Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:1820

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
200.079.976
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident. Voorlopige voorzieningen ex art. 223 Rv. Veroordeling tot betaling van diverse bedragen voor de duur van het geding. Daarnaast vordering tot het verschaffen van inzicht in vermogensbestanddelen. Het hof overweegt dat in dit stadium, waarin de executiefase nog niet is bereikt, in beginsel het recht van de geëxecuteerde op het respecteren van zijn eigendom en zijn privacy prevaleert boven het voldoen aan een inlichtingenplicht (van de schuldenaar jegens de schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom heeft verkregen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.079.976

(zaaknummer rechtbank 193155)

arrest van de eerste civiele kamer van 19 juni 2012

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Trientalis Investments B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Liddok B.V.,

beide gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,

3. [appellant sub 3] ,

[appellant sub 3]

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.J. van Dijk,

tegen:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Promocean The Netherlands B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vennootschap naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

Promocean GmbH,

kantoorhoudend te Düsseldorf, Duitsland,

3. de vennootschap naar het recht van Frankrijk

Promocean France SAS,

kantoorhoudend te Parijs, Frankrijk,

4. de vennootschap naar het recht van Spanje

Promocean Spain,

kantoorhoudend te Barcelona, Spanje,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.S. Oosterhoff.

Appellanten gezamenlijk worden hierna Trientalis c.s. genoemd en afzonderlijk Trientalis, Liddok respectievelijk [appellant sub 3] . Geïntimeerden gezamenlijk zullen Promocean c.s. worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 7 juli 2010 dat de rechtbank Arnhem heeft gewezen tussen principaal appellanten als eisers in de hoofdzaak en in het incident en principaal geïntimeerden als gedaagden in de hoofdzaak/verweerders in het incident. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding in hoger beroep van 6 oktober 2010,

  • -

    de memorie van grieven, met producties,

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende wijziging eis, met producties,

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis van 7 juli 2010.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Dit hoger beroep is gericht tegen het vonnis in het incident van 7 juli 2010, waarin de rechtbank – als voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv – Trientalis c.s. voor de duur van het geding heeft veroordeeld tot betaling van en groot aantal bedragen, opgesomd onder 5.1 tot en met 5.10 van dat vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) en proceskosten. De toegewezen bedragen zien op betalingen die ten laste van Promocean c.s. zijn verricht in de periode waarin [appellant sub 3] bestuurder was van geïntimeerde sub 1.

in het principaal beroep

4.2

Grief I in het principaal beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.3 dat het beroep van Trientalis c.s. op voor verrekening in aanmerking komende tegenvorderingen moet worden verworpen omdat die tegenvorderingen betwist zijn en niet geldend gemaakt worden in deze (incidentele) procedure. De bezwaren die Trientalis c.s. in dat kader aandragen, vallen uiteen in een tweetal verweren tegen de toewijsbaarheid van de door Promocean c.s. ingestelde incidentele vorderingen. In de eerste plaats betogen Trientalis c.s. dat tussen partijen een overeenkomst (de ‘tripartite termination agreement’) is gesloten, die meebrengt dat Promocean c.s. aan Trientalis c.s. finale kwijting hebben gegeven ten aanzien van de toegewezen bedragen. Voor het geval dat het bestaan van deze overeenkomst niet kan worden aangenomen, stellen Trientalis c.s. zich in de tweede plaats op het standpunt dat zij voor verrekening in aanmerking komende tegenvorderingen hebben op Promocean c.s., zodat de vorderingen van Promocean c.s. op die grond niet toewijsbaar zijn. In samenhang met deze verweren (en met hun verweren tegen de afzonderlijke bedragen die Promocean c.s. vorderen), wijzen Trientalis c.s. er in het kader van grief II op dat zij gehinderd worden door de weigering van Promocean c.s. tot afgifte van een kopie van e-mailbestanden uit de periode dat [appellant sub 3] in functie was als bestuurder. In het kader van grief IV bespreken Trientalis c.s. de afzonderlijke bedragen die de rechtbank heeft toegewezen. Grief III stelt daarnaast aan de orde de wijze waarop de rechtbank in r.o. 4.63 en 4.64 invulling heeft gegeven aan de door haar in r.o. 4.1 vooropgestelde criteria aan de hand waarvan de toewijsbaarheid van een voorlopige voorziening als de voorliggende moet worden beoordeeld. Grief V ten slotte heeft betrekking op de proceskosten.

4.3

Het hof passeert het beroep van Trientalis c.s. op de totstandkoming van een overeenkomst waarmee Trientalis c.s. gekweten zou zijn ten aanzien van de thans ingestelde vorderingen. Ook uit de door Trientalis c.s. overgelegde correspondentie volgt niet meer dan dat Trientalis c.s. (met name: [appellant sub 3] ) enerzijds en Promocean c.s. (met name: geïntimeerde sub I en Li & Fung (B.V.I.) Limited) anderzijds in onderhandeling waren over een dergelijke overeenkomst en dat in dat kader een concept is opgesteld en nadien aangepast. Tot overeenstemming ten aanzien van dit concept zijn betrokkenen blijkens de uitgewisselde e-mailberichten echter niet gekomen. Dat blijkt met name ook uit de door Trientalis c.s. overgelegde e-mail van [persoon X] aan [appellant sub 3] van 15 juli 2009. Voor alle bij de onderhandelingen betrokken partijen moet duidelijk geweest zijn dat [persoon X] in die e-mail zijn teleurstelling uitspreekt over het feit dat de deal nog niet rond is (en ook niet op korte termijn rond zal komen). Uit het antwoord van [appellant sub 3] van 20 juli 2009 blijkt dat ook [appellant sub 3] het bericht van [persoon X] aldus heeft opgevat, nu [appellant sub 3] niet antwoordt dat de deal wat hem betreft wel al voltooid is, maar hij slechts (nogmaals) vraagt om uitstel tot na de vakantie van zijn (fiscale) adviseur. Ook in de daaraan voorafgaande correspondentie (met name ook de e-mail van de advocaat van Trientalis c.s. van 7 juli 2009 in reactie op het laatste concept) vragen Trientalis c.s. slechts voortgezette onderhandelingen in verband met mogelijke ongewenste fiscale consequenties van de overeenkomst en stellen zij zich niet (voldoende expliciet) op het standpunt dat de hen voorgelegde overeenkomst voor het overige akkoord is. Ook als juist zou zijn de stelling van Trientalis c.s. dat zij overigens volledig wensten in te stemmen met het hen voorgelegde concept, kan aldus uit de inhoud van de aan hun zijde geuite verklaringen – en de manier waarop Promocean c.s. die verklaringen redelijkerwijs moesten begrijpen – voorshands niet worden afgeleid dat door aanvaarding van het laatste concept door Trientalis c.s. of anderszins een overeenkomst met Promocean c.s. tot stand is gekomen waarvan de beoogde kwijting deel uitmaakt. Uit het feit dat, zoals Trientalis c.s. stellen, geïntimeerde sub I in haar administratie heeft verwerkt dat [appellant sub 3] per 1 juli 2009 uit dienst was getreden (zoals in de conceptovereenkomst was voorzien) kan dit ook niet zonder meer worden afgeleid. Het hof moet er dus vanuit gaan dat op het moment dat [persoon X] met zijn e-mail van 20 juli 2009 de lopende onderhandelingen beëindigde, partijen geen kwijting waren overeengekomen.

