Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU8988

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
24-002275-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ7171, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7171
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Aanrijding met dodelijke afloop. Roekeloos rijgedrag. Verdachte heeft bewust onaanvaardbare risico's genomen door met hoge snelheid en onder invloed van alcohol een auto te besturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002275-09

Uitspraak d.d.: 22 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 september 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 26 augustus 2010, 7 oktober 2011 en 8 december 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (roekeloos rijgedrag) en veroordeling ter zake hiervan tot een gevangenisstraf van 4 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs niet aan verdachte is teruggegeven. De vordering strekt voorts tot verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen auto. Tot slot strekt de vordering tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 19.295,65, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 12.627,06, subsidiair 98 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. H.K. ter Brake, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende dranken, althans alcohol, met het door hem bestuurde motorrijtuig met een snelheid van tussen de 137 en 151 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 100 kilometer per uur, over de [straat] te rijden en/of door (vervolgens) met die snelheid zijn voertuig onvoldoende onder controle te houden en met de door hem bestuurde personenauto terecht te komen/te sturen op/naar de aan de rechterzijde van de rijbaan van voornoemde [straat] gelegen vluchthaven, terwijl er op die vluchthaven een personenauto (stil)stond,

tengevolge waarvan hij verdachte (met hoge snelheid) met het door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst/aangereden/aangegleden tegen laatstgenoemde personenauto,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

subsidiair:

a.

hij op of omstreeks 12 oktober 2008 in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat], met een snelheid van tussen de 137 en 151 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van l00 kilometer per uur zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden en met het door hem bestuurde personenauto terecht is gekomen/heeft gestuurd op/naar de aan de rechterzijde van de rijbaan gelegen vluchthaven, terwijl er op die vluchthaven een personenauto (stil)stond, tengevolge waarvan hij verdachte (met hoge snelheid) met het door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst/aangereden/aangegleden tegen laatstgenoemde personenauto,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

b.

hij op of omstreeks 12 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, 0,68 milligram, elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

De raadsman heeft primair verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.

Mede gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], dient te worden getwijfeld aan de conclusies in het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse [straat] hm 59.2 te [plaats 1] d.d. 12 oktober 2008 (hierna: proces-verbaal VOA), die (onder meer) inhouden dat het aangetroffen remregelspoor afkomstig is van het linkervoorwiel van het voertuig van verdachte en dat het voertuig van [slachtoffer] op de vluchthaven stilstond. Daarnaast is betwist dat verdachte ter plaatse met een snelheid van tussen de 137 en 151 km/uur heeft gereden en is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte op de vluchthaven heeft gereden.

De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat de door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] geschetste toedracht aannemelijk is geworden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de door het hof gebezigde - in geval van cassatie in de aanvulling ex artikel 415, eerste lid, juncto artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering op te nemen - bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten vast.

In de ochtend van 12 oktober 2008 is op de [straat] van [plaats 1] naar [plaats 2] een Volkswagen Golf III, met daarin gezeten [slachtoffer], aangereden door een van achteren naderende BMW uit de 7-serie, bestuurd door verdachte. Als gevolg van die aanrijding is [slachtoffer] overleden.

Verbalisanten hebben op de plek van het ongeval sporen op het wegdek en aan de voertuigen aangetroffen. De aangetroffen sporen zijn onderzocht.

Op de vluchthaven, gelegen naast de rijstrook, werd een glassplinterveld aangetroffen. Direct achter het glassplinterveld werden krassporen en een bandenspoor op het wegdek aangetroffen.

Het voertuig van [slachtoffer] is op de door dat voertuig veroorzaakte afgetekende kras- en bandensporen geplaatst, om op die manier de plaats op de weg van het voertuig tijdens het botsmoment te bepalen. Daaruit werd geconstateerd dat het voertuig van [slachtoffer] zich tijdens de aanrijding geheel op de vluchthaven heeft bevonden. Uit het schadepassen is vervolgens de botspositie van beide voertuigen duidelijk geworden.

Tevens werd op het wegdek een remregelspoor aangetroffen, dat naar het conflictpunt liep. Gezien de botspositie en de plaats op de weg van het voertuig van verdachte, kan het niet anders zijn dan dat het remspoor afkomstig was van het linkervoorwiel van het voertuig van verdachte. Indien het remspoor afkomstig zou zijn van het rechtervoorwiel, zou het voertuig van verdachte langs het voertuig van [slachtoffer] gereden zijn zonder tegen dat voertuig aan te rijden.

Uit het aangetroffen remregelspoor van het voertuig van verdachte kon afgeleid worden dat dit voertuig op het moment van de aanrijding met het voertuig van [slachtoffer] voor 1/4 op de rijstrook en voor 3/4 op de vluchthaven reed.

Voorts is aan de hand van de aangetroffen sporen de snelheid berekend, waarmee verdachte bij benadering moet hebben gereden. De aanvangssnelheid van verdachtes voertuig moet bij het inzetten van de noodremming minimaal 137 kilometer per uur en maximaal 151 kilometer per uur zijn geweest.

Omdat het vermoeden bestond dat verdachte alcohol had gedronken, is bij verdachte een ademtest afgenomen, met een F-indicatie als resultaat. Vervolgens is bij verdachte een bloedproef uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat het alcoholgehalte van het bloed van verdachte ten tijde van het onderzoek 0,68 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten is het hof van oordeel dat hetgeen getuige [getuige 1] heeft verklaard omtrent de door verdachte gereden snelheid en de plek waar de aanrijding heeft plaatsgevonden, niet juist kan zijn.

