Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0026

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
24-002806-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:305, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte wegens poging tot doodslag. Het beroep op noodweer is verworpen omdat er geen sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop van de zaak veroordeelt het hof verdachte tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar, met een proeftijd van twee jaren. Het hof gelast de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van een maand en zal deze straf omzetten in een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002806-09

Uitspraak d.d.: 22 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 juni 2006 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummers 06-880553-04 en 06-800258-04 (gevoegde zaken), in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 juni 2011 en

8 maart 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair aan hem tenlastegelegde tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de gevangenisstraf voor de duur van één maand zal worden tenuitvoergelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.A. Kint, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 augustus 2005 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) voornoemde [slachtoffer]

- in/op/tegen de nek, in ieder geval in/op/tegen het lichaam, heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen (waardoor voornoemde [slachtoffer] op de grond viel/terechtkwam) en/of - (vervolgens) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval in/op/tegen het lichaam, heeft/hebben getrapt/geschopt (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 13 augustus 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (fractuur (linker) oogkas en/of neusfractuur en/of gebroken jukbeen en/of verbrijzelde (boven) kaak en/of hersenkneuzing), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht)

- in/op/tegen de nek, in ieder geval in/op/tegen het lichaam, te schoppen/trappen en/of te stompen/slaan (waardoor voornoemde [slachtoffer] op de grond viel/terechtkwam) en/of

- (vervolgens) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval in/op/tegen het lichaam, te schoppen/trappen (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag);

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 13 augustus 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht)

- in/op/tegen de nek, in ieder geval in/op/tegen het lichaam, heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen (waardoor voornoemde [slachtoffer] op de grond viel/terechtkwam) en/of - (vervolgens) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval in/op/tegen het lichaam, heeft/hebben getrapt/geschopt (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag),

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (fractuur (linker)oogkas en/of neusfractuur en/of gebroken jukbeen en/of verbrijzelde (boven)kaak en/of hersenkneuzing), athans enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 augustus 2005 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met kracht voornoemde [slachtoffer]

- in/op/tegen de nek heeft geslagen (waardoor voornoemde [slachtoffer] op de grond viel/terechtkwam) en

- vervolgens in het gezicht heeft getrapt/geschopt terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter zitting van het hof heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer, subsidiair noodweerexces. Daartoe is door en namens verdachte aangevoerd dat [slachtoffer] verdachte als eerste heeft geslagen. Tegen die ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf heeft verdachte zich verdedigd door terug te slaan, waardoor [slachtoffer] op de grond viel. Toen verdachte de op de grond liggende [slachtoffer] zag grijpen naar zijn broeksband/broekzak, meende hij - gelet op de tevoren door [slachtoffer] geuite bedreiging - een vuurwapen te zien, ook al zag hij het misschien niet echt. Verdachte was op dat moment doodsbang en heeft [slachtoffer] toen geschopt in de richting van diens gezicht. De mogelijkheid om weg te lopen is niet bij verdachte opgekomen. Indien de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is er sprake van noodweerexces.

Ten aanzien van de gevoerde verweren overweegt het hof het volgende.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat verdachte uit noodweer/noodweerexces heeft gehandeld toen hij [slachtoffer] tegen het lichaam sloeg, treft dit verweer geen doel. Immers, zoals verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard, was de loop van de gebeurtenissen als volgt: nadat verdachte en [slachtoffer] een woordenwisseling hadden gehad, waarna de rust was weergekeerd, spuugde verdachte [slachtoffer] bier in het gezicht. Dit omdat verdachte zich naar eigen zeggen "te kijk gezet voelde". Als reactie daarop heeft [slachtoffer] verdachte geslagen. Hierop heeft verdachte [slachtoffer] teruggeslagen. Het hof is van oordeel dat het gedrag van verdachte in zoverre in de weg staat aan het slagen van een beroep op noodweer/noodweerexces omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer]. Immers, verdachte heeft - na een eerdere confrontatie met [slachtoffer] - [slachtoffer] bier in het gezicht gespuugd. Hij was aldus uit op een confrontatie met [slachtoffer]. Bij een zodanige provocatie komt verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe. Voor zover deze handeling al voortkwam uit of werd ingegeven door het voorafgaande alcoholgebruik door verdachte, maakt dat het oordeel van het hof niet anders nu verdachte - zoals hij ter 's hofs terechtzitting heeft verklaard - wist dat hij door het gebruik van alcoholhoudende drank losser en assertiever werd.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer/noodweerexces toen hij de op de grond liggende [slachtoffer] schopte, treft dit verweer evenmin doel. Eerst ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] naar zijn broekzak/broeksband greep en een voorwerp wilde pakken dat leek op een vuurwapen. Hierover heeft verdachte noch tegenover de politie, noch ten overstaan van de rechtbank, verklaard. Geen van de in het voorbereidend onderzoek gehoorde getuigen heeft verklaard over het grijpen naar enig voorwerp door [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat verdachte moest vrezen voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, en zeker niet dat zijn lijf daadwerkelijk ogenblikkelijk en wederrechtelijk werd aangerand door [slachtoffer], die weerloos op de grond lag. Ook in zoverre faalt het beroep op noodweer/noodweerexces.

