Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BV1874

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
200.069.583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte in flatgebouw. Huurreglement met verbod tot plaatsen van (schotel-) antennes zonder voorafgaande toestemming verhuurder. Contractuele beperking van informatievrijheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.069.583

(zaaknummer rechtbank 614067)

arrest van de tweede civiele kamer van 24 januari 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A. Klein,

tegen:

de stichting Stichting Volkshuisvesting Arnhem,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.L. Bongers.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

22 juni 2009, 9 november 2009 en 22 maart 2010 die de kantonrechter in de rechtbank Arnhem, locatie Arnhem, tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: SVA) als eiseres heeft gewezen; van dat vonnis van 22 maart 2010 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 18 mei 2010, hersteld bij exploot van 2 juni 2010, SVA aangezegd van dat vonnis van 22 maart 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van SVA voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vorderingen van SVA alsnog zal afwijzen, met veroordeling van SVA in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft SVA de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het beroep zal verwerpen, met bekrachtiging, zo nodig onder verbetering van gronden, van het bestreden vonnis, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens heeft SVA de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties de navolgende feiten vast.

3.1 [appellant] huurt van SVA sedert 26 mei 2003 het appartement plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats].

3.2 Volgens artikel 3 van de huurovereenkomst is daarop van toepassing het huurreglement van SVA.

3.3 Artikel 9.1 van dat huurreglement luidt als volgt:

“Het is huurder zonder voorafgaande toestemming van verhuurder niet toegestaan het gehuurde te wijzigen. De toestemming wordt in beginsel schriftelijk gegeven en is gebaseerd op de regeling Verbouwen zonder Brokken. Het verzoek om toestemming moet door huurder schriftelijk bij verhuurder ingediend worden. Onder wijzigen wordt hier niet alleen verstaan aan-, bij- of verbouwen en wegbreken, maar ook het aanbrengen van zonweringen, luiken, harde vloerbedekking en dergelijke, het plaatsen van (schotel-) antennes en zendinstallaties en het oprichten van schuren, garages, bergkasten, dierenverblijven, schuttingen en andere erfafscheidingen. Aan bedoelde toestemming kan verhuurder bijzondere voorwaarden verbinden.”

3.4 [appellant] heeft in strijd met dit verbod zonder toestemming van SVA een schotelantenne geplaatst aan de achterkant, d.w.z. de balkonzijde, van zijn (flat-)woning.

3.5 SVA heeft [appellant] hierover aangeschreven bij brief van 19 november 2008, hem daarbij verzocht de schotelantenne te verwijderen en de schade te herstellen. Voorts heeft zij hem daarbij haar voorwaarden voor herplaatsing van de schotelantenne van technische, esthetische en overlast beperkende aard meegedeeld.

3.6 [appellant] heeft ondanks meerdere verzoeken en een sommatie geweigerd de schotelantenne te verwijderen en/of te verplaatsen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 SVA vordert in dit geding kortweg veroordeling van [appellant] de schotelantenne te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per (gedeelte van) een dag bij gebreke daarvan met een maximum van € 1.500,--, met machtiging van SVA om het daartoe dan zelf te leiden op kosten van [appellant] en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.2 [appellant] heeft ten verwere tegen deze vordering in eerste aanleg aangevoerd dat in het verleden een andere huurder van hetzelfde appartementencomplex (ene [X], huurder van appartement [adres]) op dezelfde wijze als [appellant] een schotel heeft geplaatst en dat SVA daarmee akkoord is gegaan. [appellant] voerde aan dat SVA aldus handelde in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.3 De kantonrechter heeft de vordering van SVA toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartegen richt [appellant] zijn grieven.

4.4 Met zijn eerste grief keert [appellant] zich tegen de toewijzing van de hoofdvordering. Ter toelichting daarop voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het op grond van artikel 10 EVRM aan hem toekomende recht om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van (bedoeld zal zijn:) derden.

