Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV8580

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
24-003217-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koolvis-zaak. Mensensmokkel. Verhoorprotocol.

Criminele organisatie.

Uit het dossier blijkt dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij iedere deelnemer zijn eigen taken heeft ten einde de Nigeriaanse meisjes (en een enkele jongen) uit asielzoekerscentra naar andere landen in Europa te brengen. Het uiteindelijke doel van de organisatie is om de meisjes in de prostitutie te werk te stellen. Verdachte is een schakel geweest in de organisatie.

Gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003217-09

Uitspraak d.d.: 12 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 en 14 oktober 2010, 10 mei 2011, 14 september 2011, 24, 25 en 26 januari 2012 en 27 februari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Rechtsmacht

Het hof stelt vast dat verdachte niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Uit het dossier is gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode in Nederland woonachtig was en dat afgaande op de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie nog steeds is.

Ingevolge art. 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden, ongeacht de strafbaarheid van dat feit in het buitenland. (HR 27-10-1998 NJ 1999,221).

In de tenlastelegging van verdachte is - zakelijk weergegeven - als pleegplaats vermeld Nederland en/of een aantal andere landen. Aldus laat de tenlastelegging de mogelijkheid open dat het feit niet mede in Nederland is begaan. In dat geval kan geen rechtsmacht worden gebaseerd op artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht. Wel kan in die gevallen rechtsmacht worden gebaseerd op artikel 5a (oud) van het Wetboek van Strafrecht voor zover het mensenhandel betreft ten aanzien van personen jonger dan 18 jaar. Dit brengt met zich dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging voor zover het strafbare feit niet (mede) in Nederland is begaan en geen betrekking heeft op mensenhandel ten aanzien van personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.

Verhoorprotocol

Op dezelfde wijze als zij in eerste aanleg heeft gedaan, heeft de verdediging op grond van de totstandkoming en het gebruik van het verhoorprotocol de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Vormen in het vooronderzoek zijn onherstelbaar geschonden en zijn van een dermate ernst dat het meest zware rechtsgevolg dat de wet kent in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden toegepast.

De rechtbank heeft hieromtrent, voor zover van belang, het navolgende overwogen:

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging omdat het ten behoeve van de onderzoeken Koolvis en Kluivingsbos opgestelde en bij de verhoren van de vermeende slachtoffers van mensenhandel gebruikte verhoorprotocol niet alleen als zodanig onrechtmatigheden met zich brengt, maar dat ook de wijze waarop politie en externe partners daarmee zijn omgegaan, onrechtmatigheden heeft veroorzaakt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij die onrechtmatigheden sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor zover sprake zou zijn van schending van andere belangen dan die van verdachte, geldt dat het gaat om zeer fundamentele inbreuken waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

De verdediging heeft in dit verband onder meer verwezen naar de arresten inz. Zwolsman en Karman. (...)

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot dit verweer.

Het rapport d.d. 23 augustus 2007, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], waarin het verhoorprotocol is opgenomen, vermeldt als voornaamste reden voor de totstandkoming daarvan: de wens om enerzijds de verklaringsbereidheid bij vermeende slachtoffers van mensenhandel te vergroten - door vertrouwen te winnen en uitleg te geven - en anderzijds de betrouwbaarheid van de eventueel afgelegde verklaringen te bevorderen.

Het protocol dient twee doelen zo is in het rapport te lezen, namelijk:

1. bevorderen van de waarheidsvinding in het kader van het opsporingsbelang en

2. bieden van hulpverlening aan de vermeende slachtoffers waarbij externe partners worden ingezet om o.a. de invloed van voodoo te bespreken/beperken. Als externe partners zijn ingezet: een Nigeriaanse dominee genaamd [naam] en een ervaringsdeskundige die eerder als tolk is opgetreden in andere mensenhandelzaken.

De opzet van het protocol is besproken tijdens een op 23 augustus 2007 gehouden overleg in Groningen, waarbij een officier van justitie, leden van de onderzoeksteams inz. Koolvis en Kluivingsbos, alsmede de hiervoor bedoelde ervaringsdeskundige en Nigeriaanse dominee aanwezig waren. Het protocol zelf valt uiteen in een vijf-stappenplan waarin - zo constateert de rechtbank - niet alleen een ieders rol is beschreven (van respectievelijk politie, ervaringsdeskundige en dominee) maar waarin ook is aangegeven op welke wijze gesprekken met c.q. verhoren van vermeende slachtoffers dienen plaats te vinden. Daarbij is ook aandacht besteed aan de inzet van audiovisuele hulpmiddelen.

De rechtbank merkt vooreerst op dat de bijzondere aard van dit soort zaken, met name de problemen met betrekking tot de - doorgaans geringe - verklaringsbereidheid van vermeende slachtoffers en de moeizame waarheidsvinding waarmee opsporingsinstanties zich geconfronteerd zien, op zichzelf reden kan zijn op zoek te gaan naar een methode waarbij beide belangen - de waarheidsvinding en een adequate hulpverlening aan slachtoffers - beter gediend worden. De keuze voor een verhoorprotocol, als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, kan daarmee gerechtvaardigd zijn.

Het openbaar ministerie heeft in deze zaak voor een dergelijk verhoorprotocol gekozen en in het kader van de door haar nagestreefde transparantie zijn daarin ook de eisen waaraan de gesprekken tussen vermeende slachtoffers en ervaringsdeskundige/dominee enerzijds en de uiteindelijke verhoren door opsporingsambtenaren anderzijds moeten voldoen, uitdrukkelijk in het verhoorprotocol opgenomen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoorprotocol en de uitvoering daarvan het volgende:

Blijkens het verhoorprotocol hebben de zogenaamde externe partners - de ervarings-deskundige en de dominee dus - duidelijk een verschillende rol in de fase die voorafgaat aan het uiteindelijke verhoor van vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren. De inzet van de dominee dient kennelijk vooral gericht te zijn op hulpverlening, het als gezaghebbend geestelijke bevrijden van eventuele voodoo-invloeden, terwijl voor de ervaringsdeskundige eerder een rol weggelegd lijkt als inhoudelijk gesprekspartner van de Nigeriaanse meisjes/ vrouwen, een en ander met het oog op het eventueel doen van aangifte.

De rechtbank leidt dat niet alleen af uit de verschillende locaties waar ervaringsdeskundige en dominee de gesprekken met de meisjes/vrouwen hebben gevoerd - de dominee op "neutraal" terrein, in elk geval niet het politiebureau, en de ervaringsdeskundige juist wel op het politiebureau - maar ook uit de taakomschrijving van ervaringsdeskundige en dominee.

De dominee moet zich, aldus het protocol, vooral bezighouden met het bestrijden van eventuele voodoo-invloeden terwijl de ervaringsdeskundige meer inhoudelijk bezig is en zaken dient te bespreken als: de invloed van voodoo, de werkwijze van de criminele organisatie waar zij het slachtoffer van was, haar werk in de prostitutie en de uitbuiting.

De ervaringsdeskundige moet met andere woorden haar ervaringen delen met de veronderstelde slachtoffers.

De hiervoor omschreven, in het verhoorprotocol opgenomen, taakverdeling behoeft op zichzelf geen problemen op te leveren indien en voor zover aan de externe partners duidelijke instructies worden gegeven op welke wijze de door hen te voeren gesprekken dienen plaats te vinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de ervaringsdeskundige tijdens haar verhoor ter terechtzitting d.d. 11 mei 2009 desgevraagd heeft verklaard dat zij van de politie geen specifieke instructies voor de door haar met de meisjes/vrouwen te voeren gesprekken heeft gekregen. Aan haar is slechts verteld wat zij in elk geval niet moest doen, namelijk de meisjes dwingen.

Het valt op dat in het verhoorprotocol dergelijke nauwkeurig geformuleerde instructies ontbreken. De rechtbank is niet gebleken dat de externe partners voorafgaande aan de door hen te voeren gesprekken zijn geïnstrueerd door de politie en evenmin is gebleken op welke wijze die gesprekken - in het geval van de ervaringsdeskundige - zijn geëvalueerd.

De rechtbank beschouwt het ontbreken van duidelijke instructies aan de externe partners als een ernstige omissie. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal gesprekken naar het oordeel van de rechtbank terecht scherpe kritiek geuit op de wijze waarop met name de ervaringsdeskundige in gesprek is geweest met de vermeende slachtoffers. De verdediging heeft daarbij onder meer gesteld dat er is gestuurd, gemanipuleerd en geïntimideerd waarbij zowel de ervaringsdeskundige als de dominee als verlengstuk van het opsporingsapparaat zou zijn opgetreden. De rechtbank onderschrijft die kwalificaties niet, omdat daarvan de suggestie uitgaat dat ervaringsdeskundige en dominee doelbewust bezig zouden zijn geweest om een justitie welgevallige en voor de verdachte belastende verklaring te verkrijgen van het betreffende vermeende slachtoffer. Die suggestie mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

Een omissie die niet zozeer aan het verhoorprotocol zelf kleeft, als wel aan de uitvoering daarvan, is het gebrek aan alertheid bij en controle door het openbaar ministerie ten aanzien van zowel de werkwijze van de ervaringsdeskundige als van de dominee. Op grond van het onderzoek is immers komen vast te staan dat de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers heeft verzonden aan politieambtenaren. Zijdens het openbaar ministerie is erkend dat zulks in strijd is met het verhoorprotocol en derhalve niet had mogen gebeuren, maar van die verslagen zou door de politie geen gebruik zijn gemaakt, aldus het openbaar ministerie. Die geruststelling overtuigt de rechtbank niet, immers achteraf kan niet worden meer worden getoetst of en op welke wijze informatie uit bedoelde gespreksverslagen invloed heeft gehad op de inhoud van de in deze zaak afgelegde verklaringen.

Ook ten aanzien van de gesprekken en werkwijze van de ervaringsdeskundige heeft het naar het oordeel van de rechtbank aan de vereiste controle door het openbaar ministerie ontbroken.

In het kader van het doen van een eventuele aangifte dient aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de consequenties daarvan te worden uitgelegd. Die verplichting berust evenwel bij de betreffende opsporingsambtenaar.

De rechtbank stelt echter vast dat de ervaringsdeskundige meer dan eens, en tijdens een en hetzelfde gesprek met een vermeend slachtoffer soms ook bij herhaling, de B9-procedure heeft genoemd en in dat verband niet alleen heeft beklemtoond welke voordelen die procedure kan opleveren, maar ook welke nadelige gevolgen (uitzetting) het kan hebben als je uit de procedure wordt gezet.

Een deugdelijke, inhoudelijke en tijdige evaluatie -aanstonds na een gesprek met een vermeend slachtoffer- had aanleiding kunnen zijn voor de betreffende opsporings-ambtena(a)r(en) om aan de ervaringsdeskundige nog eens duidelijk te maken wat wel en wat niet tot haar taak behoorde.

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop sommige gesprekken door de ervaringsdeskundige zijn gevoerd. In een aantal gevallen lijkt er geen sprake te zijn van een gesprek c.q. dialoog met een vermeend slachtoffer maar eerder van een monoloog van de ervaringsdeskundige waarin zij zeer uitvoerig (soms meer dan 4 pagina's lang) en gedetailleerd vertelt over wat zij heeft meegemaakt.

Het bepaald niet denkbeeldige risico daarvan is dat een getuige/aangeefster in de door haar uiteindelijk ten overstaan van een opsporingsambtenaar af te leggen verklaring/aangifte bewust dan wel onbewust delen van of details uit de "monoloog" van de ervaringsdeskundige overneemt. Met andere woorden: het gevaar van beïnvloeding ligt hier op de loer, waarmee de uiteindelijke aangifte aan betrouwbaarheid en dus bewijskracht kan inboeten.

Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat - naar de ervaring heeft geleerd en statistieken hebben uitgewezen - nogal eens ten onrechte een beroep op de B9-regeling wordt gedaan door vreemdelingen en extra waakzaamheid te dien aanzien in elk geval geboden is,

had naar het oordeel van de rechtbank van het openbaar ministerie in deze zaak mogen worden verwacht dat zij juist bij de inzet van genoemde externe partners volledig de regie had gehouden. Er hadden diverse controlemomenten moeten worden ingebouwd teneinde beïnvloeding van de vermeende slachtoffers te voorkomen.

Met betrekking tot de "daadwerkelijke verhoren" van de vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren is in de toelichting op het verhoorprotocol onder 5. "Monitoren proces/opslag gegevens", vermeld dat daarvan opnamen worden gemaakt en dat die opnamen audiovisueel zullen zijn. De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende aangiftes uitsluitend auditief zijn opgenomen, althans van audiovisuele vastlegging is de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het "daadwerkelijk verhoor" is verder in genoemde toelichting onder 4. onder meer vermeld dat een zogenaamd "studioverhoor" zal plaatsvinden.

Kennelijk heeft men hierbij het oog gehad op het zogenaamde studioverhoor dat standaard - op grond van daarvoor geldende richtlijnen - plaatsvindt in zedenzaken bij het horen van zeer jonge, minderjarige, slachtoffers. De rechtbank constateert dat van studioverhoren geen sprake is geweest ofschoon daar vanwege de aard van de zaak alle reden toe was.

Het bevreemdt de rechtbank evenzeer, en zij beschouwt het als een groot gemis in een zo grote en belangwekkend geachte strafzaak als de onderhavige, dat van vorenbedoelde verhoren geen audiovisuele opnamen zijn gemaakt. Daarmee ontbreekt immers de mogelijkheid om de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen te toetsen.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de volgende conclusie.

Het verhoorprotocol kan op zichzelf worden beschouwd als een legitieme en goed bedoelde poging van het openbaar ministerie om de hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel te verbeteren en daarmee de verklaringsbereidheid bij diezelfde slachtoffers alsmede de waarheidsvinding in deze gecompliceerde zaken te bevorderen.

De rechtbank is overtuigd van de integriteit van het openbaar ministerie bij het opstellen en uitvoeren van meergenoemd protocol en de keuze en inzet van externe partners daarbij.

Van de inzet van een innovatieve, nieuwe opsporingsmethode welke ter goedkeuring aan het College van Procureurs-Generaal had behoren te worden voorgelegd - zoals de verdediging heeft betoogd - is, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De ervaringsdeskundige en de dominee zijn niet ingezet in het kader van het opsporingsonderzoek maar slechts met het oog op het verbeteren van de begeleiding van potentiële slachtoffers van mensenhandel waarbij het kennelijke doel was belemmeringen ten aanzien van het kunnen verklaren over wat er werkelijk was gebeurd, weg te nemen.

Daarbij heeft het openbaar ministerie evenwel uit het oog verloren dat een strakke regie bij uitstek geboden is indien "gebruik" wordt gemaakt van burgerdeskundigen in de fase waarin reeds bewijs wordt vergaard tegen mogelijke verdachten.

Hoezeer die strakke regie vereist is, blijkt alleen al uit het feit dat het openbaar ministerie heeft erkend dat de ervaringsdeskundige, voorafgaande aan het gesprek met [slachtoffer 1], ten onrechte kennis heeft genomen van (relevante) tapgesprekken, waarvan zij de inhoud vervolgens heeft voorgehouden aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Aan het openbaar ministerie kan worden verweten dat zij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het verhoorprotocol en vooral dat zij in ernstige mate te kort is geschoten bij de controle op de uitvoering daarvan.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, kan een en ander verstrekkende gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan.(...)

De rechtbank verwerpt het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overweegt daartoe het volgende.

Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als sanctie is volgens het arrest inz. Zwolsman slechts plaats, indien sprake is van "ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor 'doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan".

Met andere woorden, er dient sprake te zijn van een grove mate van verwijtbaarheid aan het openbaar ministerie.

Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld, dat de belangen van de verdachte in deze zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ingevolge het arrest inz. Karman kan in hoge uitzondering, ook indien geen verwijtbaarheid bestaat en verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt Dat hiervan alleen in hoge uitzondering sprake is en deze (extra) grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie terughoudend dient te worden toegepast volgt uit opvolgende rechtspraak, onder meer in HR 2002, 8 en HR 14 januari 2003, 2003, 288.

De uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak [naam] vs het Verenigd Koninkrijk (12 mei 2000) geeft aan dat aan de eis van eerlijkheid van de strafprocedure is voldaan wanneer de strafprocedure 'as a whole' (in zijn geheel) eerlijk is. Het is derhalve niet meer van belang of een verdachte in een belang is geschaad, maar of met de overtreden norm de eerlijkheid van het proces van verdachte is aangetast, waarmee de Schutznorm wordt gerelativeerd.

De rechtbank is van oordeel dat, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, wel kan worden gesproken van ernstige tekortkomingen van het openbaar ministerie bij met name de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat die tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is, dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, dan wel van de situatie dat in casu een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde is geschonden dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt.

De door de verdediging geuite kritiek ten spijt, kan het hof zich verenigen met de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank. De door de rechtbank gemaakte opmerking dat zij het als een groot gemis beschouwt dat van de verhoren van de vermeende slachtoffers geen audiovisuele opnamen verdient een kanttekening. De opmerking berust op een omissie: de politieverhoren zijn wel audiovisueel geregistreerd.

De ook door de rechtbank benadrukte bijzondere aard van de ten laste gelegde gronddelicten met betrekking tot bewijsvergaring en waarheidsvinding rechtvaardigen een onderzoek naar methoden die in commune strafzaken minder gebruikelijk zijn en daardoor kunnen afwijken van de geijkte paden, zoals in casu is gedaan door de ontwikkeling van een specifiek verhoorprotocol waarin een rol is weggelegd voor de inzet van burgers zoals ervaringsdeskundigen. De veronderstelling van de zijde van het openbaar ministerie dat de vermeende slachtoffers van mensenhandel -mede vanwege de hiermee verband houdende culturele bepaaldheid van dit fenomeen- door op voodoo geïnspireerde bedreigingen belemmerd zouden kunnen worden in het naar waarheid verklaren, komt ook niet zo maar uit de lucht vallen. "Voodoo-praktijken' om de verklaringsvrijheid van slachtoffers van mensenhandel te beperken blijken niet alleen uit (de via gespreksverslagen kenbare) ervaringen van de ervaringsdeskundige maar ook uit de verklaring van de niet aan het verhoorprotocol onderworpen [slachtoffer 2]. Met de rechtbank ziet het hof in de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol geen belemmering om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De daartoe strekkende verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

Feit 1:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of Nigeria,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [benadeelde 2], geboren op [1983], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989], (telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5];

(273a lid 1onder 1e , vernummerd tot 273f lid 1onder 1e , Wetboek van Strafrecht)

en/of

b.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989], heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5], terwijl genoemde personen of een of meer van hen de leeftijd van

18 jaren nog niet had(den) bereikt;

(273a lid 1 onder 2e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 2e Wetboek van Strafrecht)

en/of

c.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [benadeelde 2], geboren op [1983], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989], heeft mede genomen en/of heeft aangeworven met het oogmerk die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] in een ander land

ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

(273a lid 1 onder 3e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 3e Wetboek van Strafrecht)

en/of

d.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989],

meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die [benadeelde 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling terwijl die [benadeelde 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] de leeftijd van 18 jaren nog niet had(den) bereikt;

(273a lid 1 onder 5e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 5e Wetboek van Strafrecht)

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar op verschillende tijdstippen, al dan niet met voormeld oogmerk en/of al dan niet opzettelijk

voor wat betreft genoemde [benadeelde 1], (zaaksdossier 2):

-die [benadeelde 1] in Nigeria verteld of doen of laten vertellen dat in Europa veel werk was en/of dat zij

daar veel geld kon verdienen (code UN 1) en/of

-die [benadeelde 1] in het ongewisse gelaten over de aard van de door haar te verrichten werkzaamheden

(code UN 2) en/of

-die [benadeelde 1] in Nigeria onderworpen of doen of laten onderwerpen aan voodoopraktijken en/of

haar (in dat kader) gezegd dat zij €60.000,-, althans een (groot) geldbedrag, aan ene [naam] moest geven,

althans diende af te dragen (code UN 3) en/of

-voor die [benadeelde 1] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming

binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) ontstond (code UN 4) en/of

- voor die [benadeelde 1] een (vals) paspoort / identiteitsdocument geregeld teneinde vanuit

Nigeria naar Nederland en/of een ander land in Europa te kunnen reizen en/of haar geïnstrueerd met betrekking

tot het verhaal dat zij moest vertellen wanneer zij in Nederland was aangekomen (code UN 5) en/of

- die [benadeelde 1] een telefoonnummer verstrekt hetwelk zij moest bellen wanneer zij in een

opvangcentrum voor asielzoekers was geplaatst (code UN 6) en/of

- die [benadeelde 1] vanuit een opvangcentrum meegenomen naar een woning en haar onderdak verschaft

(code UN 7) en/of

-die [benadeelde 1] naar Italië gebracht en/of vergezeld alwaar die [benadeelde 1] zich diende te

prostitueren (code UN 8) en/of

-voor die [benadeelde 1] in Italië huisvesting geregeld of daarbij bemiddeld (code UN 9) en/of

- die [benadeelde 1] gedwongen, althans bewogen, om (een deel van) haar verdiensten uit de prostitutie

aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) af te staan en/of af te dragen (code UN 10) en/of

- die [benadeelde 1] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie

(code UN 11) en/of

- die [benadeelde 1] gedreigd te slaan en/of geslagen (code UN 12) en/of

- die [benadeelde 1] bedreigd door haar de ernstige consequenties (de dood van haar moeder en/of zusje)

van het verbreken van de Voodoobelofte voor te houden wanneer zij niet zou werken (code UN 13) en/of

- door die [benadeelde 1] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten

brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze geen

Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen van

bestaan en/of geen onderdak had, die [benadeelde 1] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte

en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft genoemde [benadeelde 2], (zaakdossier 12):

-die [benadeelde 2] in Nigeria voorgesteld naar Europa te reizen om daar als verkoopster te gaan

werken en/of om schoonmaakwerkzaamheden te verrichten (code JO 1) en/of

-die [benadeelde 2] verteld dat [naam] (de zus van haar vriend [naam]) die zich al in Europa

bevond) haar wel kon helpen om naar Europa te reizen (code JO 2) en/of

-die [benadeelde 2] aan een of meer voodoo-rituelen onderworpen (code JO 3) en/of

