Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0210

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
200.092.978
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BR4764, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen (spoedeisend) belang bij gevorderde voorziening om twee bestuursleden van SNZT, op grond van gesteld bindend voordrachtsrecht, te vervangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.978

(zaaknummer rechtbank 218279)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 20 maart 2012

in de zaak van

de stichting

Stichting Belang Zweefvliegers Terlet (hierna: SZT),

gevestigd te Arnhem,

appellante,

advocaat: mr. P.D. Olden,

tegen:

1. de stichting

Stichting Nationaal Zweefvliegcentrum Terlet (hierna: SNZT),

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. van Os,

2. de vereniging

Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (hierna: KNVVL),

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.M. Schnitker.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 november 2011 hier over.

1.2 In dat arrest is de zaak wat betreft de hoofdzaak verwezen naar de rol voor memorie van antwoord aan de zijde van SNZT en KNVVL.

1.3 Daarop heeft SNZT bij memorie van antwoord verweer gevoerd en heeft daarbij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis van 22 juli 2011 zal bekrachtigen, onder veroordeling van SZT in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

1.4 KNVVL heeft bij afzonderlijke memorie van antwoord, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht, verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de gevorderde voorzieningen weigert, met veroordeling van SZT in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

1.5 Ter zitting van 6 februari 2012 hebben partijen de zaak door hun advocaten doen bepleiten. Alle advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Olden voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan SNZT, KNVVL en het hof de producties 49 tot en met 62 gezonden.

SNZT en KNVVL hebben laten weten die stukken tijdig te hebben ontvangen en geen bezwaar te hebben tegen het in het geding brengen ervan. Daarop heeft het hof aan

mr. Olden akte verleend van het in het geding brengen van die producties.

1.6 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

2. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.30 van het bestreden vonnis van 22 juli 2011.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 SZT vordert in dit kort geding – samengevat weergegeven – KNVVL te gebieden om [A] en [B] in plaats van [C] en [D] te benoemen tot leden van het bestuur van SNZT. SZT grondt die vordering op het bindende voordrachtsrecht dat haar zou toekomen.

3.2 De voorzieningenrechter heeft voorshands aannemelijk geacht dat SZT het recht heeft om twee kandidaat-bestuursleden voor benoeming in het bestuur van SNZT voor te dragen aan KNVVL, welke voordracht in beginsel bindend is voor KNVVL. Omdat het voordrachtsrecht naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter geen betrekking heeft op de herbenoeming van de zittende bestuursleden van SNZT en voldoende vaststaat dat het zittende bestuur (waaronder de oorspronkelijk door SZT voorgedragen bestuurders De Bruine en Weesjes) tijdig is herbenoemd door KNVVL, heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van SZT afgewezen.

3.3 Het hoger beroep richt zich (onder meer) tegen het oordeel dat een eventueel bindend voordrachtsrecht (SNZT bestrijdt dat een dergelijk recht voortvloeit uit de statuten en/of de in het bestreden vonnis onder 2.26 tot en met 2.29 aangehaalde documenten) niet van toepassing is wanneer sprake is van een voorgenomen herbenoeming van bestuursleden van SNZT. Nu de gevorderde voorzieningen reeds om een andere, hierna te noemen reden niet kunnen worden toegewezen, zal het hof niet ingaan op dit twistpunt.

3.4 Naar het oordeel van het hof heeft SZT thans onvoldoende spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

De inleidende dagvaarding van SZT dateert van 14 juli 2011. SZT verkeerde toen, sinds 20 juni 2011, in surcéance van betaling. Dat hield onder meer verband met het feit dat SNZT naleving verlangde van het – bij voorraad uitvoerbaar verklaarde en op 21 april 2011 aan SZT betekende – vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 18 april 2011, waarbij (onder meer) de huurovereenkomst tussen SZT en SNZT is ontbonden en SZT is veroordeeld om de hangar, de kantoorruimte en de vliegstrip binnen twee maanden en drie dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en om aan SNZT een bedrag van ruim € 375.000,- te betalen. Daarenboven had de Rabobank, als bezitloos pandrechthouder, onder meer de vliegtuigen van SZT in vuistpand genomen.

