Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV8567

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
24-003224-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:474, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koolvis-zaak. Mensensmokkel. Ne bis in idem. Verhoorprotocol.

Hoewel vaststaat dat vele meisjes uiteindelijk in de prostitutie terecht zijn gekomen, acht het hof mensenhandel in enige vorm bij verdachte niet bewezen. Verdachte heeft wel contact gehad met personen waarvoor de meisjes als prostituee hebben gewerkt, maar het hof acht niet overtuigend bewezen dat verdachte ervan op de hoogte was dan wel op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de meisjes in de prostitutie te werk zouden worden gesteld of op andere wijze zouden worden uitgebuit. De contacten die verdachte met zowel de "aanbrengers" van de meisjes in Nigeria, als met de "afnemers" in Italië/Spanje had, passen ook in het scenario van mensensmokkel.

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003224-09

Uitspraak d.d.: 12 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 en 14 oktober 2010, 10 mei 2011, 14 september 2011, 23, 24, 25 en 26 januari 2012 en 27 februari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging voor zover het betreft feit 1, betrekking hebbende op de slachtoffers [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] en voor zover het betreft feit 3. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman naar voren is gebracht.

Nadere onderzoekswensen verdediging

Bij brief van 16 januari 2012, gericht tot de advocaat-generaal heeft mr. Faber namens verdachte [verdachte] verschillende verzoeken geformuleerd die de raadsman ter zitting heeft toegelicht, conform zijn aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota.

Aanleiding voor de verzoeken is het in Italië gewezen vonnis van 30 november 2011, welke uitspraak het openbaar ministerie heeft laten vertalen in de Nederlandse taal en ter beschikking is gekomen van het hof en de verdediging op 11 januari 2012. Een afschrift van de genoemde brief met onderzoekswensen de dato 16 januari 2012 verzond mr. Faber diezelfde dag per post aan de het hof. Ter zitting heeft de raadsman de verzoeken nader toegelicht. Nadat het hof ter terechtzitting de verzoeken had afgewezen, heeft de verdediging ter gelegenheid van het pleidooi de verzoeken herhaald. Het hof zal dan ook - wederom - een beslissing nemen op die verzoeken.

Kort samengevat bevat de brief van de raadsman de navolgende verzoeken:

1. het horen als getuige van de plaatsvervangend advocaat-generaal mr. Veurink, indiens hoedanigheid van zaaksofficier van justitie in eerste aanleg;

2. het horen als getuige van de teamleiders [verbalisant 1] en [verbalisant 2];

3. het horen als getuige van de zaaksofficier in Italië, genaamd [naam]

4. het horen van de Nederlandse liaison officer;

5. het horen als getuige van de Italiaanse liaison officer;

6. het horen als getuige van brigadier [verbalisant 3];

7. het horen als getuige van [benadeelde 1];

8. het horen als getuige van [slachtoffer 2] ;

9. een Nederlandse vertaling van de verwijzingsbeschikking d.d. 11 juni 2010 en de tenlastelegging die de basis vormde voor die beschikking;

10. de benoeming van een getuige deskundige in het Italiaanse straf(proces)recht, die de procedurele gang van zaken tijdens de vervolging en de berechting van verdachte [verdachte] in Italië moet onderzoeken;

11. een Nederlandse vertaling van de beschikking d.d. 29 maart 2011 (aanhaling Hof van Cassatie);

12. een onderzoek naar -en een vertaling van- alle mogelijke tussenvonnissen van de Assisenrechtbank Pesoro;

13. een Nederlandse vertaling van de uit Italië afkomstige rechtshulpverzoeken en in dit kader door de Italiaanse autoriteiten verstrekte stukken;

14. het verrichten van een onderzoek in alle overigen arrondissementen in Italië, maar ook in Spanje, België en Frankrijk en overige landen betrokken bij de internationale (politiële) samenwerking inzake Koolvis, naar eventuele vervolgingen en berechtingen van verdachte [verdachte];

15. een vertaling van alle op schrift gestelde afspraken die zijn gemaakt met de Italiaanse autoriteiten;

16. het verrichten van onderzoek naar mogelijke 'kennisgevingen van buitenvervolgingstelling';

17. een bevestiging van de advocaat-generaal dat de Italiaanse autoriteiten afzien van het instellen van een hoger beroep tegen de tegen verdachte [verdachte] uitgesproken vrijspraak

18. een hernieuwde zoekslag naar alle als onvindbaar geregistreerde getuigen;

19. horen getuige [getuige 4] (nog aanvullend verzocht door mr. Faber ter zitting).

Beoordelingskader verzoeken

De door het hof gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van niet verschenen getuigen in hoger beroep laat zich als volgt weergeven.

1. Bij tijdig (bij appelschriftuur) ingediende verzoeken (in de zin van artikel 410 lid 3 jo. lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) gaat het criterium van het 'verdedigingsbelang' op, doordat artikel 264 van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

2. Oproeping van getuigen kan in een dergelijk geval - door van toepassing verklaring van artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering (zie artikel 418 lid 1 van Wetboek van Strafvordering) - worden geweigerd indien:

2.1. onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;

2.2. het - kort gezegd - gegronde vermoeden bestaat van het gevaar van schade aan de gezondheid/veiligheid van de getuige;

2.3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.

3. Bij niet bij appelschriftuur ingediende verzoeken vormt het 'noodzakelijkheidscriterium' (in de zin van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering) het beoordelingskader waarbinnen verzoeken dienen te worden beoordeeld (artikel 418 lid 3 jo. artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering).

4. In het geval de appelschriftuur met verzoeken later wordt ingediend dan in de artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn, maar wel binnen 14 dagen nadat het uitgewerkte vonnis door de verdediging is ontvangen, is het 'noodzakelijkheidscriterium' van toepassing. Maar - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - kan aan het 'noodzakelijkheidscriterium' een zodanige invulling worden gegeven dat er geen wezenlijk verschil is met het resultaat dat bij de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt (HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626).

5. Het 'noodzakelijkheidscriterium' fungeert eveneens als maatstaf indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige/de deskundige waar om wordt verzocht ten overstaan van een rechter (rechter-commissaris of een rechter ter zitting) is gehoord (artikel 418 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).

Met betrekking tot de alle hierboven genoemde verzoeken is de hierboven onder 3 genoemde categorie van toepassing. De beoordeling van de verzoeken dient derhalve plaats te vinden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

Mr. Faber stelt zich op het standpunt dat gezien het recente verschijnen van het Italiaanse vonnis er sprake is van een novum, waardoor het criterium dichter tegen dat van het verdedigingsbelang aangeschoven zou moeten worden, in de zin zoals hierboven onder 4. genoemd. Het hof volgt de raadsman hierin niet. Reeds in maart 2010 is verdachte en zijn raadsman op de hoogte gesteld dat aan hem in Italië in verband met de jegens hem aanhangige strafzaak een raadsman is toegewezen en voorts wordt verdachte op de hoogte gesteld van de hem toekomende rechten en de contactgegevens van de aan hem toegevoegde raadsman. Anders dan de raadsman heeft betoogd doet zich naar het oordeel van het hof niet de situatie voor dat aan het 'noodzakelijkheidscriterium' een zodanige invulling moet worden gegeven dat er geen wezenlijk verschil meer zou zijn met het resultaat dat bij de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.

Beoordeling van de verzoeken

De verzoeken hebben gemeenschappelijk dat ze van doen hebben met wat het hof gemakshalve kort en bondig aanduidt met de 'Italiaanse kwestie'.

Het hof denkt een onderverdeling aan te kunnen brengen in aard van de verzoeken. Enerzijds formuleert de raadsman verzoeken ter onderbouwing van zijn stelling dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat het openbaar ministerie gemene zaak heeft gemaakt met de Italiaanse vervolgende instantie; een werkwijze die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn recht tot vervolging zou kunnen raken. Anderzijds doet de raadsman verzoeken in het kader van zijn stelling dat niet op voorhand is uit te sluiten dat er in de Italiaanse procedure beslissingen zijn genomen die door de raadsman worden aangeduid als 'kennisgevingen van buitenvervolgingstelling'. Feiten die op deze wijze zouden zijn afgedaan zouden ook onder een 'ne bis in idem'-werking kunnen vallen. De raadsman verwijst hiertoe naar het Kaderbesluit (2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009) en art. 54 Schengen uitvoeringovereenkomst (SUO).

Om met dit laatste te beginnen: dit standpunt van de raadsman vindt geen steun in het recht. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1990-1991, 22 140, nr. 3, pag. 33) blijkt namelijk het volgende t.a.v. de strekking van art. 54 SUO:

'Deze bepaling bevat de erkenning van buitenlandse onherroepelijke vonnissen als beletsel voor het instellen van een strafvervolging terzake van dezelfde strafbare feiten. Deze bepaling komt overeen met artikel 68, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat onder meer buitenlandse veroordelingen en ook vrijspraken door 'Schengen' worden beschermd.'

De uitdrukkelijke verwijzing naar het tweede lid van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten kennelijk niet door de Schengen Uitvoeringsovereenkomst worden bestreken.

De stelling van de raadsman dat zijn cliënt rechtstreeks aanspraken zou kunnen ontlenen aan het Kaderbesluit nu dit besluit een zogenoemde 'rechtstreekse werking' zou kennen, kan verder onbesproken blijven, nu dit geen steun vindt in het recht. Het hof merkt daarbij op dat het Kaderbesluit eerst na het vonnis in de Nederlandse strafzaak op 15 december 2009 in werking is getreden. Uit het Kaderbesluit blijkt voorts dat de nationale overheden in de gelegenheid worden gesteld de nodige maatregelen te treffen om aan dit kaderbesluit te voldoen tot uiterlijk 15 juni 2012.

De verzoeken van de verdediging die de strekking hebben mogelijke buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten te achterhalen, worden afgewezen.

Wat de overige verzoeken betreffen, die de strekking hebben onderzoek te doen naar de mogelijke 'heimelijke vangnetprocedure'-constructie, overweegt het hof het volgende:

Het hof constateert dat het openbaar ministerie in Nederland in maart 2010 verdachte en zijn raadsman op de hoogte heeft gesteld van het feit dat in Italië een onderzoek tegen verdachte liep en hem een advocaat was toegewezen. Het hof vermag dan ook niet in te zien dat hier sprake is van heimelijkheid.

Het hof stelt vast dat de raadsman herhaaldelijk ter onderbouwing van de relevantie van zijn nadere onderzoekswensen betoogt dat bepaalde (veronder)stellingen en geopperde scenario's van hem 'zeker niet op voorhand kunnen worden uitgesloten'. Het hof stelt voorts vast dat de raadsman de aan zijn onderzoekswensen ten grondslag liggende veronderstellingen niet dan wel ontoereikend voorziet van feiten en omstandigheden, die de ingeroepen noodzakelijkheid van de verzochte onderzoekshandelingen nader kan concretiseren. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen die steun geven aan de stellingen van de raadsman. Nu het hof ook ambtshalve niet de noodzaak ziet van nader onderzoek in de 'Italiaanse kwestie', dienen de verzoeken van de raadsman te worden afgewezen.

Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat de 'Italiaanse kwestie' vanzelfsprekend wel van belang is in de strafzaak tegen verdachte [verdachte]. Alleen beperkt het belang zich in de visie van het hof tot het in Italië gewezen vonnis en de mogelijke rechtsgevolgen van de hierin gegeven vrijspraak voor de door het hof te geven beslissingen. Bij de beoordeling van deze rechtsvraag, meer in het bijzonder in het kader van het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde 'ne bis in idem'-beginsel fungeert het Italiaanse (eind)vonnis de grondslag.

Het hof wijst de verzoeken van de verdediging af.

Verzoeken die samenhangen met het verhoorprotocol

Door de verdediging is bij pleidooi het reeds eerder in de strafprocedure in hoger beroep gedane maar door het hof afgewezen verzoek herhaald om de dominee en de ervaringsdeskundige als getuige te horen. Op deze verzoeken is thans het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Het hof acht het niet noodzakelijk beide getuigen te horen. Het verzoek wordt afgewezen.

Eveneens is bij pleidooi (nogmaals) verzocht een deskundige te benoemen teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters te onderzoeken. Ook op dit verzoek is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Het zich een oordeel vormen omtrent de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van aangeefster, is bij uitstek een taak die is voorbehouden aan de rechter. Het hof acht het niet noodzakelijk een deskundige te benoemen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Rechtsmacht

Verdachte bezit niet de Nederlandse nationaliteit. Evenmin was hij woonachtig in Nederland in de in de tenlastelegging genoemde periode of daarna.

Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden, ongeacht de strafbaarheid van dat feit in het buitenland. (HR 27 oktober 1998, NJ 1999, 221).

