Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0545

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
21.000262-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling van een agent tot een werkstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis. Vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000262-12

Uitspraak d.d.: 2 april 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 4 januari 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 15 februari 2012 en 19 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.A.S. Jansen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 21 december 2011 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant] (hoofdagent van politie) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die {verbalisant] (met {veel] kracht) in/op tegen diens gezicht heeft geslagen en/of gestompt (waardoor die [verbalisant] en hij, verdachte, op de grond zijn gevallen zodanig dat hij, verdachte, bovenop die [verbalisant] terecht is gekomen) en/of

- (vervolgens) (terwijl hij, verdachte, bovenop die [verbalisant] zat/lag) die [verbalisant], zes, althans een of meer, malen (met {veel} kracht) op/tegen het hoofd van die [verbalisant] heeft geslagen en/of gestompt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 21 december 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [verbalisant] (hoofdagent van politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening

die [verbalisant]op/tegen diens gezicht heeft geslagen en/of gestompt (waardoor die [verbalisant] en hij, verdachte, op de grond zijn gevallen zodanig dat hij, verdachte, bovenop die [verbalisant] terecht is gekomen) en/of

- (vervolgens) (terwijl hij, verdachte, bovenop die [verbalisant] zat/lag) die [verbalisant], zes, althans een of meer, malen (met {veel} kracht) op/tegen het hoofd van die [verbalisant] heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Uit de verklaringen van de verdachte – die het merendeel van de tenlastegelegde geweldshandelingen ontkent – volgt niet dat hij het opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de handelingen, die volgens het hof door de verdachte zijn gepleegd, volgt evenmin het (voorwaardelijk) opzet. Hoewel het hof er van uitgaat dat verdachte aangever meerdere keren tegen het hoofd heeft geslagen of gestompt, staat voor het hof onvoldoende vast dat door dit slaan of stompen en de wijze waarop dat gebeurd is de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat aangever als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is geen vaststaand gegeven dat slaan en zelfs stompen zonder meer de leidt tot de aanmerkelijke kans op een dergelijk – ernstig – gevolg.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Eerste gedachtestreepje

Het hof zal verdachte vrijspreken van de handeling ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje. Het staat niet vast dat dat verdachte aangever heeft geslagen als gevolg waarvan zij beiden op de grond zijn gevallen.

Tweede gedachtestreepje

Het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder het subsidiair, tweede gedachtestreepje tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof acht, anders dan de politierechter, maar overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op aangever zat/lag en hij hem meermalen op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt. Uit de medische gegevens volgt immers dat aangever op zijn linkerslaap, rechter jukbeen en zijn kin druk/pijnlijke plekken had met geringe zwelling. Voorts is aan de binnenzijde van zijn onderlip, rechts, een zwelling/bloeduitstorting. Ook is er sprake geweest van gering uitwendig bloedverlies. Dat alles wijst op meer dan één klap of stomp. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2011 volgt dat op het achterhoofd van aangever een bult is en hij ervaart pijn als hij de bult aanraakt, hetgeen overeenkomt met de verklaring dat aangever op zijn rug op de grond lag en op/tegen zijn hoofd is geslagen met als gevolg dat de achterkant van zijn hoofd de grond heeft geraakt. Het geconstateerde letsel komt overeen met het relaas van de verbalisant, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat het letsel op een andere wijze is ontstaan. Ook heeft verdachte verklaard dat hij bovenop aangever heeft gezeten, nadat zij beiden gevallen waren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

hij op of omstreeks 21 december 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [verbalisant] (hoofdagent van politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening

- die [verbalisant] op/tegen diens gezicht heeft geslagen en/of gestompt (waardoor die [verbalisant] en hij, verdachte, op de grond zijn gevallen zodanig dat hij, verdachte, bovenop die [verbalisant] terecht is gekomen) en/of

- (vervolgens) (terwijl hij, verdachte, bovenop die [verbalisant] zat/lag) die [verbalisant], zes, althans een of meermalen (met {veel} kracht) op/tegen het hoofd van die [verbalisant] heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een agent in functie. Verdachte is bovenop die agent gaan zitten/liggen of gevallen en heeft die agent vervolgens meermalen op/tegen het hoofd geslagen en/of gestompt. Doordat de agent op de grond lag, met zijn arm onder zijn lichaam, kon hij niet bij zijn portofoon of peperspray. Een dergelijke situatie moet beangstigend voor hem zijn geweest, mede doordat hij zijn collega niet kon oproepen. Dat alles levert een ernstig feit op. Dergelijk geweld kan niet door de beugel. Daarop past een forse reactie.

Het hof heeft gelet op een Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 maart 2012, waaruit volgt dat verdachte first-offender is.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen daaruit en ook verder omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis passend en geboden. Gelet op de persoon van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om naast een onvoorwaardelijke straf een voorwaardelijke straf op te leggen, in tegenstelling tot de eis van de advocaat-generaal en de door de politierechter opgelegde straf. Maar -gelet op de ernst van het feit- kan evenmin volstaan worden met een lagere straf dan de bovengenoemde straf.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 597,30. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot in elk geval na te melden bedrag, waarvan de component voor immateriële schade wordt bepaald op € 300,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 447,30 zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het -geschorste- bevel voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant] terzake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 447,30 (vierhonderdzevenenveertig euro en dertig cent) bestaande uit EUR 147,30 (honderdzevenenveertig euro en dertig cent) materiële schade en EUR 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant], een bedrag te betalen van EUR 447,30 (vierhonderdzevenenveertig euro en dertig cent) bestaande uit EUR 147,30 (honderdzevenenveertig euro en dertig cent) materiële schade en EUR 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr A.G. Coumans, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr E.S. van Soest, griffier,

en op 2 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.