Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV0708

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
12-01-2012
Zaaknummer
200.045.927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval; aansprakelijkheid werkgever/inlener; zorgplicht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 164
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/63
AR-Updates.nl 2012-0040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.045.927

(zaaknummer rechtbank 82025)

arrest van de vijfde civiele kamer van 20 december 2011

inzake

[appellant],

h.o.d.n. [naam bedrijf],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M. van der Bent,

tegen:

de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Mij.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 1 maart 2011. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 20 april 2011 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Daarna heeft [appellant] een memorie na enquête genomen, die is gevolgd door een memorie van antwoord na enquête van de zijde van Nationale-Nederlanden.

1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof heeft bij zijn tussenarrest [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij ten opzichte van [medewerker] zodanige maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft verstrekt als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat [medewerker] schade zou lijden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, kortom: dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

Uit proceseconomische overwegingen is [appellant] tevens toegelaten tot het bewijs dat [medewerker] bewust roekeloos heeft gehandeld.

2.2 [appellant] heeft als getuigen zichzelf en [naam getuige] (verder te noemen: [getuige]) doen horen. Van de gelegenheid getuigen in contra-enquête te doen horen heeft Nationale-Nederlanden geen gebruik gemaakt.

2.3 [appellant] heeft, voor zover relevant, als (partij-)getuige als volgt verklaard:

“Start bemiddelt en plaatst mensen met een “vlekje”. Ik ben ex-verpleegkundige in de psychiatrie en mede om die reden deed Start graag een beroep op mij. [medewerker] kon nauwelijks schrijven, wel lezen. Hij had een korte spanningsboog en was iemand die je tijd moest gunnen en niet onder druk moest zetten. Af en toe liet ik hem alleen in een hoekje zitten. Communicatief was hij niet zo sterk, maar hij had wel een zelfstandig leven. Ik kan hem omschrijven als een eigenwijze man, maar tegelijkertijd iemand die na uitleg van mijn kant er voor open stond om te doen wat ik zei. Dat accepteerde hij wel.

Voor het ongeval heeft [medewerker] anderhalf tot twee jaar bij mij gewerkt. Ik ken hem dus goed en ik had een goede verstandhouding met hem.

De ladder die hij bij het indraaien van die schroeven gebruikte was van het schildersbedrijf dat toen bij het garagebedrijf aan het werk was. Het was een houten ladder die direct na het ongeval door de arbeidsinspectie is onderzocht. Daaruit bleek dat de ladder voldeed aan de eisen voor professioneel gebruik.

Ik ben er de hele tijd bij geweest toen [medewerker] de schroeven aan het indraaien was, dus ook toen hij de twee bovenste schroeven indraaide. [medewerker] heeft vervolgens de ladder verplaatst en in een schuinere stand gezet en dat deed hij om de lagere schroeven te kunnen indraaien. Ik vond dat meteen al geen goede stand van de ladder. Ik was waakzaam om te voorkomen dat hij zou gaan schuiven en heb de ladder met mijn voet tegengehouden. Ik had de inschatting gemaakt dat het op deze manier wel zou lukken en dat bleek ook want bij het indraaien van de eerste schroef was er geen enkel probleem. Ik heb [medewerker] erop gewezen dat hij goed moest uitkijken. Het werk op de ladder was volgens [medewerker] geen probleem. Ik wijs erop dat hij als glazenwasser werkzaam was geweest en ervaring had met ladders. Behalve [medewerker] en ikzelf waren er geen andere mensen. De omstandigheden waren verder dat het mooi weer was, net als vandaag. De ondergrond was droog. Het was dus kortom goed weer om dit werk uit te voeren.

Toen die ladder in de schuine stand stond terwijl ik mijn voet erachter hield kwamen twee klanten bij mijn bedrijf. Ik heb tegen [medewerker] gezegd dat hij van de ladder af moest komen en dat hij pas verder kon werken als ik straks terug zou zijn. Hij is toen inderdaad van de ladder naar beneden gekomen. Ik heb hem gezegd met nadruk, dat hij niet alleen verder mocht werken. Uit zijn blik begreep ik dat hij die boodschap goed tot hem was doorgedrongen. Er was geen aanleiding om hem mee te nemen in de showroom, waar ik met de twee klanten heen ging. Na een minuut of wat hoorde ik een lawaai, durf niet precies te zeggen hoe lang dat was nadat ik de showroom was binnen gegaan. Ik ben naar buiten gegaan en zag [medewerker] op de grond liggen. Ik was in eerste instantie heel boos op hem, omdat ik hem zo duidelijk gewaarschuwd had. [medewerker] zei mij “Ik dacht dat ik het wel alleen kon, dat ik nog een jonge god was die van de ladder af kon springen als het nodig was”, of woorden van dergelijke strekking.

Op een vraag van mr Quist antwoord ik dat de klanten er bij waren toen ik met [medewerker] sprak. Over het ophouden van werken in mijn afwezigheid. Of ik overwogen heb hem mee naar binnen te nemen? Zoals ik al aangaf was daar geen aanleiding voor, ik heb alles gedaan wat ik vond dat nodig was. Uit die zinsnede die ik net aanhaalde, die met de jonge god, leidde ik af dat het [medewerker] heel duidelijk was dat hij niet alleen door mocht werken, maar dat hij het uit een vorm van baldadigheid toch gedaan heeft. Ik bevestig de verklaring die in het rapport van de technische buitendienst van Nationale Nederlanden is opgenomen. In het bijzonder de beschrijving van de gebeurtenissen op het vierde blad, bovenaan.

U houdt mij voor dat [medewerker] heeft verklaard volgens bijlage 2 bij het rapport van de Goudse dat ik niets gezegd heb “om niet op de ladder te klimmen”. Dat is pertinent onjuist. Ik houd staande wat ik eerder daarover verklaard heb en dat ik dus een duidelijke waarschuwing aan [medewerker] heb gegeven. De gebeurtenis waar we het nu over hebben is al lang geleden, maar mijn geheugen schiet wat dit betreft niet te kort. Ik kan me overigens niet herinneren hoe laat het was ten tijde van het ongeval. (…)”

De beschrijving van de gebeurtenissen op het vierde blad, bovenaan, van het rapport van de technische buitendienst van Nationale-Nederlanden, die de getuige heeft bevestigd, luidt:

“(…) Eerst stond de ladder onder een goede hoek. [medewerker] (opm. hof: [medewerker]) klom erop en bevestigde de bovenste twee schroeven aan het ophangbord. Ik bleef erbij om toezicht te houden. Ondertussen sprak ik met enkele klanten. [medewerker] klimt naar beneden en verzet de ladder. Hij zet hem extra schuin, zodat de ladder onder het bord komt. Dat is een gevaarlijke positie. Ik zeg tegen [medewerker] dat dit levensgevaarlijk is. [medewerker] vindt van niet. Ik gaf aan dat het gevaarlijk was en dat de ladder zo weg kon glijden. Ik zou de ladder vasthouden c.q. tegenhouden. [medewerker] klom naar boven en bevestigde een of meer schroeven. Ik hield de ladder tegen. De klanten stonden er steeds bij. [medewerker] kwam naar beneden. Ik zei dat hij die ladder niet mocht gebruiken in deze positie zonder mijn hulp en toezicht. Dat heb ik meermalen herhaald. De klanten kunnen dit eventueel bevestigen. Ik gaf [medewerker] aan dat ik met de klanten naar kantoor zou gaan en hij moest wachten met verder werken. Ik ging met de klanten naar kantoor. Kort daarop hoorden wij een klap en bleek [medewerker] met ladder en al naar beneden gevallen te zijn. Ik heb [medewerker] meermalen duidelijk gezegd de ladder niet te gebruiken zonder mijn hulp en toezicht. Ik heb hem ook gezegd dat ik met de klanten weg moest naar kantoor en hij dus niet verder mocht gaan en op mij moest wachten. (…)”

2.4 [getuige] heeft als getuige, voor zover relevant, als volgt verklaard:

“Toen ik de oproep voor deze zitting kreeg wist ik helemaal niet meer waar het over ging. Na het lezen van de brief die door de advocaat is toegestuurd en het doornemen daarvan met mijn vrouw kwamen de beelden weer naar boven. Ik heb de verklaring van 21 juli 2003 die zich in het dossier bevindt en door mij is ondertekend net nog doorgelezen. Mijn verhaal komt op het volgende neer:

Ik kom aanlopen bij de inrit van het garagebedrijf tussen de auto’s door. Ik zag gelijk die ladder staan in een veel te schuine stand, ontzettend schuin, levensgevaarlijk. Als die ladder korter was geweest, dan had hij minder schuin hoeven staan. Ik zag het gelijk want ik ben dagelijks met ladders in de weer. Er moest op hoogte van een meter of vijf, zes, iets weggehaald worden. [appellant], een andere man en ik hebben even met zijn drieën staan praten. [appellant] wilde naar binnen gaan en de man wilde de ladder op gaan. [appellant] zei nog voordat hij de garage inging, een afstand van een meter of drie, dat de man moest wachten met verder werken, totdat hij, [appellant], terug was.

Ik heb niet gezien dat de man op de ladder stond toen ik aankwam. Toen ik aankwam stonden [appellant] en die man met elkaar te overleggen. Ik heb toen niet kunnen horen wat ze tegen elkaar zeiden, maar toen ik dichterbij kwam hoorde ik wel dat het over de ladder ging en over iets aan die gevel. Ik meen me te herinneren dat de man een schroevendraaier in zijn hand had. Ik zei: dit komt niet goed met die schuine stand. Maar dat hadden ze zelf ook al begrepen. Ik ben met [appellant] mee naar binnen gegaan en vijftien tot dertig seconden later hoorde ik een grote knal. Ik zag die man en ladder op de grond liggen (…).”

2.5 Met betrekking tot de waardering van het bewijs verwijst het hof naar artikel 164 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van dat artikel kan de verklaring van [appellant] als partijgetuige omtrent de door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Dat [appellant], zoals hij in zijn memorie na enquête heeft gesteld, geen enkel financieel belang heeft bij de uitkomst van de procedure omdat hij voor de onderhavige schade verzekerd is, maakt niet dat artikel 164 Rv buiten toepassing dient te blijven. Anders dan Nationale Nederlanden heeft aangevoerd, betekent dit evenmin dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen in hoger beroep.

2.6 De verklaring van de getuige [getuige] houdt, zakelijk weergegeven, in dat, toen hij aankwam, [appellant] en [medewerker] met elkaar over de ladder stonden te overleggen en dat ze zelf ook begrepen hadden dat het niet goed zou komen met de schuine stand van de ladder. Ook heeft hij deze getuige verklaard dat [appellant] voordat hij de garage in ging zei dat [medewerker] moest wachten met verder werken. Deze verklaring draagt bij aan het door [appellant] te leveren bewijs; de verklaring die [appellant] als getuige heeft afgelegd, strekt ter aanvulling van dit bewijs en kan dus ook aan de bewijslevering bijdragen.

2.7 [medewerker] is in het onder 2.3 aangehaalde rapport van de technische buitendienst van Nationale-Nederlanden aangeduid als “een man met een gebruiksaanwijzing”. [appellant] heeft hem in zijn verklaring omschreven als “een eigenwijze man, maar tegelijkertijd iemand die na uitleg van mijn kant er voor open stond om te doen wat ik zei”. Uit de beschrijving van [medewerker] door [appellant] volgt dat [medewerker] een geduldige en strakke begeleiding nodig had, maar ook dat [appellant] hem die heeft geboden. De bijzondere persoonlijke kenmerken van [medewerker] werden door [appellant] geaccepteerd, zoals [medewerker] van zijn kant de begeleiding door [appellant] accepteerde. [appellant] heeft oog gehad voor de noodzaak van een intensieve begeleiding, zoals blijkt uit de omstandigheid dat [appellant] bij het indraaien van de eerste twee schroeven in de gevel steeds aanwezig is geweest. In een normale werkgever-werknemer verhouding zou een dergelijke intensieve begeleiding niet nodig zijn geweest.

