In het huis en ook in de omgeving van het huis heeft [getuige 9] geen andere personen gezien. [medeverdachte] en [verdachte] hebben ook niet over andere personen gesproken die met hen in dat huis zouden kunnen zijn (p. 281-283).

Op 19 februari 2010 heeft [getuige 2] een verklaring afgelegd. Hij had als politieman in de nacht van 31 januari 2010 op 1 februari 2010 dienst. Om 03.58 uur ontving hij een melding en om 04.05 uur arriveerde hij bij de vakantiewoning. In de gang lag een gewonde man. Tien minuten na zijn aankomst arriveerde de ambulance. Toen de ambulance met de gewonde man vertrokken was, heeft hij met zijn collega [getuige 1] de woning onderzocht. Ook heeft hij vragen aan [verdachte] en [medeverdachte] gesteld. Hij heeft begrepen dat ze die avond daarvóór naar een restaurant waren gegaan en dat er een conflict was ontstaan om de dochter van de restauranteigenaar. Nadat ze naar de woning zijn gegaan is het latere slachtoffer op een gegeven moment razend geworden. [Verdachte] en [medeverdachte] hebben geprobeerd zich te verdedigen. Letterlijk hebben ze gezegd en herhaald “only protect”. Er was sprake van een taalbarrière. [Medeverdachte] en [verdachte] waren beiden gekleed in een broek en een sweatshirt. Op de voorkant van de kleding zaten bloedvlekken. Toen hij aan beiden vroeg hoe het bloed op hun kleding was gekomen, verklaarden beiden dat het bloed er op gekomen was omdat ze met het slachtoffer gevochten hadden. Letterlijk gaven ze aan dat het was gebeurd tijdens de “fight”. Tijdens het stellen van deze vragen haalde [medeverdachte] van de eerste etage een andere broek. Het ging om een donkere spijkerbroek waarop ook veel bloedvlekken zaten, meer dan op de broek die hij aan had bij aankomst van de politie. Volgens [getuige 2] zou je kunnen zeggen dat de broek letterlijk doordrenkt was met bloed. Over deze broek zei [medeverdachte] dat het zijn eigen broek was. Daaruit begreep [getuige 2] dat [medeverdachte] zich omgekleed had en die broek dan in de keuken had neergelegd. In de spoelbak in de keuken heeft [getuige 2] een keukenmes zien liggen (p. 291-295).

[Getuige 2] is op 17 januari 2011 gehoord door de Nederlandse rechter-commissaris. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij zich herinnerde dat één van beide personen naar de zolderverdieping is gelopen en een bebloede broek heeft meegebracht. Hij ging die broek halen omdat [getuige 2] had gezien dat het bovengedeelte van de kleding onder het bloed zat, maar de broek niet. Toen [getuige 2] de persoon vroeg hoe dat mogelijk was zei die persoon dat hij een nieuwe broek had aangedaan. Daarom heeft [getuige 2] hem naar boven gestuurd om de bebloede broek te halen.

[Getuige 1] heeft op 19 februari 2010 een verklaring afgelegd. Hij was samen met zijn collega [getuige 2] in de nacht van 31 januari 2010 op 1 februari 2010 naar de woning gegaan. De sneeuw bij de voordeur was doordrenkt met bloed. In de ruimte achter de voordeur was overal (aan de muren, op de vloer en op de meubels) bloed te zien. Hij begreep van [verdachte] en [medeverdachte] dat het latere slachtoffer zou zijn begonnen en dat [verdachte] en [medeverdachte] zich verdedigd hadden. [Medeverdachte] zei daarbij “only protect” (p. 299-303).

Op 9 september 2010 is [getuige 10], de oma van medeverdachte [medeverdachte], door de politie gehoord. Zij verklaarde onder meer dat zij op 1 februari rond half zes ’s ochtends werd gebeld door de medeverdachte [medeverdachte]. Hij zei: ‘Oma, ik moet hier langer blijven, we hebben [slachtoffer] bijna vermoord. Ik heb mijn neus gebroken en ik ben bewusteloos geweest. Later heeft ze met haar kleinzoon [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) gesprekken gehad, maar nooit over wat er was gebeurd. [Medeverdachte] heeft haar wel gezegd dat hij het allemaal gaat vertellen. Hij wilde het hele verhaal wel aan haar kwijt, maar nu nog niet.

Verklaringen van [verdachte]

[Verdachte] is op 1 februari 2010 door de Tsjechische politie gehoord. Hij verklaarde dat hij een dag daarvóór om ongeveer 14.00 uur arriveerde bij het vakantiehuis in Tsjechië. Ze hebben hun spullen uitgepakt en zijn toen naar het restaurant [restaurant A] gegaan om wat te eten. Om 17.00 uur gingen ze weer naar het vakantiehuis waar ze ieder twee bier hebben gedronken. Rond 18.00 uur zijn ze weer naar het restaurant gegaan en om 02.00 uur zijn ze daar vertrokken. Hij heeft in het restaurant twee bier gehad en ongeveer 5-6 borrels tequila. Toen ze ’s nachts naar huis liepen was [slachtoffer] het meest dronken. Hij slikte medicijnen die je niet met alcohol mag combineren. Voor de veranda begonnen ze ruzie te maken. [slachtoffer] maakte eerst ruzie met [verdachte]. [Slachtoffer] pakte de pink van [verdachte] en probeerde deze uit de kom te draaien. [Verdachte] duwde [slachtoffer] weg, waarna [slachtoffer] hem een klap gaf tegen de biceps van de linkerarm van [verdachte]. [Verdachte] gaf [slachtoffer] toen een klap tegen zijn borst. [Medeverdachte] kwam er tussen en probeerde [verdachte] en [slachtoffer] uit elkaar te trekken. [Medeverdachte] kreeg vervolgens van [slachtoffer] een klap tegen zijn neus. Daarna gingen hij en [medeverdachte] samen tegen [slachtoffer] vechten. Dit alles vond plaats achter de eerste toegangsdeur van het huis in die veranda.

Ongeveer vijf minuten lang sloegen ze elkaar en daarna viel [slachtoffer] op de grond. Toen hij viel, begonnen [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer]te schoppen. [Verdachte] had geen schoenen aan, want die had hij al uitgedaan. Op een gegeven moment heeft [verdachte] uit de keuken een mes gepakt en daarmee [slachtoffer] gestoken. Hij deed dit 10-15 keer. Hij weet er niets van dat hij [slachtoffer]ook in het gezicht gestoken zou hebben. De steken waren in zijn torso gericht. [Verdachte] stak totdat het mes uit zijn hand glipte, waarbij hij zich kleine snijwonden aan zijn eigen vingers toebracht. Toen het mes uit zijn hand viel, pakte [medeverdachte] het mes. [Medeverdachte] stak daarna 5-10 keer met het mes de steeds liggende [slachtoffer] . Op een gegeven moment stopten ze en liepen ze naar de keuken. [Verdachte] vroeg aan [medeverdachte] om het mes. [Verdachte] gooide het mes in de gootsteen. [Medeverdachte] liep nog naar de veranda toe, waar [slachtoffer] lag. [Medeverdachte] kwam niet meer terug. [Verdachte] is tussen de woonkamer en keuken gaan liggen, hij huilde even en viel toen op de grond in slaap.

Even later werd hij wakker door geschreeuw van [slachtoffer]. [Slachtoffer] riep ‘Sjeiks’. Dat is de bijnaam voor [medeverdachte].Hij stond op, liep naar de voordeur, maar die was op slot en er was geen sleutel. In de veranda zag hij een grote hoeveelheid bloed. Hij probeerde de deur te forceren, maar dat lukte niet. Via het keukenraam ging [verdachte] naar buiten. Buiten zag hij [slachtoffer] liggen. [Verdachte] klom weer door het keukenraam naar binnen. Hij zag de telefoon van [medeverdachte] en belde de moeder van [medeverdachte] . Hij vertelde haar dat ze hadden gevochten en dat ze [slachtoffer] geschopt en gestoken hadden. Ook vertelde hij haar dat [slachtoffer] buiten lag en hij [slachtoffer] niet binnen kon krijgen omdat de deur op slot was. Ze vertelde waar de reservesleutel lag en ze zei dat [verdachte] [medeverdachte] wakker moest maken. Hij rende naar boven om [medeverdachte] wakker te maken, maar dat lukte niet. Met de sleutel die hij in het keukenblok vond, maakte hij de deur open en sleepte hij [slachtoffer] naar binnen. Hij legde [slachtoffer] bij de verwarming en deed een dekbed over hem heen (p. 285-288).

