Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:857

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
18-03-2014
Zaaknummer
200.069.004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strekking optiebeding, zoals opgenomen in allonge van 25 maart 1987

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.069.004

(zaaknummer rechtbank 193698)

arrest van de tweede civiele kamer van 27 maart 2012

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats appellante],

appellante,

advocaat: mr. S.V.M. Stevens,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J. van Bergen.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2010, gepubliceerd onder LJN: BL9562 (hierna: het verwijzingsarrest), verwijst het hof naar dat arrest. Bij het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de arresten van 1 mei 2007 en 8 april 2008 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing. Van het verwijzingsarrest is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

1.2

[appellante] heeft bij exploot van 15 juni 2010 voormeld arrest aan [geïntimeerde] betekend en haar opgeroepen voor dit hof teneinde het geding te hervatten.

1.3

Bij memorie na verwijzing heeft [appellante] bewijs aangeboden; zij heeft geconcludeerd dat het hof alsnog, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:
- het vonnis van de kantonrechter Maastricht van 28 december 2005 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen;

  • -

    [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van de teveel betaalde huur, nader te begroten en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW;

  • -

    [geïntimeerde] zal veroordelen in [bedoeld zal zijn:] de kosten van alle procedures (eerste aanleg, appel, cassatie en appel na verwijzing).

1.4

Bij memorie van antwoord na verwijzing heeft [geïntimeerde] eveneens bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het vonnis van [naar het hof begrijpt:] de kantonrechter van 28 december 2005 (zo nodig met verbetering van de gronden) zal bekrachtigen alsmede voor zover vereist/voor zover nodig [naar het hof begrijpt:] de arresten van het hof zal bekrachtigen (zo nodig met verbetering van de gronden) en de vorderingen van [appellante] als niet toewijsbaar zal afwijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van alle procedures (eerste aanleg, appel, cassatie en appel na verwijzing).

1.5

Ter zitting van 27 september 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. J.A.A. Diederen, advocaat te Nijmegen en [geïntimeerde] door mr. A.J. van Bergen, advocaat te Maastricht; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. van Bergen en mr. Diederen voornoemd hebben voorafgaand aan de zitting elk nog een productie aan het hof en de andere partij gezonden, waartegen zij over en weer desgevraagd geen bezwaar hadden.

Het hof heeft daarop aan beiden akte verleend van het in het geding brengen van die productie.

1.6

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

2 De beoordeling in hoger beroep na verwijzing

2.1

Het gaat in dit geding om het volgende.

Tussen partijen bestaat - na in de plaatsstelling bij akte van d.d. 29 juni 1999 - een huurovereenkomst betreffende de horeca-bedrijfsruimte met onzelfstandige bovenwoning aan het [adres] te [plaats], welke overeenkomst zou eindigen op
28 februari 2004. De oorspronkelijke huurovereenkomst is ingegaan op 1 maart 1984. In een aanhangsel (allonge) bij deze huurovereenkomst van 25 maart 1987 is een optiebeding tot huurverlenging opgenomen voor de periode lopende van 1 maart 2004 tot 28 februari 2014. In dit beding is tevens vastgesteld dat als de huurder van de optie tot huurverlenging gebruik maakt, voor de aansluitende huurperiode van 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2014 een huurprijs geldt die jaarlijks, voor het eerst per 1 maart 2004, zal worden vastgesteld overeenkomstig de in de oorspronkelijke huurovereenkomst overeengekomen indexeringsmethode.

[geïntimeerde] heeft [appellante], onder overlegging van een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 7:304 BW, op 29 april 2005 gedagvaard en gevorderd - kort gezegd - de huurprijs ingaande 19 juli 2004 nader vast te stellen op € 91.905,57 (exclusief btw) per jaar, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

[appellante] heeft zich tegen deze vorderingen verweerd, omdat zij, kort gezegd, van mening is dat voor de optieperiode dezelfde huurprijs zou gelden als de op dat moment geldende huurprijs, en dat die huurprijs slechts geïndexeerd zou worden. Daarmee is de huurprijsaanpassingsprocedure haars inziens terzijde gesteld. Voorts was zij het oneens met de deskundige huurprijsvaststelling.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

2.2

[appellante] is van het vonnis van de kantonrechter van 28 december 2005 in hoger beroep gekomen.

Het hof heeft geoordeeld dat het optiebeding de toepasbaarheid van de artikelen 7A:1632a (oud) BW c.q. 7:303 BW niet kan verhinderen, nu de afspraak in ieder geval ruim voor de uitoefening van de optie is gemaakt. Het ter zake door [appellante] gedaan (nader) bewijsaanbod heeft het hof om die reden gepasseerd.

Voorts heeft het hof [appellante] niet geslaagd geoordeeld in het haar opgedragen bewijs dat bij het inroepen harerzijds van de optie in 1994 uitdrukkelijk de afspraak is gemaakt dat de oude huur, behoudens indexering, zou gelden tot aan 2014.

Ook de grieven de deskundige huurprijsvaststelling betreffende heeft het hof verworpen.

2.3 In cassatie heeft [appellante] zich wat betreft haar rechtsklachten beperkt tot het oordeel van het hof op het punt van de huurprijsafspraak. Tegen de verwerping van haar grieven de deskundige huurprijsvaststelling betreffende heeft zij geen klachten gericht.

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest de arresten van het hof vernietigd.

De Hoge Raad overwoog in rechtsoverweging 4.3 van het verwijzingsarrest als volgt:

“Voorts moet uitgangspunt zijn dat art. 7:291 BW, dat uitsluitend strekt tot bescherming van de belangen van de huurder, ook van toepassing is op contractuele bedingen die beogen af te wijken van de in art. 7:303 lid 1 opgenomen bevoegdheid in bepaalde gevallen een nadere bepaling van de huurprijs te vorderen.

Dit betekent dat afwijkingen van art. 7:303 ten gunste van de huurder zijn toegestaan. In zoverre is kennelijk een wijziging beoogd ten opzichte van het oude recht, waarin met de woorden ‘ongeacht enig andersluidend beding’ in art. 7A:1632a tot uitdrukking was gebracht dat zowel de huurder als de verhuurder de nietigheid kon inroepen van een contractuele regeling die afbreuk deed aan de in deze bepaling gegeven bevoegdheid. Dit heeft het hof miskend. Hieruit volgt dat de rechtsklacht van onderdeel a slaagt en dat, nu het hof de uitleg van het onderhavige beding in het midden heeft gelaten, verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van het geschil in hoger beroep.”

2.4

Het hof stelt bij de verdere beoordeling het volgende voorop. Artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voortzet en beslist met in achtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De rechter naar wie een zaak na cassatie door de Hoge Raad is verwezen, moet behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingsgevallen, de zaak behandelen in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de vernietigde uitspraak (onder meer: HR 28 mei 2010, LJN:7041). De verwijzingsrechter is bij het beslissen op de punten die na verwijzing nog openliggen - behalve in alimentatiezaken - gebonden aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen in de vernietigde uitspraak (HR 19 juni 2009, LJN: BH7843,
NJ 2009, 291). De rechter naar wie de zaak is verwezen, dient zelf aan de hand van de strekking van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist, te beoordelen welke onderdelen van de vernietigde uitspraak tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden (HR 2 mei 1997, LJN: ZC2362, NJ 1998, 237). Het staat partijen niet vrij om na verwijzing stellingen aan te voeren die zij, gelet op het debat in eerste aanleg of appel, reeds eerder hadden kunnen aanvoeren (HR 29 juni 2007, LJN: BA3030, NJ 2007, 354).

2.5

Het voorgaande brengt mee dat het hof thans moet beoordelen:

( a) of het optiebeding zoals opgenomen in de allonge van 1987 de strekking heeft, zoals [appellante] betoogt en [geïntimeerde] betwist, dat [geïntimeerde] geen nadere huurprijsvastelling kan vorderen. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt de bewijslast daarvan op [appellante], die zich immers ter afwering van de vordering van [geïntimeerde] op (de strekking van) die bepaling beroept;

voorts (als subsidiair verweer van [appellante]):

( b) of tussen [rechtsvoorgangster appellante] (rechtsvoorgangster van [appellante]) (hierna: [rechtsvoorgangster appellante]) en [geïntimeerde] bij het inroepen door [rechtsvoorgangster appellante] van de optie in 1994 uitdrukkelijk de afspraak is gemaakt dat de oude huur, behoudens indexering, zal gelden tot 2014. Ook daarvan rust de bewijslast, zoals het gerechtshof ’s-Hertogenbosch reeds heeft geoordeeld, op [appellante];

en ten slotte (in geval van bewijs van het primaire dan wel subsidiaire verweer van [appellante]):

( c) of de afspraak tussen [geïntimeerde] en [rechtsvoorgangster appellante], gemaakt en verwoord in de allonge van 1987, alsmede de gestelde bindende prijsafspraak tussen [geïntimeerde] en [rechtsvoorgangster appellante] van 1994 - indien bewezen - in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellante] niet gelden, omdat deze, aldus [geïntimeerde], door de akte van in de plaatstelling is/zijn achterhaald. Hiervan rust de bewijslast volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [geïntimeerde].

2.6

Het hof oordeelt als volgt.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

2.7

De tekst van het optiebeding luidt als volgt:

“2. Optie voor verlenging van de huurovereenkomst met tien jaren.

Verhuurder verleent aan huurder een optie op voortzetting van deze huurovereenkomst met een periode van 10 jaren, dus tot 28 februari 2014.

Huurder zal uiterlijk op 31 december 2002 aan verhuurder mededelen of hij van deze optie gebruik maakt.

Wordt door de huurder van de optie gebruik gemaakt dan zal voor de periode van 1 maart 2004 t/m 28 februari 2014 een huurprijs gelden, die jaarlijks voor het eerst op 1 maart 2004 zal worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel 2 van de huurovereenkomst.”

2.8

Volgens de tekst van het optiebeding zal in de verlengingsperiode een huurprijs gelden die jaarlijks zal worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 2 van de huurovereenkomst, dit voor het eerst per 1 maart 2004. In artikel 2 lid 2 van de huurovereenkomst zijn de afspraak tot en het moment en de wijze van indexering van de huurprijs volgens de huurovereenkomst opgenomen. Die wijze van indexering zal volgens de allonge dus model staan voor de jaarlijkse huurprijsvaststelling in de verlengingsperiode. Het moment van indexering lag volgens de huurovereenkomst op 1 juli van ieder jaar. Volgens de allonge kwam het moment van jaarlijkse huurprijsvaststelling te liggen op 1 maart, voor het eerst per 1 maart 2004, zijnde de dag van aanvang van de verlengingsperiode.

Naar de tekst van het optiebeding zal vanaf 1 maart 2004 derhalve als huurprijs gelden het ten opzichte van de huurprijs tot 1 maart 2004 overeenkomstig (de indexeringsformule van) artikel 2 lid 2 van de huurovereenkomst vastgestelde bedrag, dat jaarlijks per 1 maart opnieuw volgens bedoeld artikel zal worden vastgesteld.

2.9

[appellante] heeft aangevoerd dat deze bepaling in het optiebeding ertoe strekte dat geen nadere huurprijsvaststelling kon worden gevorderd. Zij heeft zich in dat verband beroepen op aanzienlijke investeringen in het verhuurde in 1986/1987, die [geïntimeerde] niet en zij (althans [rechtsvoorgangster appellante]) wel, zij het niet zonder meer, op zich wilde nemen. In dat licht was [geïntimeerde] volgens haar stellingname bereid met [rechtsvoorgangster appellante] overeen te komen dat deze een eenzijdige optie tot verlenging van nog eens tien jaar had en dat de huurprijs gedurende de hele optieperiode laag zou blijven.

[geïntimeerde] heeft die stellingname van [appellante] gemotiveerd betwist. Volgens haar zeggen heeft zij alleen ingestemd met het geven van een optie tot verlenging van de huurtermijn en niet met het feit dat de huurprijs, zoals [appellante] stelt, gelijk zou blijven. Zij acht deze stellingname van [appellante], die erop neer zou komen dat zij ingestemd zou hebben met eenzelfde huurprijs gedurende 27 jaar, behoudens indexering, ook niet geloofwaardig. Het zou ook vreemd zijn, aldus [geïntimeerde], de afspraak dat de huurprijs tijdens de verlengingsperiode 2004 - 2014 hetzelfde zou blijven, niet schriftelijk vast te leggen. [geïntimeerde] acht van belang hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld in de juiste tijd te plaatsen tegen de achtergrond van de toentertijd geldende regels.

2.10

De tekst van het optiebeding laat de door [appellante] voorgestane strekking toe maar maakt deze, nu daarin van de (on)bevoegdheid tot (verdere) huurprijsaanpassing noch in positieve noch in negatieve zin (expliciet) melding wordt gemaakt, niet noodzakelijk.
Zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, rust de bewijslast van de onder 2.9 bedoelde strekking van de huurprijsbepaling in het optiebeding op [appellante].

[appellante] heeft zowel in eerste aanleg (bij conclusie van dupliek onder 18) als in hoger beroep in haar memorie van grieven (onder 17) en in haar memorie na verwijzing (onder 21) specifiek bewijs aangeboden. Aangezien de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], zoals [geïntimeerde] ook aanvoert, in hun in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen met name hebben verklaard omtrent hetgeen zich in 1994 bij het inroepen van de optie heeft afgespeeld, kunnen deze voor hetgeen in 1987 in verband met de allonge is afgesproken, niet direct bepalend zijn. Wèl zal hetgeen in 1994 is besproken, een aanwijzing kunnen vormen voor de onder 2.9 bedoelde strekking van de huurprijsbepaling in het optiebeding.

Het hof zal [appellante] derhalve in de gelegenheid stellen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de huurprijsbepaling in het optiebeding er tevens toe strekte, dat geen nadere huurprijsvaststelling kon worden gevorderd.

2.11

Het subsidiair verweer van [appellante], hiervoor bedoeld onder 2.5 sub (b), betrekking hebbend op de bewijswaardering van het hof ’s-Hertogenbosch als hiervoor onder 2.2 bedoeld, zal aan de orde komen indien [appellante] in het hiervoor onder 2.10 bedoelde bewijs niet slaagt. Het hof ziet, uit praktische overwegingen, aanleiding [appellante] reeds in dit arrest tevens in de gelegenheid te stellen (nader) te bewijzen dat bij het inroepen van de optie in 1994 de afspraak is gemaakt dat vanaf dat moment tot aan 28 februari 2014 de huurprijs niet anders dan gecorrigeerd voor inflatie zou worden verhoogd.

2.12

Indien [appellante] in het hiervoor onder 2.10 dan wel onder 2.11 bedoelde bewijs slaagt, zal van belang zijn de stellingname van [geïntimeerde], dat de afspraak tussen [geïntimeerde] en [rechtsvoorgangster appellante], gemaakt en verwoord in de allonge van 1987, alsmede de gestelde bindende prijsafspraak tussen [geïntimeerde] en [rechtsvoorgangster appellante] van 1994 - indien bewezen - in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellante] niet gelden, omdat deze door de akte van indeplaatstelling is/zijn achterhaald.

Ook voor de uitleg van deze overeenkomst geldt hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen.

2.13

De laatste passage van de akte van indeplaatstelling luidt als volgt:

“4. Het is partijen bekend, dat [rechtsvoorgangster appellante] gebruik heeft gemaakt van haar optie tot verlenging van de huurovereenkomst met tien jaren als bedoeld in artikel 2 van het aanhangsel van 25 maart 1987, gelijk het partijen bekend is, dat, voorzover in der minne niet alsnog overeenstemming wordt bereikt over de huurprijs per 1 maart 2004, [geïntimeerde] huurprijswijziging zal vorderen bij de Kantonrechter, een en ander gebaseerd op artikel 1632a Boek 7A BW.”

2.14

Volgens de tekst van deze bepaling zal [geïntimeerde] huurprijswijziging vorderen bij de kantonrechter, indien over de huurprijs per 1 maart 2004 in der minne niet alsnog overeenstemming wordt bereikt.