-die [benadeelde 2] in Nigeria in een woning ondergebracht en/of haar daar in haar vrijheid beperkt

(code JO 4) en/of

-die [benadeelde 2] verteld dat zij dood zou gaan of gek zou worden wanneer zij iets aan de politie

zou vertellen (code JO 5) en/of

-die [benadeelde 2] verteld hoe ze moest handelen met het te gebruiken paspoort en/of hoe zij zich

moest gedragen op het vliegveld en/of wat zij moest zeggen wanneer zij door de politie werd aangehouden

(code JO 6) en/of

-die [benadeelde 2] een of meer telefoonnummers verstrekt die zij uit het hoofd moest leren en die

zij moest bellen of berichten nadat zij was aangekomen in Nederland, althans Europa, (code JO 7) en/of

-voor die [benadeelde 2] een (vals) paspoort of identiteitsdocument (op naam van [naam] )

geregeld teneinde vanuit Nigeria naar Nederland te kunnen reizen en/of haar een vliegticket verstrekt en/of haar

aan boord van een vliegtuig naar Nederland gebracht (code JO 8) en/of

-voor die [benadeelde 2] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere

bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of

verdachtes mededader(s) ontstond (code JO 9) en/of

-er voor gezorgd, dat die [benadeelde 2] met onbekende bestemming vertrok uit het opvangcentrum

voor asielzoekers in Nederland, waarin zij was geplaatst, dan wel daarbij een bemiddelende rol gespeeld (code

JO 10) en/of

-voor die [benadeelde 2] de reis naar Italië en/of huisvesting dan wel opvang in Frankrijk en/of

Italië geregeld of daarbij bemiddeld en/of haar op een deel van de reis (van Nederland naar Parijs) vergezeld

en/of voor die [benadeelde 2] (daartoe) een (vals) paspoort of identiteitsdocument of zogenaamd

W-document (op naam van [naam]) geregeld en/of aan haar verstrekt of doen verstrekken (code JO

11) en/of

-die [benadeelde 2] gedwongen, althans bewogen, zich in Italië te prostitueren en/of om (een deel

van) haar verdiensten uit die prostitutie aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) af te staan en/of af te

dragen en/of haar gezegd dat zij 6 dagen per week diende te werken, ook gedurende de periode dat zij

menstrueerde, en/of haar daartoe middelen verschaft (code JO 12) en/of

-die [benadeelde 2] verteld dat zij een schuld had bij degene die haar naar Europa had gehaald of

gebracht van € 45.000,-, althans een groot geldbedrag (code JO 13) en/of

-die [benadeelde 2] gedreigd met voodoo (code JO 14) en/of

-door die [benadeelde 2] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten

brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze

geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen

van bestaan en/of geen onderdak had, die [benadeelde 2] in een zeer afhankelijke positie [van

verdachte en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft [slachtoffer 3], (zaaksdossier 4):

-die [slachtoffer 3] in Nigeria geronseld en/of onderdak verschaft in afwachting van haar vertrek naar

Europa (code OV 1) en/of

-die [slachtoffer 3] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken en/of haar (in dat kader) gezegd dat zij

een (groot) geldbedrag diende af te dragen (code OV 2) en/of

-die [slachtoffer 3] voorzien van een (vals) paspoort op naam van [naam] en/of voor haar de reis

naar Europa (Nederland) geregeld en/of haar een aanbevelingsbrief meegegeven (code OV 3) en/of

-voor die [slachtoffer 3] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming

binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) ontstond (code OV 4) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 3], nadat zij in Nederland in een opvangcentrum voor asielzoekers

(te Leek) was geplaatst, met onbekende bestemming vertrok uit bedoeld opvangcentrum, dan wel daarbij een

bemiddelende rol gespeeld en/of haar daarna onderdak verschaft (code OV 5) en/of

-die [slachtoffer 3] (via België en/of Frankrijk) naar Italië gebracht of doen brengen of laten reizen (code

OV 6) en/of

-die [slachtoffer 3] in Italië onderdak verschaft en/of haar daar tot prostitutie gebracht (code OV 7) en/of

-door die [slachtoffer 3] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen

of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Italië,

terwijl deze geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen

middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 3] in een zeer afhankelijke positie [van

verdachte en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft [slachtoffer 5], (zaaksdossier 1):

-die [slachtoffer 5] in Nigeria geronseld en/of onderdak verschaft in afwachting van haar vertrek naar

Europa (code OM 1) en/of

-die [slachtoffer 5] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken en/of haar (in dat kader) gezegd dat

zij een (groot) geldbedrag diende af te dragen (code OM 2) en/of

-die [slachtoffer 5] verteld, althans in de waan gelaten, dat zij in het buitenland naar school zou gaan

(code OM 3) en/of

-die [slachtoffer 5] voorzien van een (vals) paspoort of identiteitsbewijs en/of voor haar de reis naar

Europa (Nederland) geregeld (code OM 4) en/of

-voor die [slachtoffer 5] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere

bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of

verdachtes mededader(s) ontstond (code OK 5) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 5], nadat zij in Nederland in een opvangcentrum voor asielzoekers

(te Deventer) was geplaatst, met onbekende bestemming vertrok uit bedoeld opvangcentrum, dan wel daarbij

een bemiddelende rol gespeeld en/of haar daarna onderdak verschaft (code OM 6) en/of

-die [slachtoffer 5] naar Frankrijk en/of enig ander land binnen Europa gebracht of doen brengen of

laten reizen (code OM 7) en/of

-die [slachtoffer 5] in Frankrijk onderdak verschaft en/of haar daar tot prostitutie gebracht (code OM 8)

en/of

-door die [slachtoffer 5] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten brengen

en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Frankrijk, terwijl deze geen

Nederlands en/of Frans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen van

bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 5] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte

en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

feit 2 primair:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Assen en/of

Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of elders in Europa en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer anderen, te weten

-[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (-allen-

zaaksdossier 1) en/of

-[slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12]

(-allen- zaaksdossier 2) en/of

-[slachtoffer 13] en /of [slachtoffer 14] (-beiden- zaaksdossier 3) en/of

-[slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 19] (-beiden- zaaksdossier 5) en/of

-een persoon, genaamd [slachtoffer 22] (zich ook [slachtoffer 22] noemende) (zaakdossier 7) en/of

-[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 48] en/of [slachtoffer 23] (ook [slachtoffer 23]

genoemd) en/of [slachtoffer 24] en/of [benadeelde 3] en/of een persoon die "[slachtoffer 25]" wordt genoemd

(-allen- zaaksdossier 8) en/of

-[slachtoffer 26] (zaaksdossier 9) en/of

-[slachtoffer 28] en/of [slachtoffer 29] en/of A[slachtoffer 30] (-allen-

zaaksdossier 11) en/of

-[slachtoffer 49] en/of [slachtoffer 31] (alias [alias]) en/of [slachtoffer 32] en/of

[slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 34] (-allen- zaaksdossier 12) en/of

-[slachtoffer 40] (zaaksdossier 17) en/of

-[slachtoffer 41] en/of [slachtoffer 42] en/of [slachtoffer 43] (-allen zaaksdossier 18)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die

hierboven onder 2. genoemde personen of een of meer van hen,

immers heeft verdachte toen aldaar met verdachtes mededaders of een of meer van hen, althans alleen, met voormeld oogmerk bedoelde personen of een of meer van hen -hun/haar/zijn kwetsbare positie in Nigeria kennende-

