Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV7558

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
21-004392-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BO6488, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak van moord, schuldig aan doodslag. Uitgebreide strafmotivering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004392-10

Uitspraak d.d.: 2 maart 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

7 december 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

thans gedetineerde in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en voor het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.H. Staring, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te [slachtoffer], in elk geval in de gemeente [slachtoffer], althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal met een stuk hout, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] (bij haar hoofd) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond en/of een hard voorwerp heeft geslagen en/of gegooid en/of haar heeft gewurgd (samendrukkend geweld op de hals) en/of de mond heeft dichtgedrukt (gesmoord), tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te [slachtoffer], in elk geval in de gemeente [slachtoffer], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal met een stuk hout, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] (bij haar hoofd) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond en/of een hard voorwerp heeft geslagen en/of gegooid en/of haar heeft gewurgd (samendrukkend geweld op de hals) en/of de mond heeft dichtgedrukt (gesmoord), tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs1

Het hof gaat van de volgende feiten en omstandigheden, die ter terechtzitting ook niet ter discussie hebben gestaan, uit.

Op 27 juni 2010 heeft verdachte in [slachtoffer] het leven ontnomen. Verdachte heeft die [slachtoffer] met een stuk hout tegen het hoofd geslagen en haar hals samengedrukt. Uit het NFI-deskundigenrapport blijkt dat [slachtoffer] door samendrukkend geweld op de hals om het leven is gekomen.2

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er sprake is van moord of doodslag.

Om tot een bewezenverklaring te komen van het primair tenlastegelegde (moord) dient vast komen te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat hier geen sprake van is geweest, zodat voorbedachte raad niet bewezen kan worden. Derhalve dient de verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te [slachtoffer], in elk geval in de gemeente [slachtoffer], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal met een stuk hout, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] (bij haar hoofd) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond en/of een hard voorwerp heeft geslagen en/of gegooid en/of haar heeft gewurgd (samendrukkend geweld op de hals) en/of de mond heeft dichtgedrukt (gesmoord), tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat de deskundigen vanuit behandelperspectief weliswaar de voorkeur geven aan een behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden maar, dat hiermee ook gestart kan worden nu het aan het eind van de detentieperiode mogelijk is een programma te volgen waarbij aan een veroordeelde vrijheden worden gegund. Voorts behoort een opname in een PPC tot de mogelijkheden en bestaat de mogelijkheid om tijdens de detentie te starten met een therapie en die na de detentie voort te laten duren onder de vlag van de bijzondere voorwaarden die bij een voorwaardelijke invrijheidstelling gesteld kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht voor wat betreft de hoogte van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte zo snel mogelijk behandeld moet worden. Een klinische behandeling kan plaatsvinden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling bij een lagere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. De verdediging heeft in die zin verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van zes jaren niet overschrijdt.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De persoon van het slachtoffer

De dochter van het slachtoffer (geboren in 1987) heeft over haar moeder verklaard dat het een heel lieve en hardwerkende vrouw is. Zij was clusterhoofd bij een instelling voor jeugdpsychiatrie en besteedde daarnaast tijd aan de stichting [naam stichting]. Deze stichting heeft tot doel om kinderen - voordat ze naar school gaan - kennis te laten opdoen. In verband met werkzaamheden voor die stichting ging het slachtoffer regelmatig naar Suriname. [slachtoffer] en haar (half)broertje [naam zoon] hadden een goed contact met hun moeder.

Gevolgen van het overlijden van het slachtoffer

Ter zitting van de rechtbank heeft een zuster van het slachtoffer de slachtofferverklaring van [slachtoffer] voorgelezen. Ter zitting van het hof heeft een andere zuster de namens de familie opgestelde slachtofferverklaring voorgelezen. Uit beide slachtofferverklaringen blijkt dat het overlijden van het slachtoffer (nog steeds) een enorme impact heeft op het leven van de familie.

[slachtoffer] is op 52-jarige leeftijd weggerukt uit het leven waar ze midden in stond. De zorg voor haar dochter (die weliswaar volwassen is, maar ten tijde van het delict nog bij haar moeder woonde) en de zorg voor haar minderjarige zoon kan zij niet meer uitoefenen. Ook aan haar werkzaamheden voor onder meer de stichting [naam stichting] is een abrupt einde gekomen. Door haar totaal onverwachte overlijden heeft [slachtoffer] geen gelegenheid gehad om afscheid van haar dierbaren te nemen en andersom.

