Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV1997

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
21-004538-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WvW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004538-10

Uitspraak d.d.: 17 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 december 2010 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J.M. Weijers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 09 april 2009, te Persingen, gemeente Ubbergen, althans in de gemeente Ubbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto Ford Transit, kenteken [kenteken]) zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Thornsestraat, hierin bestaande dat,

- terwijl verdachte reed in een - gezien zijn rijrichting - naar rechts verlopende flauwe bocht en/of

- terwijl het op dat moment daglicht was en/of droog en helder weer en/of er geen omstandigheden waren die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden, verdachte naar links heeft gestuurd, althans - in de voor verdachte naar rechts verlopende flauwe bocht - niet of onvoldoende naar rechts heeft gestuurd om zijn rijbaan te blijven volgen, en (vervolgens) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (bedrijfsauto Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken]) en/of niet dan wel onvoldoende rechts heeft gehouden, zoals bedoeld in artikel 3 van het RVV 1990, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer], bestuurder van die Volkswagen Transporter) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

subsidiair:

hij op of omstreeks 09 april 2009, te Persingen, gemeente Ubbergen, althans in de gemeente Ubbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto Ford Transit, kenteken [kenteken]) heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Thornsestraat, hierin bestaande dat,

- terwijl verdachte reed in een - gezien zijn rijrichting - naar rechts verlopende flauwe bocht en/of

- terwijl het op dat moment daglicht was en/of droog en helder weer en/of er geen omstandigheden waren die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden, verdachte naar links heeft gestuurd, althans - in de voor verdachte naar rechts verlopende flauwe bocht - niet of onvoldoende naar rechts heeft gestuurd om zijn rijbaan te blijven volgen, en (vervolgens) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (bedrijfsauto Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken]) en/of niet dan wel onvoldoende rechts heeft gehouden, zoals bedoeld in artikel 3 van het RVV 1990, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte terwijl hij reed in een naar rechts verlopende flauwe bocht niet of onvoldoende naar rechts heeft gestuurd om zijn rijbaan te volgen en vervolgens geheel op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen. Daardoor is een aanrijding ontstaan met een zich op dat weggedeelte bevindende, verdachte tegemoetkomende andere auto en heeft de bestuurder daarvan, het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het ongeval vond overdag plaats, het was droog en helder weer en er waren geen omstandigheden die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden. Aan het voertuig van verdachte zijn geen (ernstige) technische gebreken geconstateerd. Bovengenoemde omstandigheden zijn door of namens verdachte – hoewel hij zich de aanrijding niet meer kan herinneren – ook niet betwist. Nu van andere aannemelijke oorzaken die geen verband houden met het rijgedrag van de verdachte zelf niet is gebleken, kan het niet anders zijn dan dat het aan het handelen van verdachte zelf is te wijten dat hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen en tegen een andere auto is gebotst.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht om zoveel mogelijk rechts te houden en op zijn eigen weghelft te blijven. Verdachte heeft deze zorgplicht, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen welke meer omvatten dan een enkele onoplettendheid, niet in acht genomen. Verdachte heeft immers met zijn auto geheel op de andere weghelft gereden. De slotsom luidt dan ook dat het hof, anders dan door de rechtbank is bewezenverklaard en door de verdediging is bepleit, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op of omstreeks 09 april 2009, te Persingen, gemeente Ubbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto Ford Transit, kenteken [kenteken]) aanmerkelijk onoplettend, en onachtzaam heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Thornsestraat, hierin bestaande dat,

- terwijl verdachte reed in een - gezien zijn rijrichting - naar rechts verlopende flauwe bocht en

- terwijl het op dat moment daglicht was en droog en helder weer en er geen omstandigheden waren die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden, in de voor verdachte naar rechts verlopende flauwe bocht niet of onvoldoende naar rechts heeft gestuurd om zijn rijbaan te blijven volgen, en vervolgens geheel op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (bedrijfsauto Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken]), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer], bestuurder van die Volkswagen Transporter) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft ter zake van het subsidiair tenlastegelegde een geldboete van

€ 500,-- waarvan € 250,-- voorwaardelijk opgelegd. De advocaat-generaal heeft ter zake van het primair tenlastegelegde een geldboete van € 1.000,-- en een rijontzegging van 3 maanden gevorderd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is met zijn auto op de verkeerde weghelft terechtgekomen en is in botsing gekomen met een tegemoetkomende auto. De bestuurder van die auto heeft als gevolg van die botsing zijn been op vijf plaatsen gebroken en een hersenschudding opgelopen. De vergelding van dat leed en de normbevestiging - verdachte heeft zich immers aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gedragen - vormen de grondslag voor de strafoplegging. Daartegenover staat dat de gevolgen van het ongeval ook voor verdachte zeer groot zijn. Zijn knieschijf is verbrijzeld en hij heeft hersenletsel opgelopen waar hij vermoedelijk de rest van zijn leven last van zal ondervinden. Als gevolg van zijn fysieke letsel kan hij zijn oude werk niet meer uitoefenen en (ten gevolge van geheugenverlies) zal hij naar verwachting grote moeite hebben nieuw werk te vinden. Verdachte heeft weliswaar schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar het gaat hier naar het oordeel van het hof niet om de, binnen de kaders van de geschonden norm, zwaarste vorm van schuld. Dit dient ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Ten slotte houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en met de omstandigheid dat verdachte na zijn revalidatie vrijwillig rijlessen heeft genomen en een keuring bij het CBR heeft ondergaan.

Een en ander maakt dat een lagere straf is geïndiceerd dan die welke als oriëntatiepunt wordt vermeld in de oriëntatiepunten voor de straftoemeting die binnen de rechterlijke macht worden gehanteerd. Het hof acht een geldboete van € 1.000,-- en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden passend en geboden. Gelet op de draagkracht van verdachte zal het hof de geldboete in termijnen opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr M. Barels en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 17 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.