-in Nigeria geworven en/of hen/haar/hem beloofd dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) hen/haar/hem

naar een veilige plaats zou(den) brengen en/of

-hen/haar/hem niet verteld welk soort werkzaamheden zij/hij zou(den) moeten gaan verrichten en/of

-in Nigeria onderworpen of doen of laten onderwerpen aan voodoopraktijken en/of hen/haar/hem (in dat kader)

gezegd dat zij een (groot) geldbedrag diende(n) af te dragen en/of

-voor hen/haar/hem de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming binnen

Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

ontstond en/of

-hen/haar/hem per Nederlands vliegtuig vervoerd en/of doen vervoeren naar Nederland en/of enige andere

bestemming binnen Europa en/of

-hen/haar/hem in Nederland uit de opvang voor asielzoekers, waarin zij/hij waren/was geplaatst, vervoerd of

doen of laten vervoeren of overbrengen naar door verdachte en/of verdachte mededader(s) opgegeven plaatsen

in Nederland en/of ondergebracht in een of meer woningen, zulks terwijl bedoelde perso(o)n(en) geen

Nederlands spraken of begrepen en/of geen middelen van bestaan had/(den) en/of geen officiële

identiteitspapieren bezat(en) en/of

-hen/haar/hem (vervolgens) naar een of meer andere landen binnen Europa vervoerd of doen of laten vervoeren

of overbrengen teneinde hen/haar/hem daar tot prostitutie te brengen;

(273a lid 1 onder 1e, vernummerd tot 273f lid 1 onder 1e, Wetboek van Strafrecht)

Feit 2 subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Assen en/of

Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of elders in Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer anderen, te weten

-[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (-allen-

zaaksdossier 1) en/of

-[slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] (-

allen- zaaksdossier 2) en/of

-[slachtoffer 13] en /of [slachtoffer 14] (-beiden- zaaksdossier 3) en/of

-[slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 19] (-beiden- zaaksdossier 5) en/of

-een persoon, genaamd [slachtoffer 22] (zich ook [slachtoffer 22] noemende) (zaakdossier 7) en/of

-[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 48] en/of [slachtoffer 23] (ook [slachtoffer 23]

genoemd) en/of [slachtoffer 24] en/of [benadeelde 3] en/of een persoon die "[slachtoffer 25]" wordt genoemd

(-allen- zaaksdossier 8) en/of

-[slachtoffer 26] (zaaksdossier 9) en/of

-[slachtoffer 28] en/of [slachtoffer 29] en/of A[slachtoffer 30] (-allen-

zaaksdossier 11) en/of

-[slachtoffer 49] en/of [slachtoffer 31] (alias [alias]) en/of [slachtoffer 32] en/of

[slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 34] (-allen- zaaksdossier 12) en/of

-[slachtoffer 40] (zaaksdossier 17) en/of

-[slachtoffer 41] en/of [slachtoffer 42] en/of [slachtoffer 43] (-allen zaaksdossier 18)

a. behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de

zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft

verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis

wederrechtelijk was, (art. 197a lid 1 WvSr)

en/of

b. uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of een andere

lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de

zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die persoon/personen daartoe gelegenheid en/of

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dit verblijf wederrechtelijk was,

(art. 197a lid 2 WvSr)

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar al dan niet in vereniging en/of al dan

niet uit winstbejag genoemde personen of een of meer van hen vanuit Nigeria naar Nederland vervoerd of doen of laten vervoeren en/of (door het verstrekken van vliegtickets) gelegenheid gegeven naar Nederland te reizen en/of die persoon/personen voorzien of doen of laten voorzien van informatie en/of middelen en/of van (een) vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of (vervolgens) (in Nederland, nadat die persoon/personen zonder toestemming of medeweten van de bevoegde instanties uit de opvang voor asielzoekers waren vertrokken) die persoon/personen vervoerd of doen of laten vervoeren en/of die persoon/personen onderdak verschaft dan wel daarbij bemiddeld en/of die persoon/personen voorzien (een) vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of die persoon/personen doen of laten reizen vanuit Nederland naar België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Noorwegen en/of Duitsland en/of enig ander land binnen de Europese Unie, en dusdoende daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt;

feit 3:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Middelburg en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Frankrijk en/of Italië en/of Spanje en/of Engeland en/of Duitsland en/of Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, ook en/of [medeverdachte 19] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15]

( "[medeverdachte 15]" ) en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 17] en/of [medeverdachte 18] ( "[medeverdachte 18]" ) deel uitmaakte(n) en welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:

- het (telkens) plegen van mensenhandel (art.273a/273fWvSr);

- het (telkens) plegen van mensensmokkel (art. 197a WvSr);

- het (telkens) plegen van het vervalsen van reisdocumenten (art.231 WvSr);

- het (telkens) plegen van valsheid in geschrifte (art. 225 WvSr);

- het (telkens) plegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht (art. 279

WvSr); (art. 140 WvSr).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Uitleg van de tenlastelegging

Het hof legt de tenlastelegging van feit 2 aldus uit dat indien ten aanzien van geen enkel persoon genoemd onder 2 primair sprake is van mensenhandel pas aan de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde mensensmokkel kan worden toegekomen.

Algemeen

Omwille van de leesbaarheid zal in dit arrest verdachte ook wel worden aangeduid als [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 19], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] als [medeverdachte 19], [medeverdachte 3], en [medeverdachte 2].

Vrijspraak van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Er zijn geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte op enigerlei wijze wetenschap heeft gehad van het oogmerk om de aldaar genoemde personen uit te buiten.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde

Bewijsoverweging in verband met het verhoorprotocol

Voor zover de door de verdediging uitgeoefende kritiek op het verhoorprotocol niet leidt tot de beoogde niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, bepleit de verdediging bewijsuitsluiting ten aanzien van alle aangiftes die verkregen zijn met toepassing van het verhoorprotocol.

Het hof ziet in de gang van zaken met betrekking tot de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol ook geen aanleiding om verklaringen die zijn afgelegd door vermeende slachtoffers integraal uit te sluiten van het bewijs als sanctie in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In die zin worden de daartoe strekkende verweren dan ook door het hof verworpen.

Resteert de vraag of uit een oogpunt van betrouwbaarheid de afgelegde verklaringen wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof is zich bewust dat het inschakelen van derden voorafgaande aan de verhoren het risico meebrengt dat vermeende slachtoffers niet overeenkomstig de waarheid verklaren bij de politie omdat zij door die derden - bewust dan wel onbewust - beïnvloed worden. Zo is niet denkbeeldig dat door kennisneming van de ervaringen van anderen bij de vermeende slachtoffers de indruk wordt gewekt dat zij dienovereenkomstig moeten verklaren. Om die reden is het noodzakelijk in dergelijke gevallen een protocol op te stellen, de in te schakelen derden duidelijk te instrueren en controle achteraf zoveel mogelijk te waarborgen.