De persoon van de verdachte, zijn relatie met het slachtoffer en de financiële perikelen

Uit de verklaringen van de verdachte blijkt het volgende:

Verdachte is opgegroeid in Drenthe en heeft in Groningen gestudeerd. Na zijn studie is hij aan het werk gegaan. Verdachte is in 1975 getrouwd en heeft met zijn ex-vrouw twee zonen. In 1994 is verdachte gescheiden. De zonen bleven bij hem wonen.

In 1996 ontmoette verdachte in [slachtoffer]. Verdachte vond haar interessant en intelligent. In 1998 kregen verdachte en [slachtoffer] een zoon: [naam zoon]. De relatie ging niet goed. Verdachte had moeite met haar zakelijke instelling en voelde zich een soort sponsor. Hij sprak ook naar haar uit dat zij hem gebruikte voor het financiële voordeel. In 2003 kwam er een einde aan de relatie. Verdachte ontving een brief waarin [slachtoffer] schreef dat ze € 600,00 per maand wilde hebben (in plaats van € 230,00). Er volgde een rechtszaak, waarin werd bepaald dat de verdachte maandelijks een bedrag van € 480,00 diende te betalen. In verband met de terugwerkende kracht ontving verdachte een rekening. Hij wilde wel betalen, maar had het te druk. Omdat hij niet tijdig betaalde, werd er beslag op zijn woning gelegd. Vervolgens heeft hij betaald.

In 2007 raakte verdachte depressief en in 2008 raakte hij zijn baan kwijt. In 2008 verhuisde verdachte naar [slachtoffer].

De fatale ontmoeting op 27 juni 2010

Volgens de verklaring die verdachte op 28 juni 2010 bij de politie heeft afgelegd is er het volgende gebeurd:

In 2010 zocht verdachte contact met [slachtoffer] omdat hij het contact met zijn zoon wilde herstellen. [slachtoffer] ging akkoord en er zou zelfs gesproken zijn over de mogelijkheid dat [naam zoon] bij verdachte zou komen te wonen. Voor verdachte zou dat tevens een financieel voordeel hebben. Hij hoefde dan geen alimentatie te betalen. Door zijn financiële achteruitgang zou hij hiertoe niet meer in staat zijn. Dit had er ook in geresulteerd dat hij in maart of april 2010 het maandbedrag niet had betaald aan [slachtoffer].

[slachtoffer] vond dat het contact tussen verdachte en [naam zoon] geleidelijk opgebouwd moest worden en omdat zij - in verband met het verblijf van [naam zoon] bij verdachte - benieuwd was naar de woning van verdachte, werd afgesproken dat [slachtoffer] op 27 juni 2010 bij verdachte langs zou komen. Toen [slachtoffer] bij verdachte thuis was, was de sfeer in eerste instantie goed. Dat veranderde toen er over geld werd gesproken. [slachtoffer] vond dat verdachte haar nog € 10.000,00 moest betalen. Als verdachte dat niet deed, zou zij de niet betaalde maandelijkse bedragen claimen en zou de afspraak over [naam zoon] niet doorgaan. Verdachte hoorde [slachtoffer] zeggen dat ze een advocaat en een deurwaarder in de arm zou nemen om er voor te zorgen dat ze het maandbedrag zou krijgen. Ze zou er voor zorgen dat er beslag zou worden gelegd op goederen van de verdachte.

Op dat moment werd verdachte razend. Hij had het gevoel dat hij zijn woede van zich af moest slaan. Verdachte heeft een stuk hout gepakt en [slachtoffer] op haar hoofd geslagen. Hij bleef doorslaan en ze kwamen ten val. Verdachte hield haar bij de keel vast en duwde haar op de grond.

Verdachte heeft in januari 2012 het volgende geschreven:

'Sinds 27 juni 2010 zit ik in detentie. Ik heb geweld gebruikt, voor de eerste keer in mijn leven, geweld gedurende slechts drie minuten, met onomkeerbare, definitieve gevolgen, helaas. Vaak, nog steeds, vervloek ik mezelf om deze 3 minuten en vraag mij af hoe dat heeft kunnen gebeuren. (....) Weet u, we hadden wel vaker meningsverschillen om grote en kleine zaken, maar altijd argumenteerden we, zelfs nooit schreeuwen of ruzie, altijd bleef het beschaafd. En altijd slaagde ik erin om tot een compromis te komen, soms ook door toe te geven om een einde te maken aan de twist. Maar op 27 juni stopte opeens het praten en gebruikte ik geweld. Ik heb er maar één verklaring voor. Altijd mijn hele leven lang gebruikte ik mijn verstand om problemen op te lossen en altijd lukte het. (...) Op 27 juni lukte het niet. De emotie, de razernij won het van de ratio en toen kon gebeuren wat er gebeurd is. Maar waarom toen geweld en niet praten? Waarom verloor ik het verstand? Ik weet het nog steeds niet. (....) Op het moment dat mijn ex-partner zinspeelde op beslaglegging, gerechtsdeurwaarder voelde ik het bloed naar mijn hoofd stijgen, IK MOEST IETS DOEN, een niet in te tomen dwang, dat was het. Ik had haar nooit slecht behandeld, zeker financieel niet. Maar nu wilde ze het laatste beetje wat ik nog had zonder begrip voor mijn situatie. Ik kon dit niet verwerken, althans niet verstandelijk. Neen, ik was niet gek, en ben dat ook nu niet maar de razernij moest eruit. Niet het verstand stuurde mijn handelen maar de razernij, anders was het nooit gebeurd. Want dat ik deze afloop niet heb gewild dat blijf ik zeggen, het is de waarheid. Mijn hele leven zonder geweld is hiervoor het bewijs.'

Een zuster van de verdachte schrijft in haar brief van 5 januari 2012:

'Dat hij dit heeft gedaan blijft voor ons onbegrijpelijk. Wij kennen Henk als een lieve rustige jongen, die nooit ruzie had, was zelfs nooit boos, geen enkele stemverheffing en geen enkele vorm van agressie kende'.

De gevolgen voor de verdachte

De verdachte heeft in zijn brief van januari 2012 verwoord wat voor hem de gevolgen zijn:

'En nu in de gevangenis, op je 59e, voor het eerst. De straf valt me erg zwaar, m.n. geestelijk. Veel gepieker, niet te stoppen wanneer die deur dicht gaat, want dat zat al in mijn aard. Mijn zoon [naam zoon]: hoe maakt hij het, wat deed hij met kerst, wanneer komt hij terug? De zusters en moeder [slachtoffer], wij kenden elkaar goed en zij waardeerden mij. Hoe kom ik daarmee in het reine? Nooit. Mijn eigen zusters hebben nu weer zorgen in hun leven door mij, om mij en om [naam zoon]. En ikzelf? Onvrij, na een goed geleid leven, gezin, 30 jaar werken in binnen- en buitenland. Dit slot is beschamend en ontluisterend. Ik heb het zelf veroorzaakt en probeer er niet teveel aan te denken. Maar de omgeving en vooral als die deur dichtgaat, maakt dat vrijwel onmogelijk, het went echt nooit. Een geestelijke verschrikking door het vele denken en de zorgen om mijn zoon.'

Het onderzoek door de psycholoog en de psychiater

Verdachte is zowel in 2010 als in 2012 onderzocht door een psycholoog en een psychiater. De conclusies van de psychiater en psycholoog komen voor een belangrijk deel met elkaar overeen.

Volgens deze deskundigen is bij verdachte sprake van een depressieve stoornis. Ook is sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Ontwijken, intellectualiseren, rationaliseren en isoleren van gevoelens zijn belangrijke afweer- of copingmechanismen bij verdachte.

Verdachte is door genoemde stoornissen niet voldoende in staat adequaat om te gaan met emoties, kropt vooral negatieve emoties sterk op, probeert alles op dwangmatige wijze onder controle te houden, maar kan dit niet volhouden bij toenemende stress, waarbij tenslotte een plotselinge impulsdoorbraak kan ontstaan.

De psycholoog merkt op:

'Dysthemie en depressie maken dat matheid en somberheid overheersen boven boosheid en woede en die als het ware een tijdlang afdekken, Maar bij toenemende stress en (be)dreiging van verlies van elementen die van vitaal belang zijn (huis, geld, relatie met zoon) werkt de controle steeds minder goed tot op een bepaald moment de onderliggende emoties en impulsen doorbreken. Op 27 juni 2010 kwam alle opgekropte woede tot explosie, vermoedelijk ook die over zijn eerdere scheiding en het verlies van contact met zijn zonen, het verlies van zijn baan en de onzekere toekomst. Het zegt ook iets over betrokkenes vermogen tot zelfcontrole dat er nooit eerder een duidelijke ontlading heeft plaats gevonden. Maar tegelijk heeft juist het zo lang onder controle houden vermoedelijk geleid tot een doorbraak die niet meer te voorkomen was. Zoals bij een stuwmeer, waarvan de stuwdam jarenlang adequaat werkt, tot hij een keer doorbreekt.'

