Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV9367

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
21-002592-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling 6 WvW 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002592-11

Uitspraak d.d.: 9 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 15 juli 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1928],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 november 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr M.J.W. Hoek, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 24 augustus 2009, te [plaatsnaam], in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [naam weg 1], toen hij de/het kruising/kruispunt met de [naam weg 2] naderde, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, daarmee heeft gereden over (een van) de voorsorteerstro(o)k(en), bestemd voor het rechtdoorgaand verkeer op die weg en/of die/dat kruising/kruispunt, en/of (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op die weg en/of die/dat kruising/kruispunt niet die richting heeft gevolgd, die de voorsorteerstrook (bestemd voor het rechtdoorgaand verkeer) waarop hij, verdachte zich bevond aangaf en/of op die/dat kruising/kruispunt niet rechtdoor is gereden, doch linksaf is geslagen, en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, namelijk inhoudende "Stop", immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting (linksafslaand verkeer) bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van dat kruispunt en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op voornoemde weg rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) die hem over dezelfde weg tegemoet kwam, niet voor heeft laten gaan voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto) die op dat moment die kruising vanuit tegengestelde richting overstak, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en) ([slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te [plaatsnaam], als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [naam weg 1], toen het de/het kruising/kruispuntmet de [naam weg 2] naderde, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, daarmee heeft gereden over (een van) de voorsorteerstro(o)k(en), bestemd voor het rechtdoorgaand verkeer op die weg en/of die/dat kruising/kruispunt, en/of (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op die weg en/of die/dat kruising/kruispunt niet die richting heeft gevolgd, die de voorsorteerstrook (bestemd voor het rechtdoorgaand verkeer) waarop hij, verdachte zich bevond aangaf en/of op die/dat kruising/kruispunt niet rechtdoor is gereden, doch linksaf is geslagen, en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, namelijk inhoudende "Stop", immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting (linksafslaand verkeer) bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van dat kruispunt en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op voornoemdeweg rijdende bestuurder van een ander motorn/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van dat kruispunt en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op voornoemdeweg rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) die hem over dezelfde weg tegemoet kwam, niet voor heeft laten gaan voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto) die op dat moment die kruising vanuit tegengestelde richting overstak, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en zo ja, welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd, kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, rijdend over de rijbaan voor het rechtdoorgaand verkeer plotseling linksaf is geslagen, terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht voor het linksafslaand verkeer op rood stond. Vervolgens heeft verdachte geen voorrang verleend aan een hem op dat kruispunt over dezelfde weg tegemoetkomende auto en is met zijn auto op die tegemoetkomende auto gebotst. De twee inzittenden van die auto hebben daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Verdachte heeft over de toedracht van het ongeval verklaard dat hij zich op het moment dat hij het kruispunt naderde liet leiden door zijn TomTom. Gekomen bij de kruising gaf zijn TomTom hem op dat hij linksaf moest slaan op het kruispunt. Hij heeft dit gedaan, terwijl hij zich in de rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer bevond en zonder te letten op het voor hem liggende kruispunt en op het verkeer dat zich daarop en in de buurt daarvan bevond. Hij heeft dit gedaan terwijl, eveneens volgens zijn eigen verklaring, hij bekend was ter plekke en het uitzicht aldaar niet werd gehinderd of belemmerd. Verdachte had bovendien van tevoren bekeken hoe hij zou rijden.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt in dat een bestuurder zijn aandacht dient te houden op de weg en het zich op en rond die weg bevindende verkeer en te voorkomen dat hij daarvan wordt afgeleid. Hij behoort verder correct voor te sorteren, voor rood licht te stoppen en bij het afslaan rechtdoor rijdend tegemoetkomend verkeer voorrang te verlenen. Verdachte heeft die voorzorgen nagelaten, terwijl hij bekend was ter plekke en er geen enkel reden aannemelijk is geworden die maakt dat verdachte die voorzorgen niet kon naleven. Verdachte valt dan ook van de hiervoor omschreven wijze van rijden in de gegeven omstandigheden een zodanig verwijt te maken dat gesproken kan worden van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Dat, zoals door de raadsman van verdachte is betoogd, mogelijk tevens verkeersfouten zijn gemaakt door de slachtoffers doet naar het oordeel van het hof niet af aan het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt. Dat de slachtoffers mogelijk ook zelf hebben bijgedragen aan de ernst van de gevolgen maakt evenmin dat die gevolgen en de ernst daarvan, in het licht van verdachtes eigen gedragingen, redelijkerwijs niet aan verdachte zouden kunnen worden toegerekend. Van de in dit verband door de raadsman aangevoerde omstandigheden acht het hof overigens slechts het niet dragen van autogordels aannemelijk. Aan de toerekening van strafrechtelijke aansprakelijkheid doet dat als gezegd niet af. Het causaal verband tussen het door verdachte veroorzaakte ongeval en de opgelopen letsels bij de slachtoffers is naar het oordeel van het hof dan ook aanwezig.

De slotsom luidt derhalve dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als zeer onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 augustus 2009, te [plaatsnaam], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [naam weg 1], toen hij het kruispunt met de [naam weg 2] naderde, zeer onoplettend [en] onvoorzichtig, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, daarmee heeft gereden over een van de voorsorteerstroken, bestemd voor het rechtdoorgaand verkeer op die weg en dat kruispunt, en vervolgens in strijd met het gestelde in artikel 78 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op die weg en dat kruispunt niet die richting heeft gevolgd, die de voorsorteerstrook bestemd voor het rechtdoorgaand verkeer waarop hij, verdachte zich bevond aangaf en op dat kruispunt niet rechtdoor is gereden, doch linksaf is geslagen, en daarbij in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, namelijk inhoudende "Stop", immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting linksafslaand verkeer bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en daarbij niet op het voor hem gelegen gedeelte van dat kruispunt en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten, en daarbij in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op voornoemde weg rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) die hem over dezelfde weg tegemoet kwam, niet voor heeft laten gaan voor heeft laten gaan, en vervolgens is gebotst tegen een ander motorrijtuig (personenauto) die op dat moment die kruising vanuit tegengestelde richting overstak, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder overweegt het hof dat de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen die dat feit teweeg heeft gebracht een forse straf rechtvaardigt in de lijn van de oriëntatiepunten zoals die door het LOVS worden voorgesteld (2 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk, al dan niet in de vorm van een werkstraf, en 1 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid). Verdachte heeft door zijn zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag ernstig letsel veroorzaakt bij twee anderen en deze daarmee veel en mogelijk blijvend leed aangedaan.

Ten voordele van verdachte heeft bij de straftoemeting het volgende te gelden. Verdachte is zich zeer bewust van zijn schuld aan het ongeval en heeft zich vanaf het eerste moment na het ongeval tot op heden om de slachtoffers bekommerd. Daarbij komt dat verdachte een man op hoge leeftijd is die sinds het ongeval geen auto meer heeft gereden en dat ook niet meer van plan is te gaan doen. Anders dan de rechtbank is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat verdachte vanwege zijn hoge leeftijd en zijn met een doktersverklaring gestaafde fysieke gesteldheid niet in staat moet worden geacht om een werkstraf te verrichten. Al met al is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de straf die door de officier van justitie in eerste aanleg is geëist, te weten een geldboete van 2500 euro en een rijontzegging voor de duur van 6 maanden. Het hof zal ten aanzien van de geldboete de mogelijkheid creëren om deze in termijnen te voldoen.

Met betrekking tot het gevoerde redelijke termijnverweer stelt het hof met de raadsman vast dat in de rechtbankfase, dat wil zeggen tussen pleegdatum en de behandeling ter terechtzitting, sprake is geweest van schending van de redelijke termijn. Tussen voornoemde data is immers bijna 2 jaar verstreken terwijl de zaak in juridisch en feitelijk opzicht weinig complex is te noemen. Het hof acht echter in de voortvarende behandeling in hoger beroep (de uitspraak van het hof is minder dan een half jaar na de uitspraak van de rechtbank) en in de reeds toegepaste strafvermindering, reeds voldoende compensatie voor de schending van de redelijke termijn, zodat met de enkele constatering daarvan kan worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 2 maanden, elke termijn groot EUR 500,00 (vijfhonderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr E.A.K.G. Ruys en mr M. Barels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier,

en op 9 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.