4.5 Artikel 10 EVRM luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat (…) de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen (…), zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. (…).

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde (…) beperkingen (…), die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (…) de bescherming van (…) de rechten van anderen (…).”

4.6 Het beroep van [appellant] op de in artikel 10 lid 1 EVRM belichaamde vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen stelt het hof voor de vraag naar de wijze van doorwerking van die bepaling, (oorspronkelijk) strekkend tot bescherming van de burger tegen de overheid, in de verhouding tussen [appellant] en SVA.

4.7 De desbetreffende vrijheid is van zodanig groot belang voor het individu en de samenleving als geheel, dat artikel 10 lid 1 EVRM volgens inmiddels vaste rechtspraak tot op zekere hoogte ook kan worden ingeroepen in horizontale verhoudingen, zoals die tussen [appellant] en SVA. Het hof zal het in dat artikel tot uitdrukking gebrachte grondrecht dan ook betrekken in zijn beoordeling van het onderhavig geschil.

4.8 Met artikel 9.1 van haar huurreglement, in artikel 3 van de huurovereenkomst op deze overeenkomst van toepassing verklaard, heeft SVA onder meer voor het plaatsen van schotelantennes gebruik gemaakt van de haar in artikel 7:215 lid 6 juncto lid 1 BW geboden mogelijkheid contractueel te bedingen dat [appellant] aan de buitenzijde van de woning niets mag wijzigen zonder haar voorafgaande toestemming.

4.9 Ter nadere uitwerking van zijn eerste grief stelt [appellant] voor de door hem gewenste nieuwsgaring aangewezen te zijn op de schotelantenne, die door hem kort na aanvang huurovereenkomst is geplaatst op de enig mogelijke wijze waarop een breed signaal kan worden verkregen. Als nieuwsfreak volgt hij dagelijks via de schotel gedurende meerdere uren per dag via diverse Duitstalige televisiezenders nieuwsprogramma’s. Inpandige bevestiging is voor hem geen alternatief. Om die reden hebben hij en andere bewoners (onder wie [X]) de schotel op aanwijzing van de toenmalig beheerder van SVA, de heer [Y], op de door [appellant] toegepaste wijze aan de achterzijde bevestigd. Het belang van SVA is volgens [appellant] onvoldoende zwaarwegend ter rechtvaardiging van het onderhavig verbod. Bovendien staat SVA schotelantennes elders wel toe, aldus [appellant].

4.10 [appellant] wil zijn belang bij de door hem gewenste nieuwsgaring dus kennelijk laten prevaleren boven (het belang van SVA bij) de effectuering van het tussen hem en SVA overeengekomen verbod.

4.11 De rechtsverhouding tussen [appellant] en SVA als contractspartijen wordt mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (zie artikel 3:12 BW). Bij de vaststelling van de voor SVA en [appellant] uit het overeengekomen verbod voortvloeiende rechten onderscheidenlijk plichten is de in artikel 10 lid 1 EVRM belichaamde vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen dan ook uitdrukkelijk te betrekken.

4.12 Het hof zal derhalve nagaan welke belangen voor de beoordeling in dit geval gewicht in de schaal leggen, de in artikel 10 lid 1 EVRM belichaamde aanspraak daaronder mede begrepen, om die belangen vervolgens tegen elkaar af te wegen.

4.13 Aan de zijde van SVA zijn voor haar beroep op het in artikel 9.1 van haar huurreglement omschreven verbod met name technische en esthetische motieven aangevoerd.

Wat de technische motieven betreft gaat het SVA om het voorkomen van beschadiging. De voet van de schotel van [appellant] is met bouten en moeren aan de metalen balkon-balustradeplaat bevestigd waartoe door de plaat gaten zijn geboord. De balustradeplaat is daardoor beschadigd.

