Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BV0684

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
TBS P10/0378
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog verpleging van overheidswege. Bijzondere behandelmotivering. Het hof wijkt af van het advies van het Pieter Baan Centrum betreffende het voortzetten van het huidige kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, als ook wat betreft de start van de plaats van behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P10/0378

Beslissing d.d. 23 december 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats]

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Almelo van 12 november 2010, houdende de last dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal ter zitting van het hof van 28 februari 2011;

- de tussenbeslissing van het hof van 14 maart 2011;

- de rapportage betreffende de terbeschikkinggestelde van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van

8 december 2011.

Het hof heeft ter zitting van 12 december 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, en de advocaat-generaal, mr I. Berben.

Overwegingen

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het Pieter Baan Centrum heeft geadviseerd om de terbeschikkingstelling met voorwaarden voort te zetten. Gelet op de inmiddels verstreken tijd zou dit betekenen dat er nog maar een zeer beperkte behandelperiode overblijft. In de PBC-rapportage wordt echter tevens aangegeven dat, indien het hof van oordeel is dat voortzetting van de huidige terbeschikkingstelling met voorwaarden te weinig waarborgen biedt, de terbeschikking-gestelde alsnog van overheidswege verpleegd zou kunnen voor een korte periode, met vervolgens een ambulante behandeling in het kader van een voorwaardelijk beëindigde verpleging van overheidswege. Gelet op het tijdsverloop en de thans nog beperkte duur van de huidige terbeschikkingstelling met voorwaarden, geniet deze laatste optie de voorkeur.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Het Pieter Baan Centrum is duidelijk in zijn conclusie, namelijk dat de terbeschikking-stelling met voorwaarden dient te worden voortgezet. Uit de PBC-rapportage blijkt dat de terbeschikkinggestelde er niet op uit is om zich beter voor te doen dan hij is of zijn zwakheden te verbloemen. De terbeschikkinggestelde beseft dat een intensieve klinische behandeling nog noodzakelijk is. Deze behandeling kan echter ook in het huidige kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden plaatsvinden. Uit de PBC-rapportage blijkt tevens dat de opgelegde gevangenisstraf al een harde les is geweest voor de terbeschikkinggestelde. De veiligheid van de maatschappij dwingt er niet toe om de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De raadsman heeft verzocht om vernietiging van de beslissing van de rechtbank en tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie. Tevens is verzocht om aanhouding van de zaak teneinde de reclassering op zo korte mogelijke termijn een maatregelrapport op te laten maken met betrekking tot de voorwaarden waaronder de terbeschikkingstelling met voorwaarden zou kunnen worden voortgezet..

Het oordeel van het hof

Het hof zal het verzoek tot aanhouding teneinde de reclassering een maatregelrapport op te laten maken afwijzen, omdat het hof dit niet noodzakelijk acht.

Naar aanleiding van zijn intake bij de [inrichting] op 24 februari 2009 is als voorlopige diagnose gesteld dat betrokkene een pedofiele man is met een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende, afhankelijke en passief-agressieve trekken. Omdat op basis van het intakegesprek sterke twijfels waren gerezen over intrinsieke motivatie van betrokkene is bij de [inrichting] gestart met een proefperiode van drie maanden, ingaande op 1 juli 2010.

De behandeling bij de [inrichting] is vervolgens vastgelopen. Volgens het eindverslag van de kliniek van 30 september 2010 en de verklaringen van de ter terechtzitting van dit hof van 28 februari 2011 gehoorde getuigen-deskundigen is dat het resultaat van het feit dat betrokkene onvoldoende gemotiveerd is om een behandeling aan te gaan.