Op 1 juni 2010 is [verdachte] door de Nederlandse politie gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij zelf bijna niets meer weet. Op de vraag hoe [slachtoffer] aan de steekwonden is gekomen, wil hij geen antwoord geven; hij beroept zich op zijn zwijgrecht. Hij weet nog dat [slachtoffer] zijn pink had beetgepakt toen hij zo agressief werd en dat [slachtoffer] probeerde zijn pink om te draaien. Dat gebeurde bij het schoenenhokje, gelijk bij de ingang van de voordeur (p. 180-182).

Op 14 september 2010 werd [verdachte] opnieuw gehoord door de politie. Hij verklaarde dat er niets klopte van de verklaringen die hij had afgelegd in Tsjechië. Hij wil verder bij de rechter-commissaris verklaren wat hij nog weet. Eerder heeft hij al aangegeven dat het zelfverdediging was. Als ze het niet gedaan hadden, had hij hier niet gezeten. Het was vechten voor eigen leven. Hij wil daar op advies van zijn advocaat nog niets over zeggen. Hij kan zich het begin van de ruzie herinneren en het moment waarop hij wakker wordt. Als hij niets gedaan had, was hij of [medeverdachte] dood geweest (p. 594-600).

Op 7 oktober 2010 is [verdachte] bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen verklaard dat ze op een gegeven moment bij het vakantiehuis waren gekomen, dat [slachtoffer] het niet leuk had gevonden dat [verdachte] bij dat meisje was gaan zitten en dat hij op een gegeven moment de vinger beet had van [verdachte]. Die vinger boog [slachtoffer] helemaal om. [verdachte] gaf [slachtoffer] een duw, waarna [slachtoffer] [verdachte] een klap op de arm gaf. Vervolgens kwam [medeverdachte] er tussen. [slachtoffer] gaf [medeverdachte] een klap op de neus. Hij weet het niet meer. Hij weet wel dat [slachtoffer] heel agressief werd en om zich heen begon te slaan. [slachtoffer] viel hun allebei aan. Toen zijn ze gezamenlijk tegen [slachtoffer] terug gaan vechten. Ze waren toen in het schoenenhokje. Er was sprake van noodweer omdat [slachtoffer] heel agressief werd en hun knock-out wilde slaan. [Verdachte] vreesde voor zijn leven. Hij was in paniek, wat er daarna gebeurde weet hij niet meer. Hij herinnert zich nog dat hij wakker werd tussen de keuken en de woonkamer. Het verhaal zoals dat is opgeschreven door Tsjechische politie klopt niet. Hij heeft vaak gezegd dat hij het niet wist, maar dat het zo gegaan kon zijn. Het gedeelte dat hij zich niet kan herinneren is door de Tsjechische agenten ingevuld.

Toen ze in Tsjechië aankwamen, hebben ze in de woning niet gegeten. Overdag heeft hij niet het broodmes – dat later in de gootsteen is gevonden – in handen gehad.

Volgens [verdachte] hebben ze gezamenlijk teruggeslagen, maar voor de rest kan hij zich niets herinneren.

Op 31 januari 2012 heeft [verdachte] ter zitting van het hof verklaard dat het klopt dat hij in de tijdsperiode waarin zij in Tsjechië aankwamen, gingen eten, naar het huis gingen en weer terug naar het restaurant, niet het mes heeft vastgehouden. Het is juist dat, áls hij het mes vast heeft gehad, dat moet zijn geweest in de periode waaraan hij geen herinnering heeft. In dezelfde periode moeten de snijwondjes aan zijn hand zijn ontstaan. Hij heeft de sleutel van het huis niet gehad. Hij heeft alleen de reservesleutel gebruikt om de deur te openen zodat hij [slachtoffer] naar binnen kon slepen.

Verklaringen [medeverdachte]

Op 1 februari 2010 is [medeverdachte] door de Tsjechische politie gehoord. Hij verklaarde over de aankomst in Tsjechië en over hun bezigheden na de aankomst. ’s Avonds in het restaurant, na ongeveer de vierde tequila, ging hij met [slachtoffer] naar buiten om te roken. [slachtoffer] begon er over dat [verdachte] de dochter van de restauranteigenaar voor zich zelf wilde en dat [medeverdachte] beter voor zich zelf moest opkomen. [Slachtoffer] gaf [medeverdachte] een mep in het gezicht omdat hij niet wilde luisteren. [Medeverdachte] gaf een klap terug. Hierna was het afgelopen en gingen ze terug het restaurant in. Hij weet niet meer hoe het daarna is gegaan en dus ook niet hoe laat ze naar huis zijn gegaan en hoe laat ze thuis kwamen. Hij kan zich wel herinneren dat hij ’s ochtends door [verdachte] is wakker gemaakt. Toen hij wakker werd, droeg hij boxershorts en sokken. Hij heeft een bruine trainingsbroek aangetrokken, een wit T-shirt en daarover heen een trui. Toen hij beneden kwam, zag hij overal bloed. Hij kan zich niet herinneren wat er die avond gebeurd was. Hij heeft sms-berichten gestuurd naar vrienden in Nederland waarin hij schreef dat hij waarschijnlijk een paar jaar naar de gevangenis zou moeten. Hij wist niet wat er gebeurd was, maar naar wat hij gezien had, heeft hij preventief geschreven, omdat hij bang was dat hij niet meer mocht bellen. Toen de politie er al was, vertelde [verdachte] hem dat er een ruzie was ontstaan tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Ze zouden gevochten hebben, waarna [medeverdachte] er tussen kwam. Daarna vochten ze waarschijnlijk met zijn allen. [verdachte] heeft niets over een mes gezegd, maar [medeverdachte] merkte dat er een mes in de gootsteen lag. [Medeverdachte] heeft naar het mes gekeken, maar zag niets bijzonders (p. 298-301).

Op 22 mei 2010 is [medeverdachte] door de Nederlandse politie gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij in overleg met zijn advocaat een beroep deed op zijn zwijgrecht. Hij moest nog met zijn advocaat bespreken wat hij wel en niet gaat zeggen. In de Tsjechische processen-verbaal zijn zijn woorden verdraaid. Hij heeft in het Engels met de Tsjechische politie gesproken. Het klopt dat ze alle drie onder invloed waren. Hij had hier nooit op gerekend. Het kan iedereen zomaar overkomen. Het was niet de bedoeling om [slachtoffer] mee te nemen op vakantie en hem dan te vermoorden. ‘We kregen ruzie en de sfeer liep hoger op, en hoger. In een half uur of zo en toen gebeurde het.’ De eerste dag was het gebeurd. Er is ruzie ontstaan. Dat kwam door de drank en de medicijnen. [slachtoffer] slikte medicijnen tegen depressie en zo. De ruzie kreeg een hele akelige wending. Maar meer wil hij niet vertellen. De alcohol was niet goed gevallen bij [slachtoffer]. [Slachtoffer] werd agressief van de alcohol. Dat heeft verdachte wel gemerkt; dat was geen pretje. Hij wil nog wel zeggen dat het zelfverdediging was. Verder wil hij nog niets zeggen. Het was vechten voor het eigen leven: ‘Als ik het niet gedaan had, had ik of [verdachte] nu niet meer geleefd. Ik zou heel graag alles gelijk willen vertellen, maar mijn advocaat heeft gezegd dat ik niets moet zeggen, dus dat wil ik ook. Ik vind dit wel heel moeilijk. Binnenkort ga ik ook verder details vertellen, maar nu nog niet’ (p. 149-152).

Op 1 juni 2010 is [medeverdachte] opnieuw door de politie gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat ze ruzie kregen en dat dat vreselijk uit de hand is gelopen. Het was vechten voor eigen leven. Anders zat hij nu niet hier en was [slachtoffer] nog levend. Hij wil nog niet vertellen wat er precies gebeurd is. Over de verwondingen bij [slachtoffer], kan hij nog niks verklaren. Hij wil dat niet omdat hij zijn advocaat er bij wil hebben.