4.4

De tweede klacht die Trientalis c.s. in het kader van hun eerste grief hebben geformuleerd, ziet op de volgens hen voor verrekening in aanmerking komende tegenvorderingen. Het uitgangspunt van deze klacht – dat niet zonder meer van Trientalis c.s. geëist mocht worden dat zij die tegenvorderingen in de context van het lopende incident al geldend zou (kunnen) maken – is juist. Desondanks kan ook deze klacht niet tot vernietiging van het vonnis leiden, nu dit uitgangspunt niet wegneemt dat op Trientalis c.s. in het kader van dit (zelfstandige) verrekeningsverweer de last rustte (en rust) om voldoende te stellen omtrent de grondslagen en de feiten waarop hun gepretendeerde tegenvorderingen steunen. Omtrent die grondslagen en feiten schieten de stellingen van Trientalis c.s. – gelet ook op de uitvoerig uitgewerkte, door overgelegde bescheiden en verklaringen ondersteunde betwistingen van Promocean c.s. – tekort. Voor zover Trientalis c.s. procedurele bezwaren aanvoeren ter rechtvaardiging van dit tekortschieten, moeten die bezwaren worden gepasseerd nu in de onderhavige procedure in hoger beroep in ieder geval alle gelegenheid bestond ten aanzien van deze tegenvorderingen voldoende concrete stellingen te formuleren (en te onderbouwen). Voor zover Trientalis c.s. stellen dat hun tegenvordering steunt op de nietigheid van het ontslagbesluit van [appellant sub 3] dat de vergadering van aandeelhouders op 3 augustus 2009 heeft genomen, constateert het hof dat de stellingen van Trientalis c.s. ten aanzien van de grondslag en de omvang van die tegenvordering alsmede ten aanzien van de feitelijke gang van zaken rond dit ontslag zeer summier zijn. Waar vaststaat dat [appellant sub 3] statutair directeur was, had het in het licht van de specifieke wettelijke bepalingen (artikel 2:14 en 2:15 BW) in ieder geval op de weg van Trientalis c.s. gelegen te onderbouwen waarop die gestelde nietigheid precies is gebaseerd. In dat verband constateert het hof bovendien dat Trientalis c.s. niet (voldoende gemotiveerd) hebben betwist de feitelijke stellingen van Promocean c.s. omtrent de valse handtekeningen die de aanleiding vormden van dit ontslagbesluit. Voor zover [appellant sub 3] had willen stellen dat niet hijzelf – maar uitsluitend zijn secretaresse – voor die valse handtekeningen verantwoordelijkheid draagt (vgl. de conclusie van antwoord in het incident onder 25.f.2), had het op zijn weg gelegen voldoende expliciete stellingen te formuleren omtrent de toenmalige feiten en omstandigheden die blijkbaar onder zijn verantwoordelijkheid plaatsgrepen. In die stellingen had hij ook de inhoud van de in dat verband door Promocean c.s. overgelegde bescheiden – waaronder de e-mail van [appellant sub 3] van 7 december 2008, productie 33 in eerste aanleg – moeten betrekken. De stelling dat Promocean c.s. al eerder bekend was met het feit dat huurbetalingen ten onrechte voor hun rekening (en niet voor rekening van Trientalis c.s.) waren gekomen, doet er niet aan af dat de ontdekking van het gebruik van valse handtekeningen teneinde ook een juridische gebondenheid voor die huurbetalingen in de toekomst te creëren, als een nieuw en ernstig verwijt aan het adres van [appellant sub 3] zou kunnen worden opgevat. Ook de overige door Trientalis c.s. gepretendeerde tegenvorderingen zoals die zijn opgesomd in de conclusie van antwoord in het incident onder 25 – met uitzondering van de vordering genoemd onder a., waarop het hof hierna onder 4.7 nog terugkomt – zijn in dit geding onvoldoende onderbouwd gebleven, in het licht ook van de gemotiveerde betwistingen van Promocean c.s. en het ontbreken van een nadere onderbouwing van die vorderingen in hoger beroep. Voor zover Trientalis c.s. zich in dat verband beroepen op vorderingen die hun oorsprong vinden in de periode dat geïntimeerde sub 1 werd overgenomen alsmede in de betrokkenheid van [appellant sub 3] bij die overname, had het op hun weg gelegen aan de hand van concrete stellingen of stukken te onderbouwen waarop de aanspraken van Trientalis c.s. – welke aanspraken kennelijk niet in de verschillende ten behoeve en naar aanleiding van die overname opgestelde documenten terug zijn te vinden – precies steunen. Voor zover Trientalis c.s. hun tegenvorderingen zoeken in aandelenopties die aan [appellant sub 3] zouden zijn toegekend, had het op hun weg gelegen de toekenning en uitoefening van die opties (alsmede het daarop kennelijk volgende tekortschieten van Promocean c.s.) voldoende te onderbouwen aan de hand van concrete stellingen.

