Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV8582

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
24-003223-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:477, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koolvis-zaak. Mensenhandel. Verhoorprotocol.

Voor het misdrijf mensenhandel bestaan voor de rechtspraak geen specifieke oriëntatiepunten ten behoeve van de bepaling van de strafmaat. Van twee van de 4 meisjes is vast komen te staan dat zij ook daadwerkelijk in de prostitutie terecht zijn gekomen, mede door toedoen van verdachte. Blijkens hun verklaringen is sprake van veelvuldige afgedwongen seksuele handelingen die zij voor het financieel gewin van hun uitbuiters moesten ondergaan. Het oriëntatiepunt voor de strafmaat voor een eenmalige verkrachting is 24 maanden gevangenisstraf. De meisjes verkeerden mede door toedoen van verdachte in een seksuele slavernij.

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003223-09

Uitspraak d.d.: 12 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [getuige 6adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 en 14 oktober 2010, 10 mei 2011, 14 september 2011, 23, 24, 25, 26 januari 2012 en 27 februari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Rechtsmacht

Verdachte bezit niet de Nederlandse nationaliteit. Evenmin was zij woonachtig in Nederland in de in de tenlastelegging genoemde periode of daarna.

Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden, ongeacht de strafbaarheid van dat feit in het buitenland. (HR 27-10-1998, NJ 1999, 221).

In de tenlastelegging van verdachte is - zakelijk weergegeven - als pleegplaats vermeld Nederland en/of een aantal andere landen. Aldus laat de tenlastelegging de mogelijkheid open dat het feit niet mede in Nederland is begaan. In dat geval kan geen rechtsmacht worden gebaseerd op artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht. Evenmin kan in die gevallen rechtsmacht worden gebaseerd op enige andere rechtsregel. Dit brengt met zich dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging voor zover het strafbare feit niet (mede) in Nederland is begaan.

Verhoorprotocol

Op dezelfde wijze als zij in eerste aanleg heeft gedaan, heeft de verdediging op grond van de totstandkoming en het gebruik van het verhoorprotocol de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Vormen in het vooronderzoek zijn onherstelbaar geschonden en zijn van een dermate ernst dat het meest zware rechtsgevolg dat de wet kent in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden toegepast.

De rechtbank heeft hieromtrent, voor zover van belang, het navolgende overwogen:

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging omdat het ten behoeve van de onderzoeken Koolvis en Kluivingsbos opgestelde en bij de verhoren van de vermeende slachtoffers van mensenhandel gebruikte verhoorprotocol niet alleen als zodanig onrechtmatigheden met zich brengt, maar dat ook de wijze waarop politie en externe partners daarmee zijn omgegaan, onrechtmatigheden heeft veroorzaakt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij die onrechtmatigheden sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor zover sprake zou zijn van schending van andere belangen dan die van verdachte, geldt dat het gaat om zeer fundamentele inbreuken waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

De verdediging heeft in dit verband onder meer verwezen naar de arresten inz. Zwolsman en Karman. (...)

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot dit verweer.

Het rapport d.d. 23 augustus 2007, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], waarin het verhoorprotocol is opgenomen, vermeldt als voornaamste reden voor de totstandkoming daarvan: de wens om enerzijds de verklaringsbereidheid bij vermeende slachtoffers van mensenhandel te vergroten - door vertrouwen te winnen en uitleg te geven - en anderzijds de betrouwbaarheid van de eventueel afgelegde verklaringen te bevorderen.

Het protocol dient twee doelen zo is in het rapport te lezen, namelijk:

1. bevorderen van de waarheidsvinding in het kader van het opsporingsbelang en

2. bieden van hulpverlening aan de vermeende slachtoffers waarbij externe partners worden ingezet om o.a. de invloed van voodoo te bespreken/beperken. Als externe partners zijn ingezet: een Nigeriaanse dominee genaamd [naam] en een ervaringsdeskundige die eerder als tolk is opgetreden in andere mensenhandelzaken.

De opzet van het protocol is besproken tijdens een op 23 augustus 2007 gehouden overleg in Groningen, waarbij een officier van justitie, leden van de onderzoeksteams inz. Koolvis en Kluivingsbos, alsmede de hiervoor bedoelde ervaringsdeskundige en Nigeriaanse dominee aanwezig waren. Het protocol zelf valt uiteen in een vijf-stappenplan waarin - zo constateert de rechtbank - niet alleen een ieders rol is beschreven (van respectievelijk politie, ervaringsdeskundige en dominee) maar waarin ook is aangegeven op welke wijze gesprekken met c.q. verhoren van vermeende slachtoffers dienen plaats te vinden. Daarbij is ook aandacht besteed aan de inzet van audiovisuele hulpmiddelen.

De rechtbank merkt vooreerst op dat de bijzondere aard van dit soort zaken, met name de problemen met betrekking tot de - doorgaans geringe - verklaringsbereidheid van vermeende slachtoffers en de moeizame waarheidsvinding waarmee opsporingsinstanties zich geconfronteerd zien, op zichzelf reden kan zijn op zoek te gaan naar een methode waarbij beide belangen - de waarheidsvinding en een adequate hulpverlening aan slachtoffers - beter gediend worden. De keuze voor een verhoorprotocol, als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, kan daarmee gerechtvaardigd zijn.

Het openbaar ministerie heeft in deze zaak voor een dergelijk verhoorprotocol gekozen en in het kader van de door haar nagestreefde transparantie zijn daarin ook de eisen waaraan de gesprekken tussen vermeende slachtoffers en ervaringsdeskundige/dominee enerzijds en de uiteindelijke verhoren door opsporingsambtenaren anderzijds moeten voldoen, uitdrukkelijk in het verhoorprotocol opgenomen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoorprotocol en de uitvoering daarvan het volgende:

Blijkens het verhoorprotocol hebben de zogenaamde externe partners - de ervarings-deskundige en de dominee dus - duidelijk een verschillende rol in de fase die voorafgaat aan het uiteindelijke verhoor van vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren. De inzet van de dominee dient kennelijk vooral gericht te zijn op hulpverlening, het als gezaghebbend geestelijke bevrijden van eventuele voodoo-invloeden, terwijl voor de ervaringsdeskundige eerder een rol weggelegd lijkt als inhoudelijk gesprekspartner van de Nigeriaanse meisjes/ vrouwen, een en ander met het oog op het eventueel doen van aangifte.

De rechtbank leidt dat niet alleen af uit de verschillende locaties waar ervaringsdeskundige en dominee de gesprekken met de meisjes/vrouwen hebben gevoerd - de dominee op "neutraal" terrein, in elk geval niet het politiebureau, en de ervaringsdeskundige juist wel op het politiebureau - maar ook uit de taakomschrijving van ervaringsdeskundige en dominee.

De dominee moet zich, aldus het protocol, vooral bezighouden met het bestrijden van eventuele voodoo-invloeden terwijl de ervaringsdeskundige meer inhoudelijk bezig is en zaken dient te bespreken als: de invloed van voodoo, de werkwijze van de criminele organisatie waar zij het slachtoffer van was, haar werk in de prostitutie en de uitbuiting.

De ervaringsdeskundige moet met andere woorden haar ervaringen delen met de veronderstelde slachtoffers.

De hiervoor omschreven, in het verhoorprotocol opgenomen, taakverdeling behoeft op zichzelf geen problemen op te leveren indien en voor zover aan de externe partners duidelijke instructies worden gegeven op welke wijze de door hen te voeren gesprekken dienen plaats te vinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de ervaringsdeskundige tijdens haar verhoor ter terechtzitting d.d. 11 mei 2009 desgevraagd heeft verklaard dat zij van de politie geen specifieke instructies voor de door haar met de meisjes/vrouwen te voeren gesprekken heeft gekregen. Aan haar is slechts verteld wat zij in elk geval niet moest doen, namelijk de meisjes dwingen.

Het valt op dat in het verhoorprotocol dergelijke nauwkeurig geformuleerde instructies ontbreken. De rechtbank is niet gebleken dat de externe partners voorafgaande aan de door hen te voeren gesprekken zijn geïnstrueerd door de politie en evenmin is gebleken op welke wijze die gesprekken - in het geval van de ervaringsdeskundige - zijn geëvalueerd.

