Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV2000

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
21-000592-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van artikel 308 Sr. Aanvaring met een speedboot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000592-11

Uitspraak d.d.: 17 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 februari 2011 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.A. ten Berge, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 19 april 2009 te Nieuwegein althans in het arrondissement Utrecht, op de rivier de Lek als schipper van een snelle motorboot, te weten een speedboot (met het registratienummer [registratienummer]), en derhalve als degene die zich tijdens het varen zodanig moet gedragen dat, onder meer geen hinder en/of gevaar voor andere gebruikers van het vaarwater wordt veroorzaakt en dat niet te snel wordt gevaren, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, heeft gevaren, immers

- heeft hij, verdachte, in strijd met artikel 8.03 onderdeel c en/of artikel 8.05 onderdeel 1 sub a en/of artikel 8.05 onderdeel 1 sub b van de Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement gehandeld, te weten

* verdachte is gaan deelnemen aan de scheepvaart terwijl bij verdachte bekend was dat de stuurinrichting (stuurbekrachtiging) niet deugdelijk en doelmatig was en/of

- heeft verdachte (daarbij) met een hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid gezien de situatie ter plaats, (op korte afstand) achter een aldaar varende speedboot (met het registratienummer [registatienummer]) gevaren, (welke laatstgenoemde speedboot dezelfde koers voer als verdachte) en/of

- heeft verdachte (daarbij/vervolgens) de snelheid niet tijdig en/of voldoende verminderd en/of onvoldoende afstand bewaard/gehouden en/of is verdachte niet uitgeweken en/of

- is verdachte (vervolgens) tegen/over voornoemde speedboot (met registratienummer [registratienummer]) gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of een slaapbeenfractuur en/of een schouderbladfractuur en/of een sleutelbeenfracteur en/of nekfractuur en/of een heupfractuur en/of oorletsel en/of oogletsel en/of hersenbeschadiging, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 19 april 2009 te Nieuwegein althans in het arrondissement Utrecht, op de rivier de Lek als schipper van een snelle motorboot, te weten een speedboot (met het registratienummer [registratienummer), en derhalve als degene die zich tijdens het varen zodanig moet gedragen dat, onder meer geen hinder en/of gevaar voor andere gebruikers van het vaarwater wordt veroorzaakt en dat niet te snel wordt gevaren, grovelijk, althans aanmerkelijk onachtzaam en/of onoplettend en/of onvoorzichtig en/of nalatig heeft gevaren, immers

- heeft hij, verdachte, in strijd met artikel 8.03 onderdeel c en/of artikel 8.05 onderdeel 1 sub a en/of artikel 8.05 onderdeel 1 sub b van de Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement gehandeld, te weten

* verdachte is gaan deelnemen aan de scheepvaart terwijl bij verdachte bekend was dat de stuurinrichting (stuurbekrachtiging) niet deugdelijk en doelmatig was en/of

- heeft verdachte (daarbij) met een hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid gezien de situatie ter plaats, (op korte afstand) achter een aldaar varende speedboot (met het registratienummer [registratienummer]) gevaren, (welke laatstgenoemde speedboot dezelfde koers voer als verdachte) en/of - heeft verdachte (daarbij/vervolgens) dstilstand of nagenoeg tot stilstand wordt gebracht en/of

- heeft verdachte (daarbij) met een hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid gezien de situatie ter plaats, (op korte afstand) achter een aldaar varende speedboot (met het registratienummer [registratienummer]) gevaren, (welke laatstgenoemde speedboot dezelfde koers voer als verdachte) en/of

- heeft verdachte (daarbij/vervolgens) de snelheid niet tijdig en/of voldoende verminderd en/of onvoldoende afstand bewaard/gehouden en/of is verdachte niet uitgeweken en/of