Tijdens het verhoor wordt [medeverdachte] geconfronteerd met een verklaring die door een arrestantenverzorger is afgelegd namelijk:

‘Ik begreep (…) dat in de woning het latere slachtoffer bij [verdachte] een vinger had geraakt met een mes. Daarna probeerde het latere slachtoffer deze vinger er af te draaien. (….) Hoe ik het heb begrepen heeft deze worsteling in de woning plaats gevonden.’

Volgens [medeverdachte] klopt deze verklaring. Hij wist niet dat hij dat gezegd had, maar het klopt inderdaad wel. Verder wil hij er niets over zeggen want dan praat hij zijn mond voorbij.

Dan wordt [medeverdachte] geconfronteerd met het volgende deel van de verklaring, afgelegd door de arrestantenverzorger:

‘Vervolgens hoorde ik dat [medeverdachte] tegen mij vertelde dat [verdachte] en [medeverdachte] het latere slachtoffer de woning uit hebben gewerkt. Buiten ontstond een bedreigende situatie. Ik vroeg aan [medeverdachte] of ze niet weg hadden kunnen lopen. [medeverdachte] zei dat het echt niet kon. “Het was hij of wij”.

Hierop antwoordde [medeverdachte] dat hij daar nog over zwijgt. Het zou kunnen dat hij dat heeft gezegd. Hij zwijgt er nu nog over. Als hij dat allemaal gaat vertellen wil hij zijn advocaat erbij. Het zijn stukken die echt gebeurd zijn. Dus dat wil hij niet zomaar in het klein vertellen. Het is veel erger dan dat er daar staat. Als mijn advocaat zegt dat ik nu beter kan zwijgen om jaren te besparen, wil ik nu zwijgen (p. 160-162).

Op 23 november 2010 is [medeverdachte] door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat de broek van het merk Jack&Jones met de witte riem van hem was. Verder heeft hij verklaard dat hij tussen [slachtoffer] en [verdachte] was ingesprongen en vervolgens een klap kreeg op zijn neus. Daarna weet hij niets meer tot het moment waarop hij wakker wordt. Hij is in zijn boxershort naar beneden gelopen. Daar zag hij het slachtoffer liggen. Vervolgens is hij naar boven gegaan en heeft hij een trainingsbroek aangetrokken. Deze droeg hij toen de politie kwam.

SMS-berichten [medeverdachte]

Op 1 februari 2010 om 05.19 uur stuurde [medeverdachte] het volgende sms-bericht naar (onder meer) zijn oma:

‘Ik ga wss naar gevangenis voor paar jaar in tsjechië dat je het weet, ik hou van jullie’

(p. 6 einddossier)

Op 1 februari 2010 om 05.21 uur stuurde [medeverdachte] het volgende sms-bericht naar zijn oma:

‘WE HEBBEN BIJNA [SLACHTOFFER] VERMOORD’

(p. 6, einddossier)

Brief [verdachte]

[Verdachte] heeft toen hij in Tsjechië in detentie zat een brief gestuurd naar [getuige 11]. In die brief stond onder meer: ‘Ik heb iets fout gedaan (onleesbaar) hoop dat het me ooit vergeven wordt’ (p. 109).

Oordeel hof

Ten aanzien van de cursief weergegeven gedeelten uit de door [verdachte] in Tsjechië afgelegde verklaring, geldt dat [verdachte] ten aanzien van die gedeelten heeft gezegd, dat hij dit niet zelf zo verklaard heeft, maar dat het invulling betreft van de verbalisanten. Verbalisanten hebben hem gevraagd of het zo gebeurd zou kunnen zijn waarop hij heeft geantwoord dat het kan. [Verdachte] heeft daarna, tijdens zijn verhoren in Nederland, steeds aangegeven dat hij geen herinnering heeft (gehad) aan de gebeurtenissen die hebben plaatsgehad tussen het moment waarop [slachtoffer] agressief werd en het moment waarop hij wakker werd. Volgens de deskundige Van Oorsouw zijn er inderdaad aanwijzingen dat bij [verdachte] sprake is van alcohol gerelateerd geheugenverlies.

Ofschoon het hof van oordeel is dat de door [verdachte] in Tsjechië afgelegde verklaringen niet voor het bewijs behoeven te worden uitgesloten, zal het hof de cursief weergegeven gedeelten uit de verklaring van [verdachte] toch niet voor het bewijs bezigen nu het hof hetgeen volgens het proces-verbaal is verklaard onvoldoende kan controleren aan de hand van (geluids)opnames of ander bewijsmateriaal. De overige delen van de verklaringen van [verdachte] zal het hof evenmin voor het bewijs bezigen, nu hetgeen daarin is vermeld eveneens blijkt uit andere bewijsmiddelen en het hof derhalve voor zover nodig die andere bewijsmiddelen kan gebruiken.

Ook de door [medeverdachte] in Tsjechië afgelegde verklaringen zal het hof niet voor het bewijs bezigen, omdat deze ten opzichte van de door hem in Nederland afgelegde verklaringen geen toegevoegde waarde hebben.

De door [getuige 2] en [getuige 1] op 19 februari 2010 afgelegde verklaringen zullen gedeeltelijk voor het bewijs worden gebruikt, namelijk voor zover deze betrekking hebben op hun waarnemingen ter plaatse en voor zover deze betrekking hebben op uitlatingen van de verdachte (of de medeverdachte) die zijn gedaan in aanwezigheid van [getuige 2] of [getuige 1] en waarvan de juistheid (van die genoteerde uitlatingen) aan de hand van ander bewijsmateriaal kan worden gecontroleerd.

Onderzoek scenario’s

Gelet op de stukken die zich in het dossier bevinden dienen drie scenario’s te worden onderzocht, namelijk:

1. Het slachtoffer is gedood door [verdachte], waarbij de rol van [medeverdachte] niet zodanig was dat gesproken kan worden van medeplegen.

2. Het slachtoffer is gedood door [medeverdachte], waarbij de rol van [verdachte] niet zodanig was dat gesproken kan worden van medeplegen.

3. Het slachtoffer is gedood door toedoen van [medeverdachte] en [verdachte] ; er is sprake van medeplegen.

Voor andere scenario’s zijn in het geheel geen aanwijzingen zodat deze niet worden onderzocht. Voor een scenario waarbij het slachtoffer is gedood door een ander dan [verdachte] of [medeverdachte] is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden, terwijl een dergelijk scenario bovendien voldoende wordt uitgesloten door de aanwezige bewijsmiddelen.

Vaststaat dat het slachtoffer door messteken om het leven is gebracht. Deze moeten zijn toegebracht door [verdachte] en [medeverdachte] of door één van beiden. Het hof is verder van oordeel dat voor het bewijs van medeplegen niet nodig is te bewijzen dat beiden hebben gestoken. Voldoende is dat de één heeft gestoken en dat de ander zodanig betrokken is geweest bij het steekincident dat gesproken kan worden van medeplegen. Het gaat om een zodanige bijdrage dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het (voorwaardelijk) opzet gericht was op het toebrengen van fataal letsel. Van medeplegen is (bijvoorbeeld) sprake als beide verdachten gezamenlijk tegen het slachtoffer hebben gevochten waarbij één van de verdachten het slachtoffer een groot aantal malen heeft gestoken.

Ook zonder dat uit de bewijsmiddelen precies blijkt wie wat heeft gedaan, is het hof van oordeel dat op grond van die bewijsmiddelen de conclusie moet worden getrokken dat sprake is van het derde scenario.

Het hof leidt dit in de eerste plaats af uit de uitspraken die gedaan zijn door beide verdachten. Hoewel het hof niet uitsluit dat beide verdachten geen (gedetailleerde) herinneringen hebben aan het gevecht en de momenten waarop gestoken is, hebben zij kennelijk nog wel zodanige herinneringen dat ze beiden weten dat ze beiden gevochten hebben tegen [slachtoffer]. In het gesprek met zijn oma dat [medeverdachte] die nacht voerde en het sms-bericht dat hij haar stuurde zegt/schrijft hij ‘we hebben bijna [slachtoffer] vermoord’. In het gesprek dat [medeverdachte] maanden later voerde met de arrestantenverzorger zegt hij: ‘het was hij of wij’. Tegen de arrestantenverzorger heeft [medeverdachte] verder verklaard dat hij en [verdachte] [slachtoffer] naar buiten hebben gewerkt. Bij de politie heeft [medeverdachte] verklaard: Het was vechten voor het eigen leven: ‘Als ik het niet gedaan had, had ik of [verdachte] nu niet meer geleefd.’

[verdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij nog weet dat [slachtoffer] heel agressief werd en om zich heen begon te slaan. [slachtoffer] viel hun allebei aan. Toen zijn ze gezamenlijk tegen [slachtoffer] terug gaan vechten. Ze waren toen in het schoenenhokje.

Uit de verklaringen van beide verdachten volgt dat ze beiden tegen [slachtoffer] hebben gevochten, zonder dat daaruit blijkt dat het aandeel van de één zodanig verschilde van dat van de ander dat niet meer van medeplegen gesproken kan worden. Vaststaat dat aan het begin van het gevecht de verdachten het gezamenlijk opnamen tegen [slachtoffer]. Het gevecht begon in het zogenaamde schoenenhok. Op een gegeven moment is [slachtoffer] naar buiten gewerkt. Uit de mededeling die [medeverdachte] deed aan de arrestantenverzorger [getuige 12] volgt dat ze toen nog steeds samen waren. Uit de verklaringen en verstuurde sms-berichten blijkt niet dat één van de verdachten zich uit het gevecht heeft teruggetrokken toen er één of meer messen werden gebruikt. Omdat dit niet blijkt komt het hof tot het oordeel dat beiden nog bij het gevecht betrokken waren toen er gestoken werd, maar dat – indien slechts afgegaan wordt op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van verdachten – niet helemaal uitgesloten kan worden dat dit slechts betekent dat beiden geen herinneringen (meer) hebben aan het stèken.

Uit de afgelegde verklaringen blijkt verder dat toen verdachte wakker werd door het geroep van [slachtoffer], [slachtoffer] buiten lag en de voordeur op slot zat. Dit versterkt de opvatting dat [medeverdachte] gedurende het gehele geweldsincident aanwezig is geweest. Die was degene die in het bezit was van de sleutel van de voordeur – en niet is gebleken dat hij die sleutel heeft afgegeven – waardoor er van uit kan worden gegaan dat [medeverdachte] de deur – na afloop van het gepleegde geweld – op slot heeft gedaan toen [slachtoffer] buiten was en [medeverdachte] en verdachte binnen waren.

Uit de verklaringen kan voorts worden afgeleid dat [medeverdachte] na het geweldsincident naar boven is gegaan en is gaan slapen in de slaapkamer. [Verdachte] heeft beneden op de grond gelegen. Toen [getuige 9] [medeverdachte] probeerde wakker te krijgen, was [medeverdachte] slechts gekleed in een onderbroek en een T-shirt. Hieruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte] zich gedeeltelijk heeft uitgekleed toen hij ging slapen. Tijdens het onderzoek in de woning is boven in de slaapkamer een zwarte sweater gevonden met aan de voorkant bloedsporen. Uit die bloedsporen is een DNA-profiel afgeleid dat overeenkwam met het DNA-profiel van [medeverdachte]. Achterop de sweater aan de onderkant werd een spoor aangetroffen met het DNA-profiel van het slachtoffer. Ook op de boxershort (aan de achterkant op het elastiek) die [medeverdachte] droeg, werd een bloedspoor aangetroffen waaruit het DNA-profiel van het slachtoffer werd afgeleid. Tijdens het onderzoek is in de keuken de spijkerbroek van [medeverdachte] aangetroffen. Deze spijkerbroek had [medeverdachte] op verzoek van verbalisant [getuige 2] naar beneden gehaald. Volgens [getuige 2] was die broek doordrenkt met bloed. De broek is onderzocht. Er werden twee monsters genomen en in beide monsters werd het DNA-profiel verkregen dat overeenstemde met het DNA-profiel van het slachtoffer. Uit de omstandigheid dat de broek van [medeverdachte] volgens [getuige 2] doordrenkt was met bloed, terwijl niet is gebleken dat dit bloed van een ander afkomstig is dan van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat [medeverdachte] – op het moment dat het slachtoffer zodanig verwond was dat dit leidde tot heftig bloedverlies – in de directe nabijheid van het slachtoffer moet hebben verkeerd.

Uit de verklaring van [getuige 2] over de broek van [medeverdachte] , uit de op die broek en andere kleding van [medeverdachte] aangetroffen sporen, uit de bevinding dat [medeverdachte] de deur na het geweldsincident moet hebben afgesloten en uit de door beide verdachten afgelegde verklaringen en sms-berichten zoals hierboven genoemd, leidt het hof af dat [medeverdachte] gedurende het gehele geweldsincident aanwezig is geweest en een zodanig aandeel heeft gehad tijdens het geweldsincident dat gesproken kan worden van medeplegen.

Dat verdachte niet alleen aan het begin van het gevecht aanwezig is geweest, maar ook op het moment dat er werd gestoken, volgt voldoende uit het forensisch onderzoek. Daarbij is niet doorslaggevend dat op de broek van de verdachte bloedvlekken zijn aangetroffen, waarbij op zes plekken het DNA-profiel is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het is immers niet gebleken dat verdachte na het gevecht andere kleding heeft aangetrokken, zodat niet uitgesloten kan worden dat de bloedvlekken op zijn broek zijn gekomen toen hij het slachtoffer van buiten naar binnen heeft gesleept. Van veel groter belang is het in de keuken van de vakantiewoning aangetroffen mes, waarvan verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat als hij het in handen heeft gehad, dit in de periode moet zijn geweest waaraan hij geen herinnering meer heeft. Ten aanzien van de snijwondjes aan zijn hand heeft hij verklaard dat deze eveneens ontstaan moeten zijn in diezelfde periode. Dit betreft dan de periode waarin aan [slachtoffer] de fatale steekwonden zijn toegebracht. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat er op het lemmet van dat mes een DNA-spoor is gevonden, waarvan het profiel overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer, terwijl op het handvat een DNA-profiel is aangetroffen dat overeenkomt met dat van verdachte.

Gelet op de feiten dat

1) verdachte nog weet (zoals uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris blijkt) dat hij en [medeverdachte] gezamenlijk tegen [slachtoffer] zijn gaan vechten,

2) [slachtoffer] fatale steekwonden zijn toegebracht,

3) [medeverdachte] verschillende uitlatingen heeft gedaan waaruit de betrokkenheid van de verdachte aan het gevecht blijkt, onder andere in een sms-bericht dat werd verstuurd op het moment dat [slachtoffer] nog niet was overleden en waarin stond dat hij en [verdachte] bijna [slachtoffer] hebben vermoord,

4)verdachte in de periode dat aan [slachtoffer] die steekwonden zijn toegebracht snijwondjes aan zijn vingers heeft opgelopen en

5) er DNA-materiaal van verdachte op het handvat van het mes is aangetroffen, terwijl op het lemmet van hetzelfde mes DNA-materiaal is aangetroffen van [slachtoffer], terwijl niet is gebleken dat het DNA-materiaal van beiden eerder dan het gevecht op het mes terecht is gekomen,

staat het voor het hof vast dat verdachte heeft deelgenomen aan de vechtpartij waarbij [slachtoffer] de fatale steekwonden heeft opgelopen.

Gevoerde verweren

Door de raadsman is onder meer aangevoerd dat er onvoldoende forensisch bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Daarbij heeft de raadsman betoogd dat volgens deskundigen van het NFI conclusies op bronniveau niet zonder meer op delictsniveau kunnen worden geïnterpreteerd, zonder de tussenstap van het activiteitenniveau te maken. In Tsjechië heeft onderzoek op activiteitenniveau niet plaatsgevonden.