De rechtbank beschouwt het ontbreken van duidelijke instructies aan de externe partners als een ernstige omissie. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal gesprekken naar het oordeel van de rechtbank terecht scherpe kritiek geuit op de wijze waarop met name de ervaringsdeskundige in gesprek is geweest met de vermeende slachtoffers. De verdediging heeft daarbij onder meer gesteld dat er is gestuurd, gemanipuleerd en geïntimideerd waarbij zowel de ervaringsdeskundige als de dominee als verlengstuk van het opsporingsapparaat zou zijn opgetreden. De rechtbank onderschrijft die kwalificaties niet, omdat daarvan de suggestie uitgaat dat ervaringsdeskundige en dominee doelbewust bezig zouden zijn geweest om een justitie welgevallige en voor de verdachte belastende verklaring te verkrijgen van het betreffende vermeende slachtoffer. Die suggestie mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

Een omissie die niet zozeer aan het verhoorprotocol zelf kleeft, als wel aan de uitvoering daarvan, is het gebrek aan alertheid bij en controle door het openbaar ministerie ten aanzien van zowel de werkwijze van de ervaringsdeskundige als van de dominee. Op grond van het onderzoek is immers komen vast te staan dat de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers heeft verzonden aan politieambtenaren. Zijdens het openbaar ministerie is erkend dat zulks in strijd is met het verhoorprotocol en derhalve niet had mogen gebeuren, maar van die verslagen zou door de politie geen gebruik zijn gemaakt, aldus het openbaar ministerie. Die geruststelling overtuigt de rechtbank niet, immers achteraf kan niet worden meer worden getoetst of en op welke wijze informatie uit bedoelde gespreksverslagen invloed heeft gehad op de inhoud van de in deze zaak afgelegde verklaringen.

Ook ten aanzien van de gesprekken en werkwijze van de ervaringsdeskundige heeft het naar het oordeel van de rechtbank aan de vereiste controle door het openbaar ministerie ontbroken.

In het kader van het doen van een eventuele aangifte dient aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de consequenties daarvan te worden uitgelegd. Die verplichting berust evenwel bij de betreffende opsporingsambtenaar.

De rechtbank stelt echter vast dat de ervaringsdeskundige meer dan eens, en tijdens een en hetzelfde gesprek met een vermeend slachtoffer soms ook bij herhaling, de B9-procedure heeft genoemd en in dat verband niet alleen heeft beklemtoond welke voordelen die procedure kan opleveren, maar ook welke nadelige gevolgen (uitzetting) het kan hebben als je uit de procedure wordt gezet.

Een deugdelijke, inhoudelijke en tijdige evaluatie -aanstonds na een gesprek met een vermeend slachtoffer- had aanleiding kunnen zijn voor de betreffende opsporings-ambtena(a)r(en) om aan de ervaringsdeskundige nog eens duidelijk te maken wat wel en wat niet tot haar taak behoorde.

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop sommige gesprekken door de ervaringsdeskundige zijn gevoerd. In een aantal gevallen lijkt er geen sprake te zijn van een gesprek c.q. dialoog met een vermeend slachtoffer maar eerder van een monoloog van de ervaringsdeskundige waarin zij zeer uitvoerig (soms meer dan 4 pagina's lang) en gedetailleerd vertelt over wat zij heeft meegemaakt.

Het bepaald niet denkbeeldige risico daarvan is dat een getuige/aangeefster in de door haar uiteindelijk ten overstaan van een opsporingsambtenaar af te leggen verklaring/aangifte bewust dan wel onbewust delen van of details uit de "monoloog" van de ervaringsdeskundige overneemt. Met andere woorden: het gevaar van beïnvloeding ligt hier op de loer, waarmee de uiteindelijke aangifte aan betrouwbaarheid en dus bewijskracht kan inboeten.

Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat - naar de ervaring heeft geleerd en statistieken hebben uitgewezen - nogal eens ten onrechte een beroep op de B9-regeling wordt gedaan door vreemdelingen en extra waakzaamheid te dien aanzien in elk geval geboden is,

had naar het oordeel van de rechtbank van het openbaar ministerie in deze zaak mogen worden verwacht dat zij juist bij de inzet van genoemde externe partners volledig de regie had gehouden. Er hadden diverse controlemomenten moeten worden ingebouwd teneinde beïnvloeding van de vermeende slachtoffers te voorkomen.

Met betrekking tot de "daadwerkelijke verhoren" van de vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren is in de toelichting op het verhoorprotocol onder 5. "Monitoren proces/opslag gegevens", vermeld dat daarvan opnamen worden gemaakt en dat die opnamen audiovisueel zullen zijn. De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende aangiftes uitsluitend auditief zijn opgenomen, althans van audiovisuele vastlegging is de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het "daadwerkelijk verhoor" is verder in genoemde toelichting onder 4. onder meer vermeld dat een zogenaamd "studioverhoor" zal plaatsvinden.

Kennelijk heeft men hierbij het oog gehad op het zogenaamde studioverhoor dat standaard - op grond van daarvoor geldende richtlijnen - plaatsvindt in zedenzaken bij het horen van zeer jonge, minderjarige, slachtoffers. De rechtbank constateert dat van studioverhoren geen sprake is geweest ofschoon daar vanwege de aard van de zaak alle reden toe was.

Het bevreemdt de rechtbank evenzeer, en zij beschouwt het als een groot gemis in een zo grote en belangwekkend geachte strafzaak als de onderhavige, dat van vorenbedoelde verhoren geen audiovisuele opnamen zijn gemaakt. Daarmee ontbreekt immers de mogelijkheid om de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen te toetsen.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de volgende conclusie.

Het verhoorprotocol kan op zichzelf worden beschouwd als een legitieme en goed bedoelde poging van het openbaar ministerie om de hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel te verbeteren en daarmee de verklaringsbereidheid bij diezelfde slachtoffers alsmede de waarheidsvinding in deze gecompliceerde zaken te bevorderen.

De rechtbank is overtuigd van de integriteit van het openbaar ministerie bij het opstellen en uitvoeren van meergenoemd protocol en de keuze en inzet van externe partners daarbij.

Van de inzet van een innovatieve, nieuwe opsporingsmethode welke ter goedkeuring aan het College van Procureurs-Generaal had behoren te worden voorgelegd - zoals de verdediging heeft betoogd - is, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De ervaringsdeskundige en de dominee zijn niet ingezet in het kader van het opsporingsonderzoek maar slechts met het oog op het verbeteren van de begeleiding van potentiële slachtoffers van mensenhandel waarbij het kennelijke doel was belemmeringen ten aanzien van het kunnen verklaren over wat er werkelijk was gebeurd, weg te nemen.

Daarbij heeft het openbaar ministerie evenwel uit het oog verloren dat een strakke regie bij uitstek geboden is indien "gebruik" wordt gemaakt van burgerdeskundigen in de fase waarin reeds bewijs wordt vergaard tegen mogelijke verdachten.

Hoezeer die strakke regie vereist is, blijkt alleen al uit het feit dat het openbaar ministerie heeft erkend dat de ervaringsdeskundige, voorafgaande aan het gesprek met [slachtoffer 1], ten onrechte kennis heeft genomen van (relevante) tapgesprekken, waarvan zij de inhoud vervolgens heeft voorgehouden aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Aan het openbaar ministerie kan worden verweten dat zij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het verhoorprotocol en vooral dat zij in ernstige mate te kort is geschoten bij de controle op de uitvoering daarvan.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, kan een en ander verstrekkende gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan.(...)

De rechtbank verwerpt het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overweegt daartoe het volgende.

Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als sanctie is volgens het arrest inz. Zwolsman slechts plaats, indien sprake is van "ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor 'doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan".

Met andere woorden, er dient sprake te zijn van een grove mate van verwijtbaarheid aan het openbaar ministerie.

Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld, dat de belangen van de verdachte in deze zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ingevolge het arrest inz. Karman kan in hoge uitzondering, ook indien geen verwijtbaarheid bestaat en verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt Dat hiervan alleen in hoge uitzondering sprake is en deze (extra) grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie terughoudend dient te worden toegepast volgt uit opvolgende rechtspraak, onder meer in HR 2002, 8 en HR 14 januari 2003, 2003, 288.

De uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak [naam] vs het Verenigd Koninkrijk (12 mei 2000) geeft aan dat aan de eis van eerlijkheid van de strafprocedure is voldaan wanneer de strafprocedure 'as a whole' (in zijn geheel) eerlijk is. Het is derhalve niet meer van belang of een verdachte in een belang is geschaad, maar of met de overtreden norm de eerlijkheid van het proces van verdachte is aangetast, waarmee de Schutznorm wordt gerelativeerd.

De rechtbank is van oordeel dat, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, wel kan worden gesproken van ernstige tekortkomingen van het openbaar ministerie bij met name de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat die tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is, dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, dan wel van de situatie dat in casu een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde is geschonden dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt.

De door de verdediging geuite kritiek ten spijt, kan het hof zich verenigen met de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank. De door de rechtbank gemaakte opmerking dat zij het als een groot gemis beschouwt dat van de verhoren van de vermeende slachtoffers geen audiovisuele opnamen verdient een kanttekening. De opmerking berust op een omissie: de politieverhoren zijn wel audiovisueel geregistreerd.

De ook door de rechtbank benadrukte bijzondere aard van de ten laste gelegde gronddelicten met betrekking tot bewijsvergaring en waarheidsvinding rechtvaardigen een onderzoek naar methoden die in commune strafzaken minder gebruikelijk zijn en daardoor kunnen afwijken van de geijkte paden, zoals in casu is gedaan door de ontwikkeling van een specifiek verhoorprotocol waarin een rol is weggelegd voor de inzet van burgers zoals ervaringsdeskundigen. De veronderstelling van de zijde van het openbaar ministerie dat de vermeende slachtoffers van mensenhandel -mede vanwege de hiermee verband houdende culturele bepaaldheid van dit fenomeen- door op voodoo geïnspireerde bedreigingen belemmerd zouden kunnen worden in het naar waarheid verklaren, komt ook niet zo maar uit de lucht vallen. "Voodoo-praktijken' om de verklaringsvrijheid van slachtoffers van mensenhandel te beperken blijken niet alleen uit (de via gespreksverslagen kenbare) ervaringen van de ervaringsdeskundige maar ook uit de verklaring van de niet aan het verhoorprotocol onderworpen [slachtoffer 2]. Met de rechtbank ziet het hof in de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol geen belemmering om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De daartoe strekkende verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Algemeen

Omwille van de leesbaarheid zal in dit arrest medeverdachte [medeverdachte 3] ook wel worden aangeduid als [medeverdachte 3] en de medeverdachten [medeverdachte 19] en [medeverdachte 4] als [medeverdachte 19] respectievelijk [medeverdachte 4].

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

Feit 1:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007

te Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of

elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië

en/of Engeland en/of Duitsland en/of Nigeria,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.

[benadeelde 3], geboren op [1983], en/of [slachtoffer 2], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989],

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door

dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of

fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of

opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 3] en/of

die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3];

(art. 273a lid 1 onder 1e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 1e , Wetboek van

Strafrecht)

en/of

b.

[slachtoffer 2], geboren op [1989] en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], heeft geworven, vervoerd,

overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die

[slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3]

terwijl genoemde personen of een van hen de leeftijd van 18 jaren nog niet

had(den) bereikt;

(art. 273a lid 1 onder 2e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 2e Wetboek van

Strafrecht)

en/of

c.

[benadeelde 3], geboren op [1983], en/of [slachtoffer 2], geboren op [1989] en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989] heeft mede genomen en/of heeft aangeworven met het oogmerk die [benadeelde 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

(art. 273a lid 1 onder 3e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 3e Wetboek van Strafrecht)

en/of

d.

[slachtoffer 2], geboren op [1989] en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], meermalen, althans eenmaal, (telkens)

heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel enige

handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zou(den)

stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen met of voor een derde

tegen betaling terwijl die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] de leeftijd van 18 jaren nog niet had(den) bereikt;

(art. 273a lid 1 onder 5e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 5e Wetboek van

Strafrecht)

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar op

verschillende tijdstippen, al dan niet met voormeld oogmerk en/of al dan niet

opzettelijk

voor wat betreft genoemde [benadeelde 3], (zaakdossier 12):

-die [benadeelde 3] in Nigeria voorgesteld naar Europa te reizen om

daar als verkoopster te gaan werken en/of om schoonmaakwerkzaamheden te

verrichten (code JO 1) en/of

-die [benadeelde 3] verteld dat [naam] (de zus van haar vriend [naam])

die zich al in Europa bevond) haar wel kon helpen om naar Europa te reizen

(code JO 2) en/of

-die [benadeelde 3] aan een of meer voodoo-rituelen onderworpen (code

JO 3) en/of

-die [benadeelde 3] in Nigeria in een woning ondergebracht en/of haar

daar in haar vrijheid beperkt (code JO 4) en/of

-die [benadeelde 3] verteld dat zij dood zou gaan of gek zou worden

wanneer zij iets aan de politie zou vertellen (code JO 5) en/of

-die [benadeelde 3] verteld hoe ze moest handelen met het te gebruiken

paspoort en/of hoe zij zich moest gedragen op het vliegveld en/of wat zij

moest zeggen wanneer zij door de politie werd aangehouden (code JO 6) en/of

-die [benadeelde 3] een of meer telefoonnummers verstrekt die zij uit

het hoofd moest leren en die zij moest bellen of berichten nadat zij was

aangekomen in Nederland, althans Europa, (code JO 7) en/of

-voor die [benadeelde 3] een (vals) paspoort of identiteitsdocument

(op naam van [naam]) geregeld teneinde vanuit Nigeria naar Nederland te

kunnen reizen en/of haar een vliegticket verstrekt en/of haar aan boord van

een vliegtuig naar Nederland gebracht (code JO 8) en/of

-voor die [benadeelde 3] de kosten voor de reis per vliegtuig naar

Nederland of enige andere bestemming binnen Europa betaald waardoor er een

verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

ontstond (code JO 9) en/of

-er voor gezorgd, dat die [benadeelde 3] met onbekende bestemming

vertrok uit het opvangcentrum voor asielzoekers in Nederland, waarin zij was

geplaatst, dan wel daarbij een bemiddelende rol gespeeld (code JO 10) en/of

-voor die [benadeelde 3] de reis naar Italië en/of huisvesting dan wel

opvang in Frankrijk en/of Italië geregeld of daarbij bemiddeld en/of haar op

een deel van de reis (van Nederland naar Parijs) vergezeld en/of voor die

[benadeelde 3] (daartoe) een (vals) paspoort of identiteitsdocument of

zogenaamd [naam] (op naam van [naam]) geregeld en/of aan haar

verstrekt of doen verstrekken (code JO11) en/of

-die [benadeelde 3] gedwongen, althans bewogen, zich in Italië te

prostitueren en/of om (een deel van) haar verdiensten uit die prostitutie aan

verdachte en/of verdachtes mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

haar gezegd dat zij 6 dagen per week diende te werken, ook gedurende de

periode dat zij menstrueerde, en/of haar daartoe middelen verschaft

(code JO 12) en/of

-die [benadeelde 3] verteld dat zij een schuld had bij degene die haar

naar Europa had gehaald of gebracht van 45.000,- Euro, althans een groot

geldbedrag (code JO 13) en/of

-die [benadeelde 3] gedreigd met voodoo (code JO 14) en/of

-door die [benadeelde 3] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te

laten komen of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen

en/of vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze geen Nederlands

en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren

en/of geen middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [benadeelde 3] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte en/of verdachtes

mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft [slachtoffer 2], (zaaksdossier 3)