- is verdachte (vervolgens) tegen/over voornoemde speedboot (met registratienummer [registratienummer]) gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die speedboot (met registratienummer [registratienummer]) is gestrand en/of verongelukt en/of vernield en/of onbruikbaar is gemaakt, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbasisfractuur en/of een slaapbeenfractuur en/of een schouderbladfractuur en/of een sleutelbeenfracteur en/of nekfractuur en/of een heupfractuur en/of oorletsel en/of oogletsel en/of hersenbeschadiging) heeft opgelopen, en waardoor tevens levensgevaar was ontstaan voor die [slachtoffer];

meer subsidiair:

dat hij verdachte op of omstreeks 19 april 2009 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, als schipper van een snelle motorboot, te weten een speedboot (met het registratienummer [registratienummer]) daarmee heeft gevaren op de rivier de Lek niet alle ingevolge het gestelde in artikel 1.04 aanhef en onder a, b en/of c van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 voorzorgsmaatregelen heeft genomen, die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede zeemanschap worden gevorderd, ten einde te voorkomen dat:

a.het leven van personen in gevaar wordt/werd gebracht en/of

b.b. schade wordt/werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan drijvende voorwerpen, aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in die vaarweg of op de oevers daarvan bevinden/bevonden en/of

c.hinder voor de scheepvaar ontstaat/ontstond,

immers heeft verdachte ofschoon hij bemerkt had dat de stuurinrichting niet naar behoren functioneerde en/of zwaar ging, niet de snelheid van de door verdachte bestuurde snelle motorboot aangepast en/of is het een zelfde of een voor die situatie te hoge snelheid gaan varen en/of blijven varen en/of is het, verdachte, toen aldaar met voormelde snelle motorboot tegen en/of over een andere snelle motorboot gevaren.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat op 19 april 2009, op de rivier de Lek, te Nieuwegein, twee snelle motorboten, met elkaar in aanvaring zijn gekomen. Daarbij is de motorboot bestuurd door verdachte, in de lengterichting tegen en over de motorboot bestuurd door [slachtoffer] gevaren. Door dit ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde gebreken aan de stuurinrichting van zodanige aard waren dat verdachte zijn boot niet meer onder controle had en derhalve ook niet dat het ongeluk mede als gevolg daarvan is ontstaan. Het hof zal verdachte derhalve van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Het hof acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gevaren en zijn snelheid niet tijdig en voldoende heeft verminderd. Ook acht het hof bewezen dat verdachte onvoldoende afstand heeft gehouden en niet is uitgeweken.

Het hof acht de volgende overweging van de rechtbank hieromtrent - ook na kennisneming van meerdere rapportages in hoger beroep en na het horen van de deskundigen [deskundige 2] en [deskundige 1] ter terechtzitting in hoger beroep - juist en neemt deze over:

Snelheid, afstand, zicht

Zoals […] vermeld zijn beide boten, na het verlaten van de

Koninginnesluis, over de Lek in de richting van de brug bij Vianen gevaren.

Voorbij de pont heeft [slachtoffer] gas gegeven. Toen verdachte voorbij de pont was heeft

hij ook gas gegeven tot zijn boot goed in plané was gekomen, waarna verdachte het toerental van zijn boot heeft verminderd tot de boot een snelheid had van circa 75 à 80 km per uur.

Ter terechtzitting van 24 januari 2011 heeft verdachte verklaard dat hij op het moment dat zijn boot in plané kwam weinig zicht had, en dat hij toen ongeveer 100 tot 200 meter achter en 6 meter naast de boot van [slachtoffer] voer. Toen verdachte vervolgens weer zicht had, bedroeg de afstand tot de boot van [slachtoffer] volgens verdachte 100 meter, een afstand die naar de mening van verdachte voldoende tijd biedt om te reageren en een ongeluk te voorkomen. Verdachte zag ook dat hij inliep op de boot van [slachtoffer].

