Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV7336

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
24-000953-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van 4,5 jaar, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schade. Het hof is - gelet op drie getuigenverklaringen en de verklaring van aangever, wiens onbetrouwbaarheid danwel ongeloofwaardigheid niet gebleken is, en de verklaringen van verdachte - van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte degene is geweest die op 8 mei 2008 in de Albert Heijn te Lelystad aangever gestoken heeft. Daarnaast acht het hof bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad, nu hij aangever in de rechterzijde heeft gestoken, zijnde een handeling die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer is dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Grechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000953-11

Uitspraak d.d.: 29 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 april 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 februari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen zal worden tot een bedrag van € 3.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zal worden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. K. Blonk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 08 mei 2008 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de borstkas, in elk geval in het (boven)lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw van verdachte bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Primair kan niet bewezen worden dat verdachte degene is geweest die op 8 mei 2008 in de Albert Heijn te [plaats] aangever [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. De verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die alledrie verklaren over het steekincident, en de verklaring van aangever [slachtoffer] zijn onbetrouwbaar dan wel ongeloofwaardig, zodat deze niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Subsidiair kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangever heeft gehad.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bewijs- en betrouwbaarheidsverweer

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte degene is geweest die op 8 mei 2008 in de Albert Heijn te [plaats][slachtoffer] gestoken heeft. Het hof komt als volgt tot deze conclusie.

Verdachte erkent met zijn zoon op voornoemde datum in de Albert Heijn te zijn geweest en dat zij betrokken zijn geraakt bij een vechtpartij met een jongen (aangever [slachtoffer]) en zijn vriendin. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg, nadat hem stills van de camerabeelden uit de Albert Heijn waren getoond, verklaard dat hij de man met het witte T-shirt is die op de foto's te zien is, welke erkenningen hij ter zitting van het hof heeft bevestigd. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard op een gegeven moment achter aangever [slachtoffer] aan te zijn gerend tot achter de kassa. Verdachte ontkent een wapen bij zich te hebben gehad en [slachtoffer] te hebben gestoken.

Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] blijkt dat de persoon die achter [slachtoffer] aanliep, welke persoon volgens [getuige 1] en [getuige 3] een wit

T-shirt droeg, degene is geweest die [slachtoffer] gestoken heeft met een mes. Deze getuigenverklaringen worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 4], die eveneens een persoon met een wit T-shirt achter [slachtoffer] aan heeft zien lopen, en de verklaring van aangever [slachtoffer].

Van de onbetrouwbaarheid dan wel ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] en de verklaring van aangever [slachtoffer] is het hof niet gebleken, nu deze personen kort na het gebeurde gehoord zijn en de verklaringen van voornoemde getuigen afgelegd bij de rechter-commissaris - ruim drieënhalf jaar na het gebeurde - in essentie overeenkomen met de eerder bij de politie afgelegde verklaringen. Deze verklaringen kunnen derhalve - anders dan door de raadsvrouw is bepleit - voor het bewijs gebezigd worden.

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, is voor het hof vast komen te staan dat verdachte, nu hij op de bewuste dag een wit T-shirt droeg en achter [slachtoffer] aan is gerend, degene is geweest die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. Het verweer van de raadsvrouw faalt.

Opzetverweer

Uit de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] blijkt dat verdachte [slachtoffer] in het bovenlichaam, te weten in de rechterzijde, heeft gestoken. Dit vindt ondersteuning in de medische verklaring betreffende [slachtoffer] d.d.

10 mei 2008 waaruit blijkt dat het door de arts waargenomen letsel steekwonden in de rechterflank betreft.

Het hof acht de kans op overlijden als gevolg van het steken met een mes in de rechterzijde, zijnde een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam, aanmerkelijk. Te meer daar zich daar in het lichaam vitale lichaamsdelen bevinden. Voornoemde handeling is bovendien naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat gezegd kan worden dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Contra-indicaties hiervoor zijn het hof niet gebleken. Het hof acht derhalve bewezen dat er bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] en daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Het verweer van de raadsvrouw faalt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 mei 2008 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in het (boven)lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 8 mei 2008 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft in een supermarkt, te midden van het winkelend publiek, [slachtoffer] met een mes in het bovenlichaam gestoken, waarbij het mes de rechterlong van [slachtoffer] doorboord heeft. Hierdoor heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit. Poging tot doodslag is een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het hof neemt in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 4 januari 2012, eerder is veroordeeld ter zake van ernstige geweldsdelicten, waaronder strafbare feiten als het onderhavige, zij het geruime tijd geleden, te weten in 1992 en 1987, waarbij hem in 1987 een langdurige vrijheidsstraf is opgelegd.

Het hof heeft voorts laten meewegen dat verdachte een ontkennende proceshouding heeft ingenomen en een gebrek aan inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen ten toon heeft gespreid.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden passend en geboden is. Het hof legt daarmee een zwaardere straf op aan de verdachte dan in eerste aanleg is opgelegd. Het hof komt tot deze beslissing omdat de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 31.790,--. Dit bedrag bestaat uit

EUR 21.790,-- aan materiële en EUR 10.000,-- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 3.000,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Voor het hof is op basis van de overgelegde slachtofferverklaring voldoende aannemelijk geworden dat het bewezen verklaarde een grote impact, zowel fysiek als geestelijk, op de benadeelde partij heeft gehad en hem heeft belemmerd in zijn werkzame en sociale bezigheden. Het hof schat het bedrag van de immateriële schade op € 5.000,--, en zal dat bedrag ook toewijzen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd om tot een inhoudelijke beoordeling hiervan te geraken. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. T.M.L. Wolters, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. J.A. Wiarda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 15 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.A. Wiarda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.