4.5

Het voorgaande brengt mee dat de gestelde tegenvorderingen, en het daarmee samenhangende beroep van Trientalis c.s. op verrekening, geen voldoende concrete feitelijke onderbouwing hebben gekregen, behoudens ten aanzien van de hierna nog te bepreken tegenvordering genoemd in de conclusie van antwoord in het incident onder 25.a. Dit oordeel wordt niet anders indien het hof in aanmerking neemt dat Trientalis c.s. nog niet beschikten over de door [appellant sub 3] en zijn secretaresse verzonden e-mailberichten (waarover dit hof in zijn arrest van 8 november 2011 heeft beslist dat [appellant sub 3] daarvan kennis dient te kunnen nemen). Ook zonder kopie van deze berichten moeten Trientalis c.s. inmiddels immers in staat worden geacht een deugdelijke feitelijke onderbouwing te kunnen geven van (de kern van) de grondslagen en de omvang van hun gepretendeerde vorderingen, alsmede van de in dat verband relevante gebeurtenissen. Het ontbreken van een kopie van de e-mailcorrespondentie zou hooguit rechtvaardigen dat concrete stellingen van Trientalis c.s. nog geen onderbouwing kregen aan de hand van over te leggen bescheiden. Uit het voorgaande (en het navolgende) blijkt echter dat Trientalis c.s. reeds tekortschieten ten aanzien van het formuleren van voldoende concrete stellingen. Een en ander brengt mee dat de grieven I en II falen.

4.6

Met grief IV stellen Trientalis c.s. de afzonderlijke toegewezen vorderingen van Promocean c.s. aan de orde. Voor zover de daartoe onder IV-a tot en met IV-i geformuleerde subgrieven steunen op de gedachte dat deze vorderingen voorkomen op de lijst met door Trientalis c.s. verschuldigde bedragen ten aanzien waarvan de betrokken partijen een kwijting waren overeengekomen, moeten deze subgrieven worden gepasseerd op de hiervoor reeds besproken gronden die meebrengen dat het bestaan van een dergelijke overeenkomst in dit geding niet kan worden aangenomen. Daarnaast merkt het hof op dat vanaf de e-mail van 23 februari 2009 van [appellant sub 3] (aangehaald door de rechtbank onder 2.4) het kennelijke uitgangspunt in het overleg tussen alle betrokken partijen was dat het hier om posten ging die in beginsel voor rekening van Trientalis c.s. dienden te komen. In dat verband constateert het hof dat Promocean c.s. de omstandigheden waarop dit uitgangspunt steunde, uitvoerig hebben uiteengezet en dat zij hun stellingen omtrent deze omstandigheden hebben onderbouwd aan de hand van schriftelijke verklaringen van betrokken personen en andere bescheiden. Ook als juist is dat Trientalis c.s. zich in eerste aanleg gehinderd voelden door het procesverloop, hebben zij in hoger beroep alle tijd en gelegenheid hun betwistingen nader te concretiseren. Het hof constateert dat Trientalis c.s. die hernieuwde gelegenheid in hoger beroep niet of nauwelijks hebben aangegrepen. Ten aanzien van de afzonderlijke klachten van Trientalis c.s. geldt daartoe nog het volgende.

4.7

In het kader van subgrief IV-a wijzen Trientalis c.s. er terecht op dat in de (correspondentie over de) potlijsten tegenover de erkenning van een groot aantal vorderingen van Promocean c.s. door Trientalis c.s. ook staat de erkenning door Promocean c.s. van een tegenvordering van [appellant sub 3] van € 203.798,-- (becijferd in potlijst 5). In hoger beroep hebben Promocean c.s. niet gereageerd op het standpunt van Trientalis c.s. dat deze tegenvordering alsnog op het door [appellant sub 3] verschuldigde in mindering moet worden gebracht, terwijl in de stellingen van Promocean c.s. in eerste aanleg onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn waaruit volgt dat deze tegenvordering – anders dan Promocean c.s. ten tijde van het opstellen van de potlijsten voorstond – niet in mindering gebracht mag worden op het door [appellant sub 3] verschuldigde. Het hof zal de door de rechtbank uitgesproken veroordeling derhalve aanpassen in die zin dat het te verrekenen bedrag – met inachtneming van het uitgangspunt van artikel 6:137 BW en bij gebreke van stellingen die een andersluidende verdeling bepleiten – in mindering wordt gebracht op de onder 5.1 (geheel) en 5.2 (gedeeltelijk) uitgesproken veroordelingen.

4.8

Ten aanzien van subgrief IV-c hebben Trientalis c.s. de uitvoerige overwegingen van de rechtbank onder 4.9 tot en met 4.23 – welke overwegingen het hof voor zover nodig tot de zijne maakt – slechts bestreden met de niet nader onderbouwde stelling dat het zou gaan om ‘wielersponsoring’ alsmede met de stelling dat ook andere medewerkers van Promocean c.s. contact hadden met Time over ‘diverse leveringen’. Deze stellingen volstaan niet om tot een ander oordeel te komen over de voorlopige toewijsbaarheid van het gevorderde.

4.9

In het kader van subgrief IV-g stellen Trientalis c.s. zich op het standpunt dat geen sprake is van onverschuldigde betaling, maar van ‘order financiering’ in de vorm van het verschaffen van een lening aan een vennootschap waarover [appellant sub 3] zeggenschap had. Wat daar ook van zij, uit die zeer summiere aanduiding kan niet worden afgeleid welk belang Promocean c.s. bij deze betaling hadden en/of wat daarvan de precieze rechtsgrond was.

4.10

Ook de losse opmerking die Trientalis c.s. in het kader van grief IV-h plaatsen (onder IV.23) biedt geen voldoende concrete aanknopingspunten om ter zake de desbetreffende vordering tot een ander oordeel te kunnen komen.

4.11

In het kader van grief IV-i stellen Trientalis c.s. zich op het standpunt dat sprake zou zijn van een converteerbare lening aan JAM Invest, die wellicht wat ‘mager’ gedocumenteerd is. Die stellingen van Trientalis c.s. doen echter niet af aan de conclusie die de rechtbank in 4.58 bereikt – welke conclusie het hof tot de zijne maakt – dat ook als de stellingen van [appellant sub 3] ten aanzien van die ‘participatie’ worden gevolgd, [appellant sub 3] daarbij zo’n onverantwoord risico heeft genomen dat hem als bestuurder een ernstig verwijt moet worden gemaakt.

