Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0559

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
200.087.430
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BP6166, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Registratie door Delta Loyd in interne (IVR) en externe (EVR) incidentenregister toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.087.430

(zaaknummer rechtbank 201882)

arrest van de eerste kamer van 27 maart 2012

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. G.E. Hattink,

tegen:

de naamloze vennootschap

Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

hierna: Delta Lloyd,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 25 augustus 2010 en 16 februari 2011die de rechtbank Arnhem tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 16 februari 2011 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 mei 2011,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 16 februari 2011 onder 2.1 tot en met 2.6 heeft vastgesteld.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Deze zaak gaat, kort gezegd, over het volgende. [appellant] heeft op 2 april 2009 bij [juwelier] een Maurice Lacroix horloge gekocht. Het door [juwelier] verstrekte taxatierapport vermeldt als waarde van het horloge een bedrag van € 2.130,00. [appellant] heeft vervolgens met betrekking tot genoemd horloge een kostbaarheden-verzekering bij Interpolis afgesloten. Interpolis is tot uitkering onder die verzekering overgegaan na een melding door [appellant] van verlies op 15 november 2009 van het Maurice Lacroix horloge. Op 28 december 2009 dient [appellant] bij Delta Lloyd een aanvraagformulier in voor, onder meer, een kostbaarhedenverzekering (hierna: het aanvraagformulier). Op dit aanvraagformulier vermeldt [appellant] als waarde van het horloge dat zij wil verzekeren een bedrag van € 2.130,00 in. Tevens sluit zij de aankoopnota van het Maurice Lacroix horloge bij. Bij de vragen op het aanvraagformulier of [appellant], samengevat, de afgelopen twaalf maanden een schade heeft gehad in relatie tot de door haar aangevraagde verzekering en of zij elders verzekerd was of is, heeft [appellant] het vakje "nee" aangekruist. Op 29 december 2009 stuurt Delta Lloyd aan [appellant] het polisblad waarin, onder meer, wordt vermeld dat volgens de voorwaarden met ingang van 1 januari 2010 een kostbaarhedenverzekering is afgesloten voor een Maurice Lacroix horloge met als verzekerd bedrag € 2.130,00. Op 18 januari 2010 vult [appellant] een aangifteformulier in, waarin zij melding maakt van een inbraak in haar auto op 14 januari 2010 en claimt zij vergoeding van een Maurice Lacroix horloge. Bij dit aangifteformulier voegt zij het eerder genoemde taxatierapport van [juwelier] toe. Bij brief van 5 maart 2010 bericht Delta Lloyd aan [appellant] dat de kostbaarhedenverzekering is beëindigd en zij niet tot uitkering zal overgaan, omdat [appellant] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. In de brief wordt voorts onder meer melding gemaakt van het volgende:

"(…) Tevens wijzen wij u erop dat wij op grond van voormelde feiten uw gegevens hebben op laten nemen in het incidentenregister. Dit register is door ons aangelegd met als doel het waarborgen van de veiligheid en de integriteit in de financiële sector. Het register wordt beheerd door onze afdeling. (…)

Daarnaast hebben wij uw volledige personalia doorgegeven aan de Stichting CIS te Zeist. Andere financiële instellingen in Nederland kunnen, conform het daarvoor geldende Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële Instellingen, toetsen of u voorkomt in een incidentenregister (…)".

4.2 [appellant] heeft Delta Lloyd in rechte betrokken en, samengevat, gevorderd dat Delta Lloyd de interne registratie in het incidentenregister en de externe registratie bij de Stichting Centraal Informatie Systeem (Stichting CIS) ongedaan maakt, omdat zij geen opzet tot misleiding heeft gehad en de registratie daarom onrechtmatig is. De rechtbank heeft in het eindvonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. [appellant] is met twee grieven tegen het bestreden vonnis opgekomen.