De verklaring van getuige [getuige 2] - en in het verlengde daarvan de verklaring van [getuige 3] - ziet niet op hetgeen zich in de laatste periode, onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval, heeft voorgedaan. Het hof kent daarom aan deze verklaringen voor de vaststelling van de toedracht van het ongeval geen betekenis toe.

De raadsman heeft subsidiair verzocht opdracht te geven tot het verrichten van een contra-expertise, waarin met name aandacht dient te worden besteed aan de vraag of het aangetroffen remregelspoor van het linkervoorwiel van verdachtes voertuig afkomstig is en of het voertuig van [slachtoffer] op de vluchthaven al dan niet stilstond.

De noodzaak van een dergelijke contra-expertise is niet gebleken. Niet is aangevoerd of gebleken dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal VOA, zoals ter terechtzitting van het hof op 7 oktober 2011 toegelicht door verbalisant [verbalisant]. Het hof wijst het verzoek daarom af.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte te hard en onder invloed van alcohol heeft gereden, mede gelet op het rijgedrag van [slachtoffer], geen culpa oplevert in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op de hierboven vastgestelde feiten is, nu het voertuig van [slachtoffer] zich ten tijde van de aanrijding met vier wielen op de vluchthaven bevond, de beweerde twijfel omtrent de toestand waarin [slachtoffer] zich zou bevinden, niet van belang voor de vaststelling van de mate van schuld bij verdachte.

Verdachte heeft bewust onaanvaardbare risico's genomen door met hoge snelheid en onder invloed van alcohol een auto te besturen. Dergelijk zeer ernstig onzorgvuldig handelen is als roekeloos verkeersgedrag aan te merken. Er is sprake van causaal verband tussen het rijgedrag van verdachte en het ongeval. Met de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de schuld van de verdachte bestond in roekeloosheid.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank, met het door hem bestuurde motorrijtuig met een snelheid van tussen de 137 en 151 kilometer per uur, over de [straat] te rijden en door vervolgens met die snelheid zijn voertuig onvoldoende onder controle te houden en met de door hem bestuurde personenauto terecht te komen/te sturen op/naar de aan de rechterzijde van de rijbaan van voornoemde [straat] gelegen vluchthaven, terwijl er op die vluchthaven een personenauto stond,

tengevolge waarvan hij, verdachte, met hoge snelheid met het door hem bestuurde motorrijtuig is aangereden tegen de personenauto van [slachtoffer],

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzittingen is gebleken.

In de ochtend van 12 oktober 2008 heeft een noodlottig verkeersongeval plaatsgevonden op de [straat]. Verdachte heeft door roekeloos rijgedrag - hij reed met hoge snelheid en verkeerde onder invloed van aanzienlijk meer alcohol dan voor bestuurders van voertuigen wettelijk is toegestaan - een aanrijding veroorzaakt. Verdachte is tegen de auto van [slachtoffer] gereden, die zich op dat moment op de vluchthaven bevond. Als gevolg van die aanrijding is [slachtoffer] overleden.

Het ongeval heeft voor de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed tot gevolg gehad. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer] ter terechtzitting van het hof op 8 december 2011 blijkt hoezeer haar wereld, maar ook die van haar dochter en zoon, is ingestort door het verlies van hun zoon en broer.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 juli 2011 is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof is, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Daarnaast is, in verband met het gevaarzettende gedrag van verdachte op de weg, alsmede uit het oogpunt van verkeersveiligheid, oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen noodzakelijk.

De rechtspraak hanteert oriëntatiepunten voor het bepalen van de hoogte en de aard van de straf voor dit soort strafbare feiten. Deze oriëntatiepunten houden met betrekking tot de hoogte van de strafmaat onder andere rekening met de gevolgen van het ongeval, maar ook met eventuele strafverzwarende omstandigheden, zoals het gebruik van alcohol door een verdachte en de mate van schuld.

Bij afwezigheid van een berekening (door een deskundige) omtrent de afbraak van alcohol in het lichaam, waarbij rekening is gehouden met de persoonskenmerken van verdachte, kan het hof niet vaststellen dat het alcoholgehalte ten tijde van het ongeval meer bedroeg dan 570 milligram alcohol per liter uitgeademde lucht.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken hanteren ten aanzien van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bij een alcoholgebruik tot 570 milligram alcohol per liter uitgeademde lucht, bij roekeloos rijgedrag met de dood tengevolge, als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaren. Het hof ziet in de ter zitting door en namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om (ten gunste van verdachte) van die oriëntatiepunten af te wijken.

Het hof heeft echter geconstateerd dat er in de procedure in hoger beroep sprake is van onredelijke vertraging in de vervolging in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak zijn ruim 2 jaren verstreken. Met name is onredelijk veel tijd verstreken tussen de eerste en de tweede terechtzitting van het hof. Gelet op deze overschrijding zal het hof op de op te leggen gevangenisstraf een korting toepassen van 5%.

Verbeurdverklaring

Het primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto merk BMW, kenteken [kenteken]. Het behoort de veroordeelde toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.745,27. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 12.627,06.

Van de zijde van verdachte is de hoogte van die vordering niet betwist.

Verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ten aanzien van dat bedrag de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op € 6.668,59.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 personenauto BMW, [kenteken].

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 12.627,06 (twaalfduizend zeshonderdzevenentwintig euro en zes cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 6.668,59 (zesduizend zeshonderdachtenzestig euro en negenenvijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 12.627,06 (twaalfduizend zeshonderdzevenentwintig euro en zes cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 98 (achtennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 22 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.