Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU8395

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
200.083.641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Juridische misslag rechter in deelgeschilprocedure door het ziekenhuis te veroordelen in proceskosten terwijl de aansprakelijkheid van het ziekenhuis niet vaststaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.641

(zaaknummer/rolnummer rechtbank 119265/KG ZA 11-16)

arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 13 december 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.W. Munk,

tegen:

de stichting,

Stichting Algemeen Ziekenhuis Noordwest-Veluwe,

gevestigd te Harderwijk,

geïntimeerde,

advocaat: mr. O.L. Nunes.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 3 februari 2011 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: het ziekenhuis) als eiseres heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 2 maart 2011 het ziekenhuis aangezegd van dat vonnis van 3 februari 2011 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van het ziekenhuis voor dit hof. In dit exploot heeft [appellante] aangekondigd te zullen vorderen dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van het ziekenhuis alsnog zal afwijzen, met veroordeling van het ziekenhuis in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van het exploot van de appeldagvaarding.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft het ziekenhuis de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel het door haar ingestelde beroep zal verwerpen en het bestreden vonnis, zonodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 [appellante] heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor schade die is ontstaan als gevolg van amputatie van haar rechterpink.

3.2 Het ziekenhuis en haar AVB-verzekeraar Centramed BA te Voorburg hebben de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Centramed heeft namens het ziekenhuis een bedrag van € 7.500,- ter zake van immateriële schade, een bedrag van € 10.000,- ter zake van kosten van rechtsbijstand (buitengerechtelijke kosten) en een slotuitkering van € 3.500,- aan [appellante] betaald.

3.3 [appellante] heeft vervolgens een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Zutphen, waarin zij de rechtbank heeft verzocht hogere bedragen voor zowel de immateriële schade als de kosten voor rechtsbijstand vast te stellen.

3.4 Bij beschikking van 2 december 2010 heeft de rechtbank Zutphen in de deelgeschilprocedure de immateriële schade van [appellante] vastgesteld op € 7.500,- en de buitengerechtelijke kosten op € 10.000,-. Verder is het ziekenhuis veroordeeld in de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van [appellante], welke door de rechtbank zijn begroot op € 2.209,72.

3.5 Bij deurwaardersexploot van 12 januari 2011 heeft [appellante] de beschikking van 2 december 2010 doen betekenen en bevel laten doen om binnen twee dagen de proceskosten van € 2.209,72 en de kosten van het exploot van € 87,41 te voldoen.

3.6 Het ziekenhuis heeft vervolgens onderhavig kort geding gestart. [appellante] heeft te kennen gegeven de executiemaatregelen in afwachting van de uitkomst van dit kort geding te staken.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het ziekenhuis heeft naar aanleiding van het onder 3.5 genoemde deurwaardersexploot van 12 januari 2011 en het daarin gedane bevel om binnen twee dagen de proceskosten van € 2.209,72 te voldoen, in eerste aanleg gevorderd de (verdere) tenuitvoerlegging van de executie van de in de deelgeschilprocedure gegeven beschikking van de rechtbank Zutphen van 2 december 2010 te verbieden. Bij het bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - vonnis heeft de voorzieningenrechter [appellante] verboden de beschikking van 2 december 2010 verder ten uitvoer te leggen, en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

4.2 Met de grieven wordt beoogd het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor te leggen.

4.3 Naar het oordeel van het hof kan ook in een executiegeschil met betrekking tot een beschikking in een deelgeschilprocedure de schorsing of staking van de executie van een beschikking worden bevolen, indien de executierechter van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde en eventuele andere belanghebbenden, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging van de beschikking op grond van na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen omstandigheden klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor de onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Het is in beginsel aan het ziekenhuis om gemotiveerd te stellen en zonodig te bewijzen dat [appellante] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft om tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 2 december 2010 over te gaan.

4.4 Het ziekenhuis stelt, onder verwijzing naar artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onder meer dat de rechter in een deelgeschilprocedure pas tot een veroordeling van de begrote kosten kan komen indien en voorzover de aansprakelijkheid van de wederpartij van de benadeelde in voldoende mate vaststaat. Nu de aansprakelijkheid juist in geschil is gebleven, is de rechter in de deelgeschilprocedure ten onrechte overgegaan tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling. Volgens het ziekenhuis dient dit aangemerkt te worden als een juridische misslag, en dient om die reden geconcludeerd te worden dat [appellante] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie van de proceskostenveroordeling.

4.5 Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv begroot de rechter in de deelgeschilprocedure de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt in de beschikking. In het tweede lid van artikel 1019aa Rv is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde kosten gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 1019aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, waarin is bepaald dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden, niet van toepassing op de deelgeschilprocedure.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (hierna: de toelichting), TK, vergaderjaar 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 19 is er duidelijkheidshalve op gewezen dat de begroting van de kosten van de deelgeschilprocedure als zodanig nog geen veroordeling inhoudt van de wederpartij van de benadeelde. Zonder zodanige veroordeling levert de beschikking voor deze kosten derhalve geen executoriale titel op. Een veroordeling kan worden verzocht als onderdeel van het verzoek tot het geven van een beslissing op het deelgeschil. Het spreekt, aldus de toelichting, vanzelf dat de rechter de wederpartij niet tot betaling van de begrote kosten zal veroordelen als diens aansprakelijkheid voor de door de benadeelde geleden schade onvoldoende vaststaat.

4.6 Uit artikel 1019aa leden 1, 2 en 3 Rv en de toelichting daarop blijkt dat de rechter in de deelgeschilprocedure ingeval de aansprakelijkheid voor de geleden schade onvoldoende vaststaat dient te volstaan met een begroting van de proceskosten, zonder daarbij een proceskostenveroordeling uit te spreken. Nu de rechter in de deelgeschilprocedure uitdrukkelijk niet heeft geoordeeld over de aansprakelijkheid (partijen zijn het van meet af aan oneens over de aansprakelijkheid, doch geen van hen heeft dat in die procedure ter beoordeling aan de rechter voorgelegd), had die rechter moeten volstaan met een begroting van de proceskosten. Op grond hiervan is het hof voorshands van oordeel dat de beschikking van 2 december 2010, voor zover het de veroordeling van het ziekenhuis in de proceskosten betreft, berust op een juridische misslag. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [appellante] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van dat deel van de beschikking over te gaan. Hierop stuit het hoger beroep van [appellante] af.

4.7 Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen van 3 februari 2011;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep begroot op € 632,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, L.J. de Kerpel-van de Poel en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 december 2011.