Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0453

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
11-00570
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht.

Navordering. Inspecteur beschikt over nieuw feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1091 met annotatie van Kastelein
FutD 2012-0919
V-N Vandaag 2012/899
V-N 2012/29.7

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00570

uitspraakdatum: 20 maart 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2011, nummer AWB 10/4283,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van € 725.696.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur in zijn conclusie van dupliek heeft gereageerd.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 5 oktober 2004 is A – de vader van belanghebbende – overleden. Belanghebbende is de enige wettelijke erfgenaam. Belanghebbende heeft blijkens een verklaring van erfrecht van 19 november 2004 de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.2 De zuster van de erflater stond op de overlijdensdatum op hetzelfde adres ingeschreven als de erflater. De Inspecteur is abusievelijk ervan uitgegaan dat degene die op hetzelfde adres van de erflater stond ingeschreven, de enige erfgenaam was. Aan haar heeft hij een aanslag in het successierecht opgelegd. Op 7 februari 2008 heeft de Inspecteur het bezwaarschrift tegen deze aanslag ontvangen, waarin hem erop is gewezen dat niet de zuster van erflater maar belanghebbende de enige erfgenaam is. Hierop heeft de Inspecteur de aanslag die aan de zuster van de erflater is opgelegd, verminderd tot nihil en heeft hij aan belanghebbende een aangifte uitgereikt.

2.3 De Inspecteur heeft op 28 juli 2009 de aanslag in het successierecht vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Op 3 december 2009 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur telefonisch gewezen op het feit dat de aanslag buiten de termijn van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is opgelegd. In zijn brief van 3 december 2009 merkt de Inspecteur het volgende op:

“Terzake van deze nalatenschap is de betwiste aanslag opgelegd met dagtekening 28 juli 2009. Deze aanslag was inderdaad buiten de wettelijke termijn (3 jaar + verleend uitstel) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Het blijkt dat in eerste aanleg sprake was van een ambtshalve aanslag aan een zuster van erflater opgelegd, die nadien geen erfgename bleek te zijn. De dagtekening van die aanslag was 27 maart 2006 en de vermindering 29 juli 2008, dus ruim 2 jaren later. Door de collega’s is onderkend dat er voor de toen ontstane nieuwe situatie sprake moest zijn van een navorderingsaanslag, heb ik uit de stukken kunnen opmaken. Door het uitsturen van een aangifte kan dit binnen de geautomatiseerde systemen niet tot een navordering leiden waardoor er een “gewone” aanslag volgde. Dit is bij de afhandeling niet onderkend maar had via een toelichtende brief wel deze status kunnen krijgen.

Nu dit verzuim is geconstateerd besluit ik (…) om de betwiste aanslag geheel te verminderen met de aankondiging dat aan belanghebbende direct nu wel een navorderingsaanslag zal worden opgelegd tot hetzelfde bedrag.

Overigens kan op grond van de AWR artikel 16 lid 3 die navordering worden opgelegd. Er is sprake van een termijn van 5 jaren verhoogd met het voor de aangifte verleende uitstel. Dit uitstel is 2 keer verleen namelijk op 22 juli 2008 tot 1 december 2008 en op 8 december 2008 tot 1 februari 2009.”

2.4 In zijn uitspraak op bezwaar van 7 januari 2010 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot nihil onder verwijzing naar zijn brief van 3 december 2009.

2.5 De Inspecteur heeft met als dagtekening 2 februari 2010 de in het geding zijnde navorderingsaanslag opgelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Inspecteur tot het opleggen van de navorderingsaanslag bevoegd is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

3.2 Belanghebbende leidt uit de brief van de Inspecteur van 3 december 2009 af, dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag al het plan had een navorderingsaanslag op te leggen. Door de geautomatiseerde systemen die binnen de Belastingdienst gebruikt worden, was de Inspecteur enkel in staat een aanslag op te leggen. In dat geval wordt, volgens belanghebbende onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006, nr. 40 958, LJN AT7225, BNB 2006/315, de Inspecteur de bevoegdheid ontnomen de eerder opgelegde aanslag te verminderen en een navorderingsaanslag op te leggen.

3.3 De Inspecteur is van mening dat hij de mogelijkheid heeft behouden de fout van het opleggen van een aanslag buiten de termijn te herstellen door het opleggen van een navorderingsaanslag. Het arrest BNB 2006/315 ziet zijns inziens op een andere situatie. Voorts is hij van mening dat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld door opzettelijk het verstrijken van de driejaarstermijn van artikel 11, derde lid, van de AWR, af te wachten voordat zij zich als erfgenaam aan de Inspecteur bekend maakte.

3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de navorderingsaanslag.

3.5 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat het onder 2.2 genoemde bezwaarschrift voor de Inspecteur een nieuw feit vormt op grond waarvan hij bevoegd is een navorderingsaanslag op te leggen. Nadat het de Inspecteur was gebleken dat de aanslag buiten de termijn was opgelegd, had de Inspecteur de aanslag kunnen converteren in een navorderingsaanslag, omdat aan de voorwaarden voor het opleggen van een navorderingsaanslag is voldaan.

4.3 In het arrest van 21 december 1994, nr. 29 132, LJN AA2995, BNB 1995/61 heeft de Hoge Raad geoordeeld over een situatie waarin de inspecteur aanslagen schenkingsrecht heeft vernietigd wegens overschrijding van de termijn van artikel 66, eerste lid, onder 2, van de Successiewet 1956 in verbinding met artikel 11, derde lid, van de AWR, waarna hij in een later stadium voor hetzelfde feit navorderingsaanslagen heeft opgelegd. De Hoge Raad heeft overwogen dat aan de rechtsgeldigheid van die navorderingsaanslagen niet in de weg staat, dat in een eerder stadium aanslagen zijn opgelegd welke na bezwaar zijn vernietigd. Evenmin staat daaraan in de weg dat de inspecteur ook ervoor had kunnen kiezen met een beroep op conversie de aanslagen te handhaven als navorderingsaanslagen. Verder heeft de Hoge Raad in de arresten van 30 december 1925, B 3718 en 10 november 1937, B 6525 overwogen dat het recht om een navorderingsaanslag op te leggen niet teniet gaat doordat de inspecteur voordien onbevoegd een aanslag heeft opgelegd. Het feit dat deze aanslag enige tijd heeft bestaan en op formele gronden is vernietigd, staat aan de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag niet in de weg.

4.4 Nu de Inspecteur over een nieuw feit beschikte is het Hof van oordeel, mede gelet op voornoemde arresten, dat de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is niet in haar procespositie geschaad door de handelwijze van de Inspecteur, omdat haar reeds voor de vermindering van de primitieve aanslag is meegedeeld, dat tegelijkertijd een navorderingsaanslag opgelegd zou worden tot hetzelfde bedrag als de vermindering.

4.5 In het door belanghebbende aangehaalde arrest BNB 2006/315 heeft de Hoge Raad bepaald, dat bij het ontbreken van een nieuw feit navordering toch mogelijk is als sprake is geweest van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd, en het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt. Nu tussen partijen niet in geschil is, dat de Inspecteur over een nieuw feit beschikt, komt het Hof aan de toepassing van de in dit arrest geformuleerde rechtsregel niet toe.

4.6 De bevoegdheid tot navorderen van de Inspecteur is reeds hierom gegeven, zodat het Hof het subsidiaire standpunt van de Inspecteur omtrent de kwade trouw van belanghebbende onbehandeld laat.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. G.T.K. Meussen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 maart 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.