Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV9733

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
11-00466
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges.

Omvang bouwkosten windturbine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/804
Belastingblad 2012/214 met annotatie van P. de Bruin
FutD 2012-0843
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00466

uitspraakdatum: 13 maart 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Buren (hierna: de Heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 3 mei 2011, nummer AWB 09/5094, in het geding tussen belanghebbende en de Heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een bedrag aan leges in rekening gebracht voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Heffingsambtenaar in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de leges verminderd.

1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 14 juni 2011 ter griffie ingekomen en is aangevuld bij brief met bijlagen van 19 augustus 2011.

1.5. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.7. De Heffingsambtenaar heeft bij brief van 6 februari 2012 nadere stukken ingediend.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012 te Arnhem. De gemachtigde van belanghebbende is daar verschenen alsmede de Heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 25 oktober 2007 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning eerste fase voor een windmolenpark bestaande uit vier windturbines. In verband met de snelle technologische ontwikkelingen in de windenergie is bij de bouwaanvraag geen definitieve keuze gemaakt voor een bepaalde turbine van een bepaalde fabrikant.

2.2. Een windturbine bestaat uit een fundering, een mast, rotorbladen en een gondel, ook wel nacelle genoemd. In de gondel zijn installaties geplaatst zoals een generator en een tandwielkast. De rotorbladen zijn door middel van de rotoras aan de tandwielkast gekoppeld. De rotorbladen drijven via de tandwielkast de generator aan. Deze zorgt voor het opwekken van elektriciteit.

2.3. Voor deze procedure kan ervan worden uitgegaan dat de kosten van een windturbine € 3.000.000 zijn, als volgt te specificeren:

Tower 26,30% € 789.000

Rotor blades 22,20% 666.000

Rotor hub 1,37% 41.100

Rotor bearings 1,22% 36.600

Main shaft 1,91% 57.300

Main frame 2,80% 84.000

Gearbox 12,91% 387.300

Generator 3,44% 103.200

Yaw system 1,25% 37.500

Pitch system 2,66% 79.800

Power converter 5,01% 150.300

Transformer 3,59% 107.700

Brake system 1,32% 39.600

Nacelle housing 1,35% 40.500

Cables 0,96% 28.800

Screws 1,04% 31.200

Overig 10,67% 320.100

-waarvan fundering € 250.000

-waarvan overig 70.100

Totale kosten € 3.000.000

2.4. Volgens de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2007 van de gemeente Buren (hierna: de Verordening) is de hoogte van de leges afhankelijk van de bouwkosten. In de Verordening staat onder meer:

“Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (…) of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgaven 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.”

2.5. In het normblad NEN 2631 staat onder meer:

“3.2 Bouwkosten

Bouwkosten zijn de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de realisering van een bouwproject tot en met de oplevering van het gebouw of de gebouwen, dan wel ten behoeve van verbouwingen.

Bouwkosten dienen te worden onderscheiden in kosten aan:

1. het gebouw of gebouwen, en

2. het terrein.

De bouwkosten, zowel van het gebouw of de gebouwen als van het terrein, dienen te worden verdeeld in kosten voor:

- bouwkundige werken;

- installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties);

- vaste inrichtingen.

Toelichtingen

1. Kosten van voorzieningen op het terrein betreffen werken die niet zijn verricht tijdens het bouwrijp maken van het terrein, bij voorbeeld:

- het aanleggen van buitenriolering en water-, gas- en elektrische leidingen;

- het aanbrengen van wegen, parkeerplaatsen, beplantingen en afscheidingen.

2. De installaties kunnen zich bevinden in het gebouw of op het terrein, in beide gevallen geheel of gedeeltelijk ten behoeve van het gebouw en/of terrein.

Ingeval de installaties zowel ten behoeve van het gebouw als van het terrein functioneren, ongeacht de plaats waar de installaties zich bevinden, verdient het aanbeveling, indien mogelijk, de kosten hiervan te onderscheiden naar de kosten voor het gebouw en voor het terrein. (…)

3.3 Inrichtingskosten

Inrichtingskosten zijn de kosten die worden gemaakt om het gebouw of de gebouwen, overeenkomstig zijn of hun bestemming, te kunnen gebruiken.

Inrichtingskosten dienen te worden onderscheiden in kosten naar:

1. het gebouw of de gebouwen, en

2. het terrein.

De inrichtingskosten, zowel van het gebouw of de gebouwen als van het terrein, dienen te worden verdeeld in kosten van:

- bedrijfsinstallaties;

- losse inrichtingen;

- bouwkundige werken en/of installatietechnische werken ten behoeve van bedrijfsinstallaties en losse inrichtingen.

Toelichting

Inrichting omvat de middelen zoals vast en los meubilair, bedrijfsinstallaties enz. binnen en buiten het gebouw, nodig voor het functioneren van het bedrijf, voorzover niet contractueel betrekking hebben op de in 3.2 genoemde vaste inrichtingen.”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of een gedeelte van de hiervoor onder 2.3 vermelde kosten niet behoort tot de bouwkosten en, zo ja, welk gedeelte.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de leges tot € 52.448,90. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bouwkosten die van belang zijn voor het in rekening brengen van leges slechts bestaan uit de kosten van de fundering, de mast en de gondel. De overige kosten zijn, aldus belanghebbende, kosten van bedrijfsinstallaties, die op grond van de hiervoor onder 2.5 aangehaalde NEN-norm behoren tot de inrichtingskosten en niet tot de bouwkosten.

4.2. Naar het oordeel van het Hof zijn de volledige kosten van 3 miljoen euro voor de bouw van een windturbine, tot de bouwkosten als bedoeld in de Verordening te rekenen. De hiervoor onder 2.2 vermelde onderdelen zijn geen bedrijfsinstallaties; zij behoren alle tot de bouwkundige werken, de installaties en de vaste inrichtingen. De windturbine is slechts met inbegrip van deze onderdelen een compleet bouwwerk. Zonder de installatietechnische voorzieningen beantwoordt zij niet aan haar doel. Een windturbine als afgerond bouwwerk is niet denkbaar zonder de onderdelen die de turbine laten functioneren.

4.3. Aan het oordeel van het Hof doet niet af dat, zoals belanghebbende heeft betoogd, gedeelten van het bouwwerk onder de werktuigenvrijstelling voor de Wet WOZ vallen. Evenmin doet daaraan af dat delen van de turbine dienstbaar zijn aan het bedrijfsproces van belanghebbende. Dat bij een traditionele elektriciteitscentrale de kosten van de turbine niet behoren tot de bouwkosten, zoals belanghebbende stelt, is op zichzelf geen reden die kosten van de windturbine niet tot de bouwkosten te rekenen. Daarvoor verschillen een traditionele elektriciteitscentrale en een windturbine te veel van elkaar.

4.4. De slotsom is dat het incidentele hoger beroep gegrond is en het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

- verklaart het beroep bij de Rechtbank ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 13 maart 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.