Verdachte voelde vervolgens dat hij op de linker hekgolf van de boot van [slachtoffer] terecht kwam en dat zijn boot zoekerig werd. Ook zag verdachte dat [slachtoffer] vaart

minderde. Om uit de hekgolf te komen heeft verdachte naar rechts gestuurd en zag hij dat hij in het vlakke gedeelte van het schroefwater van de boot van [slachtoffer] terecht

kwam. Verdachte heeft vervolgens iets naar links gecorrigeerd om zijn boot weer recht te krijgen. Toen was de boot van [slachtoffer] opeens heel dichtbij, aldus verdachte ter

terechtzitting d.d. 24 januari 2011. De snelheid van de boot van verdachte is, tijdens het

manoeuvreren op en naast de hekgolf van zijn voorganger, gelijk gebleven.

Uit het schadebeeld van de beide vaartuigen leiden de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] af dat de boot van verdachte vrijwel recht van achteren tegen de boot van [slachtoffer] is aangevaren. Vervolgens is de boot van verdachte vrijwel volledig over de boot van [slachtoffer] gevlogen. Door getuigen is eveneens verklaard dat de boot van verdachte als het ware door de lucht vloog en gelanceerd leek.

[…] De deskundige [deskundige 2] heeft […] verklaard dat uit de schade aan de boot van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat de schroeven van de motoren van de boot van verdachte waren ontkoppeld op het moment dat verdachtes boot over die van die van [slachtoffer] vloog. Daaruit kan worden afgeleid dat op dat moment verdachte van het gas was gegaan of zijn motor had ontkoppeld. De deskundige [deskundige 1] heeft voorts in dit verband verklaard dat voor zover verdachte al snelheid heeft geminderd, hij dit pas heeft gedaan op een afstand van minder dan 20 meter of minder van de boot van [slachtoffer]. De deskundige [deskundige 2] heeft verklaard dat het schadebeeld en het vliegen van de boot van verdachte nog wel zouden passen in een scenario waarbij verdachte op een afstand van 20 meter van de boot van [slachtoffer] van het gas is gegaan, maar niet in een scenario waarbij deze afstand 40 meter zou zijn geweest. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zich toen hij plotseling weer de boot van [slachtoffer] voor zich zag, de afstand tot deze boot 10-15 meter bedroeg.

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte, zo hij al in het vooruitzicht van de naderende botsing met de boot van [slachtoffer] gas heeft geminderd of heeft ontkoppeld, hij dat eerst heeft gedaan op een moment waarop hij al tot een afstand van 20 meter of minder van deze boot was genaderd.

Voorts blijkt uit het schadebeeld, aldus de deskundigen ter terechtzitting, dat er ten tijde van de aanvaring een aanzienlijk verschil in snelheid was tussen de boot van verdachte en de boot van [slachtoffer]. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij - in ieder geval tot zeer kort voor de aanvaring - voer met een snelheid van 75-80 km/u. [getuige 1] heeft op dit punt verklaard dat [slachtoffer] de snelheid van zijn boot verminderd had, want de afstand tussen de boten werd kleiner. Blijkens de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] voer de achterste boot harder dan de voorste boot en liep de achterste boot in op de voorste boot. Gezien deze verklaringen zal ook de rechtbank er vanuit gegaan dat de boot van verdachte zeer kort voor en ten tijde van de aanvaring een aanmerkelijk hogere snelheid had dan de boot van [slachtoffer].

Dat de boot van [slachtoffer] in zijn geheel stil is komen te liggen, zoals door de verdediging en de deskundige [deskundige 2] is gesuggereerd, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk geworden. Zo hebben getuigen verklaard dat de boot van

[slachtoffer] snelheid minderde, dan wel langzamer voer dan die van verdachte, maar niet dat deze ook zou zijn gestopt. De getuige [getuige 2] heeft zelfs verklaard dat