4.3 Het hof stelt voorop dat opname in, met name, het externe verwijzingsregister van de Stichting CIS voor de betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het externe verwijzingsregister vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de grond(en) van Delta Lloyd voor opname van [appellant] in de registers.

4.4 Uit de toelichting op grief I volgt dat de bezwaren van [appellant] zich richten tegen de overwegingen van de rechtbank onder 4.5 tot en met 4.7 van het bestreden vonnis, die tot het oordeel hebben geleid dat de vordering van [appellant] wordt afgewezen. [appellant] erkent, samengevat, dat zij bij het invullen van het aanvraagformulier te overhaast en onnadenkend heeft gehandeld en dat zij ten onrechte de vraag of in de afgelopen twaalf maanden een schade heeft plaatsgevonden ontkennend heeft beantwoord. Zij heeft echter geen opzet gehad om Delta Lloyd bij het aangaan van de overeenkomst te misleiden. Zij betwist dat Delta Lloyd geen verzekering met haar zou hebben afgesloten als bij Delta Lloyd de ware stand van zaken bekend zou zijn geweest. [appellant] stelt voorts dat ook ten aanzien van de opgave van de schade naar aanleiding van de diefstal op 14 januari 2010 geen sprake is geweest van opzettelijke misleiding. Daarnaast stelt [appellant] dat de gevolgen die Delta Lloyd verbindt aan de vermeende fraude c.q. schending van de mededelingsplicht onterecht en buitenproportioneel zijn. In hoger beroep heeft [appellant] zich beroepen op de vernietigbaarheid van artikel 4 en 5 van de polisvoorwaarden omdat de toepasselijke polisvoorwaarden (model 0904) voor of bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten niet aan haar ter hand zijn gesteld of toegezonden. Delta Lloyd heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist.

Beroep op vernietigbaarheid artikelen uit polisvoorwaarden

4.5 Het hof zal eerst het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van artikel 4 en 5 van de polisvoorwaarden op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b) BW juncto artikel 6:234 lid 1 BW beoordelen. Uit de stellingen van [appellant] leidt het hof af dat het beroep op vernietiging van artikel 4 en 5 van de polisvoorwaarden voortvloeit uit de veronderstelling dat na vernietiging van genoemde artikelen de juridische grondslag voor Delta Lloyd om haar personalia (intern en extern) te registeren komt te vervallen. Juist is dat in artikel 4 en 5 van de polisvoorwaarden nader wordt toegelicht waarvoor Delta Lloyd de verstrekte persoonsgegevens gebruikt, maar uit de slotbepaling van het door [appellant] ondertekende aanvraagformulier volgt reeds dat Delta Lloyd de bij die aanvraag verstrekte persoonsgegevens onder meer gebruikt voor het accepteren en uitvoeren van een verzekeringsovereenkomst en ten behoeve van preventie en fraudebestrijding. Voorts bevat de slotbepaling de vermelding, dat in verband met een verantwoord acceptatiebeleid, Delta Lloyd “uw gegevens” kan raadplegen bij de Stichting CIS. Daarbij is tevens vermeld dat de doelstelling hiervan is risico’s te beheersen en fraude tegen te gaan. Naast de verwijzing naar de Stichting CIS wordt vermeld dat het privacyreglement van de stichting CIS van toepassing is en de site waar dit reglement valt te raadplegen. In het door [appellant] ondertekende aangifteformulier is onder punt 6 vermeld dat als een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven het recht op schadevergoeding vervalt, de verzekering tussentijds kan worden beëindigd en de verstrekte gegevens kunnen worden verwerkt in het Centraal Informatie Systeem van in Nederland werkzame maatschappijen, waarbij het privacyreglement van de Stichting CIS op de registratie van toepassing is.