In de tenlastelegging van verdachte is - zakelijk weergegeven - als pleegplaats vermeld Nederland en/of een aantal andere landen. Aldus laat de tenlastelegging de mogelijkheid open dat het feit niet mede in Nederland is begaan. In dat geval kan geen rechtsmacht worden gebaseerd op artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht. Evenmin kan in die gevallen rechtsmacht worden gebaseerd op enige andere rechtsregel. Dit brengt met zich dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging voorzover het strafbare feit niet (mede) in Nederland is begaan.

Italiaanse kwestie

Door de advocaat-generaal is naar voren gebracht dat het openbaar ministerie, gelet op de vrijspraak van verdachte [verdachte] in Italië, gedeeltelijk niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte [verdachte]. Het hof heeft ter terechtzitting medegedeeld het ingenomen standpunt van het openbaar ministerie te volgen en het openbaar ministerie bij eindarrest gedeeltelijk niet ontvankelijk te zullen verklaren in de vervolging. Dit is als volgt toegelicht.

Verdachte is in Italië vervolgd en vrijgesproken van mensenhandel/mensensmokkel. Samengevat komt het verwijt dat verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte 19] in Italië is gemaakt op het volgende neer. Onder A wordt hun verweten dat zij zich met anderen hebben verenigd met het oogmerk vrouwen met de Nigeriaanse nationaliteit illegaal toegang te verschaffen tot het grondgebied van Italië of tot dat van andere Europese landen om deze vrouwen in de prostitutie te brengen en systematisch uit te buiten. In de tenlastelegging onder B (waarin verdachte - kort gezegd - mensenhandel wordt verweten) en C (waarin verdachte - kort gezegd - mensensmokkel wordt verweten) worden - voor zover het de verwijten aan verdachte en diens medeverdachte betreft - twee vrouwen genoemd: [benadeelde 1], en [slachtoffer 2]. De rol die verdachte en zijn medeverdachte zouden hebben vervuld ten aanzien van deze vrouwen wordt in de tenlastelegging nader omschreven.

Verdachte [verdachte] is door de Italiaanse rechter vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. De beroepstermijn tegen dit vonnis is medio januari 2012 verlopen. Het openbaar ministerie heeft eerder te kennen gegeven te verwachten dat geen hoger beroep tegen het vonnis zal worden ingesteld door het Italiaanse openbaar ministerie. Ter zitting van het hof is door de advocaat-generaal een brief van de Italiaanse officier van justitie overgelegd waarin deze aangeeft dat [verdachte] van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken, dat hij (officier van justitie) de enige is die belang heeft bij hoger beroep, doch dat hij dat niet zal instellen. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in Nederland zal het hof er vanuit gaan dat het vonnis jegens verdachte [verdachte] onherroepelijk is geworden.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte [verdachte] ten aanzien van feit 3 (criminele organisatie) en ten aanzien van feit 1 voor zover dat feit betrekking heeft op [benadeelde 1], geboren op [1989] en [slachtoffer 2], geboren op [1989].

Het hof volgt het openbaar ministerie in zijn conclusie en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing en zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte [verdachte] ten aanzien van feit 3 (criminele organisatie) en ten aanzien van feit 1 voor zover dat feit betrekking heeft op [benadeelde 1], geboren op [1989] en [slachtoffer 2], geboren op [1989].

Er zijn geen aanwijzingen dat er overigens beletselen als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht in de weg staan aan vervolging van verdachte. Het hof verwijst daarvoor ook naar hetgeen hierboven bij de beoordeling van onderzoekswensen in de zogenoemde "Italiaanse kwestie" is overwogen.

Verhoorprotocol

Op dezelfde wijze als zij in eerste aanleg heeft gedaan, heeft de verdediging op grond van de totstandkoming en het gebruik van het verhoorprotocol de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Vormen in het vooronderzoek zijn onherstelbaar geschonden en zijn van een dermate ernst dat het meest zware rechtsgevolg dat de wet kent in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden toegepast.

De rechtbank heeft hieromtrent, voor zover van belang, in haar vonnis het navolgende overwogen:

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging omdat het ten behoeve van de onderzoeken Koolvis en Kluivingsbos opgestelde en bij de verhoren van de vermeende slachtoffers van mensenhandel gebruikte verhoorprotocol niet alleen als zodanig onrechtmatigheden met zich brengt, maar dat ook de wijze waarop politie en externe partners daarmee zijn omgegaan, onrechtmatigheden heeft veroorzaakt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij die onrechtmatigheden sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor zover sprake zou zijn van schending van andere belangen dan die van verdachte, geldt dat het gaat om zeer fundamentele inbreuken waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

De verdediging heeft in dit verband onder meer verwezen naar de arresten inz. Zwolsman en Karman. (...)

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot dit verweer.

Het rapport d.d. 23 augustus 2007, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], waarin het verhoorprotocol is opgenomen, vermeldt als voornaamste reden voor de totstandkoming daarvan: de wens om enerzijds de verklaringsbereidheid bij vermeende slachtoffers van mensenhandel te vergroten - door vertrouwen te winnen en uitleg te geven - en anderzijds de betrouwbaarheid van de eventueel afgelegde verklaringen te bevorderen.

Het protocol dient twee doelen zo is in het rapport te lezen, namelijk:

1. bevorderen van de waarheidsvinding in het kader van het opsporingsbelang en

2. bieden van hulpverlening aan de vermeende slachtoffers waarbij externe partners worden ingezet om o.a. de invloed van voodoo te bespreken/beperken. Als externe partners zijn ingezet: een Nigeriaanse dominee genaamd [naam] en een ervaringsdeskundige die eerder als tolk is opgetreden in andere mensenhandelzaken.

De opzet van het protocol is besproken tijdens een op 23 augustus 2007 gehouden overleg in Groningen, waarbij een officier van justitie, leden van de onderzoeksteams inz. Koolvis en Kluivingsbos, alsmede de hiervoor bedoelde ervaringsdeskundige en Nigeriaanse dominee aanwezig waren. Het protocol zelf valt uiteen in een vijf-stappenplan waarin - zo constateert de rechtbank - niet alleen een ieders rol is beschreven (van respectievelijk politie, ervaringsdeskundige en dominee) maar waarin ook is aangegeven op welke wijze gesprekken met c.q. verhoren van vermeende slachtoffers dienen plaats te vinden. Daarbij is ook aandacht besteed aan de inzet van audiovisuele hulpmiddelen.

De rechtbank merkt vooreerst op dat de bijzondere aard van dit soort zaken, met name de problemen met betrekking tot de - doorgaans geringe - verklaringsbereidheid van vermeende slachtoffers en de moeizame waarheidsvinding waarmee opsporingsinstanties zich geconfronteerd zien, op zichzelf reden kan zijn op zoek te gaan naar een methode waarbij beide belangen - de waarheidsvinding en een adequate hulpverlening aan slachtoffers - beter gediend worden. De keuze voor een verhoorprotocol, als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, kan daarmee gerechtvaardigd zijn.

Het openbaar ministerie heeft in deze zaak voor een dergelijk verhoorprotocol gekozen en in het kader van de door haar nagestreefde transparantie zijn daarin ook de eisen waaraan de gesprekken tussen vermeende slachtoffers en ervaringsdeskundige/dominee enerzijds en de uiteindelijke verhoren door opsporingsambtenaren anderzijds moeten voldoen, uitdrukkelijk in het verhoorprotocol opgenomen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoorprotocol en de uitvoering daarvan het volgende:

Blijkens het verhoorprotocol hebben de zogenaamde externe partners - de ervarings-deskundige en de dominee dus - duidelijk een verschillende rol in de fase die voorafgaat aan het uiteindelijke verhoor van vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren. De inzet van de dominee dient kennelijk vooral gericht te zijn op hulpverlening, het als gezaghebbend geestelijke bevrijden van eventuele voodoo-invloeden, terwijl voor de ervaringsdeskundige eerder een rol weggelegd lijkt als inhoudelijk gesprekspartner van de Nigeriaanse meisjes/ vrouwen, een en ander met het oog op het eventueel doen van aangifte.

De rechtbank leidt dat niet alleen af uit de verschillende locaties waar ervaringsdeskundige en dominee de gesprekken met de meisjes/vrouwen hebben gevoerd - de dominee op "neutraal" terrein, in elk geval niet het politiebureau, en de ervaringsdeskundige juist wel op het politiebureau - maar ook uit de taakomschrijving van ervaringsdeskundige en dominee.

De dominee moet zich, aldus het protocol, vooral bezighouden met het bestrijden van eventuele voodoo-invloeden terwijl de ervaringsdeskundige meer inhoudelijk bezig is en zaken dient te bespreken als: de invloed van voodoo, de werkwijze van de criminele organisatie waar zij het slachtoffer van was, haar werk in de prostitutie en de uitbuiting.

De ervaringsdeskundige moet met andere woorden haar ervaringen delen met de veronderstelde slachtoffers.

De hiervoor omschreven, in het verhoorprotocol opgenomen, taakverdeling behoeft op zichzelf geen problemen op te leveren indien en voor zover aan de externe partners duidelijke instructies worden gegeven op welke wijze de door hen te voeren gesprekken dienen plaats te vinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de ervaringsdeskundige tijdens haar verhoor ter terechtzitting d.d. 11 mei 2009 desgevraagd heeft verklaard dat zij van de politie geen specifieke instructies voor de door haar met de meisjes/vrouwen te voeren gesprekken heeft gekregen. Aan haar is slechts verteld wat zij in elk geval niet moest doen, namelijk de meisjes dwingen.

Het valt op dat in het verhoorprotocol dergelijke nauwkeurig geformuleerde instructies ontbreken. De rechtbank is niet gebleken dat de externe partners voorafgaande aan de door hen te voeren gesprekken zijn geïnstrueerd door de politie en evenmin is gebleken op welke wijze die gesprekken - in het geval van de ervaringsdeskundige - zijn geëvalueerd.

De rechtbank beschouwt het ontbreken van duidelijke instructies aan de externe partners als een ernstige omissie. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal gesprekken naar het oordeel van de rechtbank terecht scherpe kritiek geuit op de wijze waarop met name de ervaringsdeskundige in gesprek is geweest met de vermeende slachtoffers. De verdediging heeft daarbij onder meer gesteld dat er is gestuurd, gemanipuleerd en geïntimideerd waarbij zowel de ervaringsdeskundige als de dominee als verlengstuk van het opsporingsapparaat zou zijn opgetreden. De rechtbank onderschrijft die kwalificaties niet, omdat daarvan de suggestie uitgaat dat ervaringsdeskundige en dominee doelbewust bezig zouden zijn geweest om een justitie welgevallige en voor de verdachte belastende verklaring te verkrijgen van het betreffende vermeende slachtoffer. Die suggestie mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

Een omissie die niet zozeer aan het verhoorprotocol zelf kleeft, als wel aan de uitvoering daarvan, is het gebrek aan alertheid bij en controle door het openbaar ministerie ten aanzien van zowel de werkwijze van de ervaringsdeskundige als van de dominee. Op grond van het onderzoek is immers komen vast te staan dat de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers heeft verzonden aan politieambtenaren. Zijdens het openbaar ministerie is erkend dat zulks in strijd is met het verhoorprotocol en derhalve niet had mogen gebeuren, maar van die verslagen zou door de politie geen gebruik zijn gemaakt, aldus het openbaar ministerie. Die geruststelling overtuigt de rechtbank niet, immers achteraf kan niet worden meer worden getoetst of en op welke wijze informatie uit bedoelde gespreksverslagen invloed heeft gehad op de inhoud van de in deze zaak afgelegde verklaringen.

Ook ten aanzien van de gesprekken en werkwijze van de ervaringsdeskundige heeft het naar het oordeel van de rechtbank aan de vereiste controle door het openbaar ministerie ontbroken.

In het kader van het doen van een eventuele aangifte dient aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de consequenties daarvan te worden uitgelegd. Die verplichting berust evenwel bij de betreffende opsporingsambtenaar.

De rechtbank stelt echter vast dat de ervaringsdeskundige meer dan eens, en tijdens een en hetzelfde gesprek met een vermeend slachtoffer soms ook bij herhaling, de B9-procedure heeft genoemd en in dat verband niet alleen heeft beklemtoond welke voordelen die procedure kan opleveren, maar ook welke nadelige gevolgen (uitzetting) het kan hebben als je uit de procedure wordt gezet.

Een deugdelijke, inhoudelijke en tijdige evaluatie -aanstonds na een gesprek met een vermeend slachtoffer- had aanleiding kunnen zijn voor de betreffende opsporings-ambtena(a)r(en) om aan de ervaringsdeskundige nog eens duidelijk te maken wat wel en wat niet tot haar taak behoorde.

