Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:1067

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
200.054.798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.054.798

(zaaknummer rechtbank 69067)

(zaaknummer gerechtshof Leeuwarden 0600340)

arrest van de tweede civiele kamer van 17 april 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHP Planontwikkeling BV,

gevestigd te Grou, gemeente Boarnsterhim,

appellante,

advocaat: mr. J.M.E. Hamming,

tegen:

1 [geïntimeerde 1]

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.J. Hengst.

Geïntimeerden worden in dit arrest gezamenlijk aangeduid als: [geïntimeerden]

1 Het verdere verloop van het geding na verwijzing door de Hoge Raad

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 5 oktober 2010 (verder: het tussenarrest).

Ingevolge dat tussenarrest hebben beide partijen bij akte foto’s in het geding gebracht. Voorts hebben ingevolge dat arrest op 20 januari 2011 en op 20 juni 2011 getuigenverhoren plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Vervolgens heeft [geïntimeerden] een memorie na getuigenverhoor genomen.

1.3

Daarna hebben partijen schriftelijk gepleit. De pleitnota’s bevinden zich bij de stukken van het geding.

1.4

Ten slotte zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep na verwijzing

2.1

Bij het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerden] toegelaten tot het bewijs van een aantal, onder 4.7 en 4.10 van het tussenarrest opgesomde, feiten en omstandigheden, die naar ’s hofs oordeel (onder 4.11 van het tussenarrest), indien (geheel of ten dele) vaststaand, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is (geweest) van bezit.

2.2

[geïntimeerden] heeft geïntimeerde sub 1, verder: [geïntimeerde 1] , als partij-getuige doen horen en voorts:

  • -

    [getuige 1] , een kennis of vriend van de voormalige eigenaar van de boerderij van [geïntimeerden] en bezoeker van de voormalige sportschool in de boerderij,

  • -

    [getuige 2] , eveneens een kennis of vriend van de voormalige eigenaar en bezoeker van de voormalige sportschool in de boerderij,

  • -

    [getuige 3] , bakker die gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar ten tijde van de voormalige eigenaar dagelijks brood bezorgde.

2.3

SHP heeft in het tegengetuigenverhoor doen horen:

  • -

    [getuige 4] , de rechtsvoorganger en voormalig eigenaar van de boerderij van [geïntimeerden] , - [getuige 5] , huurder en bewoner van het op het perceel van (thans) SHP staande woonhuis,

  • -

    [getuige 6] , werkzaam bij een achter de boerderij / het bedrijfspand van [geïntimeerden] gelegen bedrijf,

  • -

    [getuige 7] , een kennis van de zojuist genoemde [getuige 5]

  • -

    [getuige 8] , ex-schoonzoon van de zojuist genoemde [getuige 5] .

2.4

Bij de waardering van het bewijs stelt het hof het volgende voorop. Partijgetuigenverklaringen hebben in beginsel vrije bewijskracht. De rechter is derhalve in beginsel vrij in de waardering van die verklaringen. Op dit uitgangspunt brengt artikel 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat ten aanzien van feiten die moeten worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de partijgetuigenverklaring in zijn bewijswaardering moet betrekken, maar dat hij zijn oordeel dat het bewijs geleverd is niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, LJN AU7933, RvdW 2006, 335).

2.5

Naast de verklaringen van de onder 2.2 en 2.3 genoemde getuigen in de in hoger beroep gehouden getuigenverhoren, behoren tot het voorhanden bewijs de verklaringen die zijn afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor op 8 oktober 2004 en op 12 januari 2005 (zie het tussenarrest onder 4.4 en de producties 7 en 8 bij de inleidende dagvaarding). Het betreft de verklaringen van:

  • -

    [getuige 9] , werknemer SHP en bezoeker van de voormalige sportschool in de boerderij van [geïntimeerden] ;

  • -

    [getuige 4] voornoemd;

  • -

    [getuige 5] voornoemd;

  • -

    [geïntimeerde 1] voornoemd;

  • -

    [getuige 1] voornoemd;

  • -

    [getuige 3] voornoemd;

  • -

    [getuige 2] voornoemd.

Van deze in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen heeft SHP bij de inleidende dagvaarding tevens schriftelijke verklaringen overgelegd, met uitzondering van de partijgetuige [geïntimeerde 1] .

2.6

Voorts behoren tot het voorhanden bewijs de door partijen ingevolge het tussenarrest overgelegde foto’s en producties, door SHP bij akte van 5 januari 2011 met 9 producties en door [geïntimeerden] bij brief van 5 januari 2011 met nadere producties A tot en met K en foto’s genummerd 1 tot en met 39 met toelichting en voorts ter gelegenheid van het getuigenverhoor de foto’s genummerd 16, 17, 18, 22 en 23.

situatie (kort) vóór de verkrijging door [geïntimeerden] op 8 juli 1994

2.7

Uit de foto’s die dateren van, naar de onbetwiste stelling van [geïntimeerden] , vóór de aankoop van de boerderij door, althans de levering daarvan aan [geïntimeerden] (overgelegd bij brief van 5 januari 2011), blijkt het volgende. Op foto 1 is te zien dat het pad - in elk geval het eerste gedeelte vanaf de straatzijde - was verhard, niet met gras of onkruid was begroeid, behoudens een rand gras langs de - vanaf de straat bezien - rechterzijkant, en kennelijk als in-/uitrit van en naar de openbare weg diende, vanwege de verlaagde stoeprand. Op de foto’s 7, 19 en 21 is te zien dat aan de zijde van [getuige 5] / thans SHP een hek liep en dat naast dat hek op het pad een stapel tuinstoelen stond. Op foto 16 is te zien dat er aan de – vanaf de straat bezien – rechterzijkant fietsenrekken op het pad waren geplaatst. Op foto 16 is tevens te zien dat de horizontale bielzen langs de – vanaf de straat bezien – rechterzijde van het pad op een plaats, gelegen tussen de beide fietsenrekken, werden onderbroken door een opening. Op foto 17 zijn deze fietsenrekken ook te zien, en is ter hoogte van de fietsenrekken in de rechterzijgevel van de boerderij een deur te zien, waardoor aannemelijk is dat de opening in de bielzen diende om vanaf het pad naar die deur te komen en vice versa. Voorts is op die foto aan de linkerzijde van het pad een afvalcontainer zichtbaar. Op foto 18 is wederom de afvalcontainer, met daarnaast een GFT container te zien aan de linkerzijde van het pad. Op de foto’s 1 en 18 is tevens het naambord van de sportschool van [getuige 4] te zien, waaruit volgt dat die foto’s, en ook de foto’s 16 en 17, dateren van vóór de aankoop door / levering aan [geïntimeerden] Op de foto’s 16 tot en met 18 is voorts evenals op foto 1 te zien dat het pad - in elk geval het eerste gedeelte vanaf de straatzijde - was verhard.