De uitspraken van de deskundigen zijn gedaan naar aanleiding van het verzoek van de verdediging om door het NFI onderzoek te laten doen naar het bloedspoorpatroon. Dit bloedspoorpatroononderzoek bleek niet mogelijk, omdat deugdelijk materiaal hiervoor ontbrak. In zijn rapport van 3 januari 2012 heeft deskundige Van der Scheer van het NFI uitleg gegeven over de verschillende niveaus. Bij een uitspraak over bronniveau gaat de deskundige in op de mogelijke herkomst van een spoor (door bijvoorbeeld DNA-onderzoek). Bij het activiteitenniveau doet de deskundige uitspraak over een mogelijke handeling of activiteit die tot een bepaald sporenbeeld heeft geleid. Bij bloedspoorpatroononderzoek worden bijna altijd uitspraken gedaan op activiteitenniveau. Het derde niveau, het delictsniveau, is het domein van de juristen in een specifieke zaak. Op dit niveau wordt uitspraak gedaan over het mogelijke delict en de schuld van de verdachte. Voor een conclusie op delictsniveau is veelal meer informatie nodig dan de resultaten en conclusies van één forensisch deskundigheidsgebied. Verder wordt opgemerkt dat in het algemeen geldt dat uit conclusies op bronniveau (herkomst spoor) niet zonder meer conclusies op activiteitenniveau (handeling of activiteit) kunnen worden getrokken.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat op grond van het bovenstaande uit de DNA-sporen op het mes niet de conclusie mag worden getrokken dat de verdachte deelnam aan het gevecht op het moment dat het slachtoffer gestoken werd, verwerpt het hof dit verweer.

In de eerste plaats geldt dat het hof het bewijsmateriaal selecteert en waardeert en dat noch de wet, noch de jurisprudentie het trekken van een dergelijke conclusie verbiedt. In de tweede plaats leidt het hof uit het rapport niet af dat er wetenschappelijke bezwaren bestaan tegen het trekken van conclusies zoals het hof heeft gedaan. Het hof leidt namelijk de betrokkenheid van de verdachte aan het steekincident niet slechts af uit de vondst van DNA-materiaal van de verdachte op het handvat van het mes en van het DNA-materiaal van het slachtoffer op het lemmet van datzelfde mes. Het hof baseert die conclusie eveneens op ander bewijsmateriaal, zoals de verklaringen van verdachte zelf, waaruit blijkt dat hij aan de vechtpartij heeft deelgenomen, de uitlatingen van [medeverdachte] waaronder de sms-berichten, die zijn verstuurd op het moment waarop het slachtoffer nog leefde en waarin staat dat [medeverdachte] en [verdachte] het slachtoffer bijna hebben vermoord. Bovendien is de ondervraging erop gericht geweest om te achterhalen of het DNA-materiaal van verdachte en het slachtoffer op een ander moment dan in de periode van de steekpartij op het mes terecht kan zijn gekomen. Daarvan is niet gebleken.

De raadsman heeft voorts betwist dat opzet kan worden bewezen. Uit het gedrag van [verdachte] vanaf het moment dat hij [slachtoffer] hoorde roepen en hij wakker werd, blijkt dat hij juist hulp heeft willen verlenen aan het slachtoffer. Dit betreft een contra-indicatie voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Uit de door het hof vastgestelde gedragingen, namelijk de deelname door verdachte aan de vechtpartij, waarbij hij en [medeverdachte] vochten tegen het slachtoffer en waarbij het slachtoffer vele malen is gestoken in kwetsbare delen (hoofd, hals en romp) blijkt het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer. Dat de verdachte op een later moment hulp heeft willen verlenen kan voortkomen uit de omstandigheid dat hij in een andere gemoedstoestand verkeerde dan tijdens het gevecht.

Voorbedachte raad

Uit hetgeen het hof heeft vast kunnen stellen, blijkt niet dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Gelet op het feit dat het slachtoffer een vriend was van de verdachte, de geweldshandelingen in een kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden, de verdachte onder invloed was en waarschijnlijk heftig gereageerd heeft op de gestelde agressie van de kant van het slachtoffer, gaat het hof er van uit dat verdachte gehandeld heeft in een gemoedsopwelling en geen gelegenheid heeft gehad zijn handelingen te overdenken.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 februari 2010 te Zaclér (stadsdeel Bobr), tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk die [slachtoffer] met een of meer messen meermalen in diens hoofd en nek en bovenlichaam, gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het beroep op noodweer

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat uit het dossier blijkt dat de verdachte, alsook medeverdachte [medeverdachte], in het schoenenhok van het vakantiehuis werd aangevallen door [slachtoffer] die plotseling zeer agressief werd. De agressie is volgens de raadsman mogelijk veroorzaakt door een combinatie van alcohol, fluoxetine en de invloed van de persoonlijke problemen van [slachtoffer]. Bij die aanval heeft [slachtoffer] de verdachte op diens arm geslagen, diens pink verdraaid en jas gescheurd en vervolgens heeft hij medeverdachte [medeverdachte] op diens neus geslagen. De verdachte heeft bovendien verklaard ‘dat [slachtoffer] daarna helemaal gek werd’ en dat hij zich vanaf dat moment niets meer kan herinneren.

Volgens de raadsman volgt uit voorgaande dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] waartegen verdediging geboden was, waardoor de verdachte een beroep op noodweer toekomt.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft op grond van de door de verdachte in Tsjechië afgelegde verklaringen, de resultaten van de autopsie op het lichaam van het slachtoffer en het medisch onderzoek zoals dat is verricht bij de verdachte en de medeverdachte, geconcludeerd dat bij [slachtoffer] veel letsel – waaronder afweerletsel – is geconstateerd en dat de verdachte en zijn medeverdachte slechts zeer gering letsel hadden opgelopen. Gelet daarop en gelet op de door de verdachte en de medeverdachte afgelegde verklaringen kan niet worden aangenomen dat sprake was van een noodweersituatie, waardoor het beroep op noodweer niet kan slagen.

Oordeel hof

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de door de verdachte in Nederland afgelegde verklaringen (laatstelijk ter terechtzitting van het hof van 31 januari 2012) komt naar voren dat de verdachte, medeverdachte en het latere slachtoffer [slachtoffer] bij aankomst in Tsjechië naar een restaurant zijn gegaan, waar zij hebben gegeten en gedronken. Vervolgens zijn zij terug gegaan naar het vakantiehuis en hebben zij daar alcohol gedronken, waarna zij ’s avonds opnieuw naar het restaurant zijn gegaan om alcohol te drinken. Op enig moment liepen zij terug naar het vakantiehuis. Eenmaal binnen, in het schoenenhok van het huis, werd [slachtoffer] boos op de verdachte, omdat hij vond dat de verdachte die avond teveel contact had gehad met [getuige 13], de dochter van de eigenaar van het restaurant waar zij die avond hadden gegeten en gedronken.

Volgens voornoemde verklaringen van de verdachte pakte [slachtoffer] in zijn boosheid de pink van de verdachte vast en draaide hij deze erg ver om, bijna tot het punt van breken. De verdachte gaf [slachtoffer] een duw, waarna deze nog bozer werd en begon te schelden. [Slachtoffer] sloeg de verdachte vervolgens op diens arm en op dat moment kwam medeverdachte [medeverdachte] tussenbeide. [Slachtoffer] sloeg [medeverdachte] op diens neus. De verdachte heeft verklaard dat hij geen bloed zag, dat [slachtoffer] daarna helemaal gek werd en dat hij vanaf dat moment niets meer weet. Achteraf bleek de jas van verdachte gescheurd te zijn. Op welk moment en op welke manier dat is gebeurd is niet duidelijk geworden.

Het eerstvolgende moment dat de verdachte zich herinnert, is dat hij buiten iemand, naar later bleek: het slachtoffer [slachtoffer], hoorde roepen. Toen hij uit het raam keek zag hij [slachtoffer] gewond buiten liggen. De verdachte heeft [slachtoffer] uiteindelijk naar binnen gesleept en hulp gezocht. Uit de door de verdachte afgelegde verklaringen volgt eveneens dat het slachtoffer fluoxetine gebruikte en dat het slachtoffer die avond ook een flinke hoeveelheid alcohol had gedronken.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft voorgaande gang van zaken op belangrijke onderdelen bevestigd.

Voor wat betreft het beweerdelijke fluoxtinegebruik van [slachtoffer] komt uit het dossier het volgende naar voren. Uit de rapportage van het NFI van 4 april 2011, inzake het verrichte toxicologisch onderzoek aan de trui van het slachtoffer, blijkt dat het gehalte fluoxetine en norfluoxetine (het lichaam zet de stof fluoxetine om in norfluoxetine) bij het slachtoffer wordt geschat in de orde van grootte van respectievelijk 0,5 en 0,2 mg/l. Deze geschatte concentraties passen volgens dat rapport bij het therapeutisch gebruik van fluoxetine.