Daarbij komt dat uit onderzoek is vastgesteld dat -in strijd met het verhoorprotocol- door de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers zijn verzonden aan politieambtenaren. Het openbaar ministerie heeft erkend dat deze handelwijze in strijd is geweest met het verhoorprotocol en niet had mogen voorkomen. Tevens benadrukt het openbaar ministerie, ook in hoger beroep bij monde van de advocaat-generaal, dat van die verslagen op geen enkele wijze gebruik is gemaakt. Deze 'geruststelling' kon de rechtbank -zo blijkt uit de hierboven aangehaalde onderdelen van het vonnis- echter niet overtuigen. Het hof acht het, alles afwegend, evenwel geenszins waarschijnlijk of aannemelijk dat het verzenden van die gespreksverslagen door de dominee naar de politie de vrijheid van de vrouwen/aangeefsters om naar waarheid te verklaren heeft beïnvloed. Ten overvloede wordt opgemerkt dat verdachte in dit verband geen rechten kan ontlenen aan het feit dat de dominee uit hoofde van zijn ambt tot geheimhouding verplicht is en als getuige verschoningsgerechtigde was. Wel is van belang op te merken dat de status van verschoningsgerechtigde van invloed kan zijn op de mogelijkheid van de verdediging - en ook de rechter - om de gang van zaken rond het verhoorprotocol te toetsen, in zoverre van invloed kan zijn bij het vaststellen van de bewijswaarde van de nadien verkregen aangiftes/verklaringen van de vermeende slachtoffers.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van het doen van aangifte van mensenhandel aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de gevolgen daarvan dienen te worden uitgelegd door een opsporingsambtenaar. Ook de advocaaat-generaal heeft daar in hoger beroep nog eens uitdrukkelijk op gewezen. Dat die verplichting bestaat, betekent echter niet dat het bieden van die mogelijkheid niet van invloed kan zijn op de inhoud van de verklaringen die door het vermeende slachtoffer wordt afgelegd. Dit klemt te meer nu is gebleken dat in het onderhavige onderzoek de ervaringsdeskundige in de gesprekken met slachtoffers uitvoerig heeft stilgestaan bij de B9-procedure, met name bij de gevolgen indien de vermeende slachtoffers niet voor die procedure in aanmerking zouden komen.

Zoals hierboven is overwogen kunnen de geconstateerde tekortkomingen gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan. Dit onderzoek is door het hof gedurende de beraadslaging nauwgezet verricht. Het resultaat van dit onderzoek is dat het hof de afgelegde verklaringen niet op alle punten betrouwbaar acht. Met name waar in de verklaringen wordt gerept over het toepassen van voodoorituelen kan niet worden vastgesteld of deze verklaringen overeenkomstig de waarheid zijn, dan wel slechts zijn afgelegd omdat in de voorgesprekken met derden voodoo uitdrukkelijk en bij herhaling aan de orde is gebracht. Daarnaast blijkt de toepassing van voodoo ook onvoldoende uit andere bewijsmiddelen. Dit leidt ertoe dat het hof tot deelvrijspraken komt van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op voodoopraktijken. Voor het overige zal het hof slechts die delen van de verklaringen van aangeefsters gebruiken waarvan het de overtuiging heeft bekomen dat die betrouwbaar zijn, hetzij omdat onwaarschijnlijk is dat die verklaringen slechts zijn afgelegd ten gevolge van beïnvloeding door derden, hetzij omdat die verklaringen passen bij en/of voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging met betrekking tot de zogenoemde de 8ste verklaring [medeverdachte 2]

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - betoogd dat de achtste verklaring van [medeverdachte 2] (hierna verder te noemen: [medeverdachte 2]), gedateerd 11 februari 2008, moet worden uitgesloten van het bewijs nu deze verklaring onder druk van beloften en dreigementen tot stand is gekomen. Verder kan de gang van zaken tijdens en voorafgaande aan het verhoor niet goed worden gecontroleerd, omdat in het proces-verbaal van getuigenverhoor sprake is van ernstige onherstelbare gebreken in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering alsmede uit het systeem van de wet volgt dat aan de toepassing van dit artikel beperkingen zijn gesteld.

Art. 359a van het Wetboek van Strafvordering heeft uitsluitend betrekking op onherstelbare vormverzuimen. Ingeval het vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld, is deze bepaling niet van toepassing. Blijkens de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting moet de rechter zoveel mogelijk naar zulk herstel van het verzuim streven.

Indien binnen bovenstaande grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren, "het belang dat het geschonden voorschrift dient", "de ernst van het verzuim" en "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt" moeten worden gerechtvaardigd.

Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Art. 359a van het Wetboek van Strafvordering is niet van belang voor vormverzuimen waardoor de betrouwbaarheid van het aldus verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed. Dan zal het onderzoeksmateriaal immers reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing worden gelaten.

Moet er met betrekking tot de verklaring in kwestie gesproken worden van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering?

[medeverdachte 2] is acht keer door de politie gehoord. In haar eerste, tweede, zesde en gedeeltelijk in haar zevende verhoor heeft [medeverdachte 2] antwoord gegeven op aan haar gestelde vragen. In de derde tot en met vijfde verhoren heeft [medeverdachte 2] zich beroepen op haar zwijgrecht.

In haar tweede verhoor op 27 januari 2008 heeft [medeverdachte 2] aan de hand van foto's enkele verdachten herkend en zij heeft verklaard zij dat zij in totaal viermaal een ticket voor anderen heeft gekocht, tweemaal in opdracht van [medeverdachte 19] en tweemaal in opdracht van vrienden van [medeverdachte 19]. In het zevende verhoor heeft [medeverdachte 2] verklaard over haar eigen rol, namelijk dat zij wel eens tickets kocht in opdracht van [medeverdachte 19]. Als [medeverdachte 19] dat vroeg dacht zij er niet over na en zij kocht de tickets. Zij kreeg daar geen geld voor.

In haar achtste verhoor op 11 februari 2008 heeft [medeverdachte 2] een uitgebreide en gedetailleerde verklaring per zaaksdossier afgelegd. Dit gebeurde blijkens het proces-verbaal veelal aan de hand van foto's van slachtoffers en tapgesprekken. Ook heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij van [medeverdachte 19] had gehoord dat alle meisjes bestemd waren voor de prostitutie en dat zij hierover ook met enkele meisjes had gesproken. Het door de opsporingsambtenaren op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal is ondertekend door [medeverdachte 2].

[medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris op 1 september 2008 als getuige verklaard dat haar achtste verklaring onder druk tot stand is gekomen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij aannam dat de verklaring die zij op 11 februari 2008 heeft afgelegd de verklaring was die de politie wilde horen. Over de zaak inhoudelijk wilde [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris geen vragen beantwoorden.

Op 3 april 2009 is [medeverdachte 2] in het kader van een videoconferentie opnieuw door de rechter-commissaris gehoord. Bij die gelegenheid heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij in het verhoor half de waarheid heeft verklaard en half heeft gelogen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij niet wist dat de meisjes in de prostitutie gingen werken. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de politieagenten haar onder druk hebben gezet en dat zij heeft verklaard wat zij wilden horen.

In de fase van het hoger beroep is [medeverdachte 2] als getuige op 16 maart 2011 opnieuw in het kader van een videoconferentie gehoord door een gedelegeerd raadsheer-commissaris. Tijdens dit verhoor heeft [medeverdachte 2] zich integraal beroepen op haar verschoningsrecht.

Het hof merkt op dat [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris verklaart dat zij in het achtste verhoor ten gevolge van de druk een gedeeltelijk onware verklaring heeft afgegeven, maar niet dat het proces-verbaal een onvolledige of onjuiste weergave zou vormen van hetgeen zij vervolgens verklaard heeft.

De twee bij het achtste verhoor van [medeverdachte 2] betrokken verbalisanten zijn door de rechter-commissaris en ter terechtzitting gehoord over de inhoud en duur van het inleidend gesprek, de wijze van stellen van vragen, de gemoedstoestand van [medeverdachte 2] voorafgaande en tijdens het verhoor, het overleg met de raadsman en de onderbrekingen van het verhoor. De twee verbalisanten hebben daar uitgebreid over verklaard. Verbalisanten hebben ontkend dat er aan [medeverdachte 2] beloften zijn gedaan of dat zij op oneigenlijke wijze onder druk is gezet.