2.8

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zich direct rechts naast de woning van [getuige 5] een oprit bevond (die er nog steeds is), die diende en ook gebruikt werd om per auto op het erf van [getuige 5] te komen. Deze oprit is te zien op de foto’s 10 en 12 van [geïntimeerden] (brief van 5 januari 2011). [getuige 5] had het pad dus niet nodig om met de auto op zijn erf te komen.

2.9

Tussen partijen staat tevens vast dat het pad, sinds [getuige 4] omstreeks 1985 de tussenbouw tussen de boerderij en het daarachter gelegen bedrijfspand bouwde, de enige manier is om met de auto bij de ingang van dat bedrijfspand achter de boerderij van – voorheen [getuige 4] , thans – [geïntimeerden] te komen, terwijl het daarvóór ook mogelijk was om via de – vanaf de straat bezien – rechterkant van de boerderij achterlangs bij de ingang van het bedrijfspand te komen.

2.10

[geïntimeerden] heeft bij zijn getuigenverhoor in hoger beroep verklaard dat hij de situatie met de fietsenrekken (foto 16), de spoorbielzen (idem) en de afvalcontainers (foto 17) aantrof een half jaar voordat hij de boerderij c.a. heeft gekocht. Volgens [geïntimeerde 1] was de hele uitstraling alsof het pad erbij hoorde. [geïntimeerde 1] heeft voorts verklaard dat het pad toen aan de linkerzijde was afgesloten met een hek (foto 21), waarvan ten tijde van het getuigenverhoor nog de piketpaaltjes er stonden. Dat hek heeft er gestaan tot 1999/2000, aldus [geïntimeerde 1] als getuige. Het liep tot voorbij de boom die aan het eind van het pad links stond (en staat), en dan ging het overdwars achter de moestuin van [getuige 5] langs, zo verklaarde [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 1] heeft verder nog verklaard dat buurman [getuige 5] met zijn auto meestal vanuit zijn eigen oprit de open plek links van het pad bereikte, en dat hij het pad ook weleens gebruikte om er uit te rijden, en voorts om op het stuk grond achter zijn moestuin te komen, om open haard hout op te halen dat hij daar gestald had. Ook heeft [geïntimeerde 1] verklaard dat het pad naar rechts afboog naar het bedrijfspand.

2.11

De partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde 1] vindt voor wat betreft de periode tot aan de aankoop door dan wel levering aan [geïntimeerden] , behalve in de onder 2.7 genoemde foto’s, steun in de getuigenverklaringen zowel in hoger beroep als in het voorlopig getuigenverhoor, alsmede in de schriftelijke verklaringen, van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

2.12

[getuige 1] verklaart als getuige dat hij in de gehele periode dat [getuige 4] er zat, heeft meegeholpen met het onderhoud van het pad: maaien, onkruid wieden, grind aanvullen, gaten vullen. Tevens heeft deze getuige verklaard dat er fietsenrekken op het pad stonden, aan de rechterkant van het pad tegen de horizontale bielzen aan vanaf de weg gezien vóór de eerste deur van de boerderij. Deze getuige bevestigt ook de situatie ten aanzien van de opening in de bielzen ter hoogte van de ingang, de aanwezigheid van twee containers en het hek langs de moestuin aan de linkerzijde van het pad. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat het pad zowel door hemzelf als door de andere bezoekers van de sportschool werd gebruikt om bij de sportschool te komen, en dat hij niet heeft gemerkt dat het pad ook door anderen dan [getuige 4] of bezoekers van de sportschool werd gebruikt. Ten slotte heeft [getuige 1] nog verklaard dat hij op de plek waar nu de vier coniferen staan, nooit een schutting heeft gezien, alleen een pergola met coniferen in aanplant, die dienden ter bescherming van de privacy van de saunabezoekers. Er stond wel een schutting haaks op de richting van het pad, in het verlengde van de voorgevel van het bedrijfspand, en daarvoor stond een buitenhaard, aldus deze getuige.

2.13

De getuigenverklaring van [getuige 1] strookt met zijn schriftelijke verklaring en de door hem in het voorlopige getuigenverhoor afgelegde verklaring, waarvan [getuige 1] heeft verklaard daarbij te blijven. In zijn schriftelijke verklaring heeft deze getuige nog verklaard dat het hoofdpad, dat [geïntimeerde 1] in gebruik en onderhoud heeft, aanwezig was in 1984 en dat dit toen ook al was verhard met puin en split, en was voorzien van een officiële inrit in het trottoir. Voorts heeft [getuige 1] in zijn schriftelijke verklaring verklaard dat op het achterste gedeelte van het hoofdpad in het voorjaar en in de zomer werd gesport en dat ze daar op een zitje zaten te zonnen en een drankje te drinken. Volgens deze getuige in diens schriftelijke verklaring is onjuist de verklaring van [getuige 4] dat alle bezoekers van de sportschool over het paadje door de grindtuin gingen; volgens [getuige 1] deden alleen de bezoekers die te voet kwamen dat, en reden alle sportschoolbezoekers die op de fiets of brommer kwamen, over het verharde hoofdpad, waarbij ze gebruik maakten van de fietsenrekken en vanaf het hoofdpad bij de fietsenrekken via een aangelegd paadje naar de ingang van de sportschool liepen. Ten slotte heeft deze getuige in zijn schriftelijke verklaring nog verklaard dat de breedte van het pad aan de linkerkant werd begrensd door een muurtje met daar tegen aan een verticale spoorbiels van ca. 60 cm hoogte, waarvan er verderop nog één in de grond stond, en dat in dezelfde lijn met de spoorbielsen piketpaaltjes stonden, met daaraan een afzetting met planken, welke piketpaaltjes op de dag van vandaag nog aanwezig zijn maar nu zonder planken. Deze getuige verklaarde dat hij dacht dat de kadastrale grens daar lag, “de inrichting gaf dit zo aan”. Het hof constateert dat de verticale staande bielzen waarover [getuige 1] het hier heeft, moeten worden onderscheiden van de eerder bedoelde, horizontale bielzen langs de rechterkant van het pad. Zoals het hof ter gelegenheid van de getuigenverhoren ter plaatse heeft waargenomen, staat aan het begin van het pad aan de linkerzijde daarvan een verticale biels, en in het verlengde daarvan, naar achteren toe, enkele houten paaltjes. De in het veld door de verticale bielzen en de in het verlengde daarvan staande paaltjes gemarkeerde “grens” waarvan deze getuige heeft verklaard te hebben aangenomen dat het ook de kadastrale grens was, moet dus worden gesitueerd aan de linkerzijde van het pad en niet langs de lijn van de horizontale bielzen aan de rechterzijde van het pad (van dit laatste is kennelijk het hof Leeuwarden uitgegaan in zijn arrest van 22 augustus 2007 onder 17).

2.14

De getuige [getuige 2] heeft in het in hoger beroep gehouden getuigenverhoor verklaard dat hij ter plaatse is geweest vanaf dat [getuige 4] de boerderij kocht, dat ze [getuige 4] hielpen met een groepje en dat hij heeft geholpen bij het weghalen van stronken die in de grond zaten aan de achterkant van het pad. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat iedereen van het pad gebruik maakte om bij de boerderij te komen. Tevens heeft deze getuige verklaard dat aan de linkerkant van het pad een hek was. De verklaring van [getuige 2] komt verder overeen met de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [getuige 1] wat betreft de fietsenrekken, de afvalcontainers en de horizontale bielzen. Ook heeft [getuige 2] verklaard dat hij heeft gezien dat het pad werd onderhouden door [getuige 4] en door mensen van de sportschool.

2.15

De in hoger beroep door [getuige 2] afgelegde getuigenverklaring spoort met zijn getuigenverklaring, afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor en diens schriftelijke verklaring, waarvan [getuige 2] als getuige heeft verklaard daarbij te blijven. In zijn schriftelijke verklaring heeft [getuige 2] nog verklaard dat het nu aanwezige hoofdpad, met een officiële oprit op het trottoir, ook al vanaf het begin het hoofdpad naar de sportschool was en dat dit pad was verhard met gebroken puin. [getuige 2] heeft daarbij voorts verklaard dat hij de uitgereden gaten met puin heeft aangevuld. In de schriftelijke verklaring van [getuige 2] staat voorts:

“Dit verharde pad werd nog intensiever gebruikt, nadat [getuige 4] na circa een jaar een tussenbouw door een aannemer liet aanbrengen, tussen de boerderij en het achterste bedrijfsgebouw. (…) Hij sloot zich hiermee op en kon hij niet meer rondrijden en om in zijn privé garage te komen (…) moest hij omrijden langs de kant van [persoon X] . Van die kant af kon hij niet in de sportschool komen.”

Ook staat in de schriftelijke verklaring:

“ [getuige 4] verklaart dat hij altijd de erfscheiding heeft gerespecteerd en het hoofdpad en strook tuin niet heeft gebruikt. Dat is onjuist! [getuige 4] deed alsof het pad en strook tuin bij de boerderij hoorde. De inrichting en onderhoud van het verharde hoofdpad en de strook tuin heeft hij voorzien van vlaggenmasten, spoorbielsen, perkjes met grind en keien met beplantingen, terrasjes, pergola met coniferen. Op het eind van het hoofdpad had hij zijn compost bult, waar ik het tuinafval op stortte.(…)

Alle parkeergelegenheid voor de sportschool was op het verharde hoofdpad. Hier stonden de fietsenrekken tegen de spoorbielsen. (…) Ook de auto’s van bezoekers van de sportschool werden hier wel geparkeerd. Mijn broer deed dit ook wel.

De achtertuin en pad waren ingezaaid met gras. In de zomer fitnessen we daar en barbecueden we er wel. We onderhielden met elkaar de tuin en hadden daar een zitje. (…). Links van het hoofdpad stonden grote vuilcontainers gestald. Buurman [getuige 5] had verderop langs het pad zijn volkstuintje, afgezet met piketpaaltjes, prikdraad en planken (…)”.

2.16

Ook de getuigenverklaring in hoger beroep van [getuige 3] , alsmede de getuigenverklaring van die getuige in het gehouden voorlopig getuigenverhoor en de schriftelijke verklaring van die getuige, waarbij hij volgens zijn getuigenverklaring in hoger beroep volhardt, dragen bij aan het te leveren bewijs. [getuige 3] heeft in het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij tot ongeveer 1994 brood heeft bezorgd bij [getuige 4] , en als getuige in hoger beroep dat de periode dat hij daar kwam ongeveer anderhalf jaar is geweest. Het hof leidt uit een en ander af dat [getuige 3] gedurende circa anderhalf jaar dagelijks ter plaatse is geweest in de periode kort of direct voorafgaand aan de verkrijging van de boerderij door [geïntimeerden]

2.17

In het voorlopig getuigenverhoor heeft [getuige 3] verklaard:

“Sinds 1963 woon ik in de buurt van de boerderij van [geïntimeerden] (…) en reed dagelijks met de fiets langs de boerderij naar het centrum en vroeger naar mijn werk, de bakkerij. Tijdens dat [getuige 4] de sportschool aan [adres] had, bracht ik ’s morgens als plaatselijk bakker brood naar de sportschool toe. Hiervoor reed ik met mijn bestelauto het verharde hoofdpad op. De inrit van het verharde hoofdpad was van een officiële schuinte voorzien voor toegang van auto’s over het trottoir. (…) De toegang is mij nooit verhinderd door een slagboom, deze heb ik ook nooit gezien. Vanaf het verharde pad liep ik via een aangelegd zijpad naar de toegangsdeuren van de sportschool. (…) Zoals het bij de huidige inrichting van het erf nog aanwezig is. (…) Ik ging niet over het voetpad dat naar, en langs de privé voordeur leidde. Dit pad was slecht begaanbaar door het grind, voor fietsen en lopend. Dit pad was ook tweemaal zo lang als het verharde hoofdpad wat naar de toegangsdeuren van de sportschool leidde en ik kon mijn auto op het verharde hoofdpad parkeren.

De inrichting van het verharde hoofdpad en strook grond waren toen ook al in het bezit van de sportschool. Alle fietsenrekken stonden op het verharde hoofdpad tegen de spoorbielsen aan, ook werden er auto’s op dit hoofdpad ten gunste van de sportschool geparkeerd. (…) Links van het hoofdpad stonden grote afvalcontainers. (…) Het hoofdpad was aan de linkerkant afgezet met een hek. Achter het hek had getuige [getuige 5] zijn volkstuintje. (…) Zomers werd achteraan op het hoofdpad ook wel getraind, men had daar tuinmeubilair voor neergezet. (…)”

Deze getuigenverklaring draagt derhalve bij aan het bewijs dat [getuige 4] in de periode van ongeveer anderhalf jaar voorafgaand aan de verkrijging door [geïntimeerden] het bezit uitoefende ten aanzien van het pad: het verharden van het pad, het gebruik maken daarvan als toegang van en naar de in de boerderij gevestigde sportschool en als parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, het plaatsen van afvalcontainers op het pad en de omstandigheid dat het pad aan de linkerzijde was afgezet met een hek. Op deze punten strookt de verklaring van de getuige [getuige 3] ook met die van [geïntimeerde 1] , [getuige 1] en [getuige 2] .

2.18

Bij zijn getuigenverhoor in hoger beroep heeft [getuige 3] wederom de hiervoor bedoelde bezitsdaden van [getuige 4] genoemd. [getuige 3] heeft bij die gelegenheid verklaard niet meer te weten wat zich op de grond aan de linkerzijde van het pad bevond. Het hek heeft hij niet meer genoemd. Dit vormt geen reden om zijn eerdere verklaring omtrent de aanwezigheid van het hek in twijfel te trekken, nu sinds die eerdere getuigenverklaring zes jaar waren verstreken en deze getuige ten tijde van het getuigenverhoor in hoger beroep de leeftijd van 72 jaar had.

2.19

De conclusie uit het onder 2.7 tot en met 2.18 overwogene is dat [geïntimeerden] is geslaagd in het bewijs dat zijn rechtsvoorganger [getuige 4] bezitter was van het pad op het moment waarop [geïntimeerden] eigenaar werd van de boerderij. Het hof acht daarbij de volgende, tussen partijen reeds vaststaande dan wel door het hof bewezen geachte, feiten en omstandigheden van belang:

  • -

    het pad was aan de linkerzijde grotendeels afgeschermd van de naastliggende grond door een hek, bestaande uit houten paaltjes met daar tegenaan planken en prikkeldraad;

  • -

    [getuige 4] en/of zijn kennissen tevens bezoekers van de sportschool hebben het pad met puin verhard en gaten gevuld;

  • -

    ter hoogte van de toegangsdeur naar de sportschool bevond zich een opening in de rechts langs het pad liggende, horizontale bielzen;

  • -

    vanaf in elk geval begin 1994 was er in het trottoir ter hoogte van het pad een verlaagde stoeprand;

  • -

    het pad werd gebruikt als toegang tot en uitweg vanuit de in het pand gevestigde sportschool;

  • -

    sinds de bouw van de tussenbouw tussen de boerderij en het achtergelegen bedrijfspand, in elk geval vanaf begin 1994, was met een auto geen andere toegang tot het bedrijfspand mogelijk dan via het pad;

  • -

    [getuige 4] heeft in elk geval begin 1994 fietsenrekken voor bezoekers van de sportschool rechts op het pad geplaatst;

  • -

    [getuige 4] heeft in elk geval begin 1994 afvalcontainers links op het pad geplaatst;

  • -

    op het pad werd door de bezoekers van de sportschool in de zomer wel gesport en op tuinstoelen gezeten;

  • -

    direct rechts naast de woning van [getuige 5] was een oprit die kennelijk diende als toegang naar en uitweg vanuit het perceel van [getuige 5] , en ook als zodanig werd gebruikt.

Dat ook [getuige 5] , zoals alle getuigen verklaren, incidenteel over het pad ging, te weten om met zijn auto uit de links van het pad gelegen parkeerplaats, welke hij ook vanuit zijn eigen perceel kon bereiken, naar de straat te rijden en om over het pad naar het achter zijn woning gelegen stuk grond te komen, staat er niet aan in de weg dat de hierboven opgesomde, structurele bezitsdaden van [getuige 4] ertoe hebben geleid dat [getuige 4] het bezit van het pad heeft verkregen en dat de rechtsvoorganger van SHP dat (via [getuige 5] als houder uitgeoefende) bezit heeft verloren.

2.20

De in het tegengetuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen kunnen onvoldoende afdoen aan deze conclusie. De getuigenverklaring van [getuige 4] in hoger beroep is vaag en weinig stellig. [getuige 4] heeft als getuige op de vraag of het pad nog steeds braakliggend terrein was toen hij de boerderij verkocht aan [geïntimeerden] , geantwoord dat er “misschien” wel verharding was gekomen, maar dat het geen grindpad was zoals nu. Op de vraag wie die verharding dan had aangebracht, heeft [getuige 4] geantwoord dat hij “niet uitsluit” dat hij gaten heeft gevuld als het erg had geregend en het terrein heel slecht was, of dat hij mensen van de sportschool dat heeft laten doen. Tevens heeft [getuige 4] verklaard dat ten tijde van de verkoop aan [geïntimeerden] de bielzen er lagen zoals ze er nu liggen. Verder heeft [getuige 4] verklaard dat ze “weleens” van het pad gebruik maakten om overheen te rijden, en dat hij zijn auto “weleens” achter op het terrein, naast de tussenbouw, plaatste, maar meestal niet, en dat het kan zijn dat zijn catamaran “weleens” achter op het terrein heeft gestaan, maar dat dat dan heel kort was. Ook heeft [getuige 4] verklaard dat hij “zelden” heeft gezien dat bezoekers van de sportschool hun auto parkeerden op het pad of achter op het terrein.

2.21

Dat [getuige 4] zich veel dingen niet meer (goed) kan herinneren, blijkt (ook) uit zijn hierna geciteerde verklaringen:

“Op uw vraag hoe de linkerzijde van het pad eruit zag, verklaar ik dat daar een groentetuin was, maar ik weet eigenlijk niet meer of die er al was toen ik er kwam wonen of dat die er pas later is gekomen.”

(…)

“Er stond een fietsenrek langs het looppaadje dat vanaf het huidige pad naar de tweede deur loopt. Dat fietsenrek werd ook weleens verplaatst naar de voorzijde, op de stoep, op drukke momenten. Ik weet niet meer precies waar het fietsenrek dan werd neergezet, het is al 15 jaar geleden. Het looppaadje dat vanaf de straatzijde door de tuin langs de boerderij loopt, was de officiële ingang naar de sportschool; aan het begin daarvan stonden ook borden met ingang. Ik heb vandaag drie foto’s meegenomen (…). Bij nader inzien zie ik op die foto’s dat het bord met ingang niet aan het begin van het looppaadje aan de straat heeft gestaan, maar links langs het paadje dat loopt vanaf het pad naar de tweede deur. Vanaf de straatzijde gezien stond het bord dus na de ingangsdeur naar de sportschool.”

(…)

“Ik weet niet meer of er aan de linkerkant van het pad een hek liep. De palen die daar nu staan, kan ik mij ook niet herinneren.”

(…)

“Ik heb zelf ook wel met [geïntimeerde 1] gesproken voorafgaand aan de koop, maar weet niet 100% zeker of dat over zakelijke dingen is geweest, of alleen koffiedrinken;”

(…)

“Ik kan mij niet herinneren of er een afscheiding was tussen het pand dat naast de boerderij ligt aan de rechterzijde vanaf de straatzijde gezien, en de boerderij.”

(…)

“Mr Hamming toont mij productie 5, ik zie daarop een soort schutting. Het zou best kunnen dat ik die heb geplaatst.”

(…)

“Ik had wel een catamaran, maar die stond niet op dit terrein. Het kan zijn dat hij weleens hier heeft gestaan, maar dat was dan heel kort, alleen om hem te wassen.

(…)

“ [geïntimeerde 1] houdt mij (…) foto nr. 22 voor. De vlechtmat die op die foto is te zien, komt mij wel bekend voor. Ik zie dat die schutting haaks op het pad staat.”

(…)

“Ik weet niet of er indertijd een pergola stond.”

(…)

“Ik weet niet meer of ik ooit met [getuige 5] samen een schutting heb geplaatst.”

2.22

De verklaring van [getuige 4] ontkracht, gelet op het onder 2.20 en 2.21 overwogene, niet de gedetailleerde, stellige en onderling consistente verklaringen van [geïntimeerde 1] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , zowel als getuigen in hoger beroep en in het voorlopig getuigenverhoor als in hun schriftelijke verklaringen, alsmede hetgeen blijkt uit de onder 2.7 besproken foto’s.

2.23

Datzelfde geldt voor de verklaring die [getuige 4] heeft afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor en voor zijn schriftelijke verklaring. Zijn verklaring in het voorlopig getuigenverhoor en zijn schriftelijke verklaring dat het verharde pad er niet was toen hij de boerderij verkocht aan [geïntimeerde 1] , en dat er op die plek platgetrapt en modderig gras was, strookt niet met wat blijkt uit de onder 2.7 genoemde foto’s 1 en 16 tot en met 18; en evenmin met zijn getuigenverklaring in hoger beroep dat er misschien wel verharding was gekomen en dat hij niet uitsluit dat hij gaten heeft gevuld als het erg had geregend en het terrein heel slecht was, of dat hij mensen van de sportschool dat heeft laten doen. Overigens heeft [getuige 4] in zijn schriftelijke verklaring (email) van 2 september 2006, overgelegd als productie 1 bij memorie van grieven, gesteld dat een aantal fitnessklanten hem hebben geholpen met de tuin en ook met het fatsoeneren van de oprit ernaast. De schriftelijke verklaring van [getuige 4] dat hij en zijn bezoekers altijd over een ander pad gingen dat lag op het eigen terrein tussen de boerderij en het pad, en dus niet over het nu aanwezige met grind verharde pad, strookt niet met zijn getuigenverklaring in hoger beroep dat ze weleens van het pad gebruik maakten om overheen te rijden en dat hij zelden heeft gezien dat bezoekers van de sportschool hun auto parkeerden op het pad of achter op het terrein. Verder heeft [getuige 4] in zijn schriftelijke verklaring (email) van 2 september 2006, overgelegd als productie 1 bij memorie van grieven, gesteld:

“Zoals ik nu ook het gemeente trottoir naast mijn recente huis regelmatig schoon veeg en de bezoekers vrijelijk laat gebruiken als ze mijn deurbel willen bereiken, zo liet ik toentertijd de fitness klanten ook van de naast gelegen oprit gebruik maken. Het was immers braakliggend en niemand leek het te onderhouden. Gedurende de piekuren in het centrum werd hierdoor een parkeerprobleem opgelost.”

2.24

Ook uit de door [getuige 4] bij zijn getuigenverhoor getoonde foto’s, die als bijlage 4 aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor zijn gehecht, volgt niet dat de verklaringen van de getuigen [geïntimeerde 1] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] op één of meer punten niet juist zouden zijn.

2.25

De (getuigen)verklaringen van [getuige 5] kunnen evenmin afbreuk doen aan het door [geïntimeerden] bijgebrachte bewijs. Deze getuige heeft gedurende tientallen jaren (sinds 1957, zoals hij heeft verklaard in zijn schriftelijke verklaring) in de woning op het terrein van (thans) SHP gewoond en geeft in zijn getuigenverklaring in hoger beroep niet, althans onvoldoende (duidelijk), aan op welke periode / welk moment zijn verklaringen zien. Zo verklaart [getuige 5] als getuige dat er vanaf de ingangsdeur van de sportschool langs het voetpaadje richting het pad een soort scherm liep, dat de hoek om ging bij het pad en in de richting van de straat liep langs het pad, tot aan de huidige eerste doorgang in de bielzen, en dat er vanaf dat punt bomen langs het pad tot aan de straat stonden. [getuige 5] geeft echter niet aan wanneer deze situatie zo was, terwijl uit de door [geïntimeerden] overgelegde foto’s 1 en 16 tot en met 18 van kort vóór de aankoop (zie hiervoor onder 2.7), alsmede op foto 17 die als bijlage 3 aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor is gehecht, het door [getuige 5] genoemde scherm en de door hem genoemde bomen niet te zien zijn. Een en ander is evenmin te zien op de foto’s die dateren van na de verkrijging door [geïntimeerden] , zodat het ervoor moet worden gehouden dat het door [getuige 5] genoemde scherm en de bomen er hebben gestaan in een vóór 1994 gelegen periode.

2.26

[getuige 5] heeft voorts verklaard over een vlechtmatten schutting die rechts langs het pad zou hebben gestaan, aansluitend op het door [getuige 5] genoemde scherm, en die hij daar samen met [getuige 4] zou hebben geplaatst. Volgens [getuige 5] heeft deze schutting er gestaan totdat [geïntimeerde 1] er kwam wonen, die de schutting op een gegeven moment heeft afgebroken. Volgens [getuige 5] liep die schutting helemaal door tot aan het bedrijfspand en kon je daar niet doorheen. De verklaring van [getuige 5] is in tegenspraak met de getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [getuige 1] en [getuige 3] , alsmede met de door [geïntimeerden] bij brief van 5 januari 2011 overgelegde foto’s 8 en 9. [getuige 3] verklaart dat het tussen de coniferen en het bedrijfspand open was en dat hij dat ook weet omdat hij daar met de achterkant van zijn auto indraaide om te keren. [getuige 1] verklaart dat hij nooit een schutting heeft gezien op de plek waar nu de coniferen staan, en dat er wel een schutting haaks op de richting van het pad stond in het verlengde van de voorgevel van het bedrijfspand. Weliswaar is op de bij akte van 5 januari 2011 als productie 6 overgelegde foto een gedeelte van een vlechtmatten schutting te zien, maar niet te zien is tot waar die schutting loopt. Het hof merkt op dat op foto 22 van bijlage 3 bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor, anders dan [geïntimeerden] stelt, te zien lijkt dat de vlechtmatten schutting in het verlengde van de voorgevel van het bedrijfspand, een rechte hoek maakt en vervolgens enkele meters haaks op die voorgevel loopt (en dus parallel aan het pad). Ook op deze foto is niet te zien tot waar die schutting doorloopt. De getuige [getuige 2] verklaart dat op de plek waar nu de coniferen staan, een vlechtmatten schutting stond; deze getuige geeft overigens niet aan wanneer dat was. Afgezien van [getuige 5] verklaart geen van de getuigen dat er een vlechtmatten schutting helemaal naar voren liep en aansloot op een in het verlengde daarvan naar de straatzijde doorlopend scherm, waarmee in feite sprake zou zijn geweest van een volledige afschutting van het pad van de tuin van [getuige 4] / [geïntimeerden] Gelet op de getuigenverklaring van [getuige 3] acht het hof aannemelijk dat er in elk geval in de laatste circa anderhalf jaar waarin [getuige 4] eigenaar was, aan de achterzijde van het pad een zodanig grote open ruimte was, dat daar met een auto gekeerd kon worden. De eventuele aanwezigheid van een vlechtmatten schutting langs een klein gedeelte van de rechterzijde van het pad, staat naar het oordeel van het hof niet in de weg aan de conclusie dat, gelet op de overige uiterlijke feiten, naar verkeersopvattingen sprake was van bezit van het pad door eerst [getuige 4] en vervolgens [geïntimeerden]

2.27

[getuige 5] heeft verder verklaard dat hij zowel in de periode van [getuige 4] als -aanvankelijk - in de periode van [geïntimeerden] het pad elk weekend afsloot met een steigerbuis, om te voorkomen dat cafébezoekers hun auto’s op het pad gingen parkeren, en dat hij op de opstaande biels aan de linkerzijde van het pad een bord had geplaatst met daarop de tekst verboden toegang. Deze verklaring vindt geen bevestiging in de overgelegde foto’s, noch in de verklaringen van [geïntimeerde 1] , [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Wel heeft de getuige [getuige 6] verklaard dat het pad regelmatig in de weekenden werd afgesloten met een steigerbuis, maar deze getuige heeft tevens verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren in welke periode dat was. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat [getuige 6] , evenals [getuige 5] , reeds tientallen jaren in de buurt van de boerderij woont en werkt, zodat het afsluiten met de steigerbuis ook in de jaren ’70 of ’80 kan hebben plaatsgevonden. Ook de verklaring van de getuige [getuige 7] dat [getuige 5] het pad weleens afsloot met een paal, vooral bij evenementen, houdt niet in dat dit ook in de periode kort voor, en vanaf de verkrijging door [geïntimeerden] het geval was. Ook de getuige [getuige 8] verklaart dat [getuige 5] het pad weleens afsloot met een steigerbuis, maar ook deze getuige kan zich niet meer herinneren in welke jaren dat is geweest en of dat ook zo was in de periode van [geïntimeerde 1] .

2.28

In de verklaring van de getuige [getuige 6] valt op dat deze zegt zich niet meer te kunnen herinneren of er op enig moment een afscheiding is geweest aan één van beide zijden van het pad, dat hij zegt zich niet meer te kunnen herinneren of [geïntimeerde 1] meteen in 1994 zijn bedrijf in deuren is begonnen, dat hij zegt zich niet meer te kunnen herinneren dat er in de tijd van [geïntimeerde 1] ooit met vrachtauto’s over het pad is gereden, dat hij verklaart dat hij [getuige 5] altijd ter plaatse van het pad zag rondlopen en bezig zag, “maar u moet mij niet vragen wanneer dit precies geweest is”, dat hij verklaart dat de fietsenrekken en de afvalcontainers op de foto’s 16 en 17 bij brief van 5 januari 2011 van [geïntimeerden] hem niets zeggen en niet bekend voorkomen, en tevens dat hij het hek langs de moestuin van [getuige 5] , zoals te zien op foto 19, niet herkent en dat het hem niets zegt. Aldus is de verklaring van [getuige 6] naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend op de punten waarop deze wel stellige uitspraken bevat.

2.29

Ook de verklaring van de getuige [getuige 7] in hoger beroep doet naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, af aan het door [geïntimeerden] bijgebrachte bewijs. Deze getuige komt, evenals de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] , reeds tientallen jaren (sinds begin jaren ’70) ter plaatse en geeft er evenals de twee zojuist genoemde getuigen, blijk van dat hij niet goed meer weet in welke periode bepaalde feiten zich hebben voorgedaan. Zo verklaart [getuige 7] dat het voor zijn gevoel ongeveer een jaar of tien geleden is dat [geïntimeerde 1] hier is komen wonen en met zijn bedrijf is gekomen, terwijl hij later, bij het voorlezen van zijn verklaring, aangeeft dat het bedrijf van [geïntimeerde 1] er al langer dan tien jaar moet zitten omdat hij zijn houtopslag er al veel langer heeft en hij zich herinnert dat [bedrijf X] er al zat toen hij zijn hout daar opsloeg. Verder plaatst deze getuige de aanwezigheid van de sportschool van [getuige 4] “zo’n beetje eind jaren ‘70” respectievelijk “in de jaren 70”, terwijl dit, naar tussen partijen niet in geschil is (zie bijvoorbeeld de nadere conclusie van SHP van 16 november 2005 onder 11), van 1984 tot 1994 is geweest. Wat betreft een afscheiding aan de linkerkant van het pad geeft [getuige 7] aan dat hij niet meer precies weet wanneer dit is geweest. Ook deze getuige verklaart, evenals de getuige [getuige 6] , dat hij zich niets kan herinneren van de fietsenrekken en de afvalcontainers op de foto’s 16, 17 en 18 van [geïntimeerden]

2.30

Ten slotte ontkracht ook de verklaring van de getuige [getuige 8] het door [geïntimeerden] aangeleverde bewijs niet, althans onvoldoende. Weliswaar verklaart deze getuige over de aanwezigheid van een afscheiding aan de voorzijde van het pad rechts in de tijd van [getuige 4] , maar tevens verklaart deze getuige zich niet meer te kunnen herinneren wanneer die afscheiding is verdwenen. Het hof houdt het er, gelet op het onder 2.25 overwogene, op dat dit vóór 1994 is geweest. Ook deze getuige zegt de situatie op de foto’s 16, 17 en 18 niet te herkennen. Ook deze getuige komt reeds tientallen jaren (sinds 1976) ter plaatse. Al met al acht het hof ook deze verklaring wat betreft de plaatsing in de tijd van de verschillende daarin gememoreerde feiten en omstandigheden, onvoldoende specifiek (het afsluiten met een steigerbuis, de afscheiding aan de voorzijde rechts van het pad) dan wel onvoldoende overtuigend (het onderhoud van het pad door [getuige 5] in de periode van [getuige 4] en [geïntimeerden] ).

situatie vanaf de verkrijging door [geïntimeerden] op 8 juli 1994

2. 31 Ten aanzien van de periode vanaf het moment waarop [geïntimeerden] de boerderij c.a. verkreeg, heeft [geïntimeerde 1] als partij-getuige verklaard dat het hek waardoor het pad aan de linkerzijde was afgesloten, in 2000 is weggehaald. [geïntimeerde 1] heeft voorts verklaard dat hij als enige het pad onderhoudt sinds hij hier woont, hetgeen bestaat uit het eens in de twee à drie jaar aanbrengen van een splitlaag, en maaien.

2.32

Op foto 3 bij de brief van de zijde van [geïntimeerden] van 5 januari 2011, welke foto volgens [geïntimeerden] , onbetwist door SHP, dateert uit de winter 1996/1997, is het bedrijfsnaambord van het bedrijf van [geïntimeerden] , [bedrijf X] geheten, te zien rechts van het pad in de zijtuin van de boerderij. Door de plaatsing van het bedrijfsnaambord van [bedrijf X] direct rechts van het pad wordt de indruk gewekt dat het pad bedoeld is als toegangsweg naar dat bedrijf. Nu het pad de enige toegangsweg was tot het achter de boerderij gelegen bedrijfspand, staat, mede gelet op die foto, voldoende vast dat [geïntimeerden] in elk geval vanaf 1996/1997 voor zijn bedrijf ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van die toegangsweg. De foto’s 13 en 14 bij de zojuist genoemde brief, welke volgens de onbetwiste stelling van [geïntimeerden] dateren uit 2000, laten zien dat (ook) in 2000 het pad naar de uiterlijke kenmerken ervan diende als in- en uitrit voor het bedrijf van [geïntimeerden] van en naar de openbare weg. Die uiterlijke kenmerken zijn ook hier de aanwezigheid van het bedrijfsnaambord, het feit dat er met de (vracht)auto geen andere toegang tot het bedrijf mogelijk was en de schuine stoeprand. De foto 25, 29 en 31 tot en met 39, alle onbetwist uit 2003, tonen aan dat het pad ook in 2003 daadwerkelijk werd gebruikt door [geïntimeerden] ten behoeve van zijn bedrijf om met vrachtwagens en andere bedrijfswagens naar en van zijn bedrijfspand te komen, onder andere voor de aan- en afvoer van garage- en bedrijfsdeuren. Gelet op de grootte van de vrachtauto’s is aannemelijk dat [geïntimeerde 1] , zoals hij stelt (conclusie van antwoord onder 31) het pad, nadat hij de boerderij c.s. in eigendom had verkregen verder heeft verhard en van een zware fundering heeft voorzien. Foto 28, onbetwist uit 2004, laat zien dat de openingen in de bielzen aan de rechterzijde van het pad om vanaf het pad naar de zijgevel van de boerderij en de schuur van de boerderij te komen ook in 2004 nog op dezelfde wijze aanwezig waren als vóór de aankoop door [geïntimeerden]

2.33

De getuigenverklaring van [getuige 5] in hoger beroep houdt in dat [geïntimeerde 1] het pad heeft verhard en aangelegd. Deze getuige heeft verklaard: “Het was eerst gras en toen [geïntimeerde 1] er woonde werd het verhard pad en vervolgens grindpad.” In zijn schriftelijke verklaring, overgelegd in eerste aanleg (productie 7 bij de inleidende dagvaarding) heeft [getuige 5] verklaard dat [geïntimeerde 1] , nadat hij de boerderij had gekocht, de situatie ingrijpend heeft veranderd. Hij heeft een stuk grond bij zijn terrein getrokken en vrachtwagens laten komen en het grindpad aangelegd, aldus [getuige 5] . Weliswaar verklaart deze getuige, zowel in zijn schriftelijke verklaring als bij zijn getuigenverhoor in hoger beroep, ook dat het pad er ten tijde van de verkrijging van [geïntimeerden] nog niet was, maar dit is niet te zien op de door deze getuige genoemde foto (productie 6 bij akte SHP van 5 januari 2011) en wordt gelogenstraft door de foto’s 1 en 16 tot en met 18, bedoeld onder 2.7, en de getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