2.8 [appellant] heeft verklaard dat de ladder voldeed aan eisen van professioneel gebruik. Van het tegendeel is niet gebleken. Ten tijde van het ongeval van [medewerker] was het mooi weer en was de ondergrond droog, zodat daarin geen belemmeringen waren gelegen voor het werk aan de gevel. [appellant] is persoonlijk aanwezig geweest en heeft persoonlijk toegezien op het uitvoeren van de werkzaamheden. Hij heeft kort voor de fatale val van [medewerker] de ladder, die toen in een schuine stand stond, gezekerd door er zijn voet achter te zetten en hij heeft [medewerker] van de ladder af laten komen, toen twee klanten bij de garage kwamen. Uit de verklaringen van [appellant] en [getuige], in onderling verband beschouwd, blijkt dat [appellant] oog heeft gehad voor de gevaaraspecten van het werken op een schuin staande ladder door [medewerker] nadrukkelijk te zeggen dat hij niet alleen verder mocht werken. In het aangehaalde rapport van Nationale-Nederlanden is opgetekend dat [appellant] zei dat [medewerker] de ladder niet mocht gebruiken in de schuine positie zonder hulp en toezicht van [appellant], alsmede dat [appellant] dit meermalen gezegd heeft. Bovendien mocht [medewerker] niet verder werken en moest hij op [appellant] wachten. Uit de getuigenverklaring van [appellant] dat hij uit de blik van [medewerker] begreep dat die boodschap goed tot hem was doorgedrongen, blijkt dat [appellant] alert is geweest op aspecten in de persoon van [medewerker], die mogelijk zouden verhinderen dat [medewerker] zich desondanks niet aan die opdracht zou houden. Ook in dit verband kent het hof waarde toe aan de verklaring van [appellant] dat [medewerker] van hem accepteerde te doen wat hij, [appellant], zei. [medewerker] werkte al anderhalf tot twee jaar bij [appellant] en [appellant] had een goede verstandhouding met [medewerker], hetgeen Nationale-Nederlanden niet heeft weersproken.

2.9 De conclusie is dat er aan het gebruikte materiaal niets mankeerde, dat [appellant] oog heeft gehad voor de veiligheid van de werkomgeving, dat hij [medewerker] tijdig adaequate instructies heeft gegeven waarvan [appellant] mocht verwachten dat deze door [medewerker] zouden worden nageleefd en dat hij toezicht heeft uitgeoefend waar dat vereist was. [appellant] heeft aldus bewezen dat hij ten opzichte van [medewerker] zodanige maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft verstrekt als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat [medewerker] schade zou lijden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het hof merkt hier nog bij op dat de norm van artikel 7:658 lid 2 BW er volgens vaste jurisprudentie niet toe strekt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen schade die in de uitoefening van werkzaamheden wordt geleden.

2.10 De bestreden vonnissen kunnen niet in stand blijven. Deze zullen worden vernietigd en de vordering van Nationale-Nederlanden zal alsnog worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Nationale-Nederlanden in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

2.11 Of bewezen is dat [medewerker] bij het verrichten van de werkzaamheden bewust roekeloos heeft gehandeld kan, omdat de vordering van Nationale-Nederlanden op grond van het voorgaande reeds moet worden afgewezen, buiten beschouwing blijven.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Zutphen, sector civiel, van 7 november 2007, 5 maart 2008 en 23 juli 2008 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van Nationale-Nederlanden alsnog af;

veroordeelt Nationale Nederlanden in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg begroot op € 1.737,- voor salaris van de advocaat en op € 790,- voor griffierecht en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep begroot op € 4.053,- voor salaris van de advocaat en op € 1.080,- voor griffierecht en € 143,60 voor explootkosten;

verklaart dit arrest met betrekking tot de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

20 december 2011.