Ten overvloede overweegt het hof dat verdachte - toen [slachtoffer] eenmaal op de grond lag - had kunnen weglopen van de plaats van de schermutseling, zoals hij zelf ter zitting van het hof heeft verklaard.

Het hof acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 13 augustus 2005 schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft aangever [slachtoffer] - na een avondje stappen - op straat met kracht in de nek geslagen en - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - na een aanloop te hebben genomen, in het gezicht geschopt. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het letsel dat [slachtoffer] door het handelen van verdachte heeft opgelopen is aanzienlijk: een fractuur van de linker oogkas, een neusfractuur, een gebroken jukbeen, een verbrijzelde bovenkaak en een hersenkneuzing. [slachtoffer] heeft twee à drie maanden niet kunnen werken als gevolg van het door verdachte toegebrachte letsel.

Poging tot doodslag is een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het hof neemt bij de strafoplegging in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 4 januari 2012, eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Ook blijkt dat verdachte in 2004 is veroordeeld vanwege mishandeling en zware mishandeling. De proeftijd van een bij dat vonnis aan verdachte opgelegde straf was ten tijde van het plegen van het onderhavige delict nog niet verstreken.

Voorts is in aanmerking genomen hetgeen door verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte is aangevoerd. Verdachte lijkt inmiddels enig inzicht te hebben gekregen in zijn delictgedrag en in de factoren die daarbij een rol hebben gespeeld. Hij heeft daarvoor hulp gekregen van "De Waag". In dat verband is bij verdachte ADHD vastgesteld, waarvoor hij inmiddels is ingesteld op medicatie. Verdachte heeft aangevoerd dat hij sindsdien in rustiger vaarwater is beland. Hij woont samen met zijn vriendin en gebruikt - vanwege zijn medicijnen - geen alcohol meer. Daarnaast is verdachte momenteel druk doende zijn succesvolle carrière (verder) op te bouwen.

Gelet op alle omstandigheden in onderhavige zaak, in het licht bezien van de oriëntatiepunten die het hof hanteert ter zake van een ernstig strafbaar feit als het onderhavige, acht het hof een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden.

Echter, in aanmerking genomen het lange tijdsverloop - anders dan in de zin van 'undue delay' - sedert het bewezen verklaarde feit en de huidige (persoonlijke) omstandigheden is het hof van oordeel dat in de door de advocaat-generaal gevorderde straf een passende afdoening kan worden gevonden. Het hof zal derhalve aan verdachte een werkstraf van maximale duur opleggen.

Tevens zal het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. Deze straf is langer dan door de advocaat-generaal gevorderd, omdat het hof van oordeel is dat die vordering - gelet op de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde - daaraan onvoldoende recht doet. Dit voorwaardelijke deel van de straf dient tevens als een stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te begaan.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Zutphen van 8 september 2004, parketnummers 06-880553-04 en

06-800258-04, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 8 september 2004, parketnummers 06-880553-04 en

06-800258-04, te weten van een maand gevangenisstraf, te vervangen door: taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. P. Koolschijn en mr. P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 22 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zijnde mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, mr. P.H.A.J. Cremers en de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.