Dit betekent dat zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat Delta Lloyd niet de polisvoorwaarden gelijktijdig met het polisblad heeft toegezonden, hetgeen Delta Lloyd heeft betwist, en de genoemde artikelen in de polisvoorwaarden voor vernietiging in aanmerking zouden komen, de gegevens van [appellant] geregistreerd mogen worden in haar eigen incidentenregister en in het register van de Stichting CIS, omdat [appellant] akkoord is gegaan met de slotbepaling en daarmee met de verwerking van haar persoonsgegevens “ten behoeve van preventie en fraudebestrijding”. Tevens droeg zij kennis van hetgeen onder punt 6 op het aangifteformulier stond vermeld en is zij door ondertekening van het aangifteformulier daarmee akkoord gegaan.

Uit de toelichting op de grief volgt verder dat [appellant] vooral bezwaar heeft tegen het feit dat op grond van de polisvoorwaarden het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen (hierna: het Protocol) op haar relatie met Delta Lloyd wordt toegepast. Toepassing van het Protocol door Delta Lloyd vindt evenwel geen grondslag in de polisvoorwaarden, maar volgt uit de hiervoor weergegeven vermeldingen in het aanvraag- en aangifteformulier. Het privacyreglement van de Stichting CIS bevat een verwijzing naar het Protocol. Het Protocol vermeldt in artikel 4 (incidentenregister), artikel 5 (intern verwijzingsregister (IVR)) en artikel 6 (extern verwijzingsregister (EVR/EVI)) de voorwaarden (het hof verwijst kortheidshalve naar r.o. 4.3 van het bestreden vonnis) waaronder Delta Lloyd persoonsgegevens in de registers mag opnemen. Toestemming van de betrokkene voor opname in de genoemde registers is daarvoor niet vereist. Ook biedt de Stichting CIS een procedure indien de betrokkene meent dat de geregistreerde gegevens niet correct zijn. Vaststaat dat [appellant] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. De grief faalt in zoverre.

Opzettelijke misleiding, onnadenkend handelen en persoonlijke omstandigheden

4.6 Het hof stelt vast dat [appellant] heeft erkend dat zij een aantal vragen op het aanvraagformulier onjuist heeft beantwoord en dat zij het aangifteformulier naar aanleiding van de gebeurtenis op 14 januari 2010 niet naar waarheid heeft ingevuld. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in een dergelijke situatie niet slechts sprake is van onnadenkend handelen. [appellant] heeft in deze procedure nauwkeurig beschreven dat zij niet beschikte over een aankoopnota of taxatierapport van het Ebel horloge, welk horloge zij volgens haar stellingen in werkelijkheid wilde verzekeren, en toen "overhaast en gemakzuchtig" bij het invullen van het aanvraagformulier als het te verzekeren bedrag het bedrag van het Maurice Lacroix horloge heeft ingevuld en bovendien de aankoopnota van dat horloge heeft meegestuurd. Vervolgens heeft zij, zoals zij ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard (proces-verbaal van 15 december 2010) bij het doen van opgave van de schade opnieuw ingevuld dat het om het Maurice Lacroix horloge ging. Hieruit volgt dat [appellant] tot tweemaal toe Delta Lloyd in strijd met de waarheid heeft voorgelicht. Het hof acht daarbij van belang dat het niet om een willekeurig ander horloge ging en dat zij - tot tweemaal toe - opgave heeft gedaan van het Maurice Lacroix horloge waarvoor zij bij haar vorige verzekeraar onder de kostbaarhedenverzekering opgave van vermissing had gedaan en waarvoor zij ook daadwerkelijk een uitkering had ontvangen. [appellant] heeft dus welbewust een verzekering afgesloten voor een horloge dat helemaal niet meer in haar bezit was en logischerwijs ook niet op 14 januari 2010 ontvreemd kon worden. Vervolgens heeft zij (aanvankelijk) vergoeding onder de kostbaarhedenverzekering geclaimd van een horloge dat zij al lang niet meer in haar bezit had.

