Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV6170

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
11/00457 en 11/00458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ.

Vertrouwensbeginsel. Opgenomen telefoongesprek met taxateur. Afgespeeld ter zitting in hoger beroep. Weglopende taxateur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/489
Belastingblad 2012/168
V-N 2012/23.25.3
FutD 2012-0548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00457 en 11/00458

uitspraakdatum: 7 februari 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2011, nummer AWB 10/3215 en nummer AWB 10/2971,

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 en 1a te Z, per waardepeildatum 1 januari 2008 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2009, vastgesteld op € 433.000.

1.2 Ook heeft de Ambtenaar bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van deze onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2010, vastgesteld op € 432.000.

1.3 Tegelijk met voornoemde beschikkingen zijn voorts de aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte voor het jaar 2009 op € 734,36 en voor het jaar 2010 op € 736,12 vastgesteld.

1.4 Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Ambtenaar zowel voor het jaar 2009 als het jaar 2010 bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.5 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraken van 3 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.6 Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft verweerschriften ingediend.

1.7 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.8 Het onderzoek ter zitting, waarbij de zaken met de onderhavige hofkenmerken tegelijkertijd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 22 december 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Ambtenaar.

1.9 Per brief van 27 december 2011 heeft de Ambtenaar het Hof verzocht het onderzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen. Het verzoek luidt, voor zover van belang als volgt:

“Tijdens deze mondelinge behandeling heeft belanghebbende een geluidsfragment laten horen van een telefoongesprek, dat hij in maart 2009 met WOZ-taxateur A heeft gevoerd. Noch in de bezwaarfase, noch in de beroepsfase, noch in de schriftelijke fase van het hoger beroep heeft belanghebbende aangegeven over dit geluidsfragment te beschikken. Ook in de contacten met taxateur A heeft belanghebbende nimmer aangegeven over geluidsfragmenten te beschikken, laat staan dat hij daar ooit toestemming voor heeft gevraagd.

Door eerst bij de laatste feitelijke instantie, tijdens de mondelinge behandeling mee te delen dat hij (meent) over een (vermeend) bewijsmiddel te beschikken heeft belanghebbende mijns inziens bewust gekozen voor een overrompelingstechniek. Mijn vertegenwoordigers ter zitting waren hierdoor zodanig verrast, dat zij niet voldoende tijd en gelegenheid hebben gekregen hierop onmiddellijk adequaat te reageren. Ik acht dit in strijd met een goede procesorde.

Ik verzoek u daarom, bij wijze van zeer hoge uitzondering, het onderzoek te heropenen als bedoeld in artikel 8:68, lid 1, Awb, en mij de gelegenheid te bieden alsnog binnen een door u te bepalen termijn, uitsluitend met betrekking tot de strekking en inhoud van het bovenbedoelde telefoongesprek, schriftelijk te reageren. (…)

Mocht u van oordeel zijn dat belanghebbende uit het bewuste telefoongesprek niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan hebben opgevat tot een toezegging van de WOZ-waarde van de onroerende zaak, dan heb ik uiteraard geen belang bij heropening van het onderzoek cq. tot een gefundeerde reactie op dit telefoongesprek. In dat geval vervalt mijn verzoek tot heropening.”

1.10 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak a-straat 1 en 1A te Z (hierna: het object) bestaande uit een woning op a-straat 1 en een bijgebouw op a-straat 1A. De woning en het bijgebouw hebben een inhoud van respectievelijk 481 m³ en 657 m³. De woning is gelegen op een perceel met een oppervlakte van 331 m². In 1999 heeft een verbouwing plaatsgevonden waarbij het bijgebouw is verhoogd met een eerste verdieping.

