Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV2002

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
21-001524-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 WvW1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001524-11

Uitspraak d.d.: 17 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 15 april 2011 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr P.J.F.M. de Kerf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 22 augustus 2009, te Nederasselt, gemeente Heumen, althans in de gemeente Heumen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW 320D, kenteken [kenteken]), zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasdijk, hierin bestaande dat verdachte

- terwijl hij verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 250 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en/of

- terwijl verdachte minuten eerder twee fietsers ([slachtoffer] en [getuige]) op de Maasdijk was gepasseerd en/of

- terwijl de weg/rijbaan van de Maasdijk (slechts) een breedte heeft van circa 2,90 meter, ( - en/of verdachtes personenauto een breedte heeft van 1,81 meter - ) en/of

- terwijl in een vanuit verdachtes rijrichting gezien naar rechts verlopende bocht, het uitzicht in die bocht en het verdere verloop van de weg (geheel) belemmerd werd door een rechts van die weg aanwezige struikenhaag,

zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, zoals bedoeld in artikel 19 RVV1990, althans zijn snelheid niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan voornoemde omstandigheden en/of niet de handelingen heeft verricht die van hem werden vereist om het door hem bestuurde motorrijtuig onder controle te houden, ten gevolge waarvan verdachte is gebotst/aangereden tegen een hem (over die weg) tegemoetkomende fietster ([slachtoffer]), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 250 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

subsidiair:

A.

hij op of omstreeks 22 augustus 2009 te Nederasselt, gemeente Heumen, althans in de gemeente Heumen, als bestuurder van een voertuig (personenauto, BMW 320D, kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Maasdijk,

- terwijl hij verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 250 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en/of

- terwijl verdachte minuten eerder twee fietsers ([slachtoffer] en [getuige]) op de Maasdijk was gepasseerd en/of

- terwijl de weg/rijbaan van de Maasdijk (slechts) een breedte heeft van circa 2,90 meter, ( - en/of verdachtes personenauto een breedte heeft van 1,81 meter - ) en/of

- terwijl in een vanuit verdachte rijrichting gezien naar rechts verlopende bocht, het uitzicht in die bocht en het verdere verloop van de weg (geheel) belemmerd werd door een rechts van die weg aanwezige struikenhaag, zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, zoals bedoeld in artikel 19 RVV1990, althans zijn snelheid niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan voornoemde omsverloop van de weg (geheel) belemmerd werd door een rechts van die weg aanwezige struikenhaag,

zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, zoals bedoeld in artikel 19 RVV1990, althans zijn snelheid niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan voornoemde omstandigheden en/of niet de handelingen heeft verricht die van hem werden vereist om het door hem bestuurde motorrijtuig onder controle te houden, tengevolge waarvan verdachte is gebotst/aangereden tegen een hem over die weg tegemoetkomende fietster ([slachtoffer]),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

EN

B.

hij op of omstreeks 22 augustus 2009 te Nederasselt, gemeente Heumen, althans in de gemeente Heumen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto BMW 320D, kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 250 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Namens verdachte is het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat het ongeval niet heeft plaats gevonden op de Maasdijk te Nederasselt, maar op de Maasbandijk te Overasselt. Dit blijkt uit een bijlage van het proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse, aldus de verdediging.

Met de rechtbank overweegt het hof dat de Maasdijk te Nederasselt wordt aangeduid als de plaats van het ongeval in:

- drie op ambtseed opgemaakt processen-verbaal;

- de verklaring van het slachtoffer en de getuige [getuige];

- de verklaring van verdachte bij de politie;

- het proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse.

De straatnaam Maasbandijk wordt slechts aangetroffen op de schetsen die als bijlagen zijn gevoegd bij het proces-verbaal van Verkeersongevalsanalyse. Op diezelfde schetsen worden bovendien de plaatsnaam Nederasselt en de gemeente Heumen genoemd. Gezien het voorgaande gaat er hof er vanuit de aanduiding van de straat op de schetsen als “Maasbandijk” een kennelijk verschrijving is van de tekenaar van de schetsen. De door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde foto’s doen hieraan niet af omdat daaruit slechts kan worden afgeleid dat er een Maasbandijk te Overasselt is, maar niet dat het ongeval daar heeft plaatsgevonden. Op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de Maasdijk te Nederasselt.