4.7 [appellant] heeft voorts nog gesteld dat in het geval zij het aanvraagformulier wel juist zou hebben ingevuld, Delta Lloyd hoogstens nader onderzoek zou hebben gedaan, een hogere verzekeringspremie zou hebben berekend en/of een hoger eigen risico in de polis zou hebben opgenomen, maar niet zou hebben afgezien van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst, zoals Delta Lloyd heeft aangevoerd.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de eigen stellingen van [appellant] dat zij erkent dat, indien zij Delta Lloyd een juiste voorstelling van zaken had gegeven, Delta Lloyd in ieder geval niet de verzekeringsovereenkomst met [appellant] zou hebben gesloten zoals zij dit heeft gedaan, hetgeen ook juist het belang van het verstrekken van de juiste informatie onderstreept. Uit het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg volgt dat Delta Lloyd bij bekendheid met het "spontaan verlies" van het Maurice Lacroix horloge, het Ebel horloge niet had verzekerd en dat dit mogelijk anders zou zijn geweest in het geval van een eerdere schade. Door een onjuiste opgave te doen heeft [appellant] Delta Lloyd niet in de gelegenheid gesteld deze afweging te maken. Daarbij acht het hof nog van belang dat Delta Lloyd onbetwist en terecht heeft gesteld, dat juist bij een kostbaarhedenverzekering een verzekeraar moet kunnen afgaan op waarheidsgetrouwe en volledige behandeling van het aanvraagformulier en daarvan afhankelijk is. De stelling van [appellant] dat de vraag in het aanvraagformulier niet tot "de slotvragen" behoorde en slechts gericht was om de opzegging van lopende verzekeringen eventueel aan Delta Lloyd over te laten, kan, zonder nadere toelichting die [appellant] niet heeft gegeven, niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt ook voor de stelling van [appellant] dat zij Delta Lloyd niet opzettelijk heeft misleid met als doel een hogere uitkering uit de verzekeringsovereenkomst te krijgen, omdat [appellant] juist is overgegaan tot het claimen van een uitkering onder de verzekeringsovereenkomst ten aanzien van een horloge dat ten tijde van de aanvraag al helemaal niet meer in haar bezit was.

4.8 [appellant] heeft verder nog gesteld dat geen sprake is geweest van opzettelijk handelen, maar dat zij als gevolg van depressieve klachten te overhaast en onnadenkend heeft gehandeld. Haar psychische gesteldheid heeft ertoe geleid dat zij uit gemakzucht bij de aanvraag in plaats van de aankoopnota van het Ebel horloge, waarover zij niet beschikte, de aankoopnota van het Maurice Lacroix horloge heeft meegestuurd. [appellant] stelt, onder verwijzing naar door haar overgelegde medische stukken, dat haar persoonlijke omstandigheden een belangrijke rol hebben gespeeld bij het onjuist invullen van het aanvraag- en aangifteformulier. Volgens [appellant] heeft de rechtbank hiermee onvoldoende rekening gehouden bij haar oordeel dat [appellant] de opzet had om Delta Lloyd te misleiden.

Ook het hof is van oordeel dat het feit dat [appellant] in die periode psychische problemen ondervond, het oordeel dat sprake is van opzettelijke misleiding niet wijzigt. [appellant] heeft deze problemen aangevoerd als verklaring voor het onjuist invullen van het aanvraagformulier omtrent het Ebel horloge. Tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft [appellant] verklaard, dat zij door haar psychische klachten de neiging had om de gemakkelijkste weg te kiezen. Om die reden, aldus [appellant], kon zij zich er niet toe zetten om een taxatierapport van het Ebel horloge te verkrijgen. Zonder nadere toelichting, die ook niet uit de overgelegde verklaringen van medische aard valt af te leiden, blijft dan nog steeds onverklaard waarom [appellant] de vragen naar een eerdere schade in relatie tot de aangevraagde kostbaarhedenverzekering en naar een verzekering elders, in strijd met de waarheid, ontkennend heeft beantwoord. Het is juist de combinatie van factoren waardoor naar het oordeel van het hof geen andere conclusie mogelijk is dan dat [appellant] het opzet heeft gehad om Delta Lloyd te misleiden. Dit leidt ertoe dat [appellant] in onvoldoende mate feiten en omstandigheden heeft gesteld, die tot het oordeel kunnen leiden dat haar handelwijze valt toe te schrijven aan haar klachten van psychische aard.

