Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV1996

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
21-001623-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugverwijzing Hoge Raad. Veroordeling artikel 6 WvW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001623-11

Uitspraak d.d.: 17 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 21 december 2007 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesgang

In eerste aanleg heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem bij vonnis van 21 december 2007 ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een rijontzegging van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 4 december 2008 - met vernietiging van bovengenoemd vonnis - de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, een werkstraf van 240 uur en een rijontzegging van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 22 februari 2011 voormeld arrest vernietigd en de zaak naar dit hof teruggewezen, teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr E.N. Bouwman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 11 april 2007, te gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden over de rechter rijstrook van de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A50, gaande in de richting Arnhem, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of roekeloos, een voor hem, verdachte, rijdende vrachtauto via de gezien zijn verdachtes rijrichting, rechts langs die rechterrijstrook zich bevindende vluchtstrook/spitsstrook, ter rechterzijde is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of een voor hem, verdachte, rijdende vrachtauto via de linkerrijstrook van die weg is gaan inhalen en/of daartoe naar links heeft gestuurd en/of geheel of gedeeltelijk van rijstrook is gewisseld op het moment dat een over die linkerrijstrook rijdend ander motorrijtuig hem, verdachte, dicht genaderd was en/of (vervolgens) toen hij, verdachte, dit laatstgenoemde andere motorrijtuig had waargenomen, op zodanige wijze abrupt naar rechts heeft gestuurd dat hij, verdachte, geheel of gedeeltelijk, gezien zijn, rijrichting, op de rechts naast die rechterrijstrook gelegen vluchtstrook/spitsstrook terecht is gekomen en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een zich op die vluchtstrook bevindend persoon ([slachtoffer]) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood;

subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2007, te gemeente Arnhem, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden over de rechterrijstrook van de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A50, gaande in de richting Arnhem, een voor hem, verdachte, rijdende vrachtauto via de gezien zijn verdachtes rijrichting, rechts langs die rechterrijstrook zich bevindende vluchtstrook/spitsstrook, ter rechterzijde is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of een voor hem, verdachte rijdende vrachtauto via de linkerrijstrook van die weg is gaan inhalen en/of daartoe naar links heeft gestuurd en/of geheel of gedeeltelijk van rijstrook is gewisseld op het moment dat een over die linkerrijstrook rijdend ander motorrijtuig hem, verdachte, dicht genaderd was en/of op zodanige wijze abrupt naar rechts heeft gestuurd dat hij, verdachte, geheel of gedeeltelijk, gezien zijn, rijrichting, op de rechts naast die rechterrijstrook gelegen vluchtstrook/spitsstrook terecht is gekomen en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een zich op die vluchtstrook bevindend persoon ([slachtoffer]) en/of een zich bevindend ander motorrijtuig (bedrijfsauto), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder verdachtes eigen verklaringen, acht het hof het volgende wettig en overtuigend bewezen. Verdachte reed op 11 april 2007 op de A50 op de rechterrijstrook achter een vrachtwagen. Verdachte wilde deze vrachtwagen inhalen. Verdachte verhoogde zijn snelheid en voordat hij begon met inhalen, keek hij over zijn linkerschouder. Verdachte zag toen op de linkerrijstrook een auto die zeer dichtbij was en die hij niet eerder had gezien. Verdachte schrok daarvan en om zijn inhaalmanoeuvre te corrigeren, stuurde hij hard naar rechts en remde hij. Door deze handelingen van verdachte kwam hij op de vluchtstrook terecht, waar hij op het slachtoffer botste. Het slachtoffer was daar aanwezig voor werkzaamheden ten behoeve van Rijkswaterstaat; als gevolg van de botsing is zij overleden.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht om voldoende aandacht te houden op het overige verkeer op de weg en zijn auto onder controle te houden. Verdachte heeft deze zorgplichten, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen, niet in acht genomen. Immers, verdachte heeft kennelijk voordat hij begon met de inhaalmanoeuvre niet goed gekeken naar het zich op de linkerrijstrook bevindende verkeer en evenmin zijn snelheid zo aangepast dat de manoeuvre zonder gevaar te veroorzaken kon verlopen. Deze inhaalactie heeft verdachte vervolgens zodanig onvoorzichtig geprobeerd te corrigeren dat hij op de vluchtstrook terecht is gekomen, alwaar zich het ongeval heeft voorgedaan. Het hof is van oordeel dat dit handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeersweg 1994.

Anders dan de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank acht het hof de lezing dat verdachte de voor hem rijdende vrachtauto rechts over de vluchtstrook heeft willen inhalen, niet bewezen. Verdachte heeft deze versie steeds ontkend en de getuige [getuige] heeft slechts verklaard dat hij ‘denkt dat de verdachte hem rechts wilde inhalen’. Het hof acht deze passage uit de tenlastelegging dan ook niet bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op april 2007, te gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden over de rechterrijstrook van de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A50, gaande in de richting Arnhem, zeer onvoorzichtig

een voor hem, verdachte, rijdende vrachtauto via de linkerrijstrook van die weg is gaan inhalen en daartoe naar links heeft gestuurd en geheel of gedeeltelijk van rijstrook is gewisseld op het moment dat een over die linkerrijstrook rijdend ander motorrijtuig hem, verdachte, dicht genaderd was en vervolgens toen hij, verdachte dit laatstgenoemde andere motorrijtuig had waargenomen, op zodanige wijze abrupt naar rechts heeft gestuurd dat hij, verdachte, geheel of gedeeltelijk, gezien zijn, rijrichting, op de rechts naast die rechterrijstrook gelegen vluchtstrook/spitsstrook terecht is gekomen en is gebotst tegen, een zich op die vluchtstrook bevindend persoon ([slachtoffer]) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door zijn handelen een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Ten gevolge van dit verkeersongeval is mevrouw [slachtoffer] overleden. Onder meer uit de slachtofferverklaringen van de partner en de ouders van het slachtoffer blijkt dat de nabestaanden door het handelen van verdachte onzegbaar leed is aangedaan.

De vergelding van dat leed en de normbevestiging - verdachte heeft zich immers zeer onvoorzichtig gedragen - vormen de grondslag voor de strafoplegging. Het leed dat de nabestaanden is aangedaan zal echter met geen enkele straf vergolden kunnen zijn. In het voordeel zal het hof rekening houden met het feit dat verdachte nooit eerder door de strafrechter is veroordeeld en dat inmiddels geruime tijd is verstreken na het gebeuren. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Voorts zal het hof een ontzegging van de rijbevoegdheid van hierna te geven duur opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van de Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr M. Barels en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 17 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.