2.2 Op 9 maart 2009 heeft A met belanghebbende een telefoongesprek gevoerd. Belanghebbende heeft zonder toestemming van A dit gesprek opgenomen. Ter zitting heeft belanghebbende een deel van een gesprek – waarvan hij stelt dat dit het bedoelde gesprek van 9 maart 2009 was – voor zover dat zag op het onderwerpelijk object met gebruikmaking van een door hem meegebrachte computer laten beluisteren. De zakelijke inhoud van dit gesprek, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting, luidt als volgt:

“Er is een bijgebouw geconstateerd en 310 m³ ingemeten. De vorige waarde zonder 310 m³ was € 370.000. Ik zie dat de waarde met € 6.000 is gestegen, omdat 310 m³ erbij is gekomen.”

2.3 Belanghebbende heeft een door de Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: BSR) met dagtekening 17 juli 2009 uitgereikt aanslagbiljet lokale belastingen ontvangen waarop met betrekking tot de “watersysteemheffing gebouwd (binnendijks)” staat vermeld dat op 1 januari 2009 de waarde van het object € 376.000 bedraagt.

2.4 Tot het dossier behoort een aan belanghebbende gerichte brief met dagtekening 26 september 2009 van BSR met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Als antwoord op uw vraag welke instantie ons de informatie verstrekt en waar de aanslag op is gebaseerd het volgende. BSR ontvangt de gegevens van de gemeente Nijmegen en het kadaster Arnhem. Aan de hand van deze gegevens wordt de belastingplichtige bepaald.”

2.5 Ter zitting heeft de Ambtenaar verklaard dat de gemeente een wettelijke plicht heeft om jaarlijks waardegegevens van onroerende zaken, waarvoor ze in het kader van de Wet WOZ een waardebeschikking opmaakt, vóór maart van elk kalenderjaar door te geven aan onder andere de BSR ten behoeve van de bepaling van de heffingsmaatstaf van bepaalde lokale belastingen. Indien de waarde op dat moment nog niet bij beschikking is vastgesteld worden toch de reeds bekende elementen van de waarde-opbouw (digitaal) doorgegeven, onder vermelding van een “blokkeringscode” welke aangeeft dat de waarde nog niet bij beschikking is vastgesteld en derhalve niet kan worden gebruikt voor de heffing van de lokale belastingen.

2.6 De Ambtenaar heeft de waarde van het object voor het jaar 2009, per waardepeildatum

1 januari 2008, bij beschikking met dagtekening 31 oktober 2009 vastgesteld op € 433.000. Voor het jaar 2010 is de waarde, per waardepeildatum 1 januari 2009, bij beschikking met dagtekening 27 februari 2010 vastgesteld op € 432.000.

2.7 Ter onderbouwing van de hiervoor in 2.6 vermelde waarden heeft de Ambtenaar in

eerste aanleg twee taxatierapporten, opgemaakt door A, overgelegd. In het taxatierapport, gedateerd 26 oktober 2010, wordt de waarde in het economische verkeer van het object per waardepeildatum 1 januari 2008 bepaald op € 470.000. In het taxatierapport gedateerd 28 oktober 2010 wordt de waarde in het economische verkeer van het object per waardepeildatum 1 januari 2009 bepaald op € 468.000.

2.8 In een aan belanghebbende gerichte brief met dagtekening 24 november 2011 schrijft

B AA, voor zover van belang, het volgende:

“Vanaf begin 2010 ben ik als accountant betrokken bij de afhandeling van de aangiften inkomstenbelasting. van Dhr. X. Op dat moment liep er tussen mijn cliënt en de fiscus over de jaren 2000 tot en met 2010 een geschil waarbij met name de waarde van zijn onroerend goed een rol speelde. Om die reden heeft een taxateur van de fiscus op 8 juni 2010 de economische waarde van de panden van mijn cliënt vastgesteld. Met betrekking tot de a-straat 1 en 1A te Z werden de volgende economische waarden afgegeven;