-die [slachtoffer 2] in Nigeria voorgesteld naar Italië te gaan om daar voor

iemand werk te gaan verrichten (code AG 1) en/of

-die [slachtoffer 2] (aanvankelijk) in het ongewisse gelaten omtrent de aard

van de te verrichten werkzaamheden en/of haar meegedeeld dat zij dat wel zou horen wanneer ze in

Italië was aangekomen (code AG 2) en/of

-die [slachtoffer 2] verteld dat zij € 60.000,-, althans een aanzienlijk

geldbedrag moest terugbetalen (aan de persoon in Italië) als zijnde de kosten voor het laten reizen naar

Italië (code AG 3) en/of

-die [slachtoffer 2] in Nigeria onderworpen aan een (voodoo-)ritueel waarbij

lichaamseigen stoffen en/of kleding werden afgenomen en/of een eed of belofte diende te worden

afgelegd teneinde haar te houden aan de verplichting tot terugbetaling van genoemd geldbedrag (code

AG 4) en/of

-die [slachtoffer 2] verteld of doen vertellen dat haar slechte dingen zouden

overkomen en/of dat zij getroffen zou worden door hartkwalen wanneer zij niet het geld terug betaalde

(code AG 5) en/of

-die [slachtoffer 2] (in Nigeria) in huis genomen in afwachting van haar

vertrek naar Italië, dan wel Europa, (code AG 6) en/of

-die [slachtoffer 2] een (vals) reisdocument en/of een vliegticket verschaft

en/of haar verteld wat zij moest zeggen wanneer ze eenmaal in Nederland, althans Europa, was

aangekomen en/of haar een telefoonnummer gegeven wat zij moest bellen wanneer zij was

aangekomen en/of er voor gezorgd dat zij aan boord van een vliegtuig naar Nederland kwam

(code AG 7) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 2] met onbekende bestemming vertrok

uit de opvang, waarin zijn in Nederland was geplaatst en/of daarbij contact opgenomen en/of

onderhouden met een of meer van verdachtes mededaders (code AG 8) en/of

-die [slachtoffer 2] vervoerd en/of begeleid of doen begeleiden door

Nederland en/of haar gehuisvest of onderdak verschaft en/of haar verzorgd en/of haar van een of meer

(reis)documenten voorzien (code AG 9) en/of

-die [slachtoffer 2] naar België gebracht en/of ervoor gezorgd dat zij vandaar

via Parijs naar Milaan, althans Italië, is gebracht, althans gereisd en aldaar is opgevangen (code AG

10) en/of

-die [slachtoffer 2] gedwongen, althans bewogen, zich in Italië te

prostitueren en/of om (een deel van) haar verdiensten uit die prostitutie aan verdachte en/of verdachtes

mededaders(s) af te staan en/of af te dragen en/of haar met betrekking tot de prostitutie geïnformeerd

omtrent werkplek, werkkleding en/of te vragen bedragen (code AG 11) en/of

-die [slachtoffer 2] gedreigd met (de gevolgen van) voodoo en/of herinnerd

aan de afgelegde eed of belofte en/of verbaal geweld tegen haar gebruikt en/of haar gedreigd met

represaillemaatregelen tegen haar familie in Nigeria (code AG 12) en/of

-door die [slachtoffer 2] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten

komen of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te

brengen in Italië, terwijl deze geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële

identiteitspapieren en/of geen middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 2] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte en/of verdachtes

mededader(s)] gebracht en/of gehouden;"

voor wat betreft [slachtoffer 3], (zaaksdossier 4):

-die [slachtoffer 3] in Nigeria geronseld en/of onderdak verschaft in afwach-

ting van haar vertrek naar Europa (code OV 1) en/of

-die [slachtoffer 3] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken en/of haar

(in dat kader) gezegd dat zij een (groot) geldbedrag diende af te dragen

(code OV 2) en/of

-die [slachtoffer 3] voorzien van een (vals) paspoort op naam van [naam]

en/of voor haar de reis naar Europa (Nederland) geregeld en/of haar een

aanbevelingsbrief meegegeven (code OV 3) en/of

-voor die [slachtoffer 3] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland

of enige andere bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting

tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) ontstond (code

OV 4) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 3], nadat zij in Nederland in een

opvangcentrum voor asielzoekers (te Leek) was geplaatst, met onbekende

bestemming vertrok uit bedoeld opvangcentrum, dan wel daarbij een

bemiddelende rol gespeeld en/of haar daarna onderdak verschaft (code OV 5)

en/of

-die [slachtoffer 3] (via België) naar Frankrijk gebracht of doen brengen of

laten reizen en/of haar aldaar (tijdelijk) opgenomen en/of gehuisvest

en/of haar (vervolgens) naar Italië gebracht of doen brengen of laten reizen

(code OV 6) en/of

-die [slachtoffer 3] in Italië onderdak verschaft en/of haar daar tot prosti-

tutie gebracht (code OV 7) en/of

-door die [slachtoffer 3] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten

komen of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of

vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze geen Nederlands en/of

Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of

geen middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 3] in een

zeer afhankelijke positie [van verdachte en/of verdachtes mededader(s)]

gebracht en/of gehouden;

feit 2 primair:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007

te Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of

Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of

Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of

elders in Europa en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

een of meer anderen, te weten

-[slachtoffer 13] en /of [slachtoffer 14] (-beiden- zaaksdossier 3) en/of

-[slachtoffer 15] (ook [slachtoffer 15] genoemd) en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 17] (-allen- zaaksdossier 4) en/of

-[slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21] (-beiden- zaaksdossier 6) en/of

-een persoon, genaamd [slachtoffer 22] (zich ook noemend [slachtoffer 22]) (zaakdossier 7)

en/of

-[slachtoffer 49] en/of [slachtoffer 31] (alias [alias]) en/of I[slachtoffer 32] en/of [slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 14][slachtoffer 34] (-allen-

zaaksdossier 12) en/of

-[slachtoffer 39] (zaaksdossier 15) en/of

-[slachtoffer 41] en/of [slachtoffer 42] en/of [slachtoffer 43] (-allen

zaaksdossier 18)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door

dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of

fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die hierboven onder 2. genoemde personen of een of

meer van hen door die personen of een of meer van hen tot prostitutie te

brengen,

immers heeft verdachte toen aldaar met verdachtes mededaders of een of meer

van hen, althans alleen, met voormeld oogmerk bedoelde personen of een of meer

van hen -hun/haar/zijn kwetsbare positie in Nigeria kennende-

-in Nigeria geworven en/of hen/haar/hem beloofd dat verdachte en/of verdachtes

mededader(s) hen/haar/hem naar een veilige plaats zou(den) brengen en/of

-hen/haar/hem niet verteld welk soort werkzaamheden zij/hij zou(den) moeten

gaan verrichten en/of

-in Nigeria onderworpen of doen of laten onderwerpen aan voodoopraktijken

en/of hen/haar/hem (in dat kader) gezegd dat zij een (groot) geldbedrag

diende(n) af te dragen en/of

-voor hen/haar/hem de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of

enige andere bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting

tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) ontstond en/of

-hen/haar/hem per Nederlands vliegtuig vervoerd en/of doen vervoeren naar

Nederland en/of enige andere bestemming binnen Europa en/of

-hen/haar/hem in Nederland uit de opvang voor asielzoekers, waarin zij/hij

waren/was geplaatst, vervoerd of doen of laten vervoeren of overbrengen naar

door verdachte en/of verdachte mededader(s) opgegeven plaatsen

in Nederland en/of ondergebracht in een of meer woningen, zulks terwijl

bedoelde perso(o)n(en) geen Nederlands spraken of begrepen en/of geen

middelen van bestaan had/(den) en/of geen officiële identiteitspapieren

bezat(en) en/of

-hen/haar/hem (vervolgens) naar een of meer andere landen binnen Europa

vervoerd of doen of laten vervoeren of overbrengen en/of hen/haar/hem

(tijdelijk) daartoe in Frankrijk opgenomen en/of gehuisvest;

(art. 273a lid 1 onder 1e, vernummerd tot 273f lid 1 onder 1e, Wetboek van

Strafrecht)

Feit 2 subsidiair:

Dat zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007

te Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of

Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of

Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of

elders in Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer anderen, te weten

-[slachtoffer 13] en /of [slachtoffer 14] (-beiden- zaaksdossier 3) en/of

-[slachtoffer 15] (ook [slachtoffer 15] genoemd) en/of [slachtoffer 16] en/of

[slachtoffer 17] (-allen- zaaksdossier 4) en/of

-[slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21] (-beiden- zaaksdossier 6) en/of

-een persoon, genaamd [slachtoffer 22] (zich ook noemend [slachtoffer 22]) (zaakdossier 7) en/of

-[slachtoffer 49] en/of [slachtoffer 31] (alias [alias]) en/of [slachtoffer 32] en/of [slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 14][slachtoffer 34] (-allen- zaaks-

dossier 12) en/of

-[slachtoffer 39] (zaaksdossier 15) en/of

-[slachtoffer 41] en/of [slachtoffer 42] en/of [slachtoffer 43] (-allen zaaks-

dossier 18)

a. behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland,

Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtin-

gen heeft verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te

vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

(art. 197a lid 1 WvSr)

en/of

b. uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf

in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland,

Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op

15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, en/of die persoon/personen daartoe gelegenheid

en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft terwijl verdachte en/of

verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden dat dit verblijf wederrechtelijk was,

(art. 197a lid 2 WvSr)

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar al dan

niet in vereniging en/of al dan niet uit winstbejag genoemde personen of een

of meer van hen vanuit Nigeria naar Nederland vervoerd of doen of laten

vervoeren en/of (door het verstrekken van vliegtickets) gelegenheid gegeven

naar Nederland te reizen en/of die persoon/personen voorzien of doen of laten

voorzien van informatie en/of middelen en/of van (een) vals(e) of vervalst(e)

paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of (vervolgens) (in Nederland, nadat

die persoon/personen zonder toestemming of medeweten van de bevoegde

instanties uit de opvang voor asielzoekers waren vertrokken) die

persoon/personen vervoerd of doen of laten vervoeren en/of die

persoon/personen onderdak verschaft dan wel daarbij bemiddeld en/of die

persoon/personen voorzien (een) vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of

identiteitspapieren en/of die persoon/personen doen of laten reizen vanuit

Nederland naar België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of

Noorwegen en/of Duitsland en/of enig ander land binnen de Europese Unie en/of

die personen/persoon (tijdelijk) daartoe in Frankrijk opgenomen en/of

gehuisvest, en dusdoende daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt;

feit 3:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007

te Deventer en/of Middelburg en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of elders in

Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Frankrijk en/of Italië en/of

Spanje en/of Engeland en/of Duitsland en/of Nigeria, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, ook [medeverdachte 19] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10]

en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14]

en/of [medeverdachte 15] ( "[medeverdachte 15]") en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 17]

en/of [medeverdachte 18] ( "[medeverdachte 18]" ) deel uitmaakte(n) en welke organisatie tot

oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:

- het (telkens) plegen van mensenhandel (art.273a/273fWvSr);

- het (telkens) plegen van mensensmokkel (art. 197a WvSr);

- het (telkens) plegen van het vervalsen van reisdocumenten (art.231 WvSr);

- het (telkens) plegen van valsheid in geschrifte (art. 225 WvSr);

- het (telkens) plegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig

gezag/bevoegd opzicht (art. 279 WvSr);

(art. 140 WvSr)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Uitleg van de tenlastelegging

Het hof legt de tenlastelegging van feit 2 aldus uit dat indien ten aanzien van geen enkel persoon genoemd onder 2 primair sprake is van mensenhandel, pas aan de beoordeling van het subsidiaire mensensmokkel kan worden toegekomen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verweer met betrekking tot bewijsuitsluiting in verband met het verhoorprotocol

Voor zover de door de verdediging uitgeoefende kritiek op het verhoorprotocol niet leidt tot de beoogde niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, bepleit de verdediging bewijsuitsluiting ten aanzien van alle aangiftes die verkregen zijn met toepassing van het verhoorprotocol.

Het hof ziet in de gang van zaken met betrekking tot de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol ook geen aanleiding om verklaringen die zijn afgelegd door vermeende slachtoffers integraal uit te sluiten van het bewijs als sanctie in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In die zin worden de daartoe strekkende verweren dan ook door het hof verworpen.

Resteert de vraag of uit een oogpunt van betrouwbaarheid de afgelegde verklaringen wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof is zich bewust dat het inschakelen van derden voorafgaande aan de verhoren het risico meebrengt dat vermeende slachtoffers niet overeenkomstig de waarheid verklaren bij de politie omdat zij door die derden - bewust dan wel onbewust - beïnvloed worden. Zo is niet denkbeeldig dat door kennisneming van de ervaringen van anderen bij de vermeende slachtoffers de indruk wordt gewekt dat zij dienovereenkomstig moeten verklaren. Om die reden is het noodzakelijk in dergelijke gevallen een protocol op te stellen, de in te schakelen derden duidelijk te instruëren en controle achteraf zoveel mogelijk te waarborgen.

Daarbij komt dat uit onderzoek is vastgesteld dat -in strijd met het verhoorprotocol- door de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers zijn verzonden aan politieambtenaren. Het openbaar ministerie heeft erkend dat deze handelwijze in strijd is geweest met het verhoorprotocol en niet had mogen voorkomen. Tevens benadrukt het openbaar ministerie, ook in hoger beroep bij monde van de advocaat-generaal, dat van die verslagen op geen enkele wijze gebruik is gemaakt. Deze 'geruststelling' kon de rechtbank -zo blijkt uit de hierboven aangehaalde onderdelen van het vonnis- echter niet overtuigen. Het hof acht het, alles afwegend, evenwel geenszins waarschijnlijk of aannemelijk dat het verzenden van die gespreksverslagen door de dominee naar de politie de vrijheid van de vrouwen/aangeefsters om naar waarheid te verklaren heeft beïnvloed. Ten overvloede wordt opgemerkt dat verdachte in dit verband geen rechten kan ontlenen aan het feit dat de dominee uit hoofde van zijn ambt tot geheimhouding verplicht is en als getuige verschoningsgerechtigde was. Wel is van belang op te merken dat de status van verschoningsgerechtigde van invloed kan zijn op de mogelijkheid van de verdediging - en ook de rechter - om de gang van zaken rond het verhoorprotocol te toetsen, in zoverre van invloed kan zijn bij het vaststellen van de bewijswaarde van de nadien verkregen aangiftes/verklaringen van de vermeende slachtoffers.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van het doen van aangifte van mensenhandel aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de gevolgen daarvan dienen te worden uitgelegd door een opsporingsambtenaar. Ook de advocaaat-generaal heeft daar in hoger beroep nog eens uitdrukkelijk op gewezen. Dat die verplichting bestaat, betekent echter niet dat het bieden van die mogelijkheid niet van invloed kan zijn op de inhoud van de verklaringen die door het vermeende slachtoffer wordt afgelegd. Dit klemt te meer nu is gebleken dat in het onderhavige onderzoek de ervaringsdeskundige in de gesprekken met slachtoffers uitvoerig heeft stilgestaan bij de B9-procedure, met name bij de gevolgen indien de vermeende slachtoffers niet voor die procedure in aanmerking zouden komen.