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het volgende wettig en overtuigend bewezen. Verdachte reed op 22 augustus 2009 op een zeer smalle weg in een naar rechts verlopende bocht. Het uitzicht in die bocht en het verdere verloop van de weg werd belemmerd door een rechts van die weg aanwezige struikenhaag. Omdat verdachte de fietsers op diezelfde weg eerder was gepasseerd, hield hij er rekening mee dat hij deze hem tegemoetkomende fietsers weer kon tegenkomen. Verdachte reed met een snelheid van 50 km/u voordat hij bij de bocht kwam en vervolgens liet hij het gas los. In de bocht botste verdachte tegen de hem tegemoetkomende fietster [slachtoffer]. Anders dan door de verdediging is bepleit, kan naar het oordeel van het hof uit de verkeersanalyse van de politie niet worden afgeleid dat verdachte voordat hij de bocht nam, dan wel in de bocht, met zijn rechterbanden in aanmerkelijke mate in de rechterberm heeft gereden ter voorkoming van enig ongeval. Met de rechtbank acht het hof het aannemelijker dat verdachte in reactie op het op het laatste moment zien van de fietsers rechts de berm is ingereden. Gezien deze omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de specifieke omstandigheden. Voorts is door de verdediging nog bepleit dat het slachtoffer op de weghelft van verdachte reed. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheid, zo de verdediging op het punt van de plaats waar de aangereden fietser zich bevond zou worden gevolgd, de schuld van verdachte niet wegneemt. Verdachte wist dat er fietsers op de ter plaatse zeer smalle weg waren en hij had zich als sterke verkeersdeelnemer ervan bewust moeten zijn dat fietsers, die met zijn tweeën naast elkaar mogen rijden, zich niet altijd uiterst rechts op de weg plegen te bevinden en hij had zijn verkeersgedrag daaraan dienen aan te passen.

Bewijs van toestand als bedoeld in artikel 8 lid 2 WVW 1994

Namens verdachte is aangevoerd dat de uitslag van de ademanalyse niet vaststaat. Verdachte zou luchtwegverruimende medicijnen (Ventolin en Beclometason) gebruiken en volgens de raadsman is aannemelijk dat deze middelen de hoogte van het ademalcoholgehalte hebben beïnvloed. Ook is aangevoerd dat de (andere) medicijnen die verdachte gebruikte de hoogte van het resultaat van de ademanalyse hebben beïnvloed. Volgens de raadsman zou het arrest van de Hoge Raad (3 juni 2003, VR 2003, 150) meebrengen dat een dergelijk verweer gemotiveerd verworpen dient te worden.

Het hof oordeelt over dit verweer als volgt.

Voor zover wordt betoogd dat verdachte ook nog onder invloed van andere stoffen dan alcohol aan het verkeer heeft deelgenomen, wordt het verweer verworpen, nu deze combinatie niet is tenlastegelegd.

Op de zitting in eerste aanleg is uitgebreid stilgestaan bij het gebruik van (zware) medicijnen door verdachte. De invloed van het medicijngebruik is niet tenlastegelegd en de officier van justitie heeft, nadat uitgebreid over de diverse zware medicijnen van verdachte is gesproken, bewust afgezien van een wijziging van de tenlastelegging op dit punt. Voor een bewezenverklaring van hetgeen is tenlastegelegd is het niet relevant of verdachte, die heeft erkend aan het verkeer te hebben deelgenomen na het gebruik van alcoholhoudende drank, (daarnaast) ook verkeerde onder de invloed van medicijnen die de rijvaardigheid negatief beïnvloeden.

Voor zover nog apart is aangevoerd dat aannemelijk is dat de luchtwegverruimende medicijnen Ventolin en Beclometason invloed hebben gehad op de hoogte van het geconstateerde ademalcoholgehalte, overweegt het hof als volgt.