Volgens de psycholoog en de psychiater was de verdachte ten tijde van het delict verminderd toerekeningsvatbaar.

Oordeel hof

Bij het bepalen van de straf zijn de strafdoeleinden leidend. Het betreft de vergelding, de speciale en generale preventie.

De strafdoeleinden speciale en generale preventie staan bij een delict als doodslag in het algemeen niet op de voorgrond. Anders dan bij moord is bij doodslag sprake van een in een opwelling gepleegd delict. Bij de speciale en generale preventie heeft de straf als doel om de calculerende burger te weerhouden een delict te plegen en bij doodslag gaat het juist niet om iemand die de tijd heeft en neemt om de voor- en nadelen tegen elkaar af te wegen; het delict wordt immers in een opwelling gepleegd.

Het strafdoel waar het bij doodslag om draait, betreft de vergelding. Door oplegging van straf wordt uiting gegeven aan de maatschappelijke verontwaardiging die volgt op het opzettelijk doden van een persoon en wordt het leed erkend dat door de nabestaanden wordt gevoeld.

Gelet op de persoon van het slachtoffer en het leed dat haar overlijden voor de nabestaanden heeft teweeggebracht, kan de verontwaardiging slechts tot uitdrukking worden gebracht door de veroorzaker van dat leed een langdurige gevangenisstraf op te leggen. Verdachte heeft door zijn handelen de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Dit geldt in het bijzonder voor de beide kinderen van het slachtoffer. Zij hebben door toedoen van verdachte hun moeder verloren. Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige doodslag zoekt het hof aansluiting bij de gemiddelde straf die pleegt te worden opgelegd bij dit soort feiten. Uit onderzoek in de Databank Consistente Straftoemeting blijkt het dan te gaan om een gevangenisstraf van ongeveer acht en een half jaren.3

Met het leed dat verdachte door middel van de langdurige gevangenisstraf wordt toegevoegd, dient het leed dat hij het slachtoffer en de nabestaanden heeft toegebracht te worden vergolden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat met de straf niet meer bereikt kan worden dan vergelding; de gevolgen van het delict waaronder het verdriet bij de nabestaanden, kan door de straf (vanzelfsprekend) niet ongedaan gemaakt worden.

Bij de vergelding dient niet alleen gekeken te worden naar de gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden en de verontwaardiging die het feit oproept, maar ook naar de persoon van de verdachte en het verwijt dat hem van het strafbare feit kan worden gemaakt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte geldt in de eerste plaats dat de verdachte nooit eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

In de tweede plaats heeft de verdachte vanaf het begin meegewerkt aan zowel het opsporingsonderzoek als de onderzoeken door de psychiater en de psycholoog met als gevolg dat ook de nabestaanden duidelijkheid hebben gekregen over de omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte valt verder op dat de detentie hem bijzonder zwaar valt. Weliswaar geldt in het algemeen dat gedetineerden de detentie -zoals deze is bedoeld- ervaren als leedtoevoeging, maar verdachte ervaart mede als gevolg van zijn depressieve stoornis zijn detentie als ondraaglijk. Vanwege die depressieve stoornis heeft de verdachte tijdens zijn detentie langere tijd verbleven op een psychiatrische afdeling. Gelet op die depressieve stoornis en de gevolgen daarvan voor de verdachte is er reden een minder langdurige gevangenisstraf op te leggen dan in eerste aanleg door de rechtbank is opgelegd. Gesteld kan worden dat door de wijze waarop de verdachte de gevangenisstraf ervaart, het door hem veroorzaakte leed eerder is vergolden dan bij personen die geen depressieve stoornis hebben en daardoor minder onder de gevangenisstraf lijden.

Ten aanzien van het verwijt dat de verdachte van het bewezenverklaarde gemaakt kan worden is het volgende van belang:

Volgens de psycholoog en de psychiater was de verdachte ten tijde van het delict verminderd toerekeningsvatbaar. Deze conclusie neemt het hof over en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dus dat hem een minder groot verwijt kan worden gemaakt van het tenlastegelegde.