[slachtoffer]"niet al te snel, maar ook niet al te zacht voer". De deskundige [deskundige 1 heeft voorts verklaard dat het onderhavige schade- en ongevalsbeeld ook goed mogelijk is als het snelheidsverschil ongeveer 40 km/u heeft bedragen. Hieruit volgt dat het ongevals- en schadebeeld ook passen bij een scenario waarbij [slachtoffer] op het moment van de aanvaring met een snelheid van 35-40 km/u heeft gevaren en verdachte met de door hem aangegeven snelheid van 75-80 km/u. Gebleken is voorts dat de boot van [slachtoffer] na de aanvaring met aanzienlijke snelheid is doorgevaren en op een zandstrandje terecht is gekomen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet duidt op een mechanisch mankement waardoor de boot plotseling zou zijn stilgevallen. Van enige andere reden of oorzaak waardoor de boot van [slachtoffer] plotseling zou zijn stilgevallen. is evenmin gebleken.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zich met zijn handelwijze in zodanige positie heeft gebracht dat op een zeker moment de aanvaring met de boot van [slachtoffer]onafwendbaar was.

Verdachte heeft in dit verband aangevoerd, althans zo is dit door de rechtbank begrepen, dat hij feitelijk door de besturingsproblemen aan zijn boot en de snelheidsvermindering van [slachtoffer] is overvallen en dat hem in het korte tijdsbestek dat hem daarna nog restte niets meer kon doen om de aan- c.q. overvaring te voorkomen.

De deskundige [deskundige 2] heeft in dit verband ter terechtzitting verklaard dat, wanneer een boot `zoekerig' wordt omdat men op de hekgolf van een voorliggende boot terechtgekomen is, het een logische reactie is om gas terug te nemen omdat men bij een grotere afstand tot de voorganger minder last ondervindt van diens hekgolf. Een alternatieve reactie is om door

middel van een stuurbeweging te `kruisen', om zodoende de voorganger te ontwijken. De

deskundige [deskundige 1] heeft ter zitting verklaard dat een speedcruiser als die van verdachte bij een snelheid van 75 tot 80 kilometer per uur minimaal circa 44 tot 66 meter, zijnde 4 tot 6 bootlengten, nodig heeft om tot stilstand te komen. De deskundige [deskundige 2] komt tot een minimum stopafstand van ongeveer 44 meter.

Op het moment dat verdachte op een afstand van 100 meter van de boot van [slachtoffer] voer, op de hekgolf van die boot terecht kwam en tevens bemerkte dat hij inliep op zijn voorligger had verdachte naar het oordeel van de rechtbank derhalve als goed zeeman hetzij direct een ontwijkende beweging moeten inzetten, hetzij direct (drastisch) vaart moeten minderen, om aldus een aanvaring te voorkomen. Zulks te meer nu verdachte op dat moment zelf met een zeer aanzienlijke snelheid voer [en] hij niet voortdurend zicht had op zijn voorligger […].

Uit de verklaring van verdachte valt echter af te leiden dat hij op dat moment geen ontwijkende beweging gemaakt heeft, maar juist recht achter de boot van [slachtoffer] is gaan varen.

Evenmin heeft hij snelheid geminderd, dan wel heeft hij dat pas gedaan op een veel te laat moment om de aan- c.q. overvaring nog te kunnen voorkomen. Het feit dat de boot van [slachtoffer] wellicht meer snelheid had geminderd dan verdachte had voorzien dient daarbij voor risico van verdachte te komen. Het ligt immers op de weg van verdachte om als

schipper van een achteropkomend schip rekening te houden met onvoorziene omstandigheden en te anticiperen op een mogelijke snelheidsvermindering van de voorganger. Tenslotte overweegt de rechtbank dat uit het hiervoor overwogene blijkt dat als verdachte, direct nadat hij in de hekgolf terecht was gekomen drastisch vaart had geminderd, ook als men de zogenaamde reactieseconde en de snelheid van verdachtes schip in aanmerking neemt, zijn boot nog volledig tot stilstand had kunnen brengen voordat hij bij de boot van [slachtoffer] was aangekomen. Ook op dat moment had verdachte derhalve nog door voorzichtig, juist en oplettend handelen de aanvaring met de boot van [slachtoffer]kunnen voorkomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte op 19 april 2009 als schipper niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goed zeemanschap werden gevorderd om te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht of schade werd veroorzaakt. Ook heeft hij niet, althans niet tijdig de maatregelen genomen die de omstandigheden vorderden om dreigend gevaar te keren.

