Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU8359

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
11-00417
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BQ4427, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BX9120, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BX9120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schenkingsrecht.

Samenloop met overdrachtsbelasting. Toerekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3111
V-N 2012/11.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00417

uitspraakdatum: 6 december 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2011, nummer AWB 10/3398, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een aanslag schenkingsrecht van € 8.349 opgelegd.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2010 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 12 mei 2011 het beroep gegrond verklaard en de aanslag schenkingsrecht verminderd tot een bedrag van € 6.787.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Met instemming van partijen is het onderzoek ter zitting op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege gebleven.

2. De vaststaande feiten

2.1 Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. In onderdeel 2 van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiseres dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur):

“Eiseres heeft bij akte van levering van 31 december 2009 de eigendom verkregen van de in aanbouw zijnde woning aan de a-straat 1 te Q. Verkoper is de moeder van eiseres. De koopprijs bedroeg € 400.000 waarvan € 95.000 ten titel van schenking is kwijtgescholden.

Ter zake van de verkrijging van de in aanbouw zijnde woning is een bedrag van € 6.906 aan overdrachtsbelasting betaald. Dit bedrag is als volgt berekend:

Koopprijs € 400.000

Vermindering op grond van artikel 13 van de

Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) € 284.908 -/-

Heffingsgrondslag x tarief € 115.100 (afgerond) x 6% = € 6.906

Eiseres heeft op 1 april 2010 aangifte schenkingsrecht gedaan van het kwijtgescholden gedeelte van de koopprijs. Met dagtekening 2 juni 2010 is conform de aangifte aan eiseres een aanslag schenkingsrecht opgelegd van € 8.349. Dit bedrag is als volgt berekend:

Schenking € 95.000

Vrijstelling € 4.556

Grondslag voor het recht van schenking € 90.444

Hierop is het tarief van tariefgroep I van toepassing wat heeft geresulteerd in een aanslag van € 8.349.

Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard.”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslag schenkingsrecht terecht heeft opgelegd.

3.2 Belanghebbende heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat het kwijtgescholden deel van de koopsom zoveel mogelijk dient te worden toegerekend aan dat deel van de koopprijs waarover overdrachtsbelasting verschuldigd was. Voor zover dit standpunt niet kan worden gevolgd, stelt belanghebbende zich subsidiair op het standpunt dat artikel 24, vierde lid, van de Successiewet 1956 (hierna: SW) ook samenloop tussen schenkingsrecht en omzetbelasting poogt tegen te gaan en dat de vrijstelling ook van toepassing is op het kwijtgescholden deel van de koopsom dat toegerekend moet worden aan het gedeelte van de koopprijs waarover omzetbelasting verschuldigd was. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag schenkingsrecht tot € 2.922.

3.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 24, vierde lid, van de SW bepaalt:

“De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking of recht van overgang verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking onderscheidenlijk het recht van overgang.”

4.2 In het onderhavige geval is een deel van de koopsom verschuldigd voor de onroerende zaak kwijtgescholden en is overdrachtsbelasting verschuldigd over slechts een gedeelte van de waarde van de verkregen onroerende zaak. Artikel 24, vierde lid, van de SW bepaalt niet op welke wijze het bedrag waarover recht van schenking verschuldigd is, dient te worden toegerekend aan het gedeelte van de onroerende zaak waarover overdrachtsbelasting verschuldigd was. Het Hof kan belanghebbendes primaire stelling, inhoudende dat het gehele bedrag waarover recht van schenking is verschuldigd zoveel mogelijk dient te worden toegerekend aan het bedrag waarover overdrachtsbelasting is betaald, niet volgen. Voor deze zienswijze is geen steun te vinden in het recht. Evenmin zijn daarvoor aanwijzingen te vinden in de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling. Naar het oordeel van het Hof brengt in dit geval een redelijke wetsuitleg mee, dat, zoals de Rechtbank heeft gedaan, het bedrag waarover overdrachtsbelasting is betaald (€ 115.100) pro rata wordt toegerekend aan het bedrag waarover recht van schenking is verschuldigd (€ 90.444) en het bedrag waarover geen recht van schenking is verschuldigd (€ 309.556).

4.3 Het Hof verwerpt ook de subsidiaire stelling van belanghebbende dat artikel 24, vierde lid, van de SW ook samenloop tussen recht van schenking en omzetbelasting poogt tegen te gaan en dat de vrijstelling ook van toepassing is op het bedrag waarover recht van schenking is verschuldigd dat toegerekend moet worden aan het gedeelte van de koopprijs waarover omzetbelasting verschuldigd was. Blijkens de wettekst van artikel 24, vierde lid, van de SW, poogt dit artikellid samenloop tussen schenkingsrecht en overdrachtsbelasting tegen te gaan. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat deze samenloop zich niet kan voordoen voor het bedrag waarover op grond van artikel 13, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer geen overdrachtsbelasting is geheven.

4.4 Het bedrag waarover overdrachtsbelasting is betaald dient derhalve tot een bedrag van € 26.025 (€ 90.444/€ 400.000 maal € 115.100) toegerekend te worden aan het bedrag waarover recht van schenking verschuldigd is. De overdