Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV0828

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-12-2011
Datum publicatie
13-01-2012
Zaaknummer
11-00172
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Zonder verklaring geen afdrachtvermindering langdurig werklozen. Vaste vergoeding is geen vrije vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/188
V-N 2012/17.26.14
FutD 2012-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00172

uitspraakdatum: 29 december 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 27 januari 2011, nummer AWB 09/1770, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder nr. 1.A.01.5500 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 ten bedrage van € 11.459. Voorts is bij beschikking een verzuimboete van € 1.145 opgelegd en is bij beschikking € 2.080 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en – naar het Hof begrijpt – de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 10 maart 2011 ter griffie ingekomen.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2011 te Arnhem. De Inspecteur is verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.7. Belanghebbendes gemachtigde is daarvoor uitgenodigd bij aangetekende brief van 16 augustus 2011 aan het laatstelijk bij het Hof bekende adres, doch zonder bericht niet verschenen. Uit de op 19 augustus 2011 van TNTpost ontvangen ‘Handtekening Retour¬kaart’ blijkt dat deze brief op 17 augustus 2011 aan het evenbedoelde adres is uitgereikt en in ontvangst is genomen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert te Z in de vorm van een eenmanszaak een onderneming die zich bezighoudt met herstel van schade aan auto’s en in en verkoop van auto’s met schade.

2.2. In het tijdvak waarop de in geding zijnde naheffingsaanslag betrekking heeft, waren bij belanghebbende vier werknemers in dienstbetrekking werkzaam.

2.3. Belanghebbende heeft in zijn aangiften voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen in het kalenderjaar 2003 € 1.344 afdrachtvermindering langdurig werklozen opgenomen in verband met zijn werknemer A, en in 2004 en 2005 telkens € 1.308. Belanghebbende beschikt niet over een verklaring langdurig werkloze als bedoeld in artikel 9 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA), zoals deze bepaling luidde op 31 december 2002.

2.4. Naar aanleiding van een in 2008 ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur deze afdrachtvermindering nageheven.

2.5. Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren aan zijn werknemer B een kostenvergoeding betaald voor met diens privéauto verreden zakelijke kilometers. In 2003 en 2004 bedroeg deze vergoeding € 18,15 per maand en in het jaar 2005 € 27,62 per maand. Gedurende vijf maanden in 2004 en het gehele jaar 2005 heeft deze werknemer daarnaast een vergoeding ontvangen van € 65 per maand.

2.6. In het rapport van het hiervoor vermelde boekenonderzoek staat onder meer:

“ 6 Onkostenvergoedingen 2003 t/m 2005

Er worden reiskosten vergoed voor het woon werkverkeer.

Hieromtrent zijn geen bovenmatigheden geconstateerd.

(…)

6.3 Vaste kostenvergoedingen 2004

Medewerker B krijgt in 2004 een onbelaste vaste kostenvergoeding die als volgt is opgebouwd:

Algemene vergoeding van € 18,15 per maand, is per jaar € 217,80.

Vergoeding voor de met de privé auto verreden zakelijke kilometers.

Deze vergoeding is aannemelijk en kan worden geaccepteerd.

Onkostenvergoeding over 5 maanden in 2004 van € 65 per maand is per jaar € 325.

Onderbouwing is voor het aan huis houden van kantoor, beschikbaarheid i.v.m. calamiteiten, PC gebruik privé computer inclusief zakelijk internet gebruik.

Het bedrag van de vaste kostenvergoeding wordt naar de mening van de controleambtenaar als te hoog ingeschat, waarbij onder anderen het beschikbaar zijn voor calamiteiten in principe tot het loon behoort. Daarnaast is een vergoeding voor het aan huis houden van kantoor niet toegestaan.

Er zullen wel kosten gemaakt zijn, en deze worden voor een bedrag van € 20 per maand geaccepteerd. De acceptatie bedraagt derhalve voor het jaar 2004 € 100. Een bedrag van € 225 zal worden betrokken in de naheffing 2004.

(…)

6.5 Vaste kostenvergoedingen 2005

Medewerker B krijgt in 2005 een onbelaste vaste kostenvergoeding die als volgt is opgebouwd:

Algemene vergoeding is verhoogd van € 18,15 naar € 27,62 per maand, is per jaar € 331,44 (Geindexeerd). Dit betekent dat het bedrag van de vaste kostenvergoeding is geïndexeerd. Dit betekent dat het bedrag van de kostenvergoeding alleen mag worden verhoogd indien er een 3 maandelijks onderzoek aan vooraf is gegaan.

Dit is tijdens het onderzoek niet gebleken, en derhalve blijft het bedrag van € 18,15 maatgevend en zal er over het jaar 2005 een bedrag van € 113 in de naheffing vaste kostenvergoeding 2005 worden betrokken.

Daarnaast heeft medewerker B over het jaar 2005 een vaste onbelaste kostenvergoeding ontvangen over 13 maanden (1 maand teveel) van € 65 per maand is per jaar € 845.

Onderbouwing is voor het aan huis houden van kantoor, beschikbaarheid i.v.m. calamiteiten, PC gebruik privé computer inclusief zakelijk internet gebruik.

Het bedrag van de vaste kostenvergoeding wordt naar de mening van de controleambtenaar als te hoog ingeschat, waarbij onder anderen het beschikbaar zijn voor calamiteiten in principe tot het loon behoort. Daarnaast is een vergoeding voor het aan huis houden van kantoor niet toegestaan.

Er zullen wel kosten gemaakt zijn, en deze worden voor een bedrag van € 20 per maand geaccepteerd. De acceptatie bedraagt derhalve voor het jaar 2005 € 240. Een bedrag van € 605 zal worden betrokken in de naheffing 2005.”

2.7. Naar aanleiding van het hiervoor vermelde boekenonderzoek is de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd, als volgt berekend:

afdrachtvermindering langdurig werklozen 2003 € 1.344

afdrachtvermindering langdurig werklozen 2004 € 1.308

afdrachtvermindering langdurig werklozen 2005 € 1.308

kostenvergoeding B 2004 78,50% x € 225 € 176

kostenvergoeding B 2005 84% van € 718,64 € 603

niet (meer) in geschil zijnde correcties € 6.720

totaal € 11.459

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd ter zake van de correctie van de afdrachtvermindering langdurig werklozen en van de kostenvergoeding van de werknemer B.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zake van de afdrachtvermindering langdurig werklozen stelt belanghebbende zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toepassing van deze afdrachtvermindering, hoewel hij niet beschikt over een verklaring als onder 2.3 bedoeld. Hij stelt dat hem geen verklaring langdurig werkloze kon zijn verstrekt, omdat de werknemer in kwestie via UWV als WAO’er met behoud van een deel van zijn uitkering een deeltijdbaan heeft verkregen en in geval van ziekte van het UWV ziekengeld ontving. Belanghebbende stelt voorts dat hij volgens het UWV de loonbelastingkorting mocht toepassen voor het gedeelte dat deze werknemer bij hem werkte.

4.2. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WVA, zoals deze bepaling luidde tot en met 31 december 2002, kan de afdrachtvermindering langdurig werklozen slechts worden toegepast met betrekking tot de werknemer voor wie de inhoudingsplichtige over een verklaring langdurig werkloze beschikt. Nu belanghebbende niet over een dergelijke verklaring beschikt, komt hij niet in aanmerking voor deze afdrachtvermindering. De gestelde mededeling van het UWV kan bij belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen wekken dat hij ook zonder de bedoelde verklaring deze afdrachtvermindering mocht toepassen, omdat de Inspecteur niet is gebonden aan mededelingen van het UWV.

4.3. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de aan B betaalde vergoeding van € 65 per maand moet worden aangemerkt als een belastingvrije vergoeding voor woon-werkverkeer. Voorts stelt hij dat de Inspecteur ten onrechte ervan is uitgegaan dat in 2005 aan B dertienmaal deze vergoeding zou zijn betaald.

4.4. In het hogerberoepschrift veronderstelt (de gemachtigde van) belanghebbende dat de Inspecteur van de betaalde vergoeding van € 27,62 per maand een belastingvrije vergoeding van € 20 per maand aanvaardbaar acht. Deze veronderstelling is onjuist. Uit hetgeen is vermeld in onderdeel 6.5 van het hiervoor onder 2.6 aangehaalde rapport blijkt dat aan B twee vaste vergoedingen zijn betaald. Van het bedrag van € 27,62 per maand accepteert de Inspecteur € 18,15 per maand als vrije vergoeding en van het bedrag van € 65 per maand accepteert de Inspecteur € 20 per maand als vrije vergoeding.

4.5. De Inspecteur wijst erop dat tijdens het boekenonderzoek aan belanghebbende is voorgehouden dat de desbetreffende vergoeding dertien keer was uitbetaald en dat belanghebbende toen heeft geantwoord dat het een foutje bij de administratie was. Voorts wijst hij erop dat belanghebbende eerder heeft verklaard dat de vergoeding was bestemd voor andere doelen dan woon-werkverkeer.

4.6. Een vaste kostenvergoeding is geen vrije vergoeding indien zij niet per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten is gespecificeerd (artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals deze bepalingen in het onderhavige tijdvak luidden). Deze specificatie moet worden gegeven voordat de vergoeding wordt uitbetaald. Niet gesteld of gebleken is dat de onderhavige vergoeding bij de uitbetaling was bestemd voor de kosten van woon-werkverkeer. De vergoeding behoort daarom niet tot de vrije vergoedingen.

4.7. Tegen hetgeen de Rechtbank over de verzuimboete heeft overwogen en beslist, zijn geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Het Hof acht deze boete passend en geboden.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is de beslissing van de Rechtbank juist. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

4.9. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN: BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, A.J. Kromhout en B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

De beslissing is op 29 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 januari 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.