Het hof acht dit verweer onvoldoende feitelijk onderbouwd. Anders dan in het arrest waarop de raadsman zich beroept is niet concreet aangegeven wanneer verdachte deze middelen zou hebben gebruikt. Verdachte heeft noch bij de politie noch bij de rechtbank over deze medicijnen gesproken. De enkele stelling ‘dat aannemelijk is dat dergelijke middelen invloed hebben op de uitslag van de ademanalyse, dat deze invloed niet is onderzocht en dat dus niet is aangetoond dat de medicatie geen invloed heeft op de ademanalyse (pleitnota nr. 38, curs. Hof)’ vormt geen feitelijke onderbouwing van het verweer, zodat het hof hierop niet apart zal reageren. Voorts overweegt het hof – ten overvloede – dat het geconstateerde ademalcoholgehalte zonder meer kan worden verklaard door de volgens verdachte kort voor het ongeval gedronken hoeveelheid alcoholhoudende drank.

Gezien bovengenoemde omstandigheden is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat het aan het handelen van verdachte zelf is te wijten dat hij tegen het slachtoffer is gebotst.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht om zijn snelheid voldoende aan te passen. Verdachte heeft deze zorgplicht, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen, niet in acht genomen. Verdachte is immers met te hoge snelheid een bocht, waarin het uitzicht en het verdere verloop van de weg werd belemmerd, ingereden. Zijn rijgedrag was zodanig dat hij niet tijdig kon stoppen voor de hem naderende fietster. Voorts houdt het hof bij de beoordeling van de mate van schuld rekening met het feit dat verdachte onder invloed was van alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol de rijvaardigheid negatief beïnvloedt. De slotsom luidt dan ook dat het hof, anders dan door de verdediging is bepleit, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 22 augustus 2009, te Nederasselt, gemeente Heumen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW 320D, kenteken [kenteken]), aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasdijk, hierin bestaande dat verdachte

- terwijl hij verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 250 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en

- terwijl verdachte minuten eerder twee fietsers ([slachtoffer] en [getuige]) op de Maasdijk was gepasseerd en

- terwijl de weg/rijbaan van de Maasdijk (slechts) een breedte heeft van circa 2,90 meter, en

- terwijl in een vanuit verdachte rijrichting gezien naar rechts verlopende bocht, het uitzicht in die bocht en het verdere verloop van de weg (geheel) belemmerd werd door een rechts van die weg aanwezige struikenhaag,

zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, zoals bedoeld in artikel 19 RVV1990, ten gevolge waarvan verdachte is gebotst/aangereden tegen een hem (over die weg) tegemoetkomende fietster ([slachtoffer]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 250 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft ter zake van het primair tenlastegelegde een werkstraf van 60 uren en een rijontzegging van 12 maanden opgelegd. De advocaat-generaal heeft ter zake van het primair tenlastegelegde diezelfde straf gevorderd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft met te hoge snelheid en onder invloed van alcohol een bocht ingestuurd en is in botsing gekomen met een tegemoetkomende fietster. Deze fietster heeft als gevolg van die botsing aanzienlijk letsel aan haar voet opgelopen. De vergelding van dat leed en de normbevestiging - verdachte heeft zich immers aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen - vormen de grondslag voor de strafoplegging. In het nadeel van verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest wegens rijden onder invloed. Verdachte heeft weliswaar schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar het gaat hier niet om de, binnen de kaders van de geschonden norm, zwaarste vorm van schuld. Dit dient ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Voorts dient het hof rekening te houden met verdachtes zwakke gezondheid waardoor hij afhankelijk is van zijn auto. Naar het oordeel van het hof is een deels onvoorwaardelijke rijontzegging, gelet op de ernst van het feit en de documentatie, echter onvermijdelijk.

Een en ander maakt dat een lagere rijontzegging is geïndiceerd dan die welke als oriëntatiepunt wordt vermeld in de oriëntatiepunten voor de straftoemeting die binnen de rechterlijke macht worden gehanteerd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht de oplegging van een werkstraf van 60 uur en een rijontzegging van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van de Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr M. Barels en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 17 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.