SZT heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat de inzet van het kort geding is te voorkomen dat SZT failleert. Dat wilde zij bewerkstelligen door haar invloed aan te wenden in het bestuur van SNZT teneinde dat bestuur ervan te overtuigen om een andere koers te varen in het tussen SZT en SNZT gerezen conflict.

Ondertussen is, op 25 juli 2011, het faillissement van SZT uitgesproken en heeft de Rabobank met gebruikmaking van haar pandrecht de vliegtuigen en het overig materieel van SZT verkocht. Uit de toelichting van partijen tijdens het pleidooi in hoger beroep blijkt dat in het door SZT ingestelde hoger beroep van voormeld vonnis van de kantonrechter van 18 april 2011 wat betreft de reconventionele geldvorderingen van SZT – die de curator niet heeft overgenomen – ontslag van instantie is verleend, en wat betreft de conventionele vordering van SNZT de procedure is geschorst ex artikel 29 Faillissementswet; slechts de ontbinding van de huurovereenkomst is in hoger beroep thans nog aan de orde, daarin is nog niet van grieven gediend.

3.5 In hoger beroep heeft SZT ten aanzien van haar belang bij de gevorderde voorlopige voorzieningen aangevoerd dat zij hoopt en verwacht dat de op haar voordracht te benoemen vervangende bestuursleden van SNZT in staat zullen zijn een derde bestuurslid van SNZT mee te krijgen om met SZT tot overeenstemming te komen over een oplossing, inhoudende definitieve afspraken over (de hoogte en samenstelling van) de bestaande vorderingen; als die overeenstemming is bereikt zal een akkoord moeten worden aangeboden aan de concurrente crediteuren, dat waarschijnlijk zal inhouden dat de schulden aan die crediteuren op termijn al of niet geheel betaald worden.

3.6 Gelet op voormelde stand van zaken (SZT is failliet, zij oefent thans geen zweefvliegbedrijf meer uit en beschikt ook niet meer over vliegtuigen en ander materieel) valt niet in te zien welk (spoedeisend) belang zij thans nog heeft bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Immers, slechts indien de te treffen voorzieningen ertoe zouden kunnen leiden dat SZT weer ten behoeve van haar leden het zweegvliefbedrijf op Terlet zou kunnen uitoefenen, kan belang bij de onderhavige vorderingen worden aangenomen. SZT heeft een mogelijk doorstartscenario evenwel onvoldoende concreet uitgewerkt. Voor een doorstart is niet alleen nodig dat de twee nieuw te benoemen bestuursleden van SNZT het ertoe zouden kunnen leiden dat het gehele bestuur van SNZT bereid zou zijn om – in weerwil van het vonnis van de kantonrechter van 18 april 2011 – nieuwe afspraken te maken over hetgeen SZT aan SNZT verschuldigd is en over de (ontbonden) huurovereenkomst, maar ook dat SZT in samenspraak met de curator een oplossing zou vinden voor de aanschaf van nieuwe zweefvliegtuigen en ander materieel benodigd voor het vliegbedrijf, en dat de overige schuldeisers van SZT een door haar aan te bieden akkoord zouden accepteren. SZT heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat, en op welke wijze, dit alles bereikt zou kunnen worden en dat er aldus een (voldoende reële) kans bestaat op een doorstart van de activiteiten van SZT.

Nog daargelaten dat de gevorderde voorzieningen (die primair zijn gegrond op de stelling dat het op 16 februari 2011 genomen herbenoemingsbesluit van de KNVVL nietig is en in ieder geval met zich brengen dat de bestuursleden De Bruine en Weesjes moeten defungeren) gelet op het voorlopig karakter van deze kort gedingprocedure zeer verstrekkend zijn, moeten de vorderingen derhalve bij het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang worden afgewezen.

4. Slotsom

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof SZT in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van zowel SNZT als van KNVVL worden begroot op € 649,- voor griffierecht en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief II).

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Arnhem van 22 juli 2011;

veroordeelt SZT in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SNZT vastgesteld op € 649,- voor griffierechten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en aan de zijde van KNVVL eveneens vastgesteld op € 649,- voor griffierechten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin ten behoeve van SNZT uitgesproken proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, H.L. Wattel en H.R. Quint en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.