Een andere conclusie van dat rapport luidt dat de antidepressieve effecten en bijwerkingen van fluoxetine (genoemd in het rapport van het NFI van 5 januari 2011 en onder meer inhoudende: angst, ongerustheid, verergering depressieve klachten, nervositeit, hallucinaties, (hypo)manie, nachtmerries, psychosen, zelfmoord(gedachten), serotoninesyndroom) kunnen zijn opgetreden, terwijl niet kan worden voorspeld welke effecten dat zijn en in welke mate die effecten daadwerkelijk zijn opgetreden.

Ten slotte is geconcludeerd dat ook de concentraties alcohol in het bloed en de urine van het slachtoffer (1,03 g/kg respectievelijk 2,21 g/kg, overeenkomend met 1,0 mg/ml respectievelijk 2,2 mg/ml) kunnen hebben geleid tot beïnvloeding het bewustzijn en/of gedrag van [slachtoffer].

Uit voorgaand onderzoek vloeit voort dat het slachtoffer een combinatie van fluoxetine en alcohol heeft gebruikt op de datum dat het feit heeft plaatsgevonden. Dit gegeven ondersteunt in zoverre de verklaringen die de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op dit punt hebben afgelegd.

Het hof acht om die reden aannemelijk geworden dat in het schoenenhok van het vakantiehuis sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] door het latere slachtoffer [slachtoffer], waartegen verdediging was geboden.

De gedragingen van [slachtoffer] leverden aldus een feitelijke aantasting van verdachtes en medeverdachtes lijf op, waartegen zij zich mochten verdedigen. Ander (onafhankelijk) bewijs dat noopt tot het vaststellen van een andere feitelijke toedracht is niet voorhanden. Het hof acht derhalve aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de wijze van verdediging die de verdachte, en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben gekozen, voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Het hof beantwoordt die vraag ontkennend.

Het hof heeft vastgesteld dat verdachte heeft deelgenomen aan een gevecht waarbij aan het slachtoffer fatale steekwonden zijn toegebracht. Uit het dossier kan verder blijken dat [slachtoffer] de verdachte even daarvóór op diens arm had geslagen, diens vinger had verdraaid en dat [medeverdachte] door [slachtoffer] op diens neus is geslagen.

Uit het forensisch rapport volgt ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] dat hij – naast vele zogenaamde stompe letsels (schaafwonden, schrammen en bloeduitstortingen) - vele en ernstige steekverwondingen had aan zijn nek, armen, handen, torso en gezicht.

Medisch onderzoek dat in Tsjechië bij de verdachte is verricht, heeft geresulteerd in de vaststelling dat hij enkele oppervlakkige snijwondjes aan de vierde en vijfde vinger van zijn linkerhand had opgelopen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij daarnaast last had van zijn pink, die door [slachtoffer] was verdraaid.

Bij medisch onderzoek dat in Tsjechië is verricht bij de medeverdachte [medeverdachte] is gebleken dat hij een zwelling en hematoom op zijn neus had en dat zijn neus had gebloed.

Het hof leidt uit voorgaande af dat de verdachte en de medeverdachte licht gewond zijn geraakt terwijl het slachtoffer tijdens het gevecht – naast vele zogenaamde stompe letsels (schaafwonden, schrammen en bloeduitstortingen) – dodelijke steekwonden zijn toegebracht.

Aangezien de verdachten stellen dat zij zich van de momenten waarop is gestoken niets meer herinneren en het slachtoffer daarover niet heeft kunnen verklaren, is het hof ook niet meer bekend dan het opgelopen letsel bij de (mede)verdachte en het slachtoffer, alsmede de aanleiding voor dat letsel. Dat het slachtoffer door het medicatiegebruik buitengewoon agressief zou hebben gereageerd (en dus meer zou hebben gedaan of van plan was meer geweld te plegen dan het geweld waarover is verklaard), is niet aannemelijk geworden.

Noch uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte, noch uit de bij de verdachte en medeverdachte geconstateerde verwondingen blijkt van dit buitengewone agressieve gedrag, terwijl uit het enkele gebruik van de medicatie in combinatie met het alcoholgebruik niet de conclusie getrokken kan worden dat het slachtoffer zich zeer agressief heeft opgesteld in die zin dat hij meer geweld heeft gepleegd of van plan was te plegen dan waarover de verdachte en de medeverdachte hebben verklaard en heeft geleid tot de bij de verdachte en de medeverdachte geconstateerde verwondingen. Aldus kan noch uit de aanleiding voor het plegen van geweld tegen het slachtoffer, noch uit de bij de (mede)verdachte geconstateerde verwondingen, worden afgeleid dat de fatale messteken een proportionele reactie vormden op het geweld van de kant van het slachtoffer, waarover verdachte en de medeverdachte hebben verklaard.

Door de raadsman is aangevoerd dat het zou kunnen dat het slachtoffer zelf een mes of een balk in handen heeft gehad. Hoewel die mogelijkheid niet kan worden uitgesloten (omdat er zo weinig bekend is van de momenten waarop is gestoken), kan al een begin van deze stelling niet met feiten worden onderbouwd, zodat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer een mes of balk in handen heeft gehad en zodoende een bedreiging vormde voor de verdachte en medeverdachte. Ook kan niet voldoende worden vastgesteld dat de verdachte toen hij zich met het slachtoffer in het schoenenhok bevond, geen kant op kon (waardoor hij genoodzaakt zou zijn om ernstig geweld te gebruiken). Uit de feiten lijkt immers te volgen dat één van de personen van het schoenenhok naar de keuken is gegaan om het mes te pakken en dat verdachte en medeverdachte in staat waren om (zonder zelf ernstig gewond te raken) het slachtoffer naar buiten te werken en – al dan niet veel later – de deur op slot te doen, waardoor het slachtoffer werd buitengesloten.

Aldus is het hof slechts bekend met feiten die wijzen op de disproportionaliteit van het tegen het slachtoffer uitgeoefende geweld, zodat de conclusie van het hof is dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het beroep op noodweer faalt om die reden.

het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Het beroep op noodweerexces

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat – voor zover het hof mocht oordelen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en hij daarbij een mes heeft gebruikt, welk gebruik vervolgens als excessief wordt bestempeld – het gebruik van het mes direct werd veroorzaakt vanwege de angst en paniek die de aanval van [slachtoffer] met zich meebracht, hetgeen is te duiden als noodweerexces. Daarbij heeft de raadsman betoogd dat de hersenafwijking van de verdachte tevens een rol heeft gespeeld.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarop afstuit.

Voor wat betreft de hersenafwijking van de verdachte heeft de advocaat-generaal gewezen op het rapport van prof. dr. C. Jonker, die heeft geconcludeerd dat de kans dat de bij de verdachte geconstateerde hersenafwijking heeft geleid tot agressie, erg klein is.

Oordeel hof

Gelet op het feit dat door verdachte en medeverdachte buitengewoon gewelddadig is opgetreden tegen een vriend, terwijl verdachte noch medeverdachte bekend staan als gewelddadig, is voor het hof aannemelijk dat sprake moet zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging. Deze hevige gemoedsbeweging kan veroorzaakt zijn door drankgebruik, een hersenorganische afwijking en/of het feit dat het slachtoffer geweld heeft gebruikt (dat bestond uit het omdraaien van de vinger van de verdachte, een klap tegen de arm van de verdachte en het slaan tegen de neus van de medeverdachte).

Gelet op de verklaring van de verdachte voor de aanleiding van het gevecht, acht het hof het niet onaannemelijk dat het (geringe) geweld dat door het slachtoffer werd uitgeoefend een ‘trigger’ was voor de hevige gemoedstoestand die heeft geleid tot het uitoefenen van het buitensporige geweld door verdachte en medeverdachte.

Het is evenwel niet zo dat in geval sprake is van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door een geweldshandeling van het slachtoffer, elk geweld van de kant van de verdachte verontschuldigbaar is. In het onderhavige geval is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld bij de bespreking van het beroep op noodweer, zodanig disproportioneel gehandeld door de verdachte en de medeverdachte dat het beroep van de verdachte op noodweerexces eveneens verworpen dient te worden.