De esthetische aspecten zien erop dat de schotel van [appellant] het gebouw ontsiert, omdat deze van buitenaf waarneembaar is. Ook de kans op precedentwerking is daardoor groter. SVA hanteert voor al haar woningen dezelfde huurvoorwaarden. Zoals ook uit door haar overgelegde producties blijkt (vgl. de producties 7 en 8 bij inleidende dagvaarding, 12 en 14 bij akte en 2 bij memorie van antwoord), procedeert zij regelmatig om foutief geplaatste schotels verwijderd te krijgen. SVA wenst graag uniformiteit in de wijk te bewaren.

4.14 Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen, wenst [appellant] dagelijks via de schotel gedurende meerdere uren per dag via diverse Duitstalige televisiezenders nieuwsprogramma’s te ontvangen. Hij geeft voor zijn desbetreffende wens geen motivering, anders dan dat hij zichzelf als “nieuwsfreak” betitelt. Hij laat voorts na te specificeren welke Duitstalige zenders hij zonder de schotelantenne niet meer kan ontvangen. Hij stelt dat inpandige bevestiging geen alternatief vormt, maar laat na inzicht te geven in het onderscheid tussen de situatie indien hij de schotel buiten bevestigt overeenkomstig de voorwaarden van SVA en de huidige volgens het huurreglement verboden situatie. Ook laat [appellant] andere wijzen om inlichtingen te ontvangen buiten iedere beschouwing.

Onverminderd het zwaarwichtig belang dat het hof hecht aan de in artikel 10 lid 1 EVRM belichaamde vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen, heeft [appellant] mede tegen de achtergrond van de onder 4.13 bedoelde belangen van SVA en de tussen partijen bestaande contractuele verhouding waarvan het onderhavig verbod deel uitmaakt, zijn belangen onvoldoende onderbouwd om zijn belang bij de door hem gewenste nieuwsgaring te laten prevaleren boven (het belang van SVA bij) de effectuering van het tussen hem en SVA overeengekomen verbod.

4.15 In verband met zijn beroep ook in hoger beroep op het gelijkheidsbeginsel deelt het hof voor zover het [X] betreft het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis onder 2.4, alinea 4 en maakt dit tot het zijne. [appellant]’ stelling dat SVA elders wel schotelantennes toestaat, heeft hij niet nader geadstrueerd; deze is tegen de achtergrond van het beleid dat SVA voert, ook van weinig gewicht. Dat er ook andere huurders kunnen zijn, die het afgesproken verbod negeren, maakt dit gelet op de handhavingsmaatregelen waarvan SVA blijkt geeft (zie hiervoor onder 4.13) niet anders.

4.16 Het beroep op plaatsing van de schotel op aanwijzing van de toenmalig beheerder van SVA, de heer [Y], ten slotte kan [appellant] evenmin baten. Volgens het huurreglement van SVA moet een verzoek om toestemming schriftelijk worden ingediend bij SVA. Een eventuele aanwijzing van de beheerder, wat daarvan gelet op het verweer daartegen van SVA overigens zij, kan de op een dergelijk verzoek te verlenen toestemming derhalve niet vervangen.

Grief 1 faalt derhalve.

4.17 Dit geldt ook voor grief 2, waarmee [appellant] zijn veroordeling door de kantonrechter tot verwijdering van de schotelantenne c.a. 30 dagen na de betekening van het vonnis (…), vanwege het gebruik van de afkorting “c.a.”, door hem verstaan als “circa”, als te vaag aan de orde stelt.

Zoals SVA in haar memorie van antwoord ook heeft toegelicht, staat de afkorting “c.a.” voor “cum annexis” en niet voor “circa”. Naar [appellant] behoorde te begrijpen, doelde SVA daarmee op de bij de schotelantenne aangebrachte hulponderdelen.

Deze grief kan dan ook evenmin slagen.

4.18 Grief 3 ten slotte, die ziet op de proceskostenveroordeling, deelt het lot van de andere grieven en faalt derhalve eveneens.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Arnhem, locatie Arnhem, van

22 maart 2010;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SVA begroot op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,-- voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.F. Wiggers-Rust en M.G.W.M. Stienissen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2012.