Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV2858

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-01-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
TBS P11/0367
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Er is sprake van een niet gemaximeerde terbeschikkingstelling. Uit de bij het veroordelend vonnis behorende bewezenverklaring blijkt dat de door de terbeschikkinggestelde geuite bedreiging werd vergezeld van een niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde. De terbeschikkinggestelde heeft immers terwijl hij zijn verbale bedreiging uitte, gewezen op het heft van een mes dat hij met zich meedroeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P11/0367

Beslissing d.d. 30 januari 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende aan de [adres].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juni 2011, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van de zitting van het hof van 21 november 2011;

- de tussenbeslissing van het hof van 5 december 2011;

- de bij het veroordelend vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 mei 1995 behorende bewezenverklaring.

Het hof heeft ter zitting van 16 januari 2012 gehoord de raadsman mr J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, en de advocaat-generaal, mr M.J.M van der Mark.

Overwegingen:

De tussenbeslissing van het hof

Bij tussenbeslissing van 5 december 2011 heeft het hof – gezien de na de oplegging van de terbeschikkingstelling aangescherpte jurisprudentie – het van belang geacht het dossier te doen aanvullen met de bij het veroordelend vonnis behorende bewezenverklaring. Deze bewezenverklaring bevindt zich thans bij de stukken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Blijkens de bewezenverklaring heeft de terbeschikkinggestelde zijn verbale bedreiging kracht bijgezet door te wijzen op het heft van een mes dat hij met zich meedroeg. Die handeling kan naar haar aard worden geïnterpreteerd als agressief naar de bedreigde. Er is daarom sprake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. De terbeschikkingstelling is dus niet gemaximeerd. De terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met een jaar.

Het standpunt van de raadsman

Uitgaande van de bewezenverklaring is er, conform het standpunt van de advocaat-generaal, sprake van een niet gemaximeerde terbeschikkingstelling. Wel is onvoldoende gebleken van recidivegevaar zodat primair de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van een jaar. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende.

Uit de bij het veroordelend vonnis behorende bewezenverklaring blijkt dat de door de terbeschikkinggestelde geuite bedreiging werd vergezeld van een niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde. De terbeschikkinggestelde heeft immers terwijl hij zijn verbale bedreiging uitte, gewezen op het heft van een mes dat hij met zich meedroeg. Het hof is derhalve van oordeel dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve is de terbeschikkingstelling niet in duur beperkt tot vier jaar.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juni 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam].

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr E.G. Smedema als raadsheren,

en drs. E. Harmsen en dr. L. Kaiser als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 30 januari 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.