4.12

Het voorgaande brengt mee dat de in het kader van grief IV geformuleerde bezwaren met één uitzondering moeten worden verworpen, zodat deze grief voor het overige faalt. Dat betekent dat ook het hof – voorshands oordelend en met de uit grief IV-a voortvloeiende correctie – de gevorderde bedragen in beginsel toewijsbaar acht. De in het kader van grief III in hoger beroep te herhalen afweging van belangen, brengt mee dat de vorderingen ook daadwerkelijk toewijsbaar zijn. Daartoe overweegt het hof dat de toewijsbaarheid van de incidentele vorderingen op basis van de stellingen en onderbouwingen over en weer in dit geding, in hoge mate aannemelijk moet worden geacht. Daarnaast blijkt dat de hoofdprocedure tussen partijen evolueert naar een materieel en procedureel complex geding, waarvan niet te verwachten valt dat het op korte termijn voltooid kan zijn. Deze omstandigheden, gevoegd bij het feit dat voorshands moet worden geoordeeld dat Promocean c.s. aanspraak hebben op substantiële bedragen, waarvan onzeker is of en op welke termijn Trientalis c.s. in staat zal zijn deze te voldoen, brengen mee dat het hof van oordeel is dat niet van Promocean c.s. gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht, dat zij aldus een voldoende (spoedeisend) belang hebben bij toewijzing van het gevorderde en dat de belangen van Trientalis c.s. bij het afwachten van de afloop van de hoofdzaak niet tegen dit belang opwegen. In verband met dit laatste constateert het hof nog dat Trientalis c.s. in hoger beroep blijkbaar niet langer stellen dat sprake is van een restitutierisico.

4.13

Grief V heeft betrekking op de door de rechtbank in het incident uitgesproken kostenveroordeling. Gelet op de uitkomst van het principaal beroep ziet het hof geen grond voor een ander oordeel omtrent de proceskosten in eerste aanleg.

4.14

De conclusie is dat de grieven in het principaal beroep falen, met uitzondering van de onder 4.7 besproken klacht. Nu dit oordeel meebrengt dat Trientalis c.s. moeten worden aangemerkt als de overwegend in het ongelijk te stellen partijen, zal het hof Trientalis c.s. in de kosten van dit beroep veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van Promocean c.s. begroot op € 4.713,-- voor verschotten (griffierecht) en € 4.580,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief VIII). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

in het incidenteel beroep

4.15

Grief 1 in het incidenteel beroep heeft betrekking op de rente die de rechtbank heeft toegewezen. Volgens Promocean c.s. had de rechtbank de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW (in plaats van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW) moeten toewijzen. In dat verband wijzen Promocean c.s. erop dat Trientalis c.s. ten aanzien van de toegewezen bedragen stellen dat sprake zou zijn van ‘incidenten’ met een ‘zakelijk karakter’, zodat Promocean c.s. recht zouden hebben op terugbetaling (door derden) inclusief handelsrente. Als gevolg daarvan zou die handelsrente ook onderdeel zijn van de voorliggende aanspraken van Promocean c.s. op schadevergoeding jegens Trientalis c.s..

4.16

Deze grief faalt omdat het tekortschieten (of onrechtmatig handelen) dat Promocean c.s. Trientalis c.s. verwijten bestaat uit – kort gezegd – het door Promocean c.s. laten verrichten van verschillende betalingen aan derden. Als Trientalis c.s. dit verweten handelen achterwege hadden gelaten, hadden Promocean c.s. de aan derden betaalde bedragen zelf tot hun beschikking gehouden. De (gefixeerde) schade die Promocean c.s. geleden hebben doordat deze bedragen niet aan Promocean c.s. ter beschikking bleven maar aan derden zijn betaald, is aldus de wettelijke rente van artikel 6:119 BW.

4.17

Grief 2 in het incidenteel beroep (en de in hoger beroep gewijzigde eis van Promocean c.s.) heeft betrekking op de vordering van Promocean c.s. tot veroordeling van Trientalis c.s. tot het verschaffen van inzicht in hun vermogensbestanddelen, op straffe van het verbeuren van een dwangsom indien en voor zover Trientalis c.s. niet vrijwillig aan de in deze zaak uit te spreken veroordeling zullen voldoen. Dit inzicht zouden Trientalis c.s. moeten verschaffen door middel van een opgave door een registeraccountant, houdende (onder meer) gegevens omtrent alle bankrekeningen, debiteuren en ‘registergoederen etc. nu en in de toekomst’.