2.34

Het hof acht op grond van de onder 2.32 genoemde foto’s, alsmede de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [getuige 5] , aangetoond dat [geïntimeerden] het voortdurende, onafgebroken en ondubbelzinnige bezit van het pad heeft behouden vanaf het moment dat hij de eigendom van de boerderij verkreeg op 8 juli 1994. De verklaringen van de door SHP in het tegengetuigenverhoor voorgebrachte getuigen kunnen daaraan niet afdoen, op grond van het onder 2.25 tot en met 2.30 hiervóór overwogene. Ook het feit dat [getuige 5] af en toe over het pad ging, staat daaraan niet in de weg. Het hof is op grond van de afgelegde getuigenverklaringen en het overige bewijs van oordeel dat dit slechts incidenteel gebeurde. Dat ook [getuige 5] heeft begrepen, althans had kunnen begrijpen, dat [geïntimeerden] eigendomspretenties had, blijkt uit zijn schriftelijke verklaring voorzover die luidt:

“ [geïntimeerde 1] heeft, nadat hij de boerderij van [getuige 4] ergens in 1994 gekocht had, enige tijd daarna de situatie ingrijpend veranderd. Hij heeft een stuk grond bij zijn terrein getrokken en vrachtwagens laten komen en het grindpad aangelegd. Voorheen was er dus geen grindpad, maar slechts een braakliggend stuk land met hooguit een karrespoor, waar ik af en toe met mijn auto en aanhanger overheen reed. Ik moest dan over een verhoogde stoeprand. Later is hier een oprit van gemaakt. Ik heb hem toen nog gevraagd waar hij mee bezig was, omdat dit niet zijn eigendom, maar dat van de kerk was. Hij trok zich echter nergens wat van aan en zei dat hij daar niets mee te maken had.”

ten aanzien van het beroep op verkrijgende verjaring

2.35

Samengevat is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] is geslaagd in het bewijs dat de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] , [getuige 4] , bezitter was op het moment waarop [geïntimeerden] eigenaar werd en dat [geïntimeerden] [getuige 4] is opgevolgd in diens bezit op het moment waarop [geïntimeerden] eigenaar werd van de boerderij (8 juli 1994), en dat bezit heeft behouden tot – in elk geval – het moment waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht. Zoals het hof heeft overwogen in het tussenarrest onder 4.8, is de verjaring voor het eerst gestuit door het uitbrengen van die dagvaarding, op 7 maart 2005.

2.36

Zoals het hof eveneens bij het tussenarrest (onder 4.3) heeft overwogen, heeft [geïntimeerden] zowel verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:99 BW als verkrijging op grond van artikel 3:105 jo. 306 BW aan zijn verweer (in conventie) resp. vordering (in reconventie) ten grondslag gelegd. Het hof verwijst in dit verband nog naar de – in cassatie niet bestreden – overeenkomstige overweging van het hof Leeuwarden in het arrest van 22 augustus 2007 onder 11.

2.37

SHP heeft haar betwisting dat [geïntimeerden] bij de aanvang van zijn bezit, te weten vanaf het moment dat hij de eigendom van de boerderij verkreeg in 1994, te goeder trouw was, dat wil zeggen meende en mocht menen dat het pad bij de door hem in eigendom verworven grond hoorde, onvoldoende onderbouwd. Dat [getuige 4] , zoals SHP stelt (nadere conclusie van 16 november 2005 onder 10), niet te goeder trouw was, doet er niet aan af dat [geïntimeerden] dat wel was. Het hof wijst in dit verband op artikel 3:102 lid 2 BW. Dat de oppervlakte die in de leveringsakte van [geïntimeerden] staat vermeld, aanzienlijk afwijkt van het stuk dat [geïntimeerden] in totaal meent in eigendom te hebben, doet op zichzelf evenmin af aan de goede trouw van [geïntimeerden] Voorts geldt, zoals het hof Leeuwarden in het arrest van 22 augustus 2007 onder 18 reeds – in cassatie onbestreden - heeft overwogen, dat voor goede trouw bij [geïntimeerden] niet is vereist dat [geïntimeerden] de kadastrale gegevens, waaronder de kadastrale aanwijs van 1973, heeft geraadpleegd.

2.38

Nu [geïntimeerden] gedurende een periode van ten minste tien jaar vanaf het moment van verkrijging van de boerderij op 8 juli 1994 het bezit te goeder trouw heeft gehad van het pad, is hij in elk geval op 8 juli 2004 door verjaring op grond van artikel 3:99 BW eigenaar geworden van het pad. Vanaf welk moment [getuige 4] bezitter was van het pad, en of de vordering tot beëindiging van het bezit reeds op een eerder moment was verjaard, zodat [getuige 4] dan wel [geïntimeerden] reeds op een eerder moment eigenaar van het pad is geworden op grond van artikel 3:105 lid 1 jo. 3:306 BW, kan daarom in het midden blijven. Overigens lijkt ook SHP zelf niet uit te sluiten dat vanaf 1994 sprake is van bezit door [geïntimeerden] (nadere conclusie van 16 november 2005 onder 11).

2.39

De grieven 2 en 3, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] (in elk geval) in 2004 door verjaring de eigendom van het pad verkreeg, falen gelet op het voorgaande, ook al heeft de rechtbank haar oordeel gebaseerd op verkrijging als gevolg van extinctieve verjaring (artikel 3:105 lid 1 jo. 3:306 BW). Grief 1 was reeds verworpen in het arrest van het hof Leeuwarden van 22 augustus 2007, tegen welke beslissing in cassatie niet is opgekomen. Dit betekent dat het bestreden vonnis, zowel in conventie als in reconventie, moet worden bekrachtigd.

3 Slotsom

3.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof SHP in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] worden begroot op € 2.682,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief II), € 296,00 voor griffierecht en op € 300,00 voor getuigentaxen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 12 april 2006;

veroordeelt SHP in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.682,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 296,00 voor griffierecht en op € 300,00 voor getuigentaxen;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, L.F. Wiggers-Rust en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 april 2012.