Zoals hierboven is overwogen kunnen de geconstateerde tekortkomingen gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan. Dit onderzoek is door het hof gedurende de beraadslaging nauwgezet verricht. Het resultaat van dit onderzoek is dat het hof de afgelegde verklaringen niet op alle punten betrouwbaar acht. Met name waar in de verklaringen wordt gerept over het toepassen van voodoorituelen kan niet worden vastgesteld of deze verklaringen overeenkomstig de waarheid zijn, dan wel slechts zijn afgelegd omdat in de voorgesprekken met derden voodoo uitdrukkelijk en bij herhaling aan de orde is gebracht. Daarnaast blijkt de toepassing van voodoo ook onvoldoende uit andere bewijsmiddelen. Dit leidt ertoe dat het hof tot deelvrijspraken komt van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op voodoopraktijken. Voor het overige zal het hof slechts die delen van de verklaringen van aangeefsters gebruiken waarvan het de overtuiging heeft bekomen dat die betrouwbaar zijn, hetzij omdat onwaarschijnlijk is dat die verklaringen slechts zijn afgelegd ten gevolge van beïnvloeding door derden, hetzij omdat die verklaringen passen bij en/of voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging met betrekking tot de zogenoemde 8ste verklaring van verdachte

De verdediging heeft -kort samengevat en zakelijk weergegeven- betoogd dat de achtste verklaring van verdachte (hierna verder ook te noemen: [verdachte]), gedateerd 11 februari 2008, moet worden uitgesloten van het bewijs nu deze verklaring onder druk van beloften en dreigementen tot stand is gekomen. Verder kan de gang van zaken tijdens en voorafgaande aan het verhoor niet goed worden gecontroleerd, omdat in het proces-verbaal van getuigenverhoor sprake is van ernstige onherstelbare gebreken in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering alsmede uit het systeem van de wet volgt dat aan de toepassing van dit artikel beperkingen zijn gesteld.

Art. 359a van het Wetboek van Strafvordering heeft uitsluitend betrekking op onherstelbare vormverzuimen. Ingeval het vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld, is deze bepaling niet van toepassing. Blijkens de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting moet de rechter zoveel mogelijk naar zulk herstel van het verzuim streven.

Indien binnen bovenstaande grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren, "het belang dat het geschonden voorschrift dient", "de ernst van het verzuim" en "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt" moeten worden gerechtvaardigd.

Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Art. 359a van het Wetboek van Strafvordering is niet van belang voor vormverzuimen waardoor de betrouwbaarheid van het aldus verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed. Dan zal het onderzoeksmateriaal immers reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing worden gelaten.

Moet er met betrekking tot de verklaring in kwestie gesproken worden van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering ?

[verdachte] is acht keer door de politie gehoord. In haar eerste, tweede, zesde en gedeeltelijk in haar zevende verhoor heeft [verdachte] antwoord gegeven op aan haar gestelde vragen. In de derde tot en met vijfde verhoren heeft [verdachte] zich beroepen op haar zwijgrecht.

In haar tweede verhoor op 27 januari 2008 heeft [verdachte] aan de hand van foto's enkele verdachten herkend en zij heeft verklaard zij dat zij in totaal viermaal een ticket voor anderen heeft gekocht, tweemaal in opdracht van [medeverdachte 19] en tweemaal in opdracht van vrienden van [medeverdachte 19]. In het zevende verhoor heeft [verdachte] verklaard over haar eigen rol, namelijk dat zij wel eens tickets kocht in opdracht van [medeverdachte 19]. Als [medeverdachte 19] dat vroeg dacht zij er niet over na en zij kocht de tickets. Zij kreeg daar geen geld voor.

In haar achtste verhoor op 11 februari 2008 heeft [verdachte] een uitgebreide en gedetailleerde verklaring per zaaksdossier afgelegd. Dit gebeurde blijkens het proces-verbaal veelal aan de hand van foto's van slachtoffers en tapgesprekken. Ook heeft [verdachte] verklaard dat zij van [medeverdachte 19] had gehoord dat alle meisjes bestemd waren voor de prostitutie en dat zij hierover ook met enkele meisjes had gesproken. Het door de opsporingsambtenaren op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal is ondertekend door [verdachte].

[verdachte] heeft bij de rechter-commissaris op 1 september 2008 als getuige verklaard dat haar achtste verklaring onder druk tot stand is gekomen. [verdachte] heeft verklaard dat zij aannam dat de verklaring die zij op 11 februari 2008 heeft afgelegd de verklaring was die de politie wilde horen. Over de zaak inhoudelijk wilde [verdachte] bij de rechter-commissaris geen vragen beantwoorden.

Op 3 april 2009 is [verdachte] in het kader van een videoconferentie opnieuw door de rechter-commissaris gehoord. Bij die gelegenheid heeft [verdachte] verklaard dat zij in het verhoor half de waarheid heeft verklaard en half heeft gelogen. [verdachte] heeft verklaard dat zij niet wist dat de meisjes in de prostitutie gingen werken. [verdachte] heeft verklaard dat de politieagenten haar onder druk hebben gezet en dat zij heeft verklaard wat zij wilden horen.

In de fase van het hoger beroep is [verdachte] als getuige op 16 maart 2011 opnieuw in het kader van een videoconferentie gehoord door een gedelegeerd raadsheer-commissaris. Tijdens dit verhoor heeft [verdachte] zich integraal beroepen op haar verschoningsrecht.

Het hof merkt op dat [verdachte] bij de rechter-commissaris verklaart dat zij in het achtste verhoor ten gevolge van de druk een gedeeltelijk onware verklaring heeft afgegeven, maar niet dat het proces-verbaal een onvolledige of onjuiste weergave zou vormen van hetgeen zij vervolgens verklaard heeft.

De twee bij het achtste verhoor van [verdachte] betrokken verbalisanten zijn door de rechter-commissaris en ter terechtzitting gehoord over de inhoud en duur van het inleidend gesprek, de wijze van stellen van vragen, de gemoedstoestand van [verdachte] voorafgaande en tijdens het verhoor, het overleg met de raadsman en de onderbrekingen van het verhoor. De twee verbalisanten hebben daar uitgebreid over verklaard. Verbalisanten hebben ontkend dat er aan [verdachte] beloften zijn gedaan of dat zij op oneigenlijke wijze onder druk is gezet.

De verdediging heeft aangevoerd dat door de gebrekkige wijze van vastlegging van het proces-verbaal van verhoor niet meer kan worden gecontroleerd op welke wijze het verhoor heeft plaatsgevonden. De betrouwbaarheid van de verklaring kan daardoor niet meer worden vastgesteld op grond waarvan de achtste verklaring van [verdachte] moet worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt terzake als volgt en maakt daarbij onderscheid tussen de weergave in het proces-verbaal van het inleidend gesprek voorafgaande aan het eigenlijke verhoor en de weergave van het zaaksinhoudelijke deel van het verhoor.

Voor zover de verweren betrekking hebben op de volledigheid of juistheid van het zaaksinhoudelijke deel van het proces-verbaal, verwerpt het hof die verweren nu noch [verdachte], noch de verbalisanten bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat het proces-verbaal een onvolledige of onjuiste weergave zou zijn van de verklaring die [verdachte] heeft afgelegd. De verweren missen op dat punt een feitelijke grondslag.

[verdachte] heeft bij de rechter-commissaris over het inleidende gesprek verklaard dat zij een gedeeltelijk onware verklaring heeft afgelegd, omdat haar tijdens het aan verhoor voorafgaande inleidende gesprek beloften zijn gedaan en is verteld dat als zij niet mee zou werken zij negen jaar gevangenisstraf zou krijgen.

De weergave van het inleidende gesprek in het proces-verbaal is op dit punt slechts onvolledig indien en voor zover [verdachte] inderdaad beloften zijn gedaan of zij inderdaad op ongeoorloofde wijze onder druk is gezet. Het hof zal dan ook thans aandacht besteden aan de vraag of aannemelijk is geworden dat [verdachte] onder ongeoorloofde druk of beloften heeft verklaard.

Op het moment dat het gewraakte verhoor plaatsvond zat [verdachte] al enkele weken vast. Zij kon haar verzorgende taak als moeder van de twee jonge kinderen daardoor niet vervullen. ongetwijfeld heeft die situatie grote druk op haar gelegd, maar dat was een vorm van druk die in de regel eigen is aan verhoren in een detentiesituatie. Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door alleen al ten gevolge van het feit dat [verdachte] zich in detentie bevond -ook niet in haar specifieke situatie als moeder van twee zeer jonge kinderen die in Frankrijk waren achtergebleven - haar verklaring niet meer in vrijheid is afgelegd.

Ten aanzien van de eventueel op [verdachte] uitgeoefende druk staat voorop dat het een politieambtenaar niet is toegestaan om aan een verdachte mededelingen te doen die de strekking hebben van de verdachte een verklaring te verkrijgen waarvan niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid is afgelegd.