4.18

Uitgangspunt bij het beoordelen van deze grief is dat een schuldenaar in beginsel verplicht is om aan een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom heeft heeft verkregen, inlichtingen te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie. Dit uitgangspunt brengt echter niet mee dat de voorliggende vordering van Promocean c.s. toewijsbaar is. In de eerste plaats betreft de onderhavige procedure niet een executiegeschil ten aanzien van een reeds toegewezen vordering. Het voorliggende geding is immers pas de (incidentele) procedure tot betaling van deze vorderingen zelf, waarin reeds op voorhand een vordering tot voldoening aan deze inlichtingenplicht wordt ingesteld. In het algemeen leent een dergelijke procedure over de toewijsbaarheid van de vordering zich echter niet voor het reeds op voorhand toewijzen van een vordering tot het verschaffen van inlichtingen. In dat verband is van belang dat de inlichtingenplicht als hier aan de orde normaal gesproken pas haar werking kan krijgen in de executiefase, als gebleken is dat betaling uitblijft en ook niet verkregen kan worden door inzet van de gebruikelijke middelen tot executie die de wet de executant biedt. Voordat dit stadium is bereikt, moet worden aangenomen dat in beginsel het recht van de geëxecuteerde op het respecteren van zijn eigendom en zijn privacy prevaleert boven het voldoen aan een inlichtingenplicht in voornoemde zin. In het voorliggende geval is niet gebleken van (bijzondere) omstandigheden die tot een ander oordeel dwingen. Enerzijds zijn Promocean c.s. in staat gebleken zich reeds voorafgaand aan deze procedure een beeld te vormen van de verbanden tussen Trientalis c.s. en andere vennootschappen waarbij [appellant sub 3] betrokken is (vgl. productie 5 in eerste aanleg) en hebben zij naar aanleiding daarvan conservatoire maatregelen kunnen nemen. Anderzijds hebben Promocean c.s. slechts summier gesteld in hoeverre de executie van het bestreden vonnis ter hand is genomen en wat daarvan de precieze resultaten waren. In het bijzonder hebben Promocean c.s. daarbij ook niet vermeld in hoeverre zij de wettelijke vastlegging van voornoemde inlichtingenplicht, artikel 475g lid 1 Rv, hebben benut, wat daarvan het resultaat was en in hoeverre zij beschikken over voldoende concrete aanwijzingen dat dit resultaat onjuist of onvolledig is. Onder die omstandigheden is er geen grond reeds in het onderhavige geding over de toewijsbaarheid van de (incidentele) vorderingen, de verstrekkende en algemene vordering van Promocean c.s. – als toekomstig executanten van deze (incidentele) vorderingen – toe te wijzen.

4.19

De conclusie is dat de grieven in het incidenteel beroep falen en dat Promocean c.s., als de in het ongelijk te stellen partijen zullen worden veroordeeld in de kosten van dit beroep. Deze kosten worden aan de zijde van Trientalis c.s. worden begroot op € 2.290,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (helft principaal beroep).

5 De beslissing

Het hof, recht doende

in het principaal hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in het incident van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2010, behoudens voor zover [appellant sub 3] onder 5.1 en 5.2 van dat vonnis is veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde sub 3 van een voorschot van € 172.310.-- respectievelijk € 271.781,--, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet op dit punt opnieuw recht:

veroordeelt [appellant sub 3] tot betaling aan geïntimeerde sub 3 van een voorschot van € 240.293,--, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals onder 5.2 van dat vonnis vermeld;

veroordeelt Trientalis c.s. in de kosten van dit beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Promocean c.s. vastgesteld op € 9.293,--, te voldoen binnen acht dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf deze termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel hoger beroep:

verwerpt het beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis in het incident van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2010;

veroordeelt Promocean c.s. in de kosten dit beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Trientalis c.s. vastgesteld op € 2.290,--;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. V. van den Brink, P.H. van Ginkel en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.