Overweging ten overvloede

Voor zover de verdediging voorts nog heeft willen betogen dat het feit dat bij verdachte in beperkte mate sprake is van hersenorganisch lijden in de zin van episodic discontrol zoals door neurloog prof. dr. C. Jonker in diens rapport van 1 april 2011 gerapporteerd, nog van invloed is geweest op zijn gemoedstoestand door de agressie van de kant van [slachtoffer], in die zin dat hij vanwege dat lijden heftiger dan andere mensen onder vergelijkbare extreme omstandigheden zal reageren, overweegt het hof als volgt. Omdat de verdachte heeft verklaard op cruciale onderdelen geen herinneringen te hebben aan het tenlastegelegde kan door de deskundige niet worden vastgesteld of van deze extreme omstandigheden sprake is geweest.

Ook deskundigen drs. P.E. Geurkink en drs. A.C. Bruijns hebben gerapporteerd dat zij niet kunnen inschatten in hoeverre deze neurologische bevinding in het gedrag van de verdachte heeft doorgewerkt ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit, indien dit feit bewezen wordt geacht. Er kan daarom niets worden gezegd over eventuele toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde.

De deskundigen zijn ter terechtzitting van de rechtbank van 12 en 13 april 2011 gehoord.

Deskundige prof. dr. C. Jonker heeft verklaard dat discontrol vrijwel altijd is gekoppeld aan epilepsie. Epilepsie is echter geen oorzaak van het frontale focus, zoals dat bij de verdachte is geconstateerd. Bovendien is bij de verdachte evenmin epilepsie geconstateerd. De verdachte heeft echter wel een verhoogde kans gehad op het hebben van minder controle door extreme omstandigheden zoals oververmoeidheid, alcohol en stress. Op grond van alle gegevens die de deskundige ter beschikking stonden, acht hij de kans op het bestaan van episodic discontrol bij de verdachte klein.

Deskundige drs. P.E. Geurkink heeft verklaard dat hij niet kan concluderen of ten tijde van het tenlastegelegde sprake is geweest van een dissociatieve toestand met geheugenverlies omdat de verdachte daarover niet kon of wilde praten.

Deskundige drs. A.C. Bruijns heeft verklaard dat dissociatie iedereen kan overkomen en dat daarnaast mogelijk is dat een persoon aan een dissociatieve stoornis lijdt. Bij de verdachte is een dergelijke stoornis niet geconstateerd. Of sprake is geweest van een impulsdoorbraak (door ‘spontane’ dissociatie, zo begrijpt het hof) is niet vast te stellen volgens de deskundige. Om die reden kan niets worden vastgesteld over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het delict.

Gelet op voorgaande conclusies van de deskundigen acht het hof niet aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van episodic discontrol ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Het hof gaat er daarom vanuit dat de geconstateerde hersenafwijking bij de verdachte niet heeft geleid tot een episodic discontrol, die de hevige gemoedsbeweging als gevolg van de gestelde agressie van [slachtoffer] bij verdachte zodanig heeft beïnvloed, dat het handelen van de verdachte daardoor mogelijk kan worden verklaard dan wel daardoor zou zijn gerechtvaardigd.

Het – mogelijke – beroep op noodweerexces om die reden faalt eveneens.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – de volgende omstandigheden.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het medeplegen van moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in Tsjechië en Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld wegens (naar het hof begrijpt: medeplegen van) doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in Tsjechië en Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens het medeplegen van moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in Tsjechië en Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens verklaringen van familieleden en vrienden, niet gewelddadig is.

De persoon van het slachtoffer

Het slachtoffer [slachtoffer] was een vriend van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte]. Zij gingen eind januari 2010 met z’n drieën op vakantie in Tsjechië en verbleven in die periode in het vakantiehuis van de ouders van [medeverdachte] .

[Slachtoffer] was getrouwd met [getuige 14]. Hij had uit een eerdere relatie twee minderjarige kinderen waarmee hij een goed contact had. Ook met zijn familie stond hij op goede voet. [Slachtoffer] was werkzaam bij het bedrijf [bedrijf X] en hij stond bij vrienden en familieleden bekend als harde werker. Blijkens getuigenverklaringen ondervond het slachtoffer in zijn privéleven een aantal problemen en was de vakantie in Tsjechië bedoeld om tot rust te komen.

Gevolgen van het overlijden van het slachtoffer

Ter terechtzitting van het hof heeft de echtgenote van [slachtoffer], [getuige 14], gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Voorts heeft de voorzitter namens de vader, stiefmoeder, zus en overige familieleden van [slachtoffer] ter terechtzitting een slachtofferverklaring voorgelezen. Uit voornoemde verklaringen volgt dat het overlijden van [slachtoffer] nog steeds een enorme invloed heeft op het leven van de nabestaanden.

[Slachtoffer] is weggerukt uit het leven waar hij middenin stond. Zijn echtgenote, kinderen en familieleden moeten hem missen en aan [slachtoffer] is de kans ontnomen om zijn minderjarige kinderen te zien opgroeien. Door zijn totaal onverwachte overlijden hebben zijn nabestaanden geen afscheid van hem kunnen nemen.

Het feit

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich, samen met medeverdachte [medeverdachte], schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer].

In het vakantiehuis van de ouders van [medeverdachte] in Tsjechië, hebben de verdachte en [medeverdachte] onder invloed van drank, gevochten met [slachtoffer], met wie zij bevriend waren. Tijdens die vechtpartij is [slachtoffer] vele malen gestoken en gesneden met een mes, waarna hij in gewonde toestand buiten het vakantiehuis heeft gelegen. [medeverdachte] en [verdachte] zijn binnen in huis in slaap gevallen. Enige tijd later is de verdachte wakker geworden en heeft hij het slachtoffer naar binnen gesleept en hulp gezocht. Dit heeft niet mogen baten en [slachtoffer] is in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van één van de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Met zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer zijn grootste goed, het leven, ontnomen. Dit is gebeurd in een omgeving waarin [slachtoffer] zich bij uitstek veilig had moeten voelen.

Door het plegen van dit feit is ook de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijflijk veel leed en verdriet aangedaan.

De persoon van de verdachte

De verdachte was bevriend met het slachtoffer. De vader van medeverdachte [medeverdachte] was een collega van het slachtoffer en ook de verdachte werkte bij datzelfde bedrijf.

Ten tijde van het plegen van het delict was de verdachte 20 jaar oud.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2012 volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten.

Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat ook de verdachte heeft te lijden onder het overlijden van [slachtoffer]. Hij beseft dat het leed dat aan [slachtoffer] en zijn familie is aangedaan onomkeerbaar is en hij zal moeten leven met het gegeven dat hij een ander mens, een vriend, het leven heeft ontnomen.

De verdachte heeft steeds meegewerkt aan het verrichten van psychiatrisch en psychologisch onderzoek. Daaruit is naar voren gekomen dat de verdachte lijdende is aan een frontale functiestoornis. Volgens de deskundigen kan, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, echter geen uitspraak worden gedaan over eventueel verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voor het overige zijn geen bijzonderheden ontdekt die van belang zijn voor de hoogte van de op te leggen straf. Het hof heeft de verdachte bij de strafoplegging daarom beschouwd als volledig toerekeningsvatbaar.

Oordeel hof

Bij het bepalen van de straf zijn de strafdoeleinden leidend. Het betreft de vergelding, de speciale en generale preventie.

De strafdoeleinden speciale en generale preventie staan bij een delict als doodslag in het algemeen niet op de voorgrond. Anders dan bij moord is bij doodslag sprake van een in een opwelling gepleegd delict. Bij de speciale en generale preventie heeft de straf – onder meer – als doel om de calculerende burger te weerhouden een delict te plegen en bij doodslag gaat het juist niet om iemand die de tijd heeft en neemt om de voor- en nadelen tegen elkaar af te wegen, het delict wordt immers in een opwelling gepleegd.

Het strafdoel waar het bij doodslag om draait, betreft de vergelding. Door oplegging van straf wordt uiting gegeven aan de maatschappelijke verontwaardiging die volgt op het opzettelijk doden van een persoon en wordt het leed erkend dat door de nabestaanden wordt gevoeld.

Gelet op de persoon van het slachtoffer en het leed dat zijn overlijden voor de nabestaanden heeft teweeggebracht, kan de verontwaardiging slechts tot uitdrukking worden gebracht door de veroorzaker van dat leed een langdurige gevangenisstraf op te leggen.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat met de straf niet meer bereikt kan worden dan vergelding. De gevolgen van het delict waaronder het verdriet bij de nabestaanden, kan door de straf (vanzelfsprekend) niet ongedaan gemaakt worden.