De verdediging heeft aangevoerd dat door de gebrekkige wijze van vastlegging van het proces-verbaal van verhoor niet meer kan worden gecontroleerd op welke wijze het verhoor heeft plaatsgevonden. De betrouwbaarheid van de verklaring kan daardoor niet meer worden vastgesteld op grond waarvan de achtste verklaring van [medeverdachte 2] moet worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt terzake als volgt en maakt daarbij onderscheid tussen de weergave in het proces-verbaal van het inleidend gesprek voorafgaande aan het eigenlijke verhoor en de weergave van het zaaksinhoudelijke deel van het verhoor.

Voor zover de verweren betrekking hebben op de volledigheid of juistheid van het zaaksinhoudelijke deel van het proces-verbaal, verwerpt het hof die verweren nu noch [medeverdachte 2], noch de verbalisanten bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat het proces-verbaal een onvolledige of onjuiste weergave zou zijn van de verklaring die [medeverdachte 2] heeft afgelegd. De verweren missen op dat punt een feitelijke grondslag.

[medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris over het inleidende gesprek verklaard dat zij een gedeeltelijk onware verklaring heeft afgelegd, omdat haar tijdens het aan verhoor voorafgaande inleidende gesprek beloften zijn gedaan en is verteld dat als zij niet mee zou werken zij negen jaar gevangenisstraf zou krijgen.

De weergave van het inleidende gesprek in het proces-verbaal is op dit punt slechts onvolledig indien en voor zover [medeverdachte 2] inderdaad beloften zijn gedaan of zij inderdaad op ongeoorloofde wijze onder druk is gezet. Het hof zal dan ook thans aandacht besteden aan de vraag of aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 2] onder ongeoorloofde druk of beloften heeft verklaard.

Op het moment dat het gewraakte verhoor plaatsvond zat [medeverdachte 2] al enkele weken vast. Zij kon haar verzorgende taak als moeder van de twee jonge kinderen daardoor niet vervullen. Ongetwijfeld heeft die situatie grote druk op haar gelegd, maar dat was een vorm van druk die in de regel eigen is aan verhoren in een detentiesituatie. Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door alleen al ten gevolge van het feit dat [medeverdachte 2] zich in detentie bevond -ook niet in haar specifieke situatie als moeder van twee zeer jonge kinderen die in Frankrijk waren achtergebleven - haar verklaring niet meer in vrijheid is afgelegd.

Ten aanzien van de eventueel op [medeverdachte 2] uitgeoefende druk staat voorop dat het een politieambtenaar niet is toegestaan om aan een verdachte mededelingen te doen die de strekking hebben van de verdachte een verklaring te verkrijgen waarvan niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid is afgelegd.

Zowel verbalisant [verbalisant 2] als verbalisant [verbalisant 1] hebben bij de rechter-commissaris ontkend dat in het inleidende gesprek voorafgaande aan het verhoor beloften zijn gedaan en dreigementen zijn geuit.

Dat aan [medeverdachte 2] door de verbalisanten beloften zijn gedaan of dat zij anderszins op onaanvaardbare wijze in het aan het achtste verhoor voorafgaande inleidende gesprek onder druk zou zijn gezet acht het hof niet aannemelijk geworden. De enkele verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris daaromtrent acht het hof onvoldoende.

Overige omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat [medeverdachte 2] beloften zijn gedaan dan wel oneigenlijk door verbalisanten onder druk is gezet blijken niet uit het dossier

Er is derhalve geen sprake van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat sanctionering in de vorm van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting van de verklaring of strafvermindering niet aan de orde komt.

Met betrekking tot de vraag of de verklaring van [medeverdachte 2] betrouwbaar is, overweegt het hof dat de door [medeverdachte 2] afgelegde en ondertekende en op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakte achte verklaring steun vindt in:

- de tweede en zevende verklaring van [medeverdachte 2] voor wat betreft het regelen van tickets voor [medeverdachte 19] en de herkenning van [medeverdachte 19];

- tapverslagen en verklaringen van meisjes die via haar naar Spanje of Italië zijn gereisd.

Gelet op de inhoud van deze stukken acht het hof de achtste verklaring van [medeverdachte 2] betrouwbaar.

Het hof verwerpt de verweren en acht de achtste verklaring van [medeverdachte 2] bruikbaar voor het bewijs.

Verklaringen niet getraceerde getuigen

Voor zover er in de bewijsmiddelen verklaringen zijn opgenomen die niet in het bijzijn van en door verdachte dan wel de verdediging zijn ondervraagd, berust het bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de strafbare feiten niet in beslissende of overwegende mate op de verklaring van die getuige.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in de aanvulling op dit arrest is opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewijsoverwegingen per zaaksdossier:

[slachtoffer 18] en [slachtoffer 19]

[slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] zijn op 23 augustus 2006 vertrokken uit een asielzoekerscentrum (AZC) in Middelburg. Beide meisjes zijn Nederland enkele weken eerder binnengekomen met gebruikmaking van een vals paspoort.

Na hun vertrek uit het AZC hebben de meisjes enkele dagen in een woning in Amsterdam verbleven1. Zij zijn door [medeverdachte 19] (het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte 19]) naar die woning gebracht.

Verdachte heeft verklaard dat zij deze meisjes herkent op de aan haar getoonde foto's als [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19]. Zij heeft hen in opdracht van haar echtgenoot [medeverdachte 19] (het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte 19]) eind augustus 2006 opgehaald van het treinstation in Milaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij met deze meisje verder is gereisd door Italië en dat zij deze meisjes in Rome en Napels heeft afgeleverd aan vrouwen.

Zij heeft contact gehad met [medeverdachte 19] na aflevering van één van de meisjes. [medeverdachte 19] vroeg verdachte of zij het 'ding' van het meisje had afgenomen2.

Verdachte heeft zich tijdens de verhoren het voornoemde telefoongesprek tussen haar en [medeverdachte 19] met betrekking tot het 'ding' herinnerd. De verklaring van verdachte dat zij niet weet wat er met het 'ding' wordt bedoeld en haar latere verklaring dat met het 'ding' een tas wordt bedoeld, acht het hof ongeloofwaardig. Verdachte begeleidde de meisjes, die bij hun inreis in Nederland niet beschikten over een geldig paspoort of een geldig identiteitsdocument. Verdachte moest 'het ding' af pakken dat kennelijk alleen nodig was tijdens de reis, maar niet meer vereist was op het moment dat het meisjes ter plaatse was aangekomen. Verdachte en [medeverdachte 19] hadden hierover in bedekte termen contact, hetgeen duidt op enige importantie van het 'ding'. Verdachte had tijdens de reis door Italië een actieve rol had en ze had meermalen contact met [medeverdachte 19] over de door hem georganiseerde reis. Met het 'ding' kan naar het oordeel van het hof derhalve niets anders worden bedoeld dan een vals paspoort of identiteitsdocument waarvan de meisjes gebruikmaakten. Verdachte wist dus dat zij wederrechtelijk reisden door Italië. Zij heeft zich dus ten aanzien van deze meisjes schuldig gemaakt aan mensensmokkel.

[slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] is op 21 juli 2006 Nederland ingereisd. Hem werd de toegang tot Nederland ontzegd, omdat hij niet beschikte over een geldig paspoort. Hij is op 5 september 2006 verdwenen uit het asielzoekerscentrum waar hij verbleef.