Proportionaliteit van de registratie

4.9 [appellant] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de gevolgen die Delta Lloyd

aan haar handelen heeft verbonden buitenproportioneel zijn, verschillende argumenten aangevoerd. Delta Lloyd heeft dit gemotiveerd betwist en heeft benadrukt dat de aard en de omvang van het handelen van [appellant] een registratie in het externe verwijzingsregister rechtvaardigt.

4.10 Het hof stelt vast dat uitsluitend voor de registratie in het externe verwijzingsregister een proportionaliteitsafweging op grond van het Protocol vereist is. Voor opname in het interne verwijzingsregister is geen proportionaliteitstoets voorgeschreven. Op grond van de criteria die het Protocol voorschrijft kon Delta Lloyd tot registratie in het interne verwijzingsregister overgaan.

Met de stelling van [appellant] dat de schade door de diefstal van het Ebel horloge op14 januari 2010 slechts een beperkt gedeelte uitmaakte van de totale door [appellant] geclaimde schade, die volgens haar overigens lager was dan in het geval dat zij aanspraak had gemaakt op vergoeding van het duurdere Ebel horloge, miskent [appellant] dat deze min of meer toevallige omstandigheid niets afdoet aan de ernst van het totaal van de door haar verrichte handelingen bij het invullen van het aanvraag- en aangifteformulier. Ditzelfde geldt voor haar stelling dat zij op grond van haar inboedelverzekering slechts aanspraak kon maken op een maximale vergoeding van € 250,00 voor de diefstal uit de auto en dat dit in vergelijking met haar werkelijke schade slechts een gering bedrag is. Het hof passeert eveneens de stelling van [appellant] dat zij een verzekering had afgesloten voor een horloge dat niet meer in haar bezit was, en dus met betrekking tot het Maurice Lacroix horloge nimmer een verzekeringsovereenkomst tot stand kan zijn gekomen, waardoor een schadeuitkering niet aan de orde was, omdat, zonder toelichting die [appellant] niet heeft gegeven, niet duidelijk is welke consequenties [appellant] hieraan wil verbinden. [appellant] heeft in haar stukken immers ook aangegeven dat zij heeft afgezien van het claimen van een uitkering onder de kostbaarhedenverzekering omdat zij een fout had gemaakt, waaruit volgt dat zij kennelijk wel van mening is, dat een verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen.

4.11 Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat bij de afweging tussen het gerechtvaardigde belang van het verzekeringswezen om over een opzettelijke misleiding voor het sluiten van een verzekeringsovereenkomst op de hoogte te geraken en het tegengestelde belang van privacy van [appellant], geen gewicht hoeft te worden toegekend aan de omstandigheid dat Delta Lloyd zonder toestemming van [appellant] bij Interpolis en [juwelier] informatie heeft opgevraagd.

Ook het hof is van oordeel dat bij de belangenafweging die Delta Lloyd op grond van het Protocol dient te maken teneinde tot registratie over te kunnen gaan, aan het feit dat [appellant] geen toestemming heeft verleend voor het opvragen van informatie bij Interpolis en [juwelier], geen doorslaggevende betekenis toekomt. Van belang is daarbij dat [appellant] zelf ook heeft toegegeven dat zij de fouten die tot de registratie hebben geleid, heeft gemaakt.