Zowel verbalisant [verbalisant 2] als verbalisant [verbalisant 1] hebben bij de rechter-commissaris ontkend dat in het inleidende gesprek voorafgaande aan het verhoor beloften zijn gedaan en dreigementen zijn geuit.

Dat aan [verdachte] door de verbalisanten beloften zijn gedaan of dat zij anderszins op onaanvaardbare wijze in het aan het achtste verhoor voorafgaande inleidende gesprek onder druk zou zijn gezet acht het hof niet aannemelijk geworden. De enkele verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris daaromtrent acht het hof onvoldoende.

Overige omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat [verdachte] beloften zijn gedaan dan wel oneigenlijk door verbalisanten onder druk is gezet blijken niet uit het dossier

Er is derhalve geen sprake van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strarfvordering, zodat sanctionering in de vorm van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting van de verklaring of strafvermindering niet aan de orde komt.

Met betrekking tot de vraag of de verklaring van verdachte betrouwbaar is, overweegt het hof dat de door [verdachte] afgelegde en ondertekende en op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakte achte verklaring steun vindt in:

- de tweede en zevende verklaring van [verdachte] voor wat betreft het regelen van tickets voor [medeverdachte 19] en de herkenning van [medeverdachte 19];

- tapverslagen en verklaringen van meisjes die via haar naar Spanje of Italië zijn gereisd.

Gelet op de inhoud van deze stukken acht het hof de achtste verklaring van [verdachte] betrouwbaar.

Het hof verwerpt derhalve de verweren en acht de achtste verklaring van verdachte bruikbaar voor het bewijs.

Niet getraceerde getuigen

Voor zover er in de bewijsmiddelen verklaringen zijn opgenomen die niet in het bijzijn van en door verdachte cq de verdediging zijn ondervraagd, berust het bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de strafbare feiten niet in beslissende of overwegende mate op de verklaring van die getuige.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Feit 1 en 2 primair: [slachtoffer 2], [slachtoffer 13], [slachtoffer 14] en [benadeelde 3]

De vraag of sprake is van een leeftijd van 18 jaar of jonger van de meisjes genoemd onder feit 1 heeft het hof niet enkel beoordeeld op de opgegeven leeftijd door de meisjes, nu het hof dit onvoldoende overtuigend acht, maar ook op grond van het leeftijdsonderzoek van de IND. Indien het leeftijdsonderzoek niet overtuigend heeft aangetoond dat de meisjes minderjarig zijn, zal het hof het desbetreffende meisje aanmerken als meerderjarig.

Geen van de meisjes ten laste gelegd onder feit 1 kan worden aangemerkt als jonger dan 18 jaar, derhalve heeft het hof hen aangemerkt als meerderjarig.

[slachtoffer 2], [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] zijn allen op 5 oktober 2006 verdwenen uit een asielzoekerscentrum in Nederland.

Verdachte heeft verklaard dat zij deze drie meisjes enige dagen onderdak heeft verleend in haar woning in Parijs. Ze heeft de meisjes opgehaald in België en naar haar woning in Frankrijk gebracht. Dit deed ze op verzoek van haar in Nederland woonachtige vriend [medeverdachte 19] (het hof begrijpt: [medeverdachte 19]), die haar de meisjes aanleverde. Twee meisjes waren bestemd voor Italië en het derde meisje ging naar Spanje. Het meisje dat naar Spanje ging heeft zij op de trein gezet en de meisjes die naar Italië gingen heeft zij op de bus gezet. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat de meisjes bestemd waren voor de prostitutie. Dat hebben ze haar verteld. Verdachte heeft verklaard dat zij hen heeft gevraagd waarom ze in de prostitutie gingen werken, in verband met op te lopen ziektes. Ze vertelden dat ze uit een arme familie kwamen en dat er nou eenmaal geld moest worden verdiend, aldus verdachte. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij al van [medeverdachte 19] wist dat ze voor de prostitutie bestemd waren. Van alle meisjes die via [medeverdachte 19] bij haar kwamen wist ze dat ze bestemd waren voor de prostitutie. Door in samenwerking met [medeverdachte 19] de reis van de meisjes van Nederland naar hun plaats van bestemming in het buitenland te organiseren heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mensenhandel.

[benadeelde 3] is op 5 april 2007 verdwenen uit een asielzoekerscentrum in Nederland.

Ook zij is in opdracht van [medeverdachte 19] bij verdachte in Parijs geweest gedurende korte tijd, voordat zij met hulp van verdachte doorreisde naar Italië.

Verdachte heeft verklaard dat zij ook van [benadeelde 3] had vernomen dat zij bestemd was voor de prostitutie.

Verdachte wist van de kwetsbare positie waarin de eerste drie meisjes zaten. [benadeelde 3] heeft aan verdachte verteld dat ze wist dat ze in de prostitutie moest gaan werken om geld te verdienen en dat ze veel te lang in Nederland had verbleven. Dat duidt niet op een vrije keus van [benadeelde 3], hetgeen ook blijkt uit haar verklaring bij de rechter-commissaris over de omstandigheden waaronder zij leefde in Nigeria. Doordat verdachte, terwijl ze op de hoogte is van de kwetsbare positie van de eerste drie meisjes en het feit dat [benadeelde 3] in de prostitutie moest gaan werken, toch heeft meegewerkt aan het transport van [benadeelde 3] van Nederland naar haar eindbestemming, heeft zij bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat zij zou worden uitgebuit in de prostitutie. Derhalve heeft verdachte zich jegens [benadeelde 3] ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel.

Namens verdachte is het verweer gevoerd dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, omdat verdachte niet wist dat misbruik van hun kwetsbare positie werd gemaakt. Zij zou de meisjes juist hebben afgeraden om zich in de prostitutie te begeven en hebben gewezen op de mogelijkheid om asiel aan te vragen.

Het hof overweegt dat de meisjes verdachte hebben verteld over hun situatie en aan verdachte hebben meegedeeld dat er in hun ogen niets anders op zat dan in de prostitutie te gaan werken. Hun kwetsbare positie kennende, heeft verdachte handelingen verricht, opdat de betreffende meisjes op hun eindbestemming in de prostitutie terechtkwamen.

Met betrekking tot feit 1 en 2 primair wijst het hof nog op het navolgende:

[slachtoffer 21] en [slachtoffer 20] zijn door verdachte herkend. [medeverdachte 19] had hen meegenomen naar Frankrijk. Van enige handeling van verdachte is echter niet gebleken, zodat zij dient te worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

Met betrekking tot [slachtoffer 39] heeft verdachte verklaard dat zij een ticket naar Milaan voor hem heeft gekocht.

Nu verdachte alleen heeft verklaard dat zij wist dat meisjes die via [medeverdachte 19] bij haar kwamen bestemd waren voor de prostitutie en [slachtoffer 39] een jongen betreft, acht het hof het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) niet bewezen, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Van de andere in de tenlastelegging onder 1 en 2 primair genoemde personen acht het hof niet bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij hun verdwijning en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

Feit 3:

Aan verdachte wordt onder 3 ten laste gelegd het deelnemen aan een criminele organisatie. Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen is er sprake van een bepaald patroon bij het inreizen, de verdwijning en het doorreizen van de meisjes. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat er sprake is van één organisatie die zowel het werven in Nigeria, het transport via Nederland en het uitbuiten in de prostitutie omvat.

In het dossier zijn aanwijzingen dat de meisjes in Nigeria worden geworven door verschillende personen die niet met elkaar in enig organisatorisch verband staan. Ook lijkt er sprake van verschillende afnemers, die wel weer contact lijken te hebben met personen in Nigeria die bij de werving betrokken zijn. In het dossier zijn aanwijzingen dat ook anderen dan de groep rond [medeverdachte 3] en [medeverdachte 19] zich bezig houden met het met onbekende bestemming laten vertrekken van meisjes vanuit asielzoekerscentra. Het beeld dat uit het dossier ontstaat, is niet het beeld van één organisatie die de keten van het begin tot het eind aanstuurt.