De vraag deed zich aan het hof voor of het vastlopen van de behandeling aan de terbeschikkinggestelde kon worden verweten. Bovendien bestond er onduidelijkheid omtrent de vastgestelde diagnose, met name omtrent de mogelijke aanwezigheid van een autisme-spectrum-stoornis bij betrokkene

Het hof heeft hierop bij tussenbeslissing van 14 maart 2011 de behandeling van de zaak heropend teneinde het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, nader onderzoek te laten verrichten naar

- de aard van de stoornis van betrokkene;

- de diagnose;

- de behandelingsmogelijkheden van betrokkene en de setting waarbinnen de behandeling dient plaats te vinden;

- de vraag of behandeling en begeleiding mogelijk zijn binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, en zo ja, onder welke voorwaarden;

- de oorzaken van het vastlopen van de behandeling binnen de FPK Assen.

In de rapportage van 8 december 2011 heeft het Pieter Baan Centrum hier uitvoerig op geantwoord. Ten aanzien van de diagnostiek blijkt uit de rapportage (p.60 t/m p. 62) onder meer het volgende - zakelijk weergegeven -:

Betrokkene is lijdende aan een persoonlijkheidsstoornis met bovenal ontwijkende, alsmede afhankelijke kenmerken. Ondergetekenden diagnosticeren eveneens een pedofilie van het niet-exclusieve type. Hoewel nadrukkelijk overwogen, menen ondergetekenden dat een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet kan worden vastgesteld.

Er zijn geen redenen om bij betrokkene een pathologische achterdocht in de zin van een waandenken of een paranoïde persoonlijkheidsstoornis te veronderstellen. Betrokkene doet soms vijandig overkomende uitspraken, vooral als hij zich ingeperkt, gefrustreerd, onbegrepen en afgewezen voelt. Ondergetekenden overwegen dat er bij hem een krampachtige, niet-verinnerlijkte controle bestaat ter intoming van zijn angstige gevoelens en leiden uit het onderzoek - waaronder de officiële criminaliteit - af dat betrokkene niet de neiging heeft tot een stoornis in zijn agressieregulatie. Het lijkt aannemelijk dat deze beschreven houding van betrokkene door anderen als passief-agressief gedrag wordt geduid. Dat er sprake zou zijn van een passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis wordt, zo moge duidelijk zijn, niet gedeeld door ondergetekenden.

Ten aanzien van het recidivegevaar wordt vervolgens (p. 62-63) het volgende overwogen

-zakelijk weergegeven-:

Wat betreft de risicotaxatie overwegen ondergetekenden het navolgende. Betrokkene is een man die op grond van zijn persoonlijkheidsstoornis onrijp is en in sociaal opzicht disharmonieus interacteert met zijn omgeving. Verder is sprake van een niet-exclusieve pedofilie. Betrokkene voldoet niet aan de kenmerken van een psychopathie volgens het concept van Hare. Hij is niet bekend met een impulsregulatiestoornis of een pathologische agressie-huishouding. Als kinderopvangkracht is niet gebleken dat hij ooit seksueel overschrijdend gedrag heeft vertoond. Wel spelen beschuldigingen over seksueel misbruik van een half-broer en verkeert betrokkene in een kring (autoclub) waarin een persoon is veroordeeld vanwege pedoseksualiteit. Verder heeft betrokkene de intentie een relatie aan te knopen met een - vanwege pedoseksuele delicten veroordeelde - jongeman die hij in detentie heeft ontmoet. Met deze partnerkeuze kiest hij een sociale omgeving uit die zijn cognitieve vervormingen niet per se afwijst - mogelijk zelfs ondersteunt.

Ondergetekenden voorzien dat betrokkene buiten een behandelingssituatie waarschijnlijk de neiging zal vertonen gezinnen op te zoeken waarin hij weer geborgenheid en belangrijkheid kan ervaren. Hoewel zij ook overwegen dat betrokkene op grond van de door hem als een hel beleefde juridische procedure inclusief de nasleep daarvan (i.c. de tbs), in de toekomst zal afzien van pedoseksueel handelen, menen zij dat de combinatie van betrokkenes persoonlijkheidsstoornis en pedofilie toch te groot gewicht zullen uitoefenen in zijn interpersoonlijk handelen, te meer daar hij thans - op grond van zijn distorsies - geen zicht heeft op de schadelijkheid van pedoseksueel handelen voor de slachtoffers.