Ten nadele van de verdachte heeft het hof in de strafoplegging meegewogen dat de verdachte, terwijl hij volledig toerekeningsvatbaar was, één van de ernstigste delicten heeft gepleegd die het Wetboek van Strafrecht kent.

Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige doodslag zoekt het hof aansluiting bij de gemiddelde straf die pleegt te worden opgelegd bij dit soort feiten. Uit onderzoek in de Databank Consistente Straftoemeting blijkt het dan te gaan om een gevangenisstraf van ongeveer acht en een half jaren.

Het hof heeft in een aantal omstandigheden aanleiding gezien om een lagere straf op te leggen dan de rechtbank. Daarbij heeft het hof in de eerste plaats, meer dan de rechtbank, belang gehecht aan de omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden, waarbij de situatie tussen drie, aanvankelijk bevriende, personen onder invloed van onder meer excessief drankgebruik en medicijngebruik op een fatale wijze is geëscaleerd. Daarbij geldt dat het hof overtuigd is van de spijtbetuigingen die de verdachte in zijn laatste woord heeft geuit en waaruit eens temeer volgt dat de verdachte de rest van zijn nog jonge leven zal moeten doorbrengen met het besef dat hij iemand met wie hij bevriend was, het leven heeft ontnomen.

Bovendien is de verdachte niet eerder veroordeeld ter zake van het plegen van enig strafbaar feit.

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar moet worden opgelegd. Het opleggen van een lagere straf kan, gelet op de ernst van het gepleegde feit, niet aan de orde zijn.

Het inbeslaggenomen voorwerp

Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp met de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 14] (gemachtigde mr H.A. Schenke)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.926,52, bestaande uit een bedrag van

€ 14.426,52 en een bedrag van € 500,- aan rechtsbijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Daarbij geldt dat het hof het gevorderde bedrag aan materiële schade alsook de gemaakte kosten voor de rechtsbijstand zal toewijzen. Voor wat betreft de kosten van de rechtsbijstand bepaalt artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering dat het slachtoffer zich kan laten bijstaan. Onder meer dit artikel wordt door artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard op nabestaanden als bedoeld in artikel 51e van het Wetboek van Strafvordering. [Getuige 14] is, als echtgenote van het overleden slachtoffer, aan te merken als een dergelijke nabestaande in de zin van artikel 51e lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en ex artikel 51f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan zij zich voor het gehele bedrag voegen als benadeelde partij. Gelet daarop komt haar het recht toe om de proceskosten vergoed te krijgen ex artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 15] (gemachtigde mr B.D.W. Martens en/of mr J. Verschuren)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.457,92. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

- Kosten uitvaart: € 1.382,78

- Kosten rechtsbijstand: € 9.943,20

- Overige kosten: p.m.

-----------------------------------------------------

- Totaal: € 11.325,98

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.382,78. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, waarbij de vordering is verhoogd met de reiskosten die gemaakt zijn door de benadeelde partij.

De vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

- Kosten uitvaart: € 1.382, 78

- Kosten rechtsbijstand: € 9.943, 20

- Reiskosten: € 119, 70 p.m.

- Overige kosten: p.m.

¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬--------------------------------------------------------------

- Totaal: € 11.445,68

Tevens is verzocht om deze som te vermeerderen met de wettelijke rente alsook om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht om ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand aan te sluiten bij de regeling betreffende de proceskostenvergoeding ex artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Tevens is gewezen op de implementatie van het Kaderbesluit van 15 maart 2001 inzake de positie van het slachtoffer, waarin een brede uitleg wordt gegeven aan het begrip ‘rechtsbijstand’, hetgeen ook is terug te zien in artikel 51d en 51e lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt als volgt omtrent voorgaande.

Het door de advocaat aangehaalde Kaderbesluit is geïmplementeerd in de regeling betreffende het slachtoffer en de benadeelde partij zoals die is neergelegd in artikel 51a e.v. van het Wetboek van Strafvordering. De regeling kent het slachtoffer een aantal rechten toe, zoals het recht op rechtsbijstand en het recht om zich te voegen als benadeelde partij in het strafproces.

Artikel 51a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering definieert een slachtoffer als ‘degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden’.

In artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering is in het eerste lid bepaald dat een slachtoffer zich kan doen bijstaan en in het tweede lid dat die bijstand ook kan bestaan uit bijstand van een advocaat.

De regeling ex artikel 51a tot en met 51c van het Wetboek van Strafvordering wordt in artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard op de nabestaanden als bedoeld in artikel 51e, tweede lid en op de personen bedoeld in artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

De nabestaanden genoemd in artikel 51 e, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering betreffen de echtgenoot/geregistreerde partner of levensgezel en bij afwezigheid, dan wel niet in staat of bereid zijn van deze, de bloedverwanten in de rechte lijn in de eerste graad en bij afwezigheid dan wel niet in staat of bereid zijn van deze, de bloedverwanten in de zijlijn in de tweede graad.

Op grond van deze dwingend voorgeschreven volgorde geldt dat [getuige 14], die als echtgenote van het slachtoffer [slachtoffer] heeft gemeld van haar rechten gebruik te willen maken, is aan te merken als nabestaande in de zin van deze regeling, terwijl [getuige 15] buiten die regeling valt.

Als nabestaanden in artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering worden genoemd de erfgenamen die hun vordering onder algemene titel hebben verkregen en daarnaast de personen als bedoeld in artikel 6:108, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen zich voegen in het strafproces.

In het onderhavige geval heeft [getuige 14] onder algemene titel de vordering van het slachtoffer [slachtoffer] verkregen. [Getuige 15] heeft deze vordering niet verkregen.

Als nabestaanden in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek worden in het eerste lid genoemd – kort gezegd – de personen voor wie het slachtoffer geheel of ten dele voorzag in hun levensonderhoud. Dit is niet aan de orde, nu [slachtoffer] niet voorzag in de kosten van levensonderhoud van [getuige 15]. Ook op grond van dit artikel geldt derhalve niet dat [getuige 15] is aan te merken als nabestaande in de zin van de regeling in het Wetboek van Strafvordering.

Het tweede lid van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de kosten van de lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking komen, ongeacht de hoedanigheid van de persoon die deze heeft gemaakt. Dit artikeldeel ziet echter niet op de door [getuige 15] gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Derhalve komen alleen de door [getuige 15] gemaakt kosten ter zake van de lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van € 1.382,78.

Nu [getuige 15] op grond van voornoemde regeling in strafvordering geen nabestaande is waarop de regeling ex 51a e.v. van het Wetboek van Strafvordering (waarin onder meer het recht op rechtsbijstand is vastgelegd) van overeenkomstige toepassing is verklaard, is hij niet aan te merken als benadeelde partij, voor zover het gaat om andere kosten dan de kosten van de lijkbezorging. Gelet daarop komen de kosten voor rechtsbijstand ook op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering niet voor vergoeding in aanmerking.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36c, 36f, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, alsook de tijd die de verdachte in Tsjechië in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

het op de aan dit arrest als bijlage II gehechte beslaglijst genoemde voorwerp onder 3 (het mes).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de aan dit arrest als bijlage II gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen onder 1, 2 en 4 t/m 14.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 14] (gemachtigde mr H.A. Schenke)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [getuige 14] (gemachtigde mr H.A. Schenke), terzake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.426,52 (veertienduizend vierhonderdzesentwintig euro en tweeënvijftig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 500,00 (vijfhonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 14] (gemachtigde mr H.A. Schenke) een bedrag te betalen van

€ 14.426,52 (veertienduizend vierhonderdzesentwintig euro en tweeënvijftig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 107 (honderdzeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 15] (gemachtigde mr B.D.W. Martens en/of mr J. Verschuren)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [getuige 15] (gemachtigde mr B.D.W. Martens en/of mr J. Verschuren), terzake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.382,78 (duizend driehonderdtweeëntachtig euro en achtenzeventig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 15] (gemachtigde mr B.D.W. Martens en/of mr J. Verschuren), een bedrag te betalen van € 1.382,78 (duizend driehonderdtweeëntachtig euro en achtenzeventig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr B.W.M. Hendriks, voorzitter,

mr R. de Groot en mr J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 6 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.