Verdachte heeft verklaard dat zij een jongen en een meisje op verzoek van [medeverdachte 19] begeleidde tijdens hun busreis van Amsterdam naar Parijs.

Uit de passagierslijsten van de bus blijkt dat verdachte en een persoon onder de naam [naam] op 12 september 2006 van Amsterdam naar Parijs (enkele reis) zijn gereisd. [naam] heeft tevens geboekt voor een persoon genaamd [naam].

Op 14 september 2006 is [slachtoffer 1] gebruikmakend van een identiteitsdocument op naam van [naam] op de grens tussen Frankrijk en Spanje aangehouden. [slachtoffer 1] beschikte niet over enig ander grensoverschrijdingdocument.

In september 2006, derhalve na [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19], is [slachtoffer 1] onder begeleiding van verdachte van Nederland naar Frankrijk gereisd.

Verdachte had in augustus 2006 ook op verzoek van haar echtgenoot [medeverdachte 19] reeds twee personen begeleid die niet over grensoverschrijdingsdocumenten beschikten.

Verdachte had dus ernstige redenen om te vermoeden dat ook [slachtoffer 1] niet over geldige papieren beschikte. Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel met betrekking tot [slachtoffer 1].

Criminele organisatie

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met meerdere personen heeft samengewerkt bij het tot stand brengen van mensensmokkel.

Uit het dossier blijkt dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij iedere deelnemer zijn eigen taken heeft ten einde de Nigeriaanse meisjes (en een enkele jongen) uit asielzoekerscentra naar andere landen in Europa te brengen. Het uiteindelijke doel van de organisatie is om de meisjes in de prostitutie te werk te stellen.

Verdachte is een schakel geweest in de organisatie door een jongen te begeleiden tijdens zijn reis van Nederland naar Frankrijk. Verdachte heeft meermalen contact onderhouden met haar echtgenoot, in wiens opdracht zij handelde. Dat niet alleen haar echtgenoot een medepleger was, maar dat sprake was van een groter verband blijkt uit de vijfde verklaring van [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij na contacten met [medeverdachte 19] en [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) werd gebeld door de man uit Delft (het hof begrijpt: [medeverdachte 11]). [medeverdachte 11] wilde dat [medeverdachte 9] iemand (gebleken is dat het [slachtoffer 36] betreft, zij staat niet op de tenlastelegging van [verdachte]) op zou halen bij zijn huis. Nadat [medeverdachte 9] een meisje van [medeverdachte 11] overgedragen had gekregen, kreeg [medeverdachte 9] van [medeverdachte 11] het telefoonnummer van [verdachte], teneinde contact met haar op te nemen voorafgaande aan de overdracht van dat meisje door [medeverdachte 9] aan verdachte. Tijdens de reis van [medeverdachte 9] en het meisje hebben [medeverdachte 11], verdachte en [medeverdachte 9] contact met elkaar gehad, aldus [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij het meisje in Amsterdam heeft overgedragen aan verdachte. Nu verdachte ook met anderen dan haar echtgenoot [medeverdachte 19] contact heeft gehad over de mensensokkel, heeft zij op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard deel te nemen aan een criminele organisatie.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Feit 2 subsidiair:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en Frankrijk en Italië, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens anderen, te weten

-[slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en

-[slachtoffer 1] )

a. behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de

zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, terwijl verdachte wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was,

immers hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar in vereniging genoemde personen in Nederland, nadat die personen uit de opvang voor asielzoekers waren vertrokken die personen vervoerd of doen of laten vervoeren en die personen voorzien een vals of vervalst paspoort en/of identiteitspapieren en die personen doen of laten reizen vanuit Nederland naar Frankrijk en/of Italië.

feit 3:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en België en Frankrijk en Italië en Engeland, heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, ook [medeverdachte 19] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 11] deel uitmaakten en welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:

- het (telkens) plegen van mensenhandel;

- het (telkens) plegen van mensensmokkel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van mensensmokkel van drie jonge Nigerianen. Verdachte heeft hen naar andere Europese landen gebracht, en aldus deelgenomen aan de criminele organisatie waar verdachte deel van uit maakte.

Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de Nederlandse als de internationale rechtsorde. Bekend is immers dat mensensmokkel tot gevaarlijke en mensonterende situaties kan leiden.

Gelet op de ernst van de feiten is de oplegging van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf geïndiceerd. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren gebaseerd op een veroordeling voor mensenhandel. Daarvan is verdachte vrijgesproken. Het oordeel van de rechtbank om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar op te leggen is gebaseerd op een veroordeling voor mensensmokkel van 8 personen en op deelname aan een criminele organisatie. Het hof acht mensensmokkel ten aanzien van 3 personen en deelname aan een criminele organisatie bewezen. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden passend en geboden is.

Daarvan zullen 6 maanden voorwaardelijk worden opgelegd. Het hof acht dit noodzakelijk, teneinde te pogen om verdachte - die is getrouwd met degene die haar opdracht gaf tot het plegen van mensensmokkel - ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

In eerste aanleg is sprake geweest van een geringe overschrijding van de redelijke termijn (ruim een maand). Ook is niet binnen twee 2 jaar na in het door verdachte ingesteld hoger beroep arrest is gewezen. Er zal door het hof echter geen korting worden toegepast op de op te leggen staf.

Het betreft een zeer complexe zaak en er zijn meerdere getuigen gehoord op verzoek van verdachte, zodat de (geringe) overschrijding van (in totaal) vier maanden voor rekening van verdachte komt.

Benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 3] en [benadeelde 2]

[benadeelde 1], Osato [benadeelde 3] en [benadeelde 2] hebben zich in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partijen. De rechtbank heeft [benadeelde 1] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat deze niet van eenvoudige aard zijn. Op de vordering van [benadeelde 2] heeft de rechtbank niet beslist.

[benadeelde 1], [benadeelde 3] en [benadeelde 2] hebben hun vorderingen tot schadevergoeding in de zaak tegen verdachte in hoger beroep uitdrukkelijk gehandhaafd.

[benadeelde 3] staat niet op de tenlastelegging van feit 1 en 2. Het hof is voorts van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de criminele organisatie zoals die is bewezenverklaard handelingen heeft verricht met betrekking tot [benadeelde 3]. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

De vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben betrekking op hun werkzaamheden in de prostitutie en de gevolgen die zij daarvan hebben ondervonden.

Verdachte is vrijgesproken van mensenhandel gepleegd jegens [benadeelde 1] en [benadeelde 2], zoals is ten laste gelegd onder 1. Met betrekking tot de vraag of verdachte aansprakelijk is voor hun schade, omdat zij heeft deelgenomen aan de criminele organisatie die hen in de prostitutie heeft gebracht, overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De vordering van de benadeelde partijen strekt tot vergoeding van de ten gevolge van de onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie geleden schade. Deze strafbare gedraging, zoals neergelegd in 140 van het Wetboek van Strafrecht, ziet op bescherming van de openbare orde. Nu de benadeelde partijen niet zijn getroffen in dit belang dat met de overtreding van deze strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, is - naar het oordeel van het hof - geen sprake van schade die de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen hebben geleden. De benadeelde partijen kunnen daarom niet in hun vorderingen worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 140 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging voor zover het strafbare feit en niet (mede) in Nederland is begaan en geen betrekking heeft op mensenhandel ten aanzien van personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (maanden) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 3], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P. Greve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder, griffier,

en op 12 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Greve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Verklaring [getuige 5],10e verhoor 27-307071, p 134 gele map verdachtendossier 13.

2 Zie tap p 86, gele map vd 03 en verklaring verdachte op p. 71, gele map vd 03.