Betrokkene beleeft zijn seksuele grensoverschrijdende gedrag ten aanzien van kinderen niet als pathologisch. Ondergetekenden menen dat hij de moeite onderschat die het hem zal kosten om niet meer te zwichten voor de verleiding. Een vooruitzicht opnieuw een intieme relatie te hebben met een kind, kan bekrachtigende emoties bij betrokkene oproepen, waardoor het voor hem moeilijk zal zijn niet te recidiveren. De kans op herhaling op korte termijn wordt niet als groot ingeschat. Op langere termijn echter, waarbij een inbedding in een gezin zich voltrekt, is de kans wel groot te achten.

Ondergetekenden hebben deze klinische risicoschatting getoetst met behulp van het risicotaxatie-instrument SVR-20, dat overigens niet de ernst of omvang van seksuele recidives voorspelt (zie ook 'Psychiatrisch onderzoek'). Op grond van de uitkomsten van de SVR-20 kan worden gesteld dat het recidiverisico buiten een behandelingssituatie als 'hoog' kan worden omschreven. Beschermende factoren voor seksueel gewelddadig gedrag zijn ook aanwezig, zoals blijkt uit de taxatielijst SAPROF. Betrokkene heeft geen gecompromitteerde intelligentie, hij is niet bekend met een sterke antiautoritaire houding, heeft zelfcontrole en een vrijetijdsbesteding. Verder scoort betrokkene laag op de PCL-R. Het geheel van beide lijsten overziend dient echter toch te worden gesteld dat buiten een behandelingssituatie het recidiverisico hoog is.

Ten aanzien van de behandelmogelijkheden en de vraag of behandeling en begeleiding mogelijk zijn binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden blijkt uit de rapportage (p.63 e.v.) tenslotte onder meer het volgende - zakelijk weergegeven -:

Nu betrokkene reeds is veroordeeld tot een behandeling in een tbs-kader hebben ondergetekenden overwogen of betrokkene dient te worden behandeld in het kader van een tbs met bevel tot verpleging. Zij hebben gemeend hiertoe niet te adviseren. Zij menen dat betrokkenes behandeling niet per se een hoog beveiligingsniveau vergt, dit mede gezien de inschatting van de termijn en situatie waarin het risico als hoog wordt beschouwd.

Betrokkene is geen impulsieve man die vanuit die impulsiviteit snel (seksueel) agressief zal handelen. Als hij de tijd krijgt vertrouwen te ontwikkelen in een behandeling, voorzien ondergetekenden duidelijke mogelijkheden tot persoonlijkheidsgroei. De noodzaak voor betrokkene om zich te blijven richten op onvolwassen relaties zal dan naar verwachting navenant afnemen. In een dergelijke behandeling dienen echter ook nadrukkelijk zijn distorsies die zijn pedofilie onderhouden te worden geadresseerd. Ondergetekenden menen dat een dergelijke behandeling vanuit gedragskundige optiek het beste kan plaatsvinden in het kader van een tbs met voorwaarden. Betrokkene kan in dit kader meer verantwoordelijkheid ervaren voor wat er gebeurt en zal minder ageren tegen de gevoelens van onveiligheid die een tbs-setting bij hem oproept. Echter, gegeven de nog beperkte looptijd van deze maatregel menen zij dat een dergelijke therapie aanvankelijk een hoge intensiteit dient te hebben. Er dient dan ook een klinische start te worden gemaakt, opdat betrokkene een significante therapeutische werkrelatie kan opbouwen. In wederzijds overleg zou vervolgens kunnen worden gekozen voor een ambulante behandeling. Gezien de termijn en context van het geschatte recidiverisico behoeft hij geen forensische behandelsetting met een hoog beveiligingsniveau. De gedachten gaan uit naar een behandeling in een forensisch psychiatrische afdeling (FPA) met expertise in het behandelen van personen met een combinatie van persoonlijkheidsstoornissen en parafilie.