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop sommige gesprekken door de ervaringsdeskundige zijn gevoerd. In een aantal gevallen lijkt er geen sprake te zijn van een gesprek c.q. dialoog met een vermeend slachtoffer maar eerder van een monoloog van de ervaringsdeskundige waarin zij zeer uitvoerig (soms meer dan 4 pagina's lang) en gedetailleerd vertelt over wat zij heeft meegemaakt.

Het bepaald niet denkbeeldige risico daarvan is dat een getuige/aangeefster in de door haar uiteindelijk ten overstaan van een opsporingsambtenaar af te leggen verklaring/aangifte bewust dan wel onbewust delen van of details uit de "monoloog" van de ervaringsdeskundige overneemt. Met andere woorden: het gevaar van beïnvloeding ligt hier op de loer, waarmee de uiteindelijke aangifte aan betrouwbaarheid en dus bewijskracht kan inboeten.

Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat - naar de ervaring heeft geleerd en statistieken hebben uitgewezen - nogal eens ten onrechte een beroep op de B9-regeling wordt gedaan door vreemdelingen en extra waakzaamheid te dien aanzien in elk geval geboden is,

had naar het oordeel van de rechtbank van het openbaar ministerie in deze zaak mogen worden verwacht dat zij juist bij de inzet van genoemde externe partners volledig de regie had gehouden. Er hadden diverse controlemomenten moeten worden ingebouwd teneinde beïnvloeding van de vermeende slachtoffers te voorkomen.

Met betrekking tot de "daadwerkelijke verhoren" van de vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren is in de toelichting op het verhoorprotocol onder 5. "Monitoren proces/opslag gegevens", vermeld dat daarvan opnamen worden gemaakt en dat die opnamen audiovisueel zullen zijn. De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende aangiftes uitsluitend auditief zijn opgenomen, althans van audiovisuele vastlegging is de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het "daadwerkelijk verhoor" is verder in genoemde toelichting onder 4. onder meer vermeld dat een zogenaamd "studioverhoor" zal plaatsvinden.

Kennelijk heeft men hierbij het oog gehad op het zogenaamde studioverhoor dat standaard - op grond van daarvoor geldende richtlijnen - plaatsvindt in zedenzaken bij het horen van zeer jonge, minderjarige, slachtoffers. De rechtbank constateert dat van studioverhoren geen sprake is geweest ofschoon daar vanwege de aard van de zaak alle reden toe was.

Het bevreemdt de rechtbank evenzeer, en zij beschouwt het als een groot gemis in een zo grote en belangwekkend geachte strafzaak als de onderhavige, dat van vorenbedoelde verhoren geen audiovisuele opnamen zijn gemaakt. Daarmee ontbreekt immers de mogelijkheid om de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen te toetsen.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de volgende conclusie.

Het verhoorprotocol kan op zichzelf worden beschouwd als een legitieme en goed bedoelde poging van het openbaar ministerie om de hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel te verbeteren en daarmee de verklaringsbereidheid bij diezelfde slachtoffers alsmede de waarheidsvinding in deze gecompliceerde zaken te bevorderen.

De rechtbank is overtuigd van de integriteit van het openbaar ministerie bij het opstellen en uitvoeren van meergenoemd protocol en de keuze en inzet van externe partners daarbij.

Van de inzet van een innovatieve, nieuwe opsporingsmethode welke ter goedkeuring aan het College van Procureurs-Generaal had behoren te worden voorgelegd - zoals de verdediging heeft betoogd - is, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De ervaringsdeskundige en de dominee zijn niet ingezet in het kader van het opsporingsonderzoek maar slechts met het oog op het verbeteren van de begeleiding van potentiële slachtoffers van mensenhandel waarbij het kennelijke doel was belemmeringen ten aanzien van het kunnen verklaren over wat er werkelijk was gebeurd, weg te nemen.

Daarbij heeft het openbaar ministerie evenwel uit het oog verloren dat een strakke regie bij uitstek geboden is indien "gebruik" wordt gemaakt van burgerdeskundigen in de fase waarin reeds bewijs wordt vergaard tegen mogelijke verdachten.

Hoezeer die strakke regie vereist is, blijkt alleen al uit het feit dat het openbaar ministerie heeft erkend dat de ervaringsdeskundige, voorafgaande aan het gesprek met [slachtoffer 1], ten onrechte kennis heeft genomen van (relevante) tapgesprekken, waarvan zij de inhoud vervolgens heeft voorgehouden aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Aan het openbaar ministerie kan worden verweten dat zij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het verhoorprotocol en vooral dat zij in ernstige mate te kort is geschoten bij de controle op de uitvoering daarvan.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, kan een en ander verstrekkende gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan.(...)

De rechtbank verwerpt het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overweegt daartoe het volgende.

Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als sanctie is volgens het arrest inz. Zwolsman slechts plaats, indien sprake is van "ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor 'doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan".

Met andere woorden, er dient sprake te zijn van een grove mate van verwijtbaarheid aan het openbaar ministerie.

Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld, dat de belangen van de verdachte in deze zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ingevolge het arrest inz. Karman kan in hoge uitzondering, ook indien geen verwijtbaarheid bestaat en verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt Dat hiervan alleen in hoge uitzondering sprake is en deze (extra) grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie terughoudend dient te worden toegepast volgt uit opvolgende rechtspraak, onder meer in HR 2002, 8 en HR 14 januari 2003, 2003, 288.

De uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Kahn vs het Verenigd Koninkrijk (12 mei 2000) geeft aan dat aan de eis van eerlijkheid van de strafprocedure is voldaan wanneer de strafprocedure 'as a whole' (in zijn geheel) eerlijk is. Het is derhalve niet meer van belang of een verdachte in een belang is geschaad, maar of met de overtreden norm de eerlijkheid van het proces van verdachte is aangetast, waarmee de Schutznorm wordt gerelativeerd.

De rechtbank is van oordeel dat, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, wel kan worden gesproken van ernstige tekortkomingen van het openbaar ministerie bij met name de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat die tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is, dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, dan wel van de situatie dat in casu een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde is geschonden dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt.

De (dis)kwalificaties waarvan de verdediging zich bedient, zijn niet gering. Zo wordt naar voren gebracht dat er sprake is van bewuste beïnvloeding van de latere aangevers en aangeefsters, van intimidatie, van dreiging met repressie en van het tot in detail voorkauwen van de gewenste aangifte. De methode lijkt - aldus de raadsman - op een bewuste vorm van hersenspoeling. Voor het wijzigen van verklaringen worden instructies gegeven. Er is sprake van een bewuste inzet van een geheimhouder, van schending van de geheimhoudingsplicht van die geheimhouder, die onder ede bovendien 'minst genomen' niet de waarheid verklaart. Het openbaar ministerie heeft er bewust voor gekozen om gebruik te maken van door beïnvloeding tot stand gekomen verklaringen, die als gevolg van de gehanteerde werkwijze onmogelijk meer kunnen worden getoetst. Het hof volgt hierin de raadsman niet maar verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. De door de rechtbank gemaakte opmerking dat zij het als een groot gemis beschouwt dat van de verhoren van de vermeende slachtoffers geen audiovisuele opnamen verdient evenwel een kanttekening. De opmerking berust namelijk op een kennelijke onjuistheid: de politieverhoren zijn wel audiovisueel geregistreerd.

De ook door de rechtbank benadrukte bijzondere aard van de ten laste gelegde gronddelicten met betrekking tot bewijsvergaring en waarheidsvinding rechtvaardigen een onderzoek naar methoden die in commune strafzaken minder gebruikelijk zijn en daardoor kunnen afwijken van de geijkte paden, zoals in casu is gedaan door de ontwikkeling van een specifiek verhoorprotocol waarin een rol is weggelegd voor de inzet van burgers zoals ervaringsdeskundigen. De veronderstelling van de zijde van het openbaar ministerie dat de vermeende slachtoffers van mensenhandel -mede vanwege de hiermee verband houdende culturele bepaaldheid van dit fenomeen- door op voodoo geïnspireerde bedreigingen belemmerd zouden kunnen worden in het naar waarheid verklaren, komt ook niet zo maar uit de lucht vallen. "Voodoo-praktijken' om de verklaringsvrijheid van slachtoffers van mensenhandel te beperken blijken niet alleen uit (de via gespreksverslagen kenbare) ervaringen van de ervaringsdeskundige maar ook uit de verklaring van de niet aan het verhoorprotocol onderworpen [slachtoffer 2]. Met de rechtbank ziet het hof in de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol geen belemmering om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De daartoe strekkende verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Algemeen

Omwille van de leesbaarheid zal in dit arrest verdachte [verdachte] ook wel worden aangeduid als [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 19], [medeverdachte 4] respectievelijk [medeverdachte 2] als [medeverdachte 19], [medeverdachte 4] respectievelijk [medeverdachte 2].

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te

Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of elders in

Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of Nigeria,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [benadeelde 2], geboren op [1990], en/of [benadeelde 3], geboren op [1983], en/of [slachtoffer 2], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 4], geboren op [1991] en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989],

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5];

(273a lid 1onder 1e , vernummerd tot 273f lid 1onder 1e , Wetboek van Strafrecht)

en/of

b.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [benadeelde 2], geboren op [1990], en/of [slachtoffer 2], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989] en/of [slachtoffer 4], geboren op [1991] en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989],

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5]

terwijl genoemde personen of een of meer van hen de leeftijd van 18 jaren nog niet had(den) bereikt;

(273a lid 1 onder 2e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 2e Wetboek van Strafrecht)

en/of

c.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [benadeelde 2], geboren op [1990], en/of [benadeelde 3], geboren op [1983], en/of [slachtoffer 2], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989] en/of [slachtoffer 4], geboren op [1991] en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989]

heeft mede genomen en/of heeft aangeworven met het oogmerk die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5]

in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

(273a lid 1 onder 3e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 3e Wetboek van Strafrecht)

en/of

d.

[benadeelde 1], geboren op [1989], en/of [benadeelde 2], geboren op [1990], en/of [slachtoffer 2], geboren op [1989], en/of [slachtoffer 3], geboren op [1989] en/of [slachtoffer 4], geboren op [1991], en/of [slachtoffer 5], geboren op [1989]

meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling terwijl die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] de leeftijd van 18 jaren nog niet had(den) bereikt;

(273a lid 1 onder 5e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 5e Wetboek van Strafrecht)

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar op verschillende tijdstippen, al dan niet met voormeld oogmerk en/of al dan niet opzettelijk

voor wat betreft genoemde [benadeelde 1], (zaaksdossier 2) :

-die [benadeelde 1] in Nigeria verteld of doen of laten vertellen dat in Europa veel werk was en/of dat zij

daar veel geld kon verdienen (code UN 1) en/of

-die [benadeelde 1] in het ongewisse gelaten over de aard van de door haar te verrichten werkzaamheden

(code UN 2) en/of

-die [benadeelde 1] in Nigeria onderworpen of doen of laten onderwerpen aan voodoopraktijken en/of

haar (in dat kader) gezegd dat zij €60.000,-, althans een (groot) geldbedrag, aan ene [naam] moest geven,

althans diende af te dragen (code UN 3) en/of

-voor die [benadeelde 1] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming

binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) ontstond (code UN 4) en/of

- voor die [benadeelde 1] een (vals) paspoort / identiteitsdocument geregeld teneinde vanuit

Nigeria naar Nederland en/of een ander land in Europa te kunnen reizen en/of haar geïnstrueerd met betrekking

tot het verhaal dat zij moest vertellen wanneer zij in Nederland was aangekomen (code UN 5) en/of

- die [benadeelde 1] een telefoonnummer verstrekt hetwelk zij moest bellen wanneer zij in een

opvangcentrum voor asielzoekers was geplaatst (code UN 6) en/of

- die [benadeelde 1] vanuit een opvangcentrum meegenomen naar een woning en haar onderdak verschaft

(code UN 7) en/of

-die [benadeelde 1] naar Italië gebracht en/of vergezeld alwaar die [benadeelde 1] zich diende te

prostitueren (code UN 8) en/of

- voor die [benadeelde 1] in Italië huisvesting geregeld of daarbij bemiddeld (code UN 9) en/of

- die [benadeelde 1] gedwongen, althans bewogen, om (een deel van) haar verdiensten uit de prostitutie

aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) af te staan en/of af te dragen (code UN 10) en/of

- die [benadeelde 1] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie

(code UN 11) en/of

- die [benadeelde 1] gedreigd te slaan en/of geslagen (code UN 12) en/of

- die [benadeelde 1] bedreigd door haar de ernstige consequenties (de dood van haar moeder en/of zusje)

van het verbreken van de Voodoobelofte voor te houden wanneer zij niet zou werken (code UN 13) en/of

- door die [benadeelde 1] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten

brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze geen

Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen van

bestaan en/of geen onderdak had, die [benadeelde 1] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte

en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden,

voor wat betreft genoemde [benadeelde 2], (zaaksdossier 10):

-die [benadeelde 2] in Nigeria onderdak verschaft nadat zij was gevlucht voor geweld in haar

woonplaats (code EV 1) en/of

-die [benadeelde 2] verteld dat zij in het huis, waar zij verbleef, moest blijven om geen aandacht van

andere mensen te trekken (code EV 2) en/of

-die [benadeelde 2] verteld dat zij naar Europa kon gaan en/of daar een rijke vrouw zou worden

(code EV 3) en/of

-die [benadeelde 2] in de waan gelaten dat zij op een boerderij zou gaan werken (code EV 4) en/of

-die [benadeelde 2] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken, waarbij lichaamseigen stoffen

(zoals haar, nagels en/of bloed) werden afgenomen en/of beloften dienden te worden afgelegd (betrekking

hebbend op het zwijgen tegenover de politie en/of het niet doorgeven van namen en/of het niet achterhouden

van geld) waaraan die [benadeelde 2] zich diende te houden om te voorkomen dat zij zou sterven in een

ongeluk of doodbloeden en/of gek worden (code EV 5) en/of

-die [benadeelde 2] verteld dat zij geld diende te betalen aan de (een) vrouw in Italië (code EV 6)

en/of

-die [benadeelde 2] seksueel misbruikt (code EV 7) en/of

-voor die [benadeelde 2] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere

bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of

verdachtes mededader(s) (code EV 8) ontstond en/of

-voor die [benadeelde 2] een (vals) paspoort of identiteitsdocument geregeld teneinde vanuit

Nigeria naar Nederland en/of een ander land binnen Europa te kunnen reizen, althans haar een vliegticket

verstrekt en/of aan boord van een vliegtuig naar Nederland gebracht en/of haar geïnstrueerd met betrekking tot

het verhaal dat zij moest vertellen wanneer zij in Nederland was aangekomen (code EV 9) en/of

- die [benadeelde 2] een telefoonnummer verstrekt hetwelk zij moest bellen wanneer zij in Nederland

in een opvangcentrum voor asielzoekers was geplaatst (code EV 10) en/of

-er voor gezorgd, dat die [benadeelde 2] met onbekende bestemming vertrok uit bedoeld

opvangcentrum, dan wel daarbij een bemiddelende rol gespeeld (code EV 11) en/of

-voor die [benadeelde 2] de reis naar Italië en/of huisvesting dan wel opvang in Italië geregeld of

daarbij bemiddeld (code EV 12) en/of

-die [benadeelde 2] gedwongen, althans bewogen, zich in Italië te prostitueren en/of om (een deel

van) haar verdiensten uit die prostitutie aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) af te staan en/of af te

dragen (code EV 13) en/of

- die [benadeelde 2] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de

prostitutie en/of

- die [benadeelde 2] gecontroleerd tijdens haar werkzaamheden (code EV 14) en/of

- die [benadeelde 2] geslagen en/of gedreigd te slaan (code EV 15) en/of

- door die [benadeelde 2] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten

brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze

geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen

van bestaan en/of geen onderdak had, die [benadeelde 2] in een zeer afhankelijke positie [van

verdachte en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft genoemde [benadeelde 3], (zaakdossier 12):

-die [benadeelde 3] in Nigeria voorgesteld naar Europa te reizen om daar als verkoopster te gaan

werken en/of om schoonmaakwerkzaamheden te verrichten (code JO 1) en/of

-die [benadeelde 3] verteld dat [naam] (de zus van haar vriend [naam]) die zich al in Europa

bevond) haar wel kon helpen om naar Europa te reizen (code JO 2) en/of

-die [benadeelde 3] aan een of meer voodoo-rituelen onderworpen (code JO 3) en/of

-die [benadeelde 3] in Nigeria in een woning ondergebracht en/of haar daar in haar vrijheid beperkt

(code JO 4) en/of

-die [benadeelde 3] verteld dat zij dood zou gaan of gek zou worden wanneer zij iets aan de politie

zou vertellen (code JO 5) en/of

-die [benadeelde 3] verteld hoe ze moest handelen met het te gebruiken paspoort en/of hoe zij zich

moest gedragen op het vliegveld en/of wat zij moest zeggen wanneer zij door de politie werd aangehouden

(code JO 6) en/of

-die [benadeelde 3] een of meer telefoonnummers verstrekt die zij uit het hoofd moest leren en die

zij moest bellen of berichten nadat zij was aangekomen in Nederland, althans Europa, (code JO 7) en/of

-voor die [benadeelde 3] een (vals) paspoort of identiteitsdocument (op naam van [naam] )

geregeld teneinde vanuit Nigeria naar Nederland te kunnen reizen en/of haar een vliegticket verstrekt en/of haar

aan boord van een vliegtuig naar Nederland gebracht (code JO 8) en/of

-voor die [benadeelde 3] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere

bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of

verdachtes mededader(s) ontstond (code JO 9) en/of

-er voor gezorgd, dat die [benadeelde 3] met onbekende bestemming vertrok uit het opvangcentrum

voor asielzoekers in Nederland, waarin zij was geplaatst, dan wel daarbij een bemiddelende rol gespeeld (code

JO 10) en/of

-voor die [benadeelde 3] de reis naar Italië en/of huisvesting dan wel opvang in Frankrijk en/of

Italië geregeld of daarbij bemiddeld en/of haar op een deel van de reis (van Nederland naar Parijs) vergezeld

en/of voor die [benadeelde 3] (daartoe) een (vals) paspoort of identiteitsdocument of zogenaamd

W-document (op naam van [naam]) geregeld en/of aan haar verstrekt of doen verstrekken (code JO

11) en/of

-die [benadeelde 3] gedwongen, althans bewogen, zich in Italië te prostitueren en/of om (een deel

van) haar verdiensten uit die prostitutie aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) af te staan en/of af te

dragen en/of haar gezegd dat zij 6 dagen per week diende te werken, ook gedurende de periode dat zij

menstrueerde, en/of haar daartoe middelen verschaft (code JO 12) en/of

-die [benadeelde 3] verteld dat zij een schuld had bij degene die haar naar Europa had gehaald of

gebracht van € 45.000,-, althans een groot geldbedrag (code JO 13) en/of

-die [benadeelde 3] gedreigd met voodoo (code JO 14) en/of

-door die [benadeelde 3] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten

brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Italië, terwijl deze

geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen

van bestaan en/of geen onderdak had, die [benadeelde 3] in een zeer afhankelijke positie [van

verdachte en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft [slachtoffer 2], (zaaksdossier 3)

-die [slachtoffer 2] in Nigeria voorgesteld naar Italië te gaan om daar voor

iemand werk te gaan verrichten (code AG 1) en/of

-die [slachtoffer 2] (aanvankelijk) in het ongewisse gelaten omtrent de aard

van de te verrichten werkzaamheden en/of haar meegedeeld dat zij dat wel zou horen wanneer ze in

Italië was aangekomen (code AG 2) en/of

-die [slachtoffer 2] verteld dat zij € 60.000,-, althans een aanzienlijk

geldbedrag moest terugbetalen (aan de persoon in Italië) als zijnde de kosten voor het laten reizen naar

Italië (code AG 3) en/of

-die [slachtoffer 2] in Nigeria onderworpen aan een (voodoo-)ritueel waarbij

lichaamseigen stoffen en/of kleding werden afgenomen en/of een eed of belofte diende te worden

afgelegd teneinde haar te houden aan de verplichting tot terugbetaling van genoemd geldbedrag (code

AG 4) en/of

-die [slachtoffer 2] verteld of doen vertellen dat haar slechte dingen zouden

overkomen en/of dat zij getroffen zou worden door hartkwalen wanneer zij niet het geld terug betaalde

(code AG 5) en/of

-die [slachtoffer 2] (in Nigeria) in huis genomen in afwachting van haar

vertrek naar Italië, dan wel Europa, (code AG 6) en/of

-die [slachtoffer 2] een (vals) reisdocument en/of een vliegticket verschaft

en/of haar verteld wat zij moest zeggen wanneer ze eenmaal in Nederland, althans Europa, was

aangekomen en/of haar een telefoonnummer gegeven wat zij moest bellen wanneer zij was

aangekomen en/of er voor gezorgd dat zij aan boord van een vliegtuig naar Nederland kwam

(code AG 7) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 2] met onbekende bestemming vertrok

uit de opvang, waarin zijn in Nederland was geplaatst en/of daarbij contact opgenomen en/of

onderhouden met een of meer van verdachtes mededaders (code AG 8) en/of

-die [slachtoffer 2] vervoerd en/of begeleid of doen begeleiden door

Nederland en/of haar gehuisvest of onderdak verschaft en/of haar verzorgd en/of haar van een of meer

(reis)documenten voorzien (code AG 9) en/of

-die [slachtoffer 2] naar België gebracht en/of ervoor gezorgd dat zij vandaar

via Parijs naar Milaan, althans Italië, is gebracht, althans gereisd en aldaar is opgevangen (code AG

10) en/of

-die [slachtoffer 2] gedwongen, althans bewogen, zich in Italië te

prostitueren en/of om (een deel van) haar verdiensten uit die prostitutie aan verdachte en/of verdachtes

mededaders(s) af te staan en/of af te dragen en/of haar met betrekking tot de prostitutie geïnformeerd

omtrent werkplek, werkkleding en/of te vragen bedragen (code AG 11) en/of

-die [slachtoffer 2] gedreigd met (de gevolgen van) voodoo en/of herinnerd

aan de afgelegde eed of belofte en/of verbaal geweld tegen haar gebruikt en/of haar gedreigd met

represaillemaatregelen tegen haar familie in Nigeria (code AG 12) en/of

-door die [slachtoffer 2] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten

komen of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te

brengen in Italië, terwijl deze geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële

identiteitspapieren en/of geen middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 2] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte en/of verdachtes

mededader(s)] gebracht en/of gehouden;"

voor wat betreft [slachtoffer 3], (zaaksdossier 4):

-die [slachtoffer 3] in Nigeria geronseld en/of onderdak verschaft in afwachting van haar vertrek naar

Europa (code OV 1) en/of

-die [slachtoffer 3] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken en/of haar (in dat kader) gezegd dat zij

een (groot) geldbedrag diende af te dragen (code OV 2) en/of

-die [slachtoffer 3] voorzien van een (vals) paspoort op naam van [naam] en/of voor haar de reis

naar Europa (Nederland) geregeld en/of haar een aanbevelingsbrief meegegeven (code OV 3) en/of

-voor die [slachtoffer 3] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming

binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) ontstond (code OV 4) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 3], nadat zij in Nederland in een opvangcentrum voor asielzoekers

(te Leek) was geplaatst, met onbekende bestemming vertrok uit bedoeld opvangcentrum, dan wel daarbij een

bemiddelende rol gespeeld en/of haar daarna onderdak verschaft (code OV 5) en/of

-die [slachtoffer 3] (via België en/of Frankrijk) naar Italië gebracht of doen brengen of laten reizen (code

OV 6) en/of

-die [slachtoffer 3] in Italië onderdak verschaft en/of haar daar tot prostitutie gebracht (code OV 7) en/of

-door die [slachtoffer 3] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen

of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Italië,

terwijl deze geen Nederlands en/of Italiaans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen

middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 3] in een zeer afhankelijke positie [van

verdachte en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft [slachtoffer 4], (zaaksdossier 8):

-die [slachtoffer 4] in Nigeria geronseld en/of onderdak verschaft in afwachting van haar vertrek naar

Europa (code OK 1) en/of

-die [slachtoffer 4] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken en/of haar (in dat kader) gezegd dat zij

een (groot) geldbedrag diende af te dragen(code OK 2) en/of

-die [slachtoffer 4] voorzien van een (vals) paspoort op naam van [naam] en/of voor haar de reis

naar Europa (Nederland) geregeld en/of haar een aanbevelingsbrief meegegeven (code OK 3) en/of

-voor die [slachtoffer 4] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming

binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) ontstond (code OK 4) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 4] , nadat zij in Nederland in een opvangcentrum voor asielzoekers

(te Baexum) was geplaatst, met onbekende bestemming vertrok uit bedoeld opvangcentrum, dan wel daarbij een

bemiddelende rol gespeeld en/of haar daarna onderdak verschaft (code OK 5) en/of

-die [slachtoffer 4] naar Duitsland gebracht of doen brengen of laten reizen (code OK 6) en/of

-die [slachtoffer 4] in Duitsland onderdak verschaft en/of haar daar tot prostitutie gebracht (code OK 7)

en/of

-door die [slachtoffer 4] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen

of te laten brengen en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Duitsland,

terwijl deze geen Nederlands en/of Duits sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen

middelen van bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 4] in een zeer afhankelijke positie [van

verdachte en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

voor wat betreft [slachtoffer 5], (zaaksdossier 1):

-die [slachtoffer 5] in Nigeria geronseld en/of onderdak verschaft in afwachting van haar vertrek naar

Europa (code OM 1) en/of

-die [slachtoffer 5] in Nigeria onderworpen aan voodoopraktijken en/of haar (in dat kader) gezegd dat

zij een (groot) geldbedrag diende af te dragen (code OM 2) en/of

-die [slachtoffer 5] verteld, althans in de waan gelaten, dat zij in het buitenland naar school zou gaan

(code OM 3) en/of

-die [slachtoffer 5] voorzien van een (vals) paspoort of identiteitsbewijs en/of voor haar de reis naar

Europa (Nederland) geregeld (code OM 4) en/of

-voor die [slachtoffer 5] de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere

bestemming binnen Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of

verdachtes mededader(s) ontstond (code OK 5) en/of

-er voor gezorgd, dat die [slachtoffer 5], nadat zij in Nederland in een opvangcentrum voor asielzoekers

(te Deventer) was geplaatst, met onbekende bestemming vertrok uit bedoeld opvangcentrum, dan wel daarbij

een bemiddelende rol gespeeld en/of haar daarna onderdak verschaft (code OM 6) en/of

-die [slachtoffer 5] naar Frankrijk en/of enig ander land binnen Europa gebracht of doen brengen of

laten reizen (code OM 7) en/of

-die [slachtoffer 5] in Frankrijk onderdak verschaft en/of haar daar tot prostitutie gebracht (code OM 8)

en/of

-door die [slachtoffer 5] vanuit Nigeria naar Nederland te halen, te laten komen of te laten brengen

en/of in Nederland onderdak te verschaffen en/of vervolgens onder te brengen in Frankrijk, terwijl deze geen

Nederlands en/of Frans sprak of begreep en/of geen officiële identiteitspapieren en/of geen middelen van

bestaan en/of geen onderdak had, die [slachtoffer 5] in een zeer afhankelijke positie [van verdachte

en/of verdachtes mededader(s)] gebracht en/of gehouden;

2 primair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Assen en/of

Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of elders in Europa en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer anderen, te weten

-[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (-allen-

zaaksdossier 1) en/of

-[slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12]

(-allen- zaaksdossier 2) en/of

-[slachtoffer 13] en /of [slachtoffer 14] (-beiden- zaaksdossier 3) en/of

-[slachtoffer 15] (ook [slachtoffer 15] genoemd) en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 17]

(-allen- zaaksdossier 4) en/of

-[slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 19] (-beiden- zaaksdossier 5) en/of

-[slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21] (-beiden- zaaksdossier 6) en/of

-[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 48] en/of [slachtoffer 23] (ook [slachtoffer 23]

genoemd) en/of [slachtoffer 24] en/of [benadeelde 5] en/of een persoon die "[slachtoffer 25]" wordt genoemd

(-allen- zaaksdossier 8) en/of

-[slachtoffer 26] (zaaksdossier 9) en/of

-[slachtoffer 27] (zaaksdossier 10) en/of

-[slachtoffer 28] en/of [slachtoffer 29] en/of [slachtoffer 30] (-allen-

zaaksdossier 11) en/of

-[slachtoffer 49] en/of [slachtoffer 31] (alias [slachtoffer 31]) en/of [slachtoffer 32] en/of

[slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 34] (-allen- zaaksdossier 12) en/of

-[slachtoffer 35] en/of [slachtoffer 36] en/of [slachtoffer 37] en/of [slachtoffer 38] (-allen- zaaksdossier 14) en/of

-[slachtoffer 39] (zaaksdossier 15) en/of

-[slachtoffer 40] (zaaksdossier 17) en/of

-[slachtoffer 41] en/of [slachtoffer 42] en/of [slachtoffer 43] (-allen zaaksdossier 18) en/of

-[slachtoffer 44] en/of [slachtoffer 45] en/of [slachtoffer 46] en/of [slachtoffer 47]

(-allen- zaaksdossier 19)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die

hierboven onder 2. genoemde personen of een of meer van hen door die personen of een of meer van hen tot prostitutie te brengen,

immers heeft verdachte toen aldaar met verdachtes mededaders of een of meer van hen, althans alleen, met voormeld oogmerk bedoelde personen of een of meer van hen -hun/haar/zijn kwetsbare positie in Nigeria kennende-

-in Nigeria geworven en/of hen/haar/hem beloofd dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) hen/haar/hem

naar een veilige plaats zou(den) brengen en/of

-hen/haar/hem niet verteld welk soort werkzaamheden zij/hij zou(den) moeten gaan verrichten en/of

-in Nigeria onderworpen of doen of laten onderwerpen aan voodoopraktijken en/of hen/haar/hem (in dat kader)

gezegd dat zij een (groot) geldbedrag diende(n) af te dragen en/of

-voor hen/haar/hem de kosten voor de reis per vliegtuig naar Nederland of enige andere bestemming binnen

Europa betaald waardoor er een verplichting tot terugbetaling aan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

ontstond en/of

-hen/haar/hem per Nederlands vliegtuig vervoerd en/of doen vervoeren naar Nederland en/of enige andere

bestemming binnen Europa en/of

-hen/haar/hem in Nederland uit de opvang voor asielzoekers, waarin zij/hij waren/was geplaatst, vervoerd of

doen of laten vervoeren of overbrengen naar door verdachte en/of verdachte mededader(s) opgegeven plaatsen

in Nederland en/of ondergebracht in een of meer woningen, zulks terwijl bedoelde perso(o)n(en) geen

Nederlands spraken of begrepen en/of geen middelen van bestaan had/(den) en/of geen officiële

identiteitspapieren bezat(en) en/of

-hen/haar/hem (vervolgens) naar een of meer andere landen binnen Europa vervoerd of doen of laten vervoeren

of overbrengen;

(273a lid 1 onder 1e , vernummerd tot 273f lid 1 onder 1e , Wetboek van Strafrecht)

2 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland en/of elders in Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer anderen, te weten

-[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (-allen-

zaaksdossier 1) en/of

-[slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] (-

allen- zaaksdossier 2) en/of

-[slachtoffer 13] en /of [slachtoffer 14] (-beiden- zaaksdossier 3) en/of

-[slachtoffer 15] (ook [slachtoffer 15] genoemd) en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 17] (-

allen- zaaksdossier 4) en/of

-[slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 19] (-beiden- zaaksdossier 5) en/of

-[slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21] (-beiden- zaaksdossier 6) en/of

-[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 48] en/of [slachtoffer 23] (ook [slachtoffer 23]

genoemd) en/of [slachtoffer 24] en/of [benadeelde 5] en/of een persoon die "[slachtoffer 25]" wordt genoemd

(-allen- zaaksdossier 8) en/of

-[slachtoffer 26] (zaaksdossier 9) en/of

-[slachtoffer 27] (zaaksdossier 10) en/of

-[slachtoffer 28] en/of [slachtoffer 29] en/of [slachtoffer 30] (-allen-

zaaksdossier 11) en/of

-[slachtoffer 49] en/of [slachtoffer 31] (alias [slachtoffer 31]) en/of [slachtoffer 32] en/of

[slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 34] (-allen- zaaksdossier 12) en/of

-[slachtoffer 35] en/of [slachtoffer 36] en/of [slachtoffer 37] en/of [slachtoffer 38] (-allen- zaaksdossier 14) en/of

-[slachtoffer 39] (zaaksdossier 15) en/of

-[slachtoffer 40] (zaaksdossier 17) en/of

-[slachtoffer 41] en/of [slachtoffer 42] en/of [slachtoffer 43] (-allen zaaksdossier 18) en/of

-[slachtoffer 44] en/of [slachtoffer 45] en/of [slachtoffer 46] en/of [slachtoffer 47],

(-allen- zaaksdossier 19)

a. behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de

zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft

verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was, (art. 197a lid 1 WvSr)

en/of

b. uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of een andere

lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de

zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die persoon/personen daartoe gelegenheid en/of

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dit verblijf wederrechtelijk was,

(art. 197a lid 2 WvSr)

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar al dan niet in vereniging en/of al dan

niet uit winstbejag genoemde personen of een of meer van hen vanuit Nigeria naar Nederland vervoerd of doen of laten vervoeren en/of (door het verstrekken van vliegtickets) gelegenheid gegeven naar Nederland te reizen en/of die persoon/personen voorzien of doen of laten voorzien van informatie en/of middelen en/of van (een)

vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of (vervolgens) (in Nederland, nadat die persoon/personen zonder toestemming of medeweten van de bevoegde instanties uit de opvang voor asielzoekers waren vertrokken) die persoon/personen vervoerd of doen of laten vervoeren en/of die persoon/personen onderdak verschaft dan wel daarbij bemiddeld en/of die persoon/personen voorzien (een) vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of die persoon/personen doen of laten reizen vanuit Nederland naar België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Noorwegen en/of Duitsland en/of enig ander land binnen de Europese Unie, en dusdoende daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt;

feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Middelburg en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Frankrijk en/of Italië en/of Spanje en/of Engeland en/of Duitsland en/of Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, ook [medeverdachte 19] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] ( [medeverdachte 15]" ) en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 17] en/of [medeverdachte 18] ( "[medeverdachte 18]" ) deel uitmaakte(n) en welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:

- het (telkens) plegen van mensenhandel (art.273a/273f WvSr);

- het (telkens) plegen van mensensmokkel (art. 197a WvSr);

- het (telkens) plegen van het vervalsen van reisdocumenten (art.231 WvSr);

- het (telkens) plegen van valsheid in geschrifte (art. 225 WvSr);

- het (telkens) plegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht (art. 279

WvSr),

zulks terwijl, hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, oprichter, leider en/of bestuurder was van die organisatie; (art.140 WvSr)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde

Zoals hierna zal blijken, acht het hof bewezen dat verdachte heeft meegewerkt aan de verdwijning van uit Nigeria afkomstige personen die als minderjarige asielzoekers waren opgenomen in asielzoekerscentra. Het betrof vooral meisjes/jonge vrouwen. Van een groot aantal meisjes is komen vast te staan dat zij (met name in Italië) in de prostitutie terecht zijn gekomen. Er is in de zaken een bepaald patroon te onderkennen. De meisjes komen met valse reispapieren en voorzien van brieven van fictieve charitatieve instellingen uit Nigeria per vliegtuig naar Schiphol. Na aankomst vragen zij asiel aan. Veel meisjes geven op minderjarig te zijn. Zij worden vervolgens geplaatst in een asielzoekerscentrum en zoeken vanuit dat centrum telefonisch contact met (veelal) verdachte [verdachte]. Deze organiseert vervolgens samen met [medeverdachte 19] het vertrek van de meisjes vanuit asielzoekerscentra. De meisjes worden vervolgens tijdelijk bij kennissen van [verdachte] of [medeverdachte 19] ondergebracht en (veelal via Parijs) naar het land van uiteindelijke bestemming gebracht. De leiding van de asielzoekerscentra wordt uiteraard niet op de hoogte gesteld van het vertrek en het reisdoel van de asielzoekers en die worden dan ook aangemerkt als "vertrokken met onbekende bestemming ("MOB")".

De vraag of sprake is van een leeftijd van 18 jaar of jonger van de meisjes genoemd onder feit 1 heeft het hof niet enkel beoordeeld op de opgegeven leeftijd door de meisjes, nu het hof dit onvoldoende overtuigend acht, maar ook op grond van het leeftijdsonderzoek van de IND. Indien het leeftijdsonderzoek niet overtuigend heeft aangetoond dat de meisjes minderjarig zijn, zal het hof het desbetreffende meisje aanmerken als meerderjarig.

Geen van de meisjes ten laste gelegd onder feit 1 kan worden aangemerkt als jonger dan 18 jaar, derhalve heeft het hof hen aangemerkt als meerderjarig.