Per 1 januari 2007- € 354.000

Per 1 januari 2008- € 370.000

Om een aansluiting te krijgen met Box 1 en Box 3 splitste de fiscus het pand Dobbelmannweg 30-30a per 1 november 2008 waarbij de volgende economische waarden werden afgegeven;

Per 1 januari 2009- € 188.000,- a-straat 1,Box 3

Per 1 januari 2009- € 118.000,- a-straat 1A,Box 1

Totaal € 306.000,-

Voor mij als accountant valt het dan ook moeilijk te beredeneren en aan mijn cliënt uit te leggen waarom één en hetzelfde pand voor hetzelfde jaar twee verschillende economische waarden kan hebben en dat een locale overheid deze waarde hoger acht dan de landelijke overheid.“

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de waarden van het object per waardepeildata 1 januari 2008 en 1 januari 2009 tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

3.2 Belanghebbende bepleit primair dat de onderwerpelijke WOZ-beschikkingen verlaagd

dienen te worden naar de in 2.8 vermelde door de Belastingdienst vastgestelde waarden per 1 januari 2008 (€ 370.000) en 1 januari 2009 (€ 306.000). Subsidiair is hij van mening dat op grond van een in rechte te beschermen vertrouwen de WOZ-beschikkingen voor beide waardepeildata dienen te worden verlaagd naar € 376.000.

3.3 De Ambtenaar is ten aanzien van de door de Belastingdienst vastgestelde waarden van mening dat deze voor de toepassing van de Wet WOZ niet als uitgangspunt kunnen worden genomen. De Ambtenaar is voorts van mening dat er geen vertrouwen is gewekt dat in rechte dient te worden beschermd.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Ambtenaar, tot verlaging van de waarden van het object tot op € 370.000 per waardepeildatum 1 januari 2008 en tot op € 306.000 per waardepeildatum 1 januari 2009 en subsidiar tot waarden per peildata 1 januari 2008 en 1 januari 2009 van € 376.000 op grond van gewekt vertrouwen en, naar het Hof begrijpt, dienovereenkomstige verlagingen van de aanslagen OZB.

3.6 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Verzoek om heropening van het onderzoek ter zitting

4.1 De kern van het in 1.9 vermelde verzoek van de Ambtenaar is dat hij en A niet voldoende tijd en gelegenheid hebben gekregen om op het in 2.2 bedoelde geluidsfragment te kunnen reageren. Het Hof kan de Ambtenaar in zijn stelling niet volgen. Ter zitting is hem namelijk door het Hof medegedeeld dat hij alle ruimte zou krijgen om op het geluidsfragment te reageren. De Ambtenaar heeft vervolgens van die ruimte gebruik gemaakt en heeft uitdrukkelijk de vraag van het Hof of hij in voldoende mate heeft kunnen reageren, bevestigend beantwoord. A heeft er voor gekozen de zittingszaal te verlaten voordat het geluidsfragment zou worden afgespeeld, zelfs nadat het Hof hem erop heeft gewezen dat hij zich daarmee de mogelijkheid zou ontnemen zijn visie op het gevoerde telefoongesprek te geven. Dit procesrisico dient naar het oordeel van het Hof voor rekening van de Ambtenaar te blijven. Het Hof zal het onderzoek (ter zitting) derhalve niet heropenen. Bovendien is het verzoek om heropening voorwaardelijk geformuleerd, namelijk alleen indien het Hof van oordeel is dat aan het bewuste telefoongesprek een in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend. Gelet op het hierna in 4.9 overwogene is strikt genomen niet aan deze voorwaarde voldaan, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat tot heropening.

Waardevaststelling Belastingdienst

4.2 Belanghebbende stelt primair dat de onderwerpelijke WOZ-beschikkingen dienen te worden verlaagd naar de waarden zoals de Belastingdienst die heeft vastgesteld blijkende uit de in 2.8 opgenomen inhoud van de brief van belanghebbendes accountant.