Daarmee heeft verdachte gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 1.04 en 1.05 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995.

In hoger beroep is nog een aantal rapportages ingebracht en zijn de deskundigen [deskundige 2] en [deskundige 1] wederom ter terechtzitting gehoord. Het hof is van oordeel dat hieruit geen nieuwe omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot een ander oordeel dienen te leiden. Het belangrijkste verweer op dit punt in hoger beroep is dat de boot van [slachtoffer] plotseling en zonder enige aanleiding snelheid verminderde en vrijwel stil viel, hetgeen de eerste en enige aanleiding zou zijn voor de aanvaring. Zoals hierboven is overwogen acht het hof dat, met de rechtbank, niet aannemelijk geworden.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan de aanvaring als bedoeld in artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een schipper van een snelle motorboot in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een schipper van een snelle motorboot heeft onder meer de zorgplicht om constant op zijn hoede te zijn voor mogelijke obstakels of gebeurtenissen in zijn vaarwater en dient voldoende afstand te houden van boten die voor hem varen en hij moet bijzondere zorg betrachten bij het oplopen daarvan. Verdachte heeft deze zorgplichten, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen niet in acht genomen. Voorts is nog van belang dat de wellicht iets zwaarder werkende stuurinrichting van de boot van verdachte, ook volgens hetgeen verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard, niet in de weg stond aan een tijdige en adequate koerscorrectie tijdens het (snelle) naderen van de vóór verdachte varende boot. De slotsom luidt dan ook dat het hof, anders dan door de verdediging is bepleit, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als zeer onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan de aanvaring heeft in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 april 2009 te Nieuwegein, op de rivier de Lek, als schipper van een snelle motorboot, te weten een speedboot (met het registratienummer [registratienummer]), en derhalve als degene die zich tijdens het varen zodanig moet gedragen dat, onder meer geen hinder en gevaar voor andere gebruikers van het vaarwater wordt veroorzaakt en dat niet te snel wordt gevaren, zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gevaren, immers

- heeft met een te hoge snelheid gezien de situatie ter plaats, op korte afstand achter een aldaar varende speedboot (met het registratienummer [registratienummer]) gevaren, (welke laatstgenoemde speedboot dezelfde koers voer als verdachte) en

- heeft verdachte de snelheid niet tijdig en voldoende verminderd en onvoldoende afstand bewaard/gehouden en is verdachte niet uitgeweken en

- is verdachte vervolgens tegen/over voornoemde speedboot (met registratienummer [registratienummer]) gevaren,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en een slaapbeenfractuur en een schouderbladfractuur en een sleutelbeenfracteur en nekfractuur en een heupfractuur en oorletsel en oogletsel en hersenbeschadiging heeft bekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft met zijn speedboot een aanvaring veroorzaakt. Deze aanvaring heeft voor het slachtoffer [slachtoffer] zeer ernstige gevolgen gehad, zowel lichamelijk als psychisch alsook financieel. De vergelding van dat leed en de normbevestiging - verdachte heeft zich immers zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen - vormen de grondslag voor de strafoplegging. Daartegenover staat dat het ongeval ook op verdachte grote indruk heeft gemaakt en dat de – in het bijzondere financiële - gevolgen van het ongeval ook voor verdachte groot zijn. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat – hoewel het hof een zwaardere vorm van schuld bewezenverklaart dan de rechtbank - oplegging van dezelfde straf als is opgelegd door de rechtbank, passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr M. Barels en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 17 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.