Mocht Uw College van mening zijn dat een behandeling in het kader van een tbs met voor-waarden te weinig waarborgen biedt gegeven de relatief beperkte duur van deze al lopende maatregel, dan geven ondergetekenden ter overweging mee dat een tbs met bevel tot ver-pleging na korte tijd kan worden omgezet in een voorwaardelijk ontslag, waardoor betrokkene over een langere periode ambulant zou kunnen worden behandeld dan nu het geval is in het kader van een tbs met voorwaarden.

Het hof heeft met name notie genomen van het niet kunnen vaststellen van een stoornis in het autisme-spectrum, terwijl juist wel een (vrij ernstige) hechtingsstoornis is vastgesteld. Het hof neemt voormelde bevindingen over. Het hof wijkt echter af van het gestelde in de tweede alinea van pagina 63 van het PBC-rapport, zowel wat betreft het advies met betrekking tot het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden als wat betreft de start van de plaats van de behandeling, namelijk een gespecialiseerde Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA).

Nog los van de praktische onhaalbaarheid van het vinden van een dergelijke alternatieve locatie, gelet op de doorsnee patiëntenpopulatie van de FPA’s alsook de gesloten deur (in wederzijds opzicht) van de [inrichting], en het geven van een opdracht daartoe aan de reclassering waarmee, althans in de beleving van betrokkene, al een moeizame relatie is ontstaan en welke instelling bij de te voorspellen onmogelijkheid in het vinden van een dergelijk alternatief tot verdere geëxternaliseerde zondebok zou worden gemaakt, komt het hof tot een andere afweging.. Het hof neemt hierbij met name in acht betrokkenes hechtingsstoornis, het externaliseren en bagatelliseren van de indexdelicten, de steeds weer genoemde starheid van betrokkene, en het cognitief blijven misvormen van wat maatschappelijk als onaanvaardbaar wordt geacht. Als positieve behandelingsbagage neemt het hof daarentegen mee dat betrokkene in staat is gebleken (met name in een-op-een- situatie) tot contactgroei en een heel voorzichtig begin van een behandelrelatie. Nu deze echter al zoveel tijd hebben gevergd in een daartoe zeer geëquipeerde ‘luxe’-situatie van een FPK, qua personeel, tijd en aandacht, is het niet reëel om een dergelijke contactgroei en goede behandelrelatie te verwachten in een FPA-omgeving, indien deze al gevonden zou kunnen worden, hetgeen bovendien zeer waarschijnlijk zal leiden tot het overvragen van zowel betrokkene als de mogelijke FPA met alle gevolgen van dien.

De hiervoor genoemde ‘negatieve’ (met name de ernstige hechtingsstoornis) en ‘positieve’ bagage noopt dan ook tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Wel sluit het hof zich aan bij het in de PBC-rapportage op p. 64 gestelde, waar wordt geadviseerd om de verpleging van overheidswege na korte tijd voorwaardelijk te beëindigen, waarna betrokkene over een langere periode verder ambulant zou kunnen worden behandeld. Een in het begin zeker ook individueel-gekleurde intensieve behandelrelatie dient tevens groepsgericht ingebed te zijn. Een (in het kader van een snelle voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege) te realiseren vervolgbehandeling dient eveneens deze beide pijlers te bevatten. Bij dit alles zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan een behandeling in de Van der Hoevenkliniek met haar poliklinische satellieten.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met aanvulling van gronden als voormeld worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Bevestigt met aanvulling van gronden de beslissing van de rechtbank Almelo van 12 november 2010 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr R. de Groot als raadsheren,

en drs. T. van Iersel en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr C.M.M. van der Waerden als griffier,

en op 23 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.