4.3 Belanghebbendes stelling houdt in dat de WOZ-beschikkingen dienen te worden verlaagd omdat de Belastingdienst met de in de brief opgenomen waardevaststellingen de waarde zoals bedoeld in artikel 17 van de Wet WOZ heeft bepaald. Deze stelling wordt verworpen. Uit niets blijkt dat de Belastingdienst de in dat artikel bedoelde ficties als uitgangspunt heeft genomen. Voorts is niet uit te sluiten dat de vastgestelde waarden vanwege het compromissoire karakter van de afspraken met de Belastingdienst niet de waarde in het economische verkeer vertegenwoordigen.

Vertrouwensbeginsel

4.4 De subsidiaire stelling van belanghebbende houdt in dat hetgeen in het telefoongesprek met A op 9 maart 2009 is besproken tot gevolg heeft dat hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat voor beide peildata de waarde van het object zou worden bepaald op € 376.000. Bevestiging van die toezegging wordt volgens belanghebbende gevonden in het in 2.3 vermelde aanslagbiljet en de in 2.4 vermelde brief van BSR.

4.5 Nadat A ter zitting uitdrukkelijk heeft ontkend dat hij in voormeld telefoongesprek een waarde zou hebben vastgesteld, heeft belanghebbende het aanbod gedaan om zijn stelling dat dit wel het geval is geweest, te bewijzen door een geluidsopname van dit telefoongesprek te laten beluisteren.

4.6 Het Hof heeft daarna het onderzoek ter zitting geschorst en de Ambtenaar de gelegenheid gegeven zich met A omtrent dit bewijsaanbod te beraden. Na hervatting van het onderzoek ter zitting heeft de Ambtenaar gesteld het bewijsaanbod tardief te achten en heeft A verklaard geen toestemming voor opname van het telefoongesprek te hebben gegeven.

4.7 Het Hof heeft vervolgens besloten om belanghebbende zijn bewijsaanbod gestand te laten doen gelet op de vrije bewijsleer en het belang dat mogelijkerwijs aan de inhoud van het opgenomen gesprek gehecht kan worden. Ook heeft het Hof aangegeven dat de Ambtenaar en A alle ruimte zouden krijgen om zich hieromtrent te kunnen verweren. A heeft er vervolgens voor gekozen om niet naar de geluidsopname te luisteren en de zittingszaal te verlaten. De Ambtenaar heeft na het afspelen van het geluidsfragment en nadat hij zich heeft uitgelaten over de inhoud van het telefoongesprek, aangegeven dat hij zich voldoende heeft kunnen verweren.

4.8 Wil een beroep op een in rechte te beschermen vertrouwen kunnen slagen dan is vereist

dat de heffingsambtenaar, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het object van de belastingplichtige, heeft toegezegd dat de waarden zullen worden verminderd en dat de door belanghebbende verschafte informatie niet alleen relevant is voor de onderhavige toezegging, maar ook juist is. Bovendien mag de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste toepassing van de Wet WOZ dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen.

4.9 Naar het oordeel van het Hof kan de inhoud van het telefoongesprek zoals weergegeven onder 2.2 - waarbij het Hof er veronderstellenderwijs van uitgaat, dat dit gesprek daadwerkelijk op die dag heeft plaatsgevonden – op zichzelf niet worden opgevat als een vertrouwenwekkende toezegging dat de waarden zullen worden verlaagd naar € 376.000. Met name is daarbij van belang dat A - die bevoegd is om namens de Ambtenaar te handelen - slechts heeft gezegd dat “hij een waarde van € 376.000 ziet” en dat hij geen andere uitlating heeft gedaan die erop duidt dat hij een waarde van € 376.000 zou hebben willen vaststellen.