Wel kan worden gesproken van een organisatie rond [medeverdachte 3] en [medeverdachte 19] die als een soort transportgroep in opdracht van diverse personen in Nigeria het vervoer van Nigeriaanse jonge mensen vanuit asielzoekerscentra naar (veelal) prostitutieondernemers in andere landen organiseert en daarvoor van de ontvanger betaald krijgt. Daarbij konden verdachten gebruik maken van een vaste groep van personen die zorgden voor onderdak en vervoer/begeleiding van de Nigeriaanse jonge mensen. De coördinatie daarvan was in handen van [medeverdachte 19] en [medeverdachte 3]. Er was sprake van (meerdere) vaste opdrachtgevers/"leveranciers" en "afnemers".

Het hof acht bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie. Uit een tapgesprek d.d. 10 oktober 20061 tussen verdachte en [medeverdachte 19], derhalve enkele dagen na de verdwijning van [slachtoffer 2], [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14], blijkt dat gesproken wordt over de vraag hoe de personen die op reis gaan (het hof begrijpt: vanuit Nigeria) contact opnemen met de mensen 'daar'. Er wordt tussen verdachte en [medeverdachte 19] gesproken over een telefoonnummer van Uncle G. Als ze dat nummer niet hebben, dan beschikken ze altijd nog over het Nigeriaanse telefoonnummer waarmee gebeld kan worden, zo blijkt uit het telefoongesprek.

Verdachte wist dus dat niet alleen [medeverdachte 19], maar ook een organisatie, zich bezighield met de mensenhandel. Door met die wetenschap de handelingen te verrichten die bewezen zijn verklaard, heeft verdachte deelgenomen aan die organisatie.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Feit 1:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007

in Nederland en in België en Frankrijk en Italië, tezamen en in vereniging met een ander,

a.

[benadeelde 3] en [slachtoffer 2],

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik

van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en/of gehuisvest en/of

opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 3] en

die [slachtoffer 2];

en

c.

[benadeelde 3], en [slachtoffer 2], heeft mede genomen met het oogmerk die [benadeelde 3] en die [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen

betaling;

immers hebben verdachte en/of verdachtes mededader toen aldaar opverschillende tijdstippen, met voormeld oogmerk en opzettelijk

voor wat betreft genoemde [benadeelde 3]:

-voor die [benadeelde 3] de reis naar Italië en opvang in Frankrijk geregeld

en haar op een deel van de reis vergezeld en voor die [benadeelde 3] (daartoe) een (vals) paspoort of identiteitsdocument (op naam van [naam]) geregeld en aan haar

verstrekt of doen verstrekken en

-die [benadeelde 3] bewogen, zich in Italië te prostitueren;

voor wat betreft [slachtoffer 2]:

-die [slachtoffer 2] naar België gebracht en ervoor gezorgd dat zij vandaar

via Parijs naar Italië, is gereisd en aldaar is opgevangen en

-die [slachtoffer 2] bewogen, zich in Italië te prostitueren;

Feit 2 primair:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en in België en

Frankrijk en Spanje en Italië en Engeland, tezamen en in vereniging met een ander

anderen, te weten

-[slachtoffer 13] en [slachtoffer 14]

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die hierboven onder 2. genoemde personen door die personen tot prostitutie te brengen immers heeft verdachte toen aldaar met verdachtes mededader, met voormeld oogmerk bedoelde personen -hun kwetsbare positie in Nigeria kennende- hen naar een of meer andere landen binnen Europa vervoerd of doen of laten vervoeren of overbrengen en/of hen/haar/hem (tijdelijk) daartoe in Frankrijk opgenomen en/of gehuisvest;

feit 3:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en België en Frankrijk heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, ook [medeverdachte 19] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 11] deel uitmaakten en welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:

- het (telkens) plegen van mensenhandel;

- het (telkens) plegen van mensensmokkel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

meermalen gepleegd.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich - als schakel in een criminele organisatie - schuldig gemaakt aan mensenhandel gepleegd ten aanzien van vier jonge vrouwen (ouder dan 18 jaar) uit Nigeria.

Vier jonge meisjes zijn, nadat zij uit Nederlands asielzoekerscentra waren verdwenen, naar het buitenland gebracht. Drie van de vier meisjes zijn door verdachte uit België opgehaald en naar Frankrijk gebracht, alwaar verdachte woonachtig is. Het vierde meisje is bij verdachte in Frankrijk gebracht. Vanuit Frankrijk heeft verdachte hen door laten reizen naar Italië en Spanje, alwaar zij in de prostitutie moesten werken.

Door aldus te handelen heeft verdachte er aan heeft bijgedragen dat jonge meisjes in een vreemd land seksuele handelingen met derden dienden te ondergaan.

Voor het misdrijf mensenhandel bestaan voor de rechtspraak geen specifieke oriëntatiepunten ten behoeve van de bepaling van de strafmaat. Van twee van de 4 meisjes is vast komen te staan dat zij ook daadwerkelijk in de prostitutie terecht zijn gekomen, mede door toedoen van verdachte. Blijkens hun verklaringen is sprake van veelvuldige afgedwongen seksuele handelingen die zij voor het financieel gewin van hun uitbuiters moesten ondergaan. Het oriëntatiepunt voor de strafmaat voor een eenmalige verkrachting is 24 maanden gevangenisstraf. De meisjes verkeerden mede door toedoen van verdachte in een seksuele slavernij.

De vordering van de advocaat-generaal tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren is blijkens het requisitoir gebaseerd op mensenhandel gepleegd ten aanzien van 6 personen, maar ook mensensmokkel ten aanzien van 5 personen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof acht mensenhandel ten aanzien van vier personen en deelname aan een criminele organisatie bewezen. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden voor deze feiten passend en geboden is.

Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding te volstaan met het opleggen van een straf gelijk aan het voorarrest, dat in het geval van verdachte nog geen drie maanden heeft geduurd.

Evenmin brengt de omstandigheid dat verdachte de zorg heeft voor jonge kinderen en geen vaste verblijfsstatus heeft in Frankrijk het hof tot een ander oordeel, gelet op de ernst van de gepleegde feiten.

Er is niet binnen twee 2 jaar na in het door verdachte ingesteld hoger beroep arrest gewezen. Er zal door het hof echter geen korting worden toegepast op de op te leggen staf.

Het betreft een zeer complexe zaak en er zijn meerdere getuigen gehoord op verzoek van verdachte, zodat de (geringe) overschrijding van (in totaal) vier maanden voor rekening van verdachte komt.

Evenmin zal het hof de op te leggen straf verminderen wegens enig vormverzuim.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

[benadeelde 1] staat niet op de tenlastelegging van feit 1 en 2. Het hof is voorts van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de criminele organisatie zoals die is bewezenverklaard handelingen heeft verricht met betrekking tot [benadeelde 1]. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank geen beslissing genomen op de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

[benadeelde 2] staat niet op de tenlastelegging van feit 1 en 2.

De vordering [benadeelde 2] heeft betrekking op hun werkzaamheden in de prostitutie en de gevolgen die zij daarvan heeft ondervonden.

Met betrekking tot de vraag of verdachte aansprakelijk is voor haar schade, omdat zij heeft deelgenomen aan de criminele organisatie die hen in de prostitutie heeft gebracht, overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 51f, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van de ten gevolge van de onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie geleden schade. Deze strafbare gedraging, zoals neergelegd in artikel 140 Wetboek van Strafvordering, ziet op bescherming van de openbare orde. Nu de benadeelde partij niet is getroffen in dit belang dat met de overtreding van deze strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, is - naar het oordeel van het hof - geen sprake van schade die de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom niet in haar vorderingen worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 140 en 273a (voor feiten gepleegd voor 1 september 2006) en 273f (voor feiten gepleegd na 1 september 2006) van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging voor zover het ten laste gelegde onder 1, 2 primair en subsidiair en 3 niet (mede) in Nederland is begaan.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 3][benadeelde 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 3][benadeelde 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P. Greve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder, griffier,

en op 12 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Greve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Zie tap d.d. 10-10-2006, gele map verdachtendossier 6, p 38-43.