[geïntimeerde] leidt uit de ondertekening door [appellante] van de onderhavige passage als onderdeel van de akte van indeplaatstelling af, dat partijen in dat kader een nieuwe afspraak gemaakt hebben, inhoudende dat [geïntimeerde] indien men er op minnelijke wijze niet uitkwam ten aanzien van de huurprijs, een huurprijswijzigingsprocedure zou starten. [appellante] zou voor dat geval met een procedure tot huurprijswijziging hebben ingestemd.

[appellante] daarentegen betwist deze nadere afspraak. Zij voert aan dat de desbetreffende bepaling voor haar simpelweg geen aanleiding gaf tot commentaar, aangezien deze niet meer en niet minder inhoudt dan dat in het geval in der minne niet tot overeenstemming werd gekomen omtrent de huurprijs per 1 maart 2004, [geïntimeerde] huurprijswijziging zou vorderen. De opname van die bepaling in de akte van indeplaatsstelling als zodanig onderstreept nu juist de uitleg van [appellante] van het optiebeding, zo voert zij aan.

2.15

Naar ter gelegenheid van het pleidooi door [geïntimeerde] is erkend, is in het kader van de akte tot indeplaatsstelling niet gesproken over de huurprijs. Wèl is, naar zij mededeelde, gediscussieerd over de toepasselijkheid van de jurisprudentie, omdat partijen een discussie hadden over de vraag of een huurprijswijziging te vorderen was. Dat zegt echter niets over het prijsgeven van een bevoegdheid zich te beroepen op een contractuele uitsluiting. Mede tegen die achtergrond valt in de hiervoor onder 2.13 bedoelde passage niet meer te lezen dan het besef bij [appellante] dat [geïntimeerde] de desbetreffende procedure in voorkomend geval in gang zou zetten. Meer in het bijzonder valt daarin niet te lezen dat [appellante] afzag van het door haar ingeroepen verweer dat [geïntimeerde] die bevoegdheid eerder had prijsgegeven. Indien daarvan sprake was, zou een expliciete vermelding daarvan voor de hand hebben gelegen. Dat [appellante] een voorziening trof in de koopovereenkomst aandelen [rechtsvoorgangster appellante], leidt, gelet op de onzekerheid waarin [appellante], gegeven het voornemen van [geïntimeerde], verkeerde, niet tot een ander oordeel. Nu [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die haar uitleg van de bepaling ondersteunen, komt het hof aan bewijslevering daarvan niet toe. Het hof zal er derhalve vanuit gaan dat de afspraak tussen [geïntimeerde] en [rechtsvoorgangster appellante], gemaakt en verwoord in de allonge van 1987, alsmede de gestelde bindende prijsafspraak tussen
[geïntimeerde] en [rechtsvoorgangster appellante] van 1994 - indien bewezen - ook gelden in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellante], omdat deze door de akte van indeplaatstelling niet is/zijn achterhaald.

2.16

Het subsidiair beroep van [geïntimeerde] op dwaling en/of bedrog bij memorie van antwoord onder 25 heeft [appellante] bij pleidooi in hoger beroep gemotiveerd bestreden. [geïntimeerde] is daarop bij memorie na verwijzing niet meer teruggekomen. Zij heeft haar desbetreffend beroep slechts onderbouwd met de stellingname dat [appellante] “haar mond [had, hof] moeten opendoen”. Waarom dit zo zou zijn, heeft zij niet nader toegelicht, laat staan waarom dit tot dwaling en/of bedrog zou leiden. Het hof zal dit beroep derhalve passeren.

Slotsom

Het hof zal [appellante] toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in de rechtsoverwegingen 2.10 en 2.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellante] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in de rechtsoverwegingen 2.10 en 2.11;

bepaalt dat, indien [appellante] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. L.F. Wiggers-Rust, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellante] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 17 april 2012, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellante] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt voorts dat, indien er getuigen worden voorgebracht, partijen (beide vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gevolmachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn, zulks zowel opdat van de kant van partijen zelf zonodig nadere inlichtingen zullen kunnen worden gegeven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord, als opdat eventueel kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk veertien dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, A.W. Steeg en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 maart 2012.