4.10 De vermelding van de waarde van het object per 1 januari 2009 op het in 2.3 vermelde aanslagbiljet is niet als een rechtstreeks standpunt van de Ambtenaar te beschouwen. Echter, dit neemt niet weg dat deze waarde wel door de Ambtenaar danwel ambtenaren van de gemeente Nijmegen aan BSR is doorgegeven. Belanghebbende kon naar het oordeel van het Hof er redelijkerwijs van uitgaan dat de Ambtenaar, mede op grond van de in 2.4 vermelde brief, de waarde van het object per 1 januari 2009 van € 376.000 aan BSR heeft doorgegeven. Dat deze waarde nog niet de te beschikken waarde kon zijn omdat de gemeente een “blokkeringscode” had ingevoerd kon belanghebbende niet weten danwel vermoeden. Hetgeen A in het telefoongesprek van 9 maart 2009 omtrent een waarde van € 376.000 heeft verklaard in samenhang met belanghebbendes - terechte - veronderstelling dat de gemeente Nijmegen danwel de Ambtenaar dezelfde waarde voorafgaande aan 17 juli 2009 aan BSR heeft doorgegeven, brengt naar het oordeel van het Hof wél met zich mee dat belanghebbende in redelijkheid erop mocht vertrouwen dat € 376.000 de WOZ-waarde van het object per 1 januari 2009 zou zijn. Dat de WOZ-beschikking voor het jaar 2010 met dagtekening 27 februari 2010 een hogere waarde vermeldt, kan, gezien het tijdsverloop tussen de dagtekening van het BSR-aanslagbiljet en de WOZ-beschikking voor het jaar 2010 niet gezien worden als een onverwijlde intrekking van dit gewekte vertrouwen zodat belanghebbende terecht zich erop heeft beroepen dat de waarde van het object per waardepeildatum 1 januari 2009 € 376.000 bedraagt. Belanghebbendes stelling dat hetzelfde zal hebben te gelden voor de WOZ-beschikking voor het jaar 2009 met als waardepeildatum 1 januari 2008 wordt door het Hof verworpen omdat voor deze waardepeildatum een aanslagbiljet van BSR met een waardevermelding van € 376.000 ontbreekt.

4.11 De Ambtenaar heeft gesteld dat slechts een gedeelte van het telefoongesprek is beluisterd en dat wellicht uit het niet beluisterde deel, dat belanghebbende niet ter zitting heeft meegenomen maar wel bestaat, zou kunnen blijken dat A heeft verklaard dat aan de verklaringen omtrent € 376.000 geen rechten kunnen worden ontleend. Het Hof gaat voorbij aan deze stelling omdat A ervoor heeft gekozen om de geluidsopname niet te willen beluisteren en ter zitting niet meer aanwezig te willen zijn en dusdoende de Ambtenaar in een positie heeft gebracht waarin hij niet in staat is door verklaringen van A zijn blote stelling te bewijzen.

4.12 Belanghebbende heeft gesteld dat uit het proces-verbaal van de zitting met de Hofkenmerken 09/00407 en 09/00408 van 24 juni 2010 van de belastingkamer van dit Hof zou blijken dat een door de gemeente ingebracht taxatierapport niet lang na de waardepeildatum mag zijn opgemaakt. Deze zienswijze is niet juist en berust op een onjuiste lezing van het proces-verbaal. Het Hof heeft wel aangegeven dat de standaard vermelding in het taxatierapport van het begin van het kalenderjaar als toestandsdatum – zonder dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 18, derde lid van de Wet WOZ – een onjuiste werkwijze is.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep voor het jaar 2009 (11/00457) ongegrond en voor het jaar 2010 (11/00458) gegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank inzake het jaar 2009,

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank inzake het jaar 2010,

– vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar inzake het jaar 2010,

– vermindert de vastgestelde waarde voor het jaar 2010 tot € 376.000,

– vermindert de aanslag OZB voor het jaar 2010 naar een bedrag dat is gebaseerd op een waarde van € 376.000,

– gelast dat de gemeente Nijmegen aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 112 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.C.M. de Kroon, in tegenwoordigheid van J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 7 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.