4.12 De conclusie van het voorgaande is dan ook dat Delta Lloyd onder de gegeven omstandigheden tot registratie in zowel het interne als het externe verwijzingsregister heeft kunnen overgaan. [appellant] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, waaruit kan volgen dat Delta Lloyd - gelet op de opzettelijke misleiding van [appellant] - de voor registratie in het externe verwijzingsregister noodzakelijke proportionaliteitsafweging niet heeft kunnen maken op de wijze zoals Delta Lloyd dat heeft gedaan. Grief I faalt ook voor het overige.

4.13 [appellant] heeft bewijs aangeboden van haar stellingen. Hiertoe heeft zij aangeboden getuigen te horen, waaronder zichzelf, over de volgende stellingen.

a) Dat op 14 januari 2010 het Ebel horloge is gestolen en dat [appellant] deze schade daadwerkelijk heeft geleden.

Nader bewijs van deze stelling brengt geen verschil in de beoordeling van het hof. [appellant] heeft er immers zelf voor gekozen dat zij (uiteindelijk) geen claim heeft ingediend ten aanzien van de diefstal voor het Ebel horloge vanwege de ontdekking van haar fraude.

b) Dat [appellant] Delta Lloyd niet heeft misleid met als doel een hogere uitkering uit de verzekeringsovereenkomst te krijgen of proberen te krijgen.

Nu [appellant] ook in hoger beroep heeft erkend dat zij door middel van het (niet naar waarheid) invullen van het aangifteformulier geprobeerd heeft om een uitkering te krijgen waartoe zij niet gerechtigd was, omdat het niet om diefstal van het Maurice Lacroix horloge ging, maar volgens [appellant], om het Ebel horloge, bestaat voor nadere bewijsvoering op dit punt geen aanleiding.

c) Dat [appellant] bij de verzekeringsaanvraag overhaast en onnadenkend heeft gehandeld door de aankoopnota van het Maurice Lacroix horloge mee te sturen.

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat de vaststelling dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding niet alleen is gebaseerd op "overhaast en onnadenkend" handelen ten aanzien van de aankoopnota. Zelfs indien bewezen, maakt dit voor het oordeel van het hof geen verschil, omdat [appellant] eveneens fouten heeft gemaakt in het invullen van het aanvraagformulier en het aangifteformulier. Deze fouten zijn in samenhang gezien reeds voldoende om tot het hiervoor gegeven oordeel te komen.

d) De persoonlijke omstandigheden van [appellant] die bij het onjuist invullen van het aanvraag- en aangifteformulier een rol hebben gespeeld.

e) Dat Delta Lloyd bij bekendheid van de werkelijkheid niettemin de kostbaarhedenverzekering met [appellant] zou hebben afgesloten.

Uit voorgaande beoordeling volgt dat [appellant] over de punten onder d) en e) onvoldoende heeft gesteld, zodat onder die omstandigheden geen plaats is voor nadere bewijslevering.

f) Dat de niet opgegeven feiten geen enkele rol hebben gespeeld bij de verwezenlijking van het risico en de kans daarop ook niet is vergroot.

Voor deze stelling geldt dat indien bewezen, dit niet tot een ander oordeel van het hof zal leiden. Of de niet opgegeven feiten al dan niet een rol hebben gespeeld bij de verwezenlijking van het risico, het hof begrijpt dat [appellant] hiermee bedoelt de door haar gestelde inbraak in haar auto waarbij het Ebel horloge zou zijn ontvreemd, is voor de bevoegdheid van Delta Lloyd om op grond van het Protocol tot registratie over te gaan immers geheel irrelevant.

Op grond van het voorgaande zal het hof het bewijsaanbod van [appellant] passeren, omdat enerzijds [appellant] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, en anderzijds zij bewijs van feiten en omstandigheden heeft aangeboden, die, indien bewezen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.14 Grief II is een veeggrief, die geen afzonderlijke bespreking behoeft.

5. Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 16 februari 2011;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd vastgesteld op € 894,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,00 voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, S.B. Boorsma en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012.