Verdachte heeft van het begin af aan openheid betracht en er is niet gebleken dat verdachte op enig moment heeft gelogen. Dit betekent dat het hof ook geloof hecht aan de verklaring van de verdachte (zoals onder meer verwoord in zijn brief van januari 2012) over wat er op 27 juni 2010 (met hem) is gebeurd.

Verdachte heeft het delict gepleegd omdat zijn handelingen werden bepaald door een woede-explosie als gevolg van een impulsdoorbraak. Verdachte heeft gedurende die woede-explosie geen beslissingen kunnen nemen zoals hij deze zijn hele leven vóór en na die woede-explosie heeft genomen. Verdachte heeft nooit eerder te maken gehad met een dergelijke impulsdoorbraak en heeft deze ook niet kunnen voorzien. Verdachte heeft dus niet kunnen anticiperen en de woede-explosie niet kunnen voorkomen.

Omdat ten tijde van het delict verdachte werd beheerst door een voor hem tot dan toe onbekende zeer hevige emotie die het verstand overheerste, is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte minder verwijtbaar is, welk oordeel bevestiging vindt in de over verdachte opgemaakte rapportages.

Het hof realiseert zich dat bij een delict als doodslag in vergelijking met een delict als moord een minder zware straf wordt opgelegd mede vanwege het feit dat de emotie de boventoon voert en als gevolg van de emotie verkeerde beslissingen worden genomen.

Gelet evenwel op de heftigheid en onverwachtheid (ook voor de verdachte) van de emotie die het handelen van de verdachte bepaalde en zijn verstand kort uitschakelde, ziet het hof zodanig verschil met andere verdachten die in een opwelling een ander doden, dat het hof ook in deze omstandigheid reden ziet de straf te matigen.

Uit de strafmotivering van de rechtbank en het requisitoir van de advocaat-generaal kan het hof niet opmaken dat de rechtbank en de advocaat-generaal in dezelfde mate rekening hebben gehouden met deze twee laatstgenoemde voor de verdachte strafverzachtende en voor de vergelding relevante aspecten. Juist vanwege de voornoemde aspecten zal het hof daarom tot een lagere straf komen dan is opgelegd door de rechtbank en dan is geëist door de advocaat-generaal.

Het hof acht - alles afwegende - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar passend. De door de raadsman voorgestelde gevangenisstraf van zes jaar doet - ondanks alle strafverzachtende omstandigheden - geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het door de raadsman genoemde alternatief, namelijk een combinatie van een voorwaardelijke TBS met de maximale gevangenisstraf van drie of vijf jaar, wijst het hof eveneens af gelet op de beperkte duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die aan de oplegging van een voorwaardelijke TBS kan worden gekoppeld. Daarnaast acht het hof het recidivegevaar niet zodanig evident dat een behandeling in het kader van een TBS geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 10, 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr J.D. den Hartog, voorzitter,

mr H. Abbink en mr B.W.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 2 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Tenzij anders aangeduid, hebben verwijzingen in het navolgende betrekking op de dossierpagina's van het op

3 augustus 2010 op ambtsbelofte door de verbalisant [naam verbalisant], hoofdagent opgemaakt proces-verbaal met dossiernummer 2010070634, alsmede de daarbij behorende bijlagen in de vorm van processen-verbaal en overige bescheiden

2 Het NFI-deskundigenrapport betreffende het pathologisch onderzoek, opgemaakt door [naam arts], arts en patholoog van 30 juni 2010.

3 De veronderstelling van de verdachte dat in de regel niet meer dan acht jaar gevangenisstraf voor doodslag wordt gegeven komt niet overeen met het beeld dat het hof heeft. Acht jaar gevangenisstraf lijkt eerder een gemiddelde dan een maximum. Het hof wijst hierbij ook nog op eigen recente gepubliceerde uitspraken, namelijk de beslissing van 16 februari 2010, LJN BL4005 (10 jaar voor doodslag, waarbij wegens gebrek aan uitleg van de kant van de verdachte niet duidelijk is geworden waarom het delict is gepleegd en (dus) geen aanwijzingen zijn voor strafverzachtende omstandigheden), van 18 maart 2010, LJN BL7949 (12 jaar voor doodslag, waarbij verdachte ook niet heeft verklaard over waarom het delict is gepleegd, terwijl daarnaast zich nog strafverzwarende omstandigheden voordeden) en 17 februari 2012, [bedrijf]6187 (9 jaar voor doodslag).