Hoewel vaststaat dat vele meisjes uiteindelijk in de prostitutie terecht zijn gekomen, acht het hof mensenhandel in enige vorm bij verdachte [verdachte] niet bewezen. Verdachte heeft wel contact gehad met personen waarvoor de meisjes als prostituee hebben gewerkt, maar het hof acht niet overtuigend bewezen dat verdachte ervan op de hoogte was dan wel op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de meisjes in de prostitutie te werk zouden worden gesteld of op andere wijze zouden worden uitgebuit. De contacten die verdachte met zowel de "aanbrengers" van de meisjes in Nigeria, als met de "afnemers" in Italië/Spanje had, passen ook in het scenario van mensensmokkel.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting derhalve niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

Verweer met betrekking tot bewijsuitsluiting in verband met het verhoorprotocol

Voor zover de door de verdediging uitgeoefende kritiek op het verhoorprotocol niet leidt tot de beoogde niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, bepleit de verdediging bewijsuitsluiting ten aanzien van alle aangiftes die verkregen zijn met toepassing van het verhoorprotocol.

Het hof ziet in de gang van zaken met betrekking tot de ontwikkeling, de inzet alsmede de gebruikmaking van het verhoorprotocol ook geen aanleiding om verklaringen die zijn afgelegd door vermeende slachtoffers integraal uit te sluiten van het bewijs als sanctie in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In die zin worden de daartoe strekkende verweren dan ook door het hof verworpen.

Resteert de vraag of uit een oogpunt van betrouwbaarheid de afgelegde verklaringen wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof is zich bewust dat het inschakelen van derden voorafgaande aan de verhoren het risico meebrengt dat vermeende slachtoffers niet overeenkomstig de waarheid verklaren bij de politie omdat zij door die derden - bewust dan wel onbewust - beïnvloed worden. Zo is niet denkbeeldig dat door kennisneming van de ervaringen van anderen bij de vermeende slachtoffers de indruk wordt gewekt dat zij dienovereenkomstig moeten verklaren. Om die reden is het noodzakelijk in dergelijke gevallen een protocol op te stellen, de in te schakelen derden duidelijk te instruëren en controle achteraf zoveel mogelijk te waarborgen.

Daarbij komt dat uit onderzoek is vastgesteld dat -in strijd met het verhoorprotocol- door de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers zijn verzonden aan politieambtenaren. Het openbaar ministerie heeft erkend dat deze handelwijze in strijd is geweest met het verhoorprotocol en niet had mogen voorkomen. Tevens benadrukt het openbaar ministerie, ook in hoger beroep bij monde van de advocaat-generaal, dat van die verslagen op geen enkele wijze gebruik is gemaakt. Deze 'geruststelling' kon de rechtbank -zo blijkt uit de hierboven aangehaalde onderdelen van het vonnis- echter niet overtuigen. Het hof acht het, alles afwegend, evenwel geenszins waarschijnlijk of aannemelijk dat het verzenden van die gespreksverslagen door de dominee naar de politie de vrijheid van de vrouwen/aangeefsters om naar waarheid te verklaren heeft beïnvloed. Ten overvloede wordt opgemerkt dat verdachte in dit verband geen rechten kan ontlenen aan het feit dat de dominee uit hoofde van zijn ambt tot geheimhouding verplicht is en als getuige verschoningsgerechtigde was. Wel is van belang op te merken dat de status van verschoningsgerechtigde van invloed kan zijn op de mogelijkheid van de verdediging - en ook de rechter - om de gang van zaken rond het verhoorprotocol te toetsen, in zoverre van invloed kan zijn bij het vaststellen van de bewijswaarde van de nadien verkregen aangiftes/verklaringen van de vermeende slachtoffers.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van het doen van aangifte van mensenhandel aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de gevolgen daarvan dienen te worden uitgelegd door een opsporingsambtenaar. Ook de advocaat-generaal heeft daar in hoger beroep nog eens uitdrukkelijk op gewezen. Dat die verplichting bestaat, betekent echter niet dat het bieden van die mogelijkheid niet van invloed kan zijn op de inhoud van de verklaringen die door het vermeende slachtoffer wordt afgelegd. Dit klemt te meer nu is gebleken dat in het onderhavige onderzoek de ervaringsdeskundige in de gesprekken met slachtoffers uitvoerig heeft stilgestaan bij de B9-procedure, met name bij de gevolgen indien de vermeende slachtoffers niet voor die procedure in aanmerking zouden komen.

Zoals hierboven is overwogen kunnen de geconstateerde tekortkomingen gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan. Dit onderzoek is door het hof gedurende de beraadslaging nauwgezet verricht. Het resultaat van dit onderzoek is dat het hof de afgelegde verklaringen niet op alle punten betrouwbaar acht. Met name waar in de verklaringen wordt gerept over het toepassen van voodoorituelen kan niet worden vastgesteld of deze verklaringen overeenkomstig de waarheid zijn, dan wel slechts zijn afgelegd omdat in de voorgesprekken met derden voodoo uitdrukkelijk en bij herhaling aan de orde is gebracht. Daarnaast blijkt de toepassing van voodoo ook onvoldoende uit andere bewijsmiddelen. Dit leidt ertoe dat het hof tot deelvrijspraken komt van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op voodoopraktijken. Voor het overige zal het hof slechts die delen van de verklaringen van aangeefsters gebruiken waarvan het de overtuiging heeft bekomen dat die betrouwbaar zijn, hetzij omdat onwaarschijnlijk is dat die verklaringen slechts zijn afgelegd ten gevolge van beïnvloeding door derden, hetzij omdat die verklaringen passen bij en/of voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging met betrekking tot de zogenoemde 8ste verklaring van [medeverdachte 2]

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - betoogd dat de 8ste verklaring van [medeverdachte 2] (hierna verder te noemen: [medeverdachte 2]), gedateerd 11 februari 2008, moet worden uitgesloten van het bewijs nu deze verklaring onder druk van beloften en dreigementen tot stand is gekomen. Verder kan de gang van zaken tijdens en voorafgaande aan het verhoor niet goed worden gecontroleerd, omdat in het proces-verbaal van getuigenverhoor sprake is van ernstige onherstelbare gebreken in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering alsmede uit het systeem van de wet volgt dat aan de toepassing van dit artikel beperkingen zijn gesteld.

Art. 359a van het Wetboek van Strafvordering heeft uitsluitend betrekking op onherstelbare vormverzuimen. Ingeval het vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld, is deze bepaling niet van toepassing. Blijkens de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting moet de rechter zoveel mogelijk naar zulk herstel van het verzuim streven.

Indien binnen bovenstaande grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren, "het belang dat het geschonden voorschrift dient", "de ernst van het verzuim" en "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt" moeten worden gerechtvaardigd.

Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Art. 359a van het Wetboek van Strafvordering is niet van belang voor vormverzuimen waardoor de betrouwbaarheid van het aldus verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed. Dan zal het onderzoeksmateriaal immers reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing worden gelaten.

Moet er nu met betrekking tot de verklaring in kwestie gesproken worden van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering?

[medeverdachte 2] is acht keer door de politie gehoord. In haar eerste, tweede, zesde en gedeeltelijk in haar zevende verhoor heeft [medeverdachte 2] antwoord gegeven op aan haar gestelde vragen. In de derde tot en met vijfde verhoren heeft [medeverdachte 2] zich beroepen op haar zwijgrecht.

In haar tweede verhoor op 27 januari 2008 heeft [medeverdachte 2] aan de hand van foto's enkele verdachten herkend en zij heeft verklaard zij dat zij in totaal viermaal een ticket voor anderen heeft gekocht, tweemaal in opdracht van [medeverdachte 19] en tweemaal in opdracht van vrienden van [medeverdachte 19]. In het zevende verhoor heeft [medeverdachte 2] verklaard over haar eigen rol, namelijk dat zij wel eens tickets kocht in opdracht van [medeverdachte 19]. Als [medeverdachte 19] dat vroeg dacht zij er niet over na en zij kocht de tickets. Zij kreeg daar geen geld voor.

In haar achtste verhoor op 11 februari 2008 heeft [medeverdachte 2] een uitgebreide en gedetailleerde verklaring per zaaksdossier afgelegd. Dit gebeurde blijkens het proces-verbaal veelal aan de hand van foto's van slachtoffers en tapgesprekken. Ook heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij van [medeverdachte 19] had gehoord dat alle meisjes bestemd waren voor de prostitutie en dat zij hierover ook met enkele meisjes had gesproken. Het door de opsporingsambtenaren op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal is ondertekend door [medeverdachte 2].

[medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris op 1 september 2008 als getuige verklaard dat haar achtste verklaring onder druk tot stand is gekomen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij aannam dat de verklaring die zij op 11 februari 2008 heeft afgelegd de verklaring was die de politie wilde horen. Over de zaak inhoudelijk wilde [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris geen vragen beantwoorden.

Op 3 april 2009 is [medeverdachte 2] in het kader van een videoconferentie opnieuw door de rechter-commissaris gehoord. Bij die gelegenheid heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij in het verhoor half de waarheid heeft verklaard en half heeft gelogen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij niet wist dat de meisjes in de prostitutie gingen werken. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de politieagenten haar onder druk hebben gezet en dat zij heeft verklaard wat zij wilden horen.

In de fase van het hoger beroep is [medeverdachte 2] als getuige op 16 maart 2011 opnieuw in het kader van een videoconferentie gehoord door een gedelegeerd raadsheer-commissaris. Tijdens dit verhoor heeft [medeverdachte 2] zich integraal beroepen op haar verschoningsrecht.

Het hof merkt op dat [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris verklaart dat zij in het achtste verhoor ten gevolge van de druk een gedeeltelijk onware verklaring heeft afgegeven, maar niet dat het proces-verbaal een onvolledige of onjuiste weergave zou vormen van hetgeen zij vervolgens verklaard heeft.

De twee bij het achtste verhoor van [medeverdachte 2] betrokken verbalisanten zijn door de rechter-commissaris en ter terechtzitting gehoord over de inhoud en duur van het inleidend gesprek, de wijze van stellen van vragen, de gemoedstoestand van [medeverdachte 2] voorafgaande en tijdens het verhoor, het overleg met de raadsman en de onderbrekingen van het verhoor. De twee verbalisanten hebben daar uitgebreid over verklaard. Verbalisanten hebben ontkend dat er aan [medeverdachte 2] beloften zijn gedaan of dat zij op oneigenlijke wijze onder druk is gezet.

De verdediging heeft aangevoerd dat door de gebrekkige wijze van vastlegging van het proces-verbaal van verhoor niet meer kan worden gecontroleerd op welke wijze het verhoor heeft plaatsgevonden. De betrouwbaarheid van de verklaring kan daardoor niet meer worden vastgesteld op grond waarvan de achtste verklaring van [medeverdachte 2] moet worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt terzake als volgt en maakt daarbij onderscheid tussen de weergave in het proces-verbaal van het inleidend gesprek voorafgaande aan het eigenlijke verhoor en de weergave van het zaaksinhoudelijke deel van het verhoor.

Voor zover de verweren betrekking hebben op de volledigheid of juistheid van het zaaksinhoudelijke deel van het proces-verbaal, verwerpt het hof die verweren nu noch [medeverdachte 2], noch de verbalisanten bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat het proces-verbaal een onvolledige of onjuiste weergave zou zijn van de verklaring die [medeverdachte 2] heeft afgelegd. De verweren missen op dat punt een feitelijke grondslag.

[medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris over het inleidende gesprek verklaard dat zij een gedeeltelijk onware verklaring heeft afgelegd, omdat haar tijdens het aan verhoor voorafgaande inleidende gesprek beloften zijn gedaan en is verteld dat als zij niet mee zou werken zij negen jaar gevangenisstraf zou krijgen.

De weergave van het inleidende gesprek in het proces-verbaal is op dit punt slechts onvolledig indien en voor zover [medeverdachte 2] inderdaad beloften zijn gedaan of zij inderdaad op ongeoorloofde wijze onder druk is gezet. Het hof zal dan ook thans aandacht besteden aan de vraag of aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 2] onder ongeoorloofde druk of beloften heeft verklaard.

Op het moment dat het gewraakte verhoor plaatsvond zat [medeverdachte 2] al enkele weken vast. Zij kon haar verzorgende taak als moeder van de twee jonge kinderen daardoor niet vervullen. Ongetwijfeld heeft die situatie grote druk op haar gelegd, maar dat was een vorm van druk die in de regel eigen is aan verhoren in een detentiesituatie. Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door alleen al ten gevolge van het feit dat [medeverdachte 2] zich in detentie bevond -ook niet in haar specifieke situatie als moeder van twee zeer jonge kinderen die in Frankrijk waren achtergebleven - haar verklaring niet meer in vrijheid is afgelegd.

Ten aanzien van de eventueel op [medeverdachte 2] uitgeoefende druk staat voorop dat het een politieambtenaar niet is toegestaan om aan een verdachte mededelingen te doen die de strekking hebben van de verdachte een verklaring te verkrijgen waarvan niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid is afgelegd.

Zowel verbalisant [verbalisant 4] als verbalisant [verbalisant 2] hebben bij de rechter-commissaris ontkend dat in het inleidende gesprek voorafgaande aan het verhoor beloften zijn gedaan en dreigementen zijn geuit.

Dat aan [medeverdachte 2] door de verbalisanten beloften zijn gedaan of dat zij anderszins op onaanvaardbare wijze in het aan het achtste verhoor voorafgaande inleidende gesprek onder druk zou zijn gezet acht het hof niet aannemelijk geworden. De enkele verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris daaromtrent acht het hof onvoldoende.

Overige omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat [medeverdachte 2] beloften zijn gedaan dan wel oneigenlijk door verbalisanten onder druk is gezet blijken niet uit het dossier

Er is derhalve geen sprake van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strarfvordering, zodat sanctionering in de vorm van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting van de verklaring of strafvermindering niet aan de orde komt.

Met betrekking tot de vraag of de verklaring van [medeverdachte 2] betrouwbaar is, overweegt het hof dat de door [medeverdachte 2] afgelegde en ondertekende en op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakte achte verklaring steun vindt in:

- de tweede en zevende verklaring van [medeverdachte 2] voor wat betreft het regelen van tickets voor [medeverdachte 19] en de herkenning van [medeverdachte 19];

- tapverslagen en verklaringen van meisjes die via haar naar Spanje of Italië zijn gereisd.

Gelet op de inhoud van deze stukken acht het hof de achtste verklaring van [medeverdachte 2] betrouwbaar en verwerpt de daartegen gerichte verweren van de verdediging.

Het hof acht de achtste verklaring van [medeverdachte 2] bruikbaar voor het bewijs.

Identiteit [verdachte]

Door de verdediging is betwist dat de man die in het dossier (onder meer in tapverslagen) wordt aangeduid als "[verdachte]" verdachte betreft.

Om die reden dient vastgesteld te worden of degene die in het dossier door diverse personen "[verdachte]" wordt genoemd verdachte [verdachte] betreft.

Verdachte heeft zelf tegenover de rechter-commissaris aangegeven dat hij een zekere [medeverdachte 19] kent en diens paspoort gebruikte voor zijn, verdachtes, werk bij een bedrijf in het Engelse Sheffield. De personeelsmanager van dat bedrijf heeft verklaard:

* dat de man die bij haar bedrijf in dienst was als [medeverdachte 19], als adres had opgegeven [adres],

* dat die man bekend was onder de naam [medeverdachte 19],

* dat [medeverdachte 19] eerder onder de naam [medeverdachte 19] via een uitzendbureau bij het bedrijf werkzaam was geweest,

* dat [medeverdachte 19] op het werk een kopie van de fotopagina van zijn paspoort had laten maken,

* dat zij [medeverdachte 19] kon bereiken op het door [medeverdachte 19] opgegeven telefoonnummer [telefoonnummer] en

* dat [medeverdachte 19] aan de personeelsmanager had meegedeeld dat hij vanaf 3 juni 2007 woonde op [adres].

Uit de verklaring van de personeelsmanager blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] bij de man die zij kent als [medeverdachte 19] alias [medeverdachte 19] (en waarvan het hof op grond van verdachtes verklaring bij de rechter-commissaris kan vaststellen dat het verdachte [verdachte] betreft) in gebruik was. Uit een door hetzelfde bedrijf in Sheffield opgemaakt formulier blijkt dat verdachte als (Engelse) telefoonnummers van zijn op hetzelfde adres wonende echtgenote [echtgenote] heeft opgegeven [telefoonnummer] en [telefoonnummer].

[echtgenote] is de (in Amsterdam wonende) echtgenote van [medeverdachte 19], van wie verdachte de identiteitsgegevens gebruikte. Het hof gaat er van uit dat verdachte [verdachte] ook over die betreffende telefoonnummers kon beschikken.

Er kan worden vastgesteld dat verdachte [verdachte] zich bediende van de aliassen [medeverdachte 19] en [medeverdachte 19] (de naam van medeverdachte [medeverdachte 19]) en de beschikking had over (in ieder geval) de telefoonaansluitingen met de nummers [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. De man die gebruik maakt van deze drie telefoonnummers en wordt aangeduid als [verdachte], kan worden geïdentificeerd als verdacht [verdachte]. Niet aannemelijk is geworden dat er in dit dossier anderen zijn die [verdachte] worden genoemd.

In een bij medeverdachte [medeverdachte 9] aangetroffen schrift staat vermeld: "[telefoonnummer] [naam]". [medeverdachte 9] heeft verklaard dat met "[naam]" [verdachte] wordt bedoeld. In een bij [medeverdachte 19] aangetroffen agenda staat als telefoonnummer van [verdachte] vermeld [telefoonnummer].

Met betrekking tot de vraag of de persoon waarvan de stem in de tapverslagen op grond van stemherkenning wordt toegeschreven aan "[verdachte]" ook werkelijk verdacht [verdachte] is, overweegt het hof het volgende.

In het dossier zijn vele tapverslagen opgenomen waarin één van de deelnemers van het gesprek wordt aangeduid als [verdachte]. Deze [verdachte] maakt gebruik van diverse telefoonnummers. Een aantal van die nummers is op grond van andere gegevens (bijvoorbeeld opgaven van verdachte [verdachte] aan zijn werkgever of notities met namen en telefoonnummers) te koppelen aan verdachte [verdachte]. In die gevallen vindt de stemherkenning derhalve steun in het feit dat de gesprekken zijn gevoerd met telefoonnummers waarover [verdachte] de beschikking had. Andere gesprekken worden door [verdachte] gevoerd vanaf Nederlandse 06-nummers, hoewel [verdachte] in het Verenigd Koninkrijk verbleef. Door de politie is de mogelijkheid geopperd dat door [verdachte] gebruik wordt gemaakt van zogenoemde SIMboxen. Het hof acht die verklaring aannemelijk. Met name wanneer de persoon die in de verslagen als [verdachte] wordt aangeduid, naar Nederland belt, wordt gebruik gemaakt van verschillende 06-nummers die veelal op naam staan van een zelfde telecommunicatiebedrijf te Oud Beijerland. Het gebruik van verschillende Nederlandse 06-nummers is in dit geval dan ook geen aanwijzing dat er door verschillende en andere personen dan de in Engeland woonachtige [verdachte] gebeld wordt. Dat op deze wijze door [verdachte] naar Nederland is gebeld vindt bevestiging in het dossier. [medeverdachte 4] is in een verhoor geconfronteerd met twee gesprekken, gevoerd tussen [medeverdachte 19] en iemand die gebruik maakt van een Nederlands 06nummer ten name van het hiervoor genoemde telecombedrijf te Oud Beijerland. Zij herkende de stem van de gesprekspartner als die van [verdachte], een in Engeland woonachtige vriend van [medeverdachte 19] met wie zij zelf ook wel eens telefonisch contact had gehad. Het feit dat vanaf Nederlandse 06-nummers werd gebeld is in dit geval dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de stem van verdachte. Waar in de in de bewijsmiddelen opgenomen gespreksverslagen wordt vermeld dat de stem van [verdachte] herkend wordt (door de tolk of degene die het gesprek uitwerkt), acht het hof die herkenningen betrouwbaar, ook indien voor het betreffende gesprek geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die steun geven aan de stemherkenning.

Mensensmokkel

Het hof acht verdachte schuldig aan mensensmokkel ten aanzien van een groot aantal personen. Die zaken zullen hierna afzonderlijk per zaakdossier worden besproken.

Een deel van de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen heeft (mede) betrekking op [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] en op andere vrouwen genoemd in feit 1. Die overwegingen en bewijsmiddelen strekken er slechts toe de betrokkenheid van verdachte vast te stellen bij de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mensensmokkel met betrekking tot de onder 2 subsidiair genoemde personen. Bij [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] gaat het daarbij in het bijzonder om [slachtoffer 9], [slachtoffer 11], [slachtoffer 10] (die samen met [benadeelde 1] een opvangcentrum hebben verlaten) en [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] (die samen met [slachtoffer 2] een opvangcentrum hebben verlaten).

Zaaksdossier 1

Op 3 augustus 2006 vertrokken vanuit een opvangcentrum te Deventer de als minderjarige asielzoekers opgenomen meisjes [slachtoffer 5] (feit 1)en [slachtoffer 7]. Een bij deze meisjes in gebruik zijnd telefoontoestel met nummer 0645352018 werd door de politie afgeluisterd. Daaruit blijkt dat de meisjes voorafgaand aan hun verdwijning via dit toestel contact hebben gehad met diverse personen, namelijk medeverdachte [medeverdachte 19], een man die ook in zaakdossier 2 voorkomt onder de naam [naam] en met verdachte [verdachte] die met de meisjes contact opneemt via verschillende 06-nummers ten name van de eerder in dit arrest genoemde telecommunicatiemaatschappij. In één van die gesprekken wordt ook de naam van één van de meisjes genoemd, [slachtoffer 7] (naar het hof aanneemt: [slachtoffer 7]1). De meisjes krijgen op 2 augustus 2006 van [verdachte] telefonisch de mededeling dat de persoon die hen komt ophalen naar het station in Deventer komt en dat zij de volgende dag hun telefoon bij zich moeten houden. Op 3 augustus 2006 heeft [naam] diverse keren telefonisch contact met de meisjes, waarbij hij aan de meisjes instructies geeft over het instappen in de trein. Het is duidelijk dat [naam] de meisjes van het station heeft opgehaald. De volgende dag belt [naam] naar één van de telefoonnummers die in gebruik zijn bij verdachte [verdachte] over de kosten die hij op 3 augustus heeft gemaakt.

Zaaksdossier 2

Op 15 augustus 2006 waren in kinderopvangcentrum "[naam]" in Zuidlaren een vijftal meisjes opgenomen: [slachtoffer 9], [slachtoffer 11], [slachtoffer 10], [benadeelde 1] en [betrokkene]. Door een medewerkster van het opvangcentrum werden de meisjes gezocht en gevonden in het centrum van Zuidlaren nadat zij het opvangcentrum hadden verlaten. Tevens werd in Zuidlaren door de politie staande gehouden [naam], die door de medewerkster in de buurt van één van de meisjes was gesignaleerd. [naam] was bij zijn staandehouding in bezit van een mobiele telefoon. De gesprekken die rond 15 augustus 2006 met die telefoon zijn gevoerd zijn opgenomen. De gebruiker van die telefoon noemt zich "[naam]". Het hof gaat er om die reden vanuit dat [naam] en [naam] dezelfde persoon betreft.

Op 15 aug. 2006 is er contact tussen [naam] en (klaarblijkelijk) één van de meisjes.

De bemoeienis van [verdachte] met de gebeurtenissen van deze dag blijkt uit tapgesprekken. Daaruit blijkt dat een man met telefoonnummer [telefoonnummer] zijn gesprekspartner meedeelt dat het hem niet lukt om de meiden aan de lijn te krijgen, maar dat hij een blanke aan de lijn krijgt. Ook deelt hij mede dat het hem niet lukt om [naam] aan de lijn te krijgen. Het telefoonnummer [telefoonnummer] is door [verdachte] bij zijn werkgever opgegeven als nummer waarop zijn echtgenote bereikbaar is.

Op 24 september 2006 verdwijnen vier van de op 15 augustus 2006 weggelopen maar teruggevonden meisjes alsnog met onbekende bestemming. Het betreft [slachtoffer 9], [slachtoffer 11], [slachtoffer 10] en [benadeelde 1]. Daags voor de verdwijning worden drie Nigeriaanse meisjes door verbalisanten van de spoorwegpolitie gesignaleerd bij het busplatform bij het centraal station in Groningen. Van collega's van de nationale recherche ontvangen de verbalisanten foto's van die vier hiervoor genoemde meisjes. Zij herkennen de drie meisjes op die foto's. Even later zien verbalisanten dat een vierde meisje zich bij de drie meisjes voegt.

Voorafgaande aan de verdwijning van de meisjes op 24 september 2006 heeft de politie diverse telefoongesprekken opgenomen.

Op 12 september 2006 heeft [medeverdachte 19] contact met een op dat moment nog onbekende man. Het gesprek gaat over het brengen van geld door iemand voor meisjes naar Groningen. De stem van die onbekende man wordt door een tolk herkend als de stem van de man die in enkele andere tapverslagen wordt omschreven als [verdachte]. Ook meldt de man dat de zaak eerder mis is gegaan en dat hij toen de meisjes heeft gebeld en een blanke vrouw aan de lijn kreeg. Daaruit is op te maken dat het dezelfde man betreft die op 15 augustus 2006 gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer] (het telefoonnummer van [verdachte] partner). Uit de gesprekken tussen [medeverdachte 19] en [verdachte] komt onder meer naar voren dat de meisjes in de buurt van Groningen verblijven, wel geld genoeg hebben om naar Groningen te reizen, maar niet genoeg geld hebben om verder te reizen. Tevens wordt de mogelijkheid van het kopen van vier tickets besproken, blijkt uit die gesprekken dat één van die meisjes Joy heet en dat er iemand gezocht moet worden om geld naar Groningen te brengen. [medeverdachte 19] heeft vervolgens telefonisch contact met [naam] over het brengen van geld naar Groningen. Op 22 en 23 september 2006 zijn er contacten tussen [medeverdachte 19] en [verdachte] over de plaats en het tijdstip van de ontmoeting in Groningen (23 september 2006 om 12.00 uur bij het station in Groningen). Het lijdt geen twijfel dat de gesprekken betrekking hebben op het overdragen van geld aan de vier op 24 september 2006 uit het opvangcentrum te Zuidlaren vertrokken meisjes.

Door de verdediging is in twijfel getrokken dat de man die in tapverslagen wordt aangeduid als [verdachte] verdachte betreft. Daarover wordt het volgende overwogen. Door een tolk wordt een aantal gesprekken op basis van stemherkenning toegeschreven aan een man die in tapverslagen [verdachte] en in het verslag van het al eerder aangehaalde gesprek van 12 september 2006 "NNM" wordt genoemd. Eén van die gesprekken wordt gevoerd via telefoonnummer [telefoonnummer] (het telefoonnummer van verdachtes partner). Een ander gesprek wordt gevoerd via telefoonnummer [telefoonnummer]. Dit nummer staat in de agenda van medeverdachte [medeverdachte 19] vermeld als telefoonnummer van [verdachte]. [verdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 19] kent. Met betrekking tot het gesprek van 12 september 2006 is hierboven al overwogen dat dit gesprek op grond van de inhoud van dit gesprek aan [verdachte] toegeschreven kan worden. Het gesprek gevoerd op 22 september 2006 om 20.54 uur wordt niet gevoerd met een telefoonnummer dat te koppelen is aan verdachte. Niettemin kan ook op grond van de inhoud van dit gesprek (die aansluit bij de inhoud van de andere gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 19]) de conclusie worden getrokken dat verdachte [verdachte] daaraan deelneemt.

Uit diverse bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich bezig hield met het verplaatsen/onderbrengen van uit Nigeria afkomstige personen in Europa en het regelen van valse identiteitspapieren. Verdachte heeft nauw samengewerkt met [medeverdachte 19] bij het vertrek van vier Nigeriaanse meisjes uit een opvangcentrum. Ten aanzien van drie meisjes ([slachtoffer 9], [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10]) acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - mensensmokkel.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel en mensensmokkel ten aanzien van [slachtoffer 12]. [slachtoffer 12] is Nederland binnengekomen met een paspoort waarvan ook door [benadeelde 1] gebruik is gemaakt en zij was voorzien van een brief van een charitatieve instelling zoals die ook bij [slachtoffer 10] is aangetroffen. Van betrokkenheid van verdachte bij [slachtoffer 12] is echter niet gebleken.

Zaakdossier 3

Op 5 oktober 2006 vertrokken [slachtoffer 2] (feit 1), [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] met onbekende bestemming uit het asielzoekerscentrum in Baexem. Voor hun vertrek hebben zij daarover contact gehad met [verdachte], die hun ook een telefoonnummer heeft gegeven waarmee ze contact konden opnemen als ze in Amsterdam waren aangekomen. Vanuit Amsterdam zijn de meisjes naar Antwerpen gereisd en vanaf Antwerpen door [medeverdachte 2] naar Parijs begeleid. Twee van de meisjes zijn vervolgens naar Italië doorgereisd en één meisje naar Spanje. Mensenhandel wordt bij verdachte [verdachte] niet bewezen verklaard, mensensmokkel (slechts ten laste gelegd ten aanzien van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14]) wel.

Zaaksdossier 5

Op 23 augustus 2006 vertrokken [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] met achterlating van hun persoonlijke eigendommen met onbekende bestemming vanuit een asielzoekerscentrum te Middelburg. De betrokkenheid van [verdachte] bij deze verdwijning blijkt uit door hem gevoerde telefoongesprekken waarin gesproken wordt over twee "levels" die kleding nodig hebben. Ook worden de namen [slachtoffer 19] en [slachtoffer 18] genoemd en wordt er gesproken over de bestemming van de meisjes, namelijk Italië. Mensensmokkel ten aanzien van deze twee personen is wettig en overtuigend bewezen.

Zaaksdossier 6

[slachtoffer 20] en [slachtoffer 21] zijn beiden op 9 november 2006 met onbekende bestemming vertrokken vanuit Baexem. [slachtoffer 21] heeft van [verdachte] te horen gekregen dat hij bij zijn vertrek [slachtoffer 20] mee moest nemen. Beide asielzoekers zijn aanwezig geweest op een doopfeest van een kind van medeverdachte [medeverdachte 19] in Parijs. Mensensmokkel ten aanzien van deze twee personen is wettig en overtuigend bewezen.

Zaaksdossier 8

Mensenhandel kan niet worden bewezen. Het hof vindt evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van verdachte [verdachte] bij mensensmokkel ten aanzien van [slachtoffer 48], [slachtoffer 23] (ook [slachtoffer 23] genoemd), [slachtoffer 24], [benadeelde 5] en een persoon die "[slachtoffer 25]" wordt genoemd.

[slachtoffer 1] heeft voor zijn vertrek (op 5 september 2006) uit een asielzoekerscentrum contact gehad met [verdachte]. Na zijn vertrek uit het centrum is hij door [medeverdachte 4] per bus begeleid naar Frankrijk. Hij reisde onder de naam [naam] en is in Frankrijk aangehouden met een identiteitsbewijs op naam van [naam].

Zaaksdossier 9

Het hof acht niet bewezen dat verdachte betrokken is bij de verdwijning van [slachtoffer 26] (feit 2).

Zaaksdossier 10

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] met [medeverdachte 19] wel met elkaar gebeld hebben over [benadeelde 2] en een (niet met name genoemde) man, maar dat [benadeelde 2] al was verdwenen voordat [verdachte] en [verdachte] dat konden organiseren. Ten aanzien van [benadeelde 2] (feit 1) en [slachtoffer 27] acht het hof onvoldoende bewijs aanwezig voor betrokkenheid van verdachte bij de verdwijning ten behoeve van mensenhandel of mensensmokkel.

Zaaksdossier 11

[slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] zijn beiden met onbekende bestemming vertrokken uit een asielzoekerscentrum te Lichtenvoorde. Uit de verslagen van opgenomen telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 19] voorbereidingen trof voor het vertrek van de meisjes en over de meisjes contact had met [verdachte].

Ten aanzien van [slachtoffer 30] acht het hof onvoldoende bewijs aanwezig voor betrokkenheid van [verdachte] bij haar verdwijning.

Zaaksdossier 12

Ten aanzien van [benadeelde 3] is slechts mensenhandel ten laste gelegd. Het hof acht verdachte niet schuldig aan mensenhandel.

Zaaksdossier 14

[slachtoffer 35] verdween op 5 juli 2007 met onbekende bestemming uit een asielzoekerscentrum in Oisterwijk. Uit de verklaringen van [medeverdachte 11], [getuige 14] en uit tapgesprekken blijkt dat verdachte al in maart/april 2007 contacten heeft gehad met [medeverdachte 19] over het vervoeren van [slachtoffer 35] vanuit een asielzoekerscentrum naar elders en dat hij in juli 2007 betrokken is geweest bij het onderbrengen en vervoeren van [slachtoffer 35].

Zaaksdossier 15

Op 22 september 2006 vertrekt de als alleenstaande minderjarige asielzoeker in een opvangcentrum in Baexem ondergebrachte [slachtoffer 39] met onbekende bestemming. Dezelfde avond stuurt [medeverdachte 19] een sms-bericht naar zijn vriendin [medeverdachte 2] in Frankrijk met als inhoud: "[naam], 9989, mis [naam] 7188 voor morgen, ik bel je later". Ook heeft [medeverdachte 19] die avond een telefoongesprek met [verdachte] over "levels" die zijn gaan lopen en morgen vanaf Parijs verder zullen "lopen". Op 23 september 2006 wordt door de Parijse politie op het Gare du Nord aangehouden een man die zich identificeert met een ID-kaart op naam van [naam]. Door [medeverdachte 19]s vriendin [medeverdachte 2] wordt later bevestigd dat zij met behulp van door [medeverdachte 19] gesmste gegevens een ticket heeft gekocht voor de reis van onder meer [slachtoffer 39]. [medeverdachte 9], een medebewoner van [slachtoffer 39] in Baexem, heeft verklaard dat [slachtoffer 39] naar eigen zeggen telefonisch contact heeft gehad met [verdachte] voorafgaand aan zijn vertrek.

Zaaksdossier 17

Het hof heeft niet de overtuiging bekomen dat [verdachte] betrokken is geweest bij het vertrek uit een opvangcentrum van [slachtoffer 40].

Zaaksdossier 18

[slachtoffer 41] en [slachtoffer 42] zijn beiden uit Nederland vertrokken. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij deze meisjes op verzoek van [medeverdachte 19] in Nederland heeft opgevangen en op de trein naar België heeft gezet. Zij heeft daarover contact gehad met zowel [medeverdachte 19] als [verdachte]. [slachtoffer 41] is uiteindelijk in Spanje terechtgekomen.

Zaaksdossier 19

Het hof acht niet bewezen dat verdachte betrokken is bij de verdwijning van [slachtoffer 44], [slachtoffer 45], [slachtoffer 46], [slachtoffer 47] (feit 2).

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in de aanvulling op dit arrest zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden

waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2 subsidiair:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 in Nederland en in België en Frankrijk en Spanje en Italië en Engeland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) anderen, te weten

-[slachtoffer 7] en

-[slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en

-[slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en

-[slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en

-[slachtoffer 20] en [slachtoffer 21] en

-[slachtoffer 1] en

-[slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] en

-[slachtoffer 35] en

-[slachtoffer 39] en

-[slachtoffer 41] en [slachtoffer 42]

a. behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de

zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hen daartoe inlichtingen heeft

verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die doorreis wederrechtelijk was, (art. 197a lid 1 WvSr)

immers hebben verdachte en verdachtes mededaders toen aldaar in vereniging genoemde personen (in Nederland, nadat die personen uit de opvang voor asielzoekers waren vertrokken) vervoerd of doen of laten vervoeren en die personen doen of laten reizen vanuit Nederland naar België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië, en dusdoende daarvan een gewoonte gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mensensmokkel, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van mensensmokkel van 17 jonge Nigerianen. Verdachte heeft hen uit de opvang voor asielzoekers in Nederland gehaald en hen naar andere Europese landen gebracht. Verdachte had daarbij een aansturende rol. Veelal legde hijzelf contact met de jonge Nigerianen en zorgde hij ervoor dat zijn medeverdachten deze personen op de plaats van bestemming brachten.

Verdachte heeft hierdoor een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de Nederlandse als de internationale rechtsorde. Bekend is immers dat mensensmokkel tot gevaarlijke en mensonterende situaties kan leiden.

Gelet op de ernst van de feiten is de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf geïndiceerd. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren gebaseerd op een veroordeling voor mensenhandel. Daarvan is verdachte vrijgesproken. Het oordeel van de rechtbank om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar op te leggen is gebaseerd op een veroordeling voor mensensmokkel van 20 personen en op deelname aan een criminele organisatie. Het hof acht mensensmokkel ten aanzien van 17 personen bewezen. Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden acht het hof passend en geboden.

Er is niet binnen twee 2 jaar na in het door verdachte ingesteld hoger beroep arrest gewezen. Er zal door het hof echter geen korting worden toegepast op de op te leggen straf.

Het betreft een zeer complexe zaak en er zijn meerdere getuigen (in het buitenland) gehoord op verzoek van verdachte, zodat de (geringe) overschrijding van (ruim) drie maanden niet onredelijk is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde handelen jegens [benadeelde 5] waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 ten laste gelegde voor zover het betreft [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging voor zover het ten laste gelegde onder 1, 2 primair en 2 subsidiair niet (mede) in Nederland is begaan.

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 3] , in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 5], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P. Greve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder, griffier,

en op 12 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Greve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 [slachtoffer 7] wordt in het dossier ook [slachtoffer 7] genoemd, maar de eerst genoemde schrijfwijze komt voor op de door haar bij binnenkomst in Nederland meegenomen bescheiden op pag. 420 en 421 van zaakdossier 1, map 1