Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV3774

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
200.080.148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg opdracht tot advisering bij onteigening; voortijdige beëindiging opdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.080.148

(zaaknummer rechtbank 192723)

arrest van de tweede civiele kamer van 14 februari 2012

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LandRaad B.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. K. van der Meulen,

tegen:

[X],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. de Kruijff.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor de procedure in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 8 februari 2011.

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Op eenparig verzoek van partijen heeft deze comparitie (na aanbrengen) geen doorgang gevonden en hebben partijen er voor gekozen om verder te procederen in hoger beroep.

1.2 Bij memorie van grieven, tevens inhoudende wijziging van eis heeft LandRaad drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

1. a. primair: [X] alsnog zal veroordelen om aan LandRaad te betalen een bedrag van

€ 52.580,-- exclusief BTW vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag vanaf 24 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair: een bedrag van € 43.664,-- exclusief BTW vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 4 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

1. b. subsidiair: een bedrag van € 54.580,-- vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 14.361,50 en de wettelijke rente over een bedrag van € 40.218,50 vanaf 24 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag verminderd dient te worden met hetgeen [X] reeds heeft betaald zijnde een bedrag van € 11.827,27;

2. [X] zal veroordelen om aan LandRaad te betalen hetgeen door haar in eerste aanleg aan proceskosten is voldaan, zijnde een bedrag van € 2.973,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 26 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [X] zal veroordelen in de kosten in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, met de bepaling dat indien niet binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan, daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

1.3 Bij memorie van antwoord in het principaal appel heeft [X] de grieven bestreden en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest LandRaad niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van LandRaad in [bedoeld zal zijn:] de kosten van het hoger beroep.

1.4 Bij dezelfde memorie heeft [X] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis, heeft hij daartegen drie grieven aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen, voor zover de vordering van LandRaad daarbij is toegewezen, en opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, LandRaad zal veroordelen :

1. tot terugbetaling van het door [X] aan LandRaad betaalde bedrag ad € 13.098,08 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de dag waarop [X] dit bedrag aan LandRaad heeft voldaan tot aan de dag der algehele terugbetaling;

2. tot terugbetaling van het door [X] aan LandRaad betaalde bedrag ad € 13.098,08 uit hoofde van onverschuldigde betaling;

3. in de kosten van het incidenteel appel, waaronder begrepen de kosten van de advocaat van [X] en;

4. in de nakosten van € 131,-- bij voldoening zonder dat betekening van het arrest heeft plaatsgevonden en € 199,-- bij voldoening na betekening van het in dezen te wijzen arrest.

1.5. Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft LandRaad

verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof de grieven in het incidenteel appel zal verwerpen; kosten rechtens.

1.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties de navolgende feiten vast.

2.1 Tussen LandRaad en [X] is in mei 2005 mondeling een overeenkomst van

opdracht tot stand gekomen. [X] heeft LandRaad opdracht gegeven tot het geven van advies en bijstand inzake de onteigening van een gedeelte van zijn perceel door de provincie Gelderland ten behoeve van de aanleg van een provinciale rondweg (N322) en de vestiging van een voorkeursrecht door de gemeente West Maas en Waal op het perceel waarop het agrarisch bedrijf annex tuincentrum van [X] is gevestigd in verband met het voornemen tot woningbouw en de aanleg van industrieterrein.

2.2 Nadat LandRaad als onderdeel van de uitvoering van die opdracht op 18 juli 2005 met [X] een gesprek had gevoerd met een ambtenaar van de provincie heeft zij de opdracht met brief van 19 juli 2005 aan [X] bevestigd. De brief vermeldt onder meer:

“(..) voor de werkzaamheden worden aan u kosten in rekening gebracht, conform de

tarieven als vermeld in de bijgevoegde Algemene Voorwaarden of naar rato van de

daarmee gepaard gaande tijd op basis van mijn uurtarief ad € 136,- (excl. BTW en 5% kantoorkosten). De kosten worden in beginsel bij voltooiïng van de opdracht

gefactureerd, dan wel ieder kwartaal (..)"

2.3 Bij brief van 6 februari 2006 schrijft LandRaad aan [X]:

“(..) In aanvulling op de opdrachtbevestiging d.d. 19 juli 2005, bevestig ik u hierbij dat aan u nimmer kosten in rekening zullen worden gebracht boven de vergoedingen, zoals deze door de Provincie Gelderland, de Gemeente en of andere partijen, aan ons kantoor zullen worden betaald. Dit is geheel in lijn met de bepalingen van de Onteigeningswet.

Hiermee garanderen wij u dus dat de kosten van dienstverlening van LandRaad geheel bij genoemde partijen in rekening zal worden gebracht en u vrij blijft van kosten voor de onze dienstverlening (..)”

2.4. Begin mei 2008 heeft [X] aan LandRaad aangegeven de overeenkomst te

willen beëindigen.

2.5. Bij brief van 2 juli 2008 heeft de gemachtigde van [X] aan LandRaad onder

meer het volgende laten weten:

"(..) [X] heeft u herhaald verzocht tot inzage. Helaas geeft u hieraan geen gehoor. Tot op heden is [X] door u totaal niet geïnformeerd welke werkzaamheden er door u zijn verricht en is hij ook niet op de hoogte van de stand van zaken. (..) voor zover wel aangenomen moet worden dat er een opdracht aan u is verleend, stelt [X] zich op het standpunt dat u toerekenbaar tekort bent geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Meer specifiek gaat het om de op u rustende verplichting om hem op de hoogte te houden van de werkzaamheden en hem daaromtrent correct te informeren. (..) Namens [X] (..) stel ik u hierbij formeel in gebreke en verzoek ik u om uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze brief alsnog inzage te geven door hem kopieën toe te sturen van alle inkomende en uitgaande stukken. (..) Tot slot trek ik namens [X] per direct de opdracht (..) in" .

2.6. Bij brief van 11 januari 2010 aan LandRaad laat [X] de vernietiging

inroepen van de door LandRaad gebruikte algemene voorwaarden.

2.7. Per factuur van 10 juni 2009 met nummer 986051/N0670 factureert LandRaad

[X] als volgt:

"(..) Courtage over (geschatte) verkoopopbrengst € 4.100.000,--

conform tarief (zie algemene voorwaarden) € 62.678,75

Te vermeerderen met 19% BTW € 11.908,96

Totaal te voldoen € 74.587,71".

2.8. [X] heeft ondanks herhaalde aanmaning niet betaald.

2.9. Met toestemming van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem heeft

LandRaad beslag doen leggen op onroerende zaken van [X].

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 In eerste aanleg heeft LandRaad in conventie - samengevat - veroordeling gevorderd van [X] tot betaling primair van € 85.775,71, subsidiair van € 61.458,17 en meer subsidiair van € 37.441,64, telkens vermeerderd met rente en kosten.

LandRaad legde aan haar primaire vordering ten grondslag dat [X] door de

opdracht op te zeggen op grond van artikel G, sub d. van de algemene voorwaarden courtage is verschuldigd overeenkomstig het in artikel K van die voorwaarden opgenomen courtageschema, aan haar subsidiaire vordering dat [X] schadevergoeding ter hoogte van 80% van het courtagebedrag is verschuldigd omdat hij de opdracht zonder grond heeft beëindigd nadat LandRaad 80% van de werkzaamheden had uitgevoerd, en aan haar meer

subsidiaire vordering dat [X] schadevergoeding is verschuldigd op basis van de gewerkte uren en gederfde winst.

3.2 [X] heeft verweer gevoerd. Voorts heeft [X] in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de rechtbank een vordering van LandRaad zou toewijzen, gevorderd, dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat de algemene voorwaarden van LandRaad buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze zal vernietigen en LandRaad zal veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording ter zake van de door haar verrichte werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag met een maximum van € 100.000,--, met haar veroordeling in de proceskosten.

[X] legde onder meer aan zijn vordering ten grondslag dat LandRaad op de

voet van artikel 843a Rv of artikel 22 Rv gehouden is rekening en verantwoording af te leggen over de door haar verrichte werkzaamheden.

3.3 LandRaad heeft verweer gevoerd.

3.4 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in conventie [X] veroordeeld tot betaling van de door LandRaad volgens haar opgave gewerkte uren tegen haar aan [X] kenbaar gemaakte uurtarief van € 136,--, vermeerderd met 5% aan kantoorkosten en omzetbelasting en voorts met de wettelijke rente over dat totaalbedrag vanaf 4 november 2009 tot de dag van betaling, met veroordeling van LandRaad in de kosten van de procedure en met veroordeling van [X] in de kosten van het beslag, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [X] afgewezen, met zijn veroordeling in de proceskosten.

3.5 Met haar grieven richt LandRaad zich tegen het vonnis van de rechtbank in conventie, waarin de rechtbank de toewijzing van haar vordering heeft beperkt tot - kortweg - haar uren maal haar uurtarief, zonder verdere schadevergoeding, met haar veroordeling in de proceskosten.

3.6 Met zijn incidentele grieven richt [X] zich eveneens tegen het vonnis van de rechtbank in conventie. Deze strekken ertoe dat de vordering van LandRaad alsnog zal worden afgewezen en dat al hetgeen door [X] uit hoofde van het bestreden vonnis van de rechtbank Arnhem aan LandRaad is betaald, door LandRaad aan hem wordt terugbetaald.

3.7 De grieven en de incidentele grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Overeenkomst van opdracht

3.8 In verband met de uitleg van de inhoud van de overeenkomst overweegt het hof als volgt. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.9 Vaststaat dat tussen LandRaad en [X] in mei 2005 een mondelinge overeenkomst van opdracht is tot stand gekomen betreffende bijstand van H.P.G. Jansen, directeur van LandRaad, als adviseur inzake (minnelijke) onteigening met betrekking tot de aanleg van de N322 en mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen.

3.10 Volgens haar schriftelijke opdrachtbevestiging van 19 juli 2005 (zie hiervoor onder 2.2) zou LandRaad aan [X] kosten in rekening brengen conform de in haar algemene voorwaarden vermelde tarieven of naar rato van de daarmee gepaard gaande tijd op basis van een uurtarief van € 136,-- (exclusief BTW en 5% kantoorkosten).

Volgens haar latere brief van 6 februari 2006 zou LandRaad aan [X] geen kosten in rekening brengen “boven de vergoedingen, zoals deze door de Provincie, de Gemeente en of andere partijen, aan ons kantoor zullen worden betaald.” LandRaad verwees in dat verband naar de Onteigeningswet, waarmee het voorgaande geheel in lijn zou zijn.

3.11 Met deze berichtgeving, in onderling verband beschouwd, zegde LandRaad [X] derhalve toe ter zake van de honorering van haar op grond van de opdracht te verrichten werkzaamheden genoegen te nemen met de vergoeding(en), zoals deze door de onteigenende partij, in lijn met de Onteigeningswet, aan haar zouden worden betaald. Volgens haar memorie van grieven onder randnummer 50 doelde LandRaad met haar verwijzing naar de Onteigeningswet met name op artikel 50 leden 1 en 4 van de Onteigeningswet.

3.12 Volgens artikel 50 lid 1van de Onteigeningswet komen de kosten van het proces ten laste van de onteigenende partij. Volgens artikel 50 lid 4 van de Onteigeningswet zijn onder de kosten van het geding mede begrepen kosten van rechtsbijstand of andere deskundige bijstand, die naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs door verweerders of belanghebbenden zijn gemaakt.

Intrekking opdracht; (vermeend) verzuim LandRaad

3.13 [X] heeft de opdracht per brief van 2 juli 2008 van zijn gemachtigde ingetrokken. Volgens [X] is LandRaad tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als opdrachtnemer en derhalve schadeplichtig. Zijn bezwaar tegen LandRaad komt er - kortweg - op neer, dat haar houding als passief en initiatiefloos kan worden getypeerd, terwijl de informatievoorziening onder de maat bleef.

Met zijn eerste incidentele grief komt [X] op tegen het oordeel van de rechtbank dat LandRaad niet in verzuim is geraakt, [naar het hof begrijpt:] reeds omdat een deugdelijke ingebrekestelling heeft ontbroken. [X] voert daartegen aan dat voor verzuim een ingebrekestelling in dit geval overbodig was, omdat nakoming door LandRaad blijvend onmogelijk was.

3.14 Indien deze incidentele grief zou slagen, komt via de devolutieve werking van het appel de betwisting door LandRaad van haar tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de opdracht aan de orde. LandRaad heeft in haar memorie van grieven onder randnummers 12 - 27 een concrete opsomming gegeven van haar werkzaamheden voor [X] en de wijze waarop zij deze met [X] heeft gecommuniceerd. [X] heeft in zijn memorie van antwoord volstaan met een algemene herhaling van zijn stellingname dat LandRaad tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen zonder op de concrete weergave door LandRaad van haar activiteiten en de communicatie daarvan met [X] te responderen. Daarmee heeft [X] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Het hof zal aan de desbetreffende beweringen van [X] derhalve voorbij gaan. Van tekortschieten in de nakoming door LandRaad is rechtens dan ook geen sprake, zodat aan de vraag of ‘verzuim’ aan haar zijde is ingetreden niet wordt toegekomen.

In zoverre faalt de eerste incidentele grief, althans heeft [X] bij de verdere behandeling daarvan geen belang.

3.15 Het voorgaande leidt ertoe dat de intrekking van de opdracht niet berustte op verzuim aan de zijde van LandRaad. Dit neemt niet weg dat [X] de overeenkomst van opdracht te allen tijde kon opzeggen (zie artikel 7:408 lid 1 BW). De overeenkomst van opdracht is als gevolg van die opzegging derhalve rechtsgeldig beëindigd.

Consequenties van beëindiging opdracht voorafgaand aan de volbrenging ervan

3.16 De vraag is wat het voorgaande betekent voor het aan LandRaad voor de door haar op grond van de opdracht verrichte werkzaamheden toekomende loon.

Met grief I voert LandRaad aan dat zij van [X] overeenkomstig het in artikel 7:411 lid 2 juncto lid 1 BW bepaalde recht heeft op het volle loon dat zij als zij de opdracht had kunnen voltooien van de onteigenende partij had kunnen ontvangen. Het zou hier gaan om een vergoeding van haar werkzaamheden (van ofwel de provincie ofwel de gemeente ofwel derden, zoals een projectontwikkelaar) op basis van een percentage van de verkoop- of aankoopprijs, zoals bij deze transacties gebruikelijk. Zoals LandRaad aanvoert, is het in deze zaken gebruikelijk dat een courtage in rekening wordt gebracht (zie haar memorie van grieven onder randnummer 47).

3.17 [X] daarentegen komt er met zijn tweede incidentele grief tegen op dat LandRaad volgens het bestreden vonnis enig bedrag aan hem in rekening zou kunnen brengen, aangezien hij volgens zijn afspraak met LandRaad (zie hiervoor onder 2.3) van kosten van LandRaad gevrijwaard zou blijven, hetgeen de rechtbank zijns inziens heeft miskend. Hij vordert het door hem ingevolge dat vonnis betaalde loon derhalve van LandRaad terug. Hij acht ook onjuist het oordeel van de rechtbank dat hij zich had behoren te realiseren dat hij door het intrekken van de opdracht LandRaad de mogelijkheid zou ontnemen om haar kosten bij de provincie of de gemeente (derhalve bij de onteigenende partij) in rekening te brengen. Tegen dat oordeel richt hij zijn derde incidentele grief.

3.18 Partijen verschillen derhalve - kortweg - van mening over de vraag of [X] aan LandRaad voor haar werkzaamheden enig bedrag verschuldigd is en zo ja, welk.

3.19 Voor de tussen partijen ter zake van de beloning van LandRaad bestaande afspraken verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 3.10 - 3.12 is overwogen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de (nadere) afspraak tussen LandRaad en [X], dat LandRaad ter zake van de honorering van haar op grond van de opdracht te verrichten werkzaamheden genoegen zou nemen met de vergoeding(en), zoals deze door de onteigenende partij, in lijn met de Onteigeningswet, aan haar zouden worden betaald, uitgaat van daadwerkelijke betaling van die werkzaamheden door de onteigenende partij. In geval van voltooiïng van haar werkzaamheden door LandRaad zou de desbetreffende betaling niet op problemen zijn gestuit en had zij deze als gevolg van haar cont(r)acten voor [X] met de onteigenende partij in zekere zin in eigen hand. Als gevolg van de voortijdige beëindiging van de opdracht evenwel was zij, anders dan [X] aanvoert, van die contacten afgesneden, althans ontbrak het haar ten opzichte van de onteigenende partij aan een titel voor haar van [X] afgeleide vergoeding (zie hiervoor onder 3.12). Als contractspartij van de onteigenende partij had [X] met deze (en zijn opvolgend adviseur) een regeling kunnen treffen voor een pro rata vergoeding van de verrichte werkzaamheden tussen LandRaad en haar opvolger. Naar blijkt uit de brief van Achmea Rechtsbijstand namens [X] aan LandRaad d.d. 24 juni 2009 (productie 6 bij inleidende dagvaarding), heeft LandRaad daarop ook nog bij [X] aangedrongen, maar heeft [X] dit geweigerd. Het voorgaande brengt mee dat de intrekking van de opdracht er in het onderhavig geval toe heeft geleid, dat LandRaad zich voor haar vergoeding niet langer kon richten tot de onteigenende partij maar was aangewezen op [X] zelf. Hiermee kwam tegelijkertijd de grondslag aan de hiervoor omschreven (nadere) afspraak tussen partijen te ontvallen.

De incidentele tweede en derde grief falen derhalve.

3.20 Dat betekent dat de oorspronkelijke afspraak met [X], neergelegd in de brief van LandRaad aan [X] van 19 juli 2005 (zie hiervoor onder 2.2), herleeft. Anders dan LandRaad aanvoert, is in dit geval tussen haar en [X] geen sprake geweest van een opdracht waarbij de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging in de zin van artikel 7:411 lid 1 BW. Die afspraak zelf, waarbij geen duidelijke keuze is gemaakt voor courtage, nu immers ook vergoeding op urenbasis als alternatief is genoemd, vermeldt in verband met in rekening te brengen kosten immers mede “(…) naar rato van de daarmee gepaard gaande tijd (…)”, hetgeen daarmee in tegenspraak is.

3.21 In verband met de vraag welk bedrag LandRaad aan [X] zelf in rekening kan brengen, is het volgende van belang.

Zoals [X] aanvoert, heeft de rechtbank zijn beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden in het bestreden vonnis (onder 4.1) gehonoreerd. LandRaad heeft daartegen niet gegriefd, zodat het hof van de vernietiging van die algemene voorwaarden zal uitgaan. Dit betekent dat LandRaad bij [X] op basis van haar afspraak met hem (slechts) de door haar bestede tijd op basis van haar uurtarief ad € 136,-- (exclusief BTW en 5% kantoorkosten) kan factureren. Aan de jaarlijkse verhoging van dat tarief heeft LandRaad geen afspraak tussen partijen ten grondslag gelegd, zodat het hof daaraan ingevolge de betwisting daarvan door [X] voorbij zal gaan. Ook aan het niet nader geadstrueerde in hoger beroep verhoogde aantal door LandRaad bestede uren zal het hof voorbij gaan, nu [X] dit betwist met een beroep op de naar eigen bewering van LandRaad niet nauwkeurig bijgehouden urenadministratie (zie haar memorie van grieven onder randnummer 46). Het hof zal dus uitgaan van het door de rechtbank aangehouden aantal uren, waartegen door [X] als zodanig niet is gegriefd. Het hof zal tevens uitgaan van vergoeding van de wettelijke rente (in plaats van de wettelijke handelsrente) vanaf 4 november 2009, nu tegen de toewijzing daarvan tegen die datum in het bestreden vonnis door LandRaad evenmin is gegriefd.

Grief I faalt derhalve.

Schadevergoeding

3.22 Met haar tweede grief keert LandRaad zich tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering tot schadevergoeding, omdat zij is misgelopen hetgeen zij (van de onteigenende partij) zou hebben gekregen als zij de opdracht wel had kunnen voltooien. Door de overeenkomst met haar zonder deugdelijke reden te doen opzeggen zonder enige mogelijkheid tot herstel of reactie is [X] jegens haar toerekenbaar tekort geschoten en heeft zij aan [X] toerekenbare schade geleden. Als professionele opdrachtgever is [X] aansprakelijk voor de gevolgen van de voortijdige opzegging (zie artikel 7:408 lid 3 BW).

3.23 Nu LandRaad haar stelling dat [X] in verband met de door hem gegeven opdracht als professioneel opdrachtgever heeft gehandeld met het oog daarop niet nader heeft geadstrueerd en [X] dit gemotiveerd heeft betwist, heeft LandRaad haar desbetreffende stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof zal aan deze stelling derhalve voorbij gaan.

3.24 Zo [X] echter in verband met de door hem gegeven opdracht als professioneel opdrachtgever zou hebben gehandeld en de voortijdige intrekking van de opdracht onder de omstandigheden van het geval als wanprestatie zou zijn aan te merken, rijst de vraag of LandRaad bij betaling van haar honorarium als hiervoor onder 3.21 omschreven, derhalve gebaseerd op de door haar bestede tijd op basis van haar uurtarief ad € 136,-- (exclusief BTW en 5% kantoorkosten), aan [X] toerekenbare schade lijdt.

3.25 Dit is niet het geval. De Onteigeningswet relateert de door de onteigenende partij te betalen kosten van - in dit geval - “andere deskundige bijstand”, zoals blijkt uit artikel

50 lid 4 van de Onteigeningswet (zie hiervoor onder 3.12), aan de door de onteigende partij redelijkerwijs gemaakte kosten. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de rechtbank het beroep van [X] op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden in het bestreden vonnis (onder 4.1) gehonoreerd. LandRaad heeft daartegen niet gegriefd, zodat het hof van de vernietiging van die algemene voorwaarden uitgaat. Dit brengt mede, dat als basis voor de door [X] redelijkerwijs gemaakte, door de onteigenende partij in lijn met de Onteigeningswet te vergoeden kosten (slechts) het door LandRaad bij brief van 19 juli 2005 aan [X] opgegeven uurtarief van € 136,-- (exclusief BTW en 5% kantoorkosten) in aanmerking komt. Door LandRaad eventueel rechtstreeks met de onteigenende partij gemaakte verderstrekkende afspraken zijn in zoverre niet terug te voeren op de Onteigeningswet en aan [X], zoals hij in zijn memorie van antwoord onder randnummer 15 ook aanvoert, niet tegen te werpen evenmin als daarop door haar eventueel gebaseerde schade.

Grief II faalt derhalve.

Proceskostenveroordeling

3.26 Met haar derde grief ten slotte komt LandRaad op tegen de proceskostenveroordeling van LandRaad in eerste aanleg. Deze grief slaagt. Gelet op het feit dat partijen in eerste aanleg ieder deels in het ongelijk werden gesteld, was er aanleiding de proceskosten te compenseren. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt vernietigen, met veroordeling van [X] tot terugbetaling van het ter zake door Landraad aan hem betaalde bedrag.

Grief III slaagt derhalve.

Slotsom

3.27 De grieven I en II falen; grief III slaagt. De incidentele grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met uitzondering van de proceskostenveroordeling in conventie (de beslagkosten daaronder niet begrepen) die zal worden vernietigd. De proceskosten in conventie zullen worden gecompenseerd, met veroordeling van [X] tot terugbetaling aan LandRaad van het ter zake door LandRaad aan hem betaalde bedrag. In hoger beroep zal LandRaad als overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. [X] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal en in het incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 29 september 2010, behoudens voor zover het de proceskostenveroordeling in conventie betreft (de beslagkosten daaronder niet begrepen) en doet in zoverre opnieuw recht;

compenseert de proceskosten in conventie en veroordeelt [X] tot terugbetaling aan LandRaad van het ter zake door Landraad aan hem betaalde bedrag ad € 2.973,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover van 26 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

in het principaal appel:

veroordeelt LandRaad in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [X] begroot op € 1.631,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 649,-- voor griffierecht;

in het incidenteel appel:

veroordeelt [X] in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van LandRaad begroot op € 815,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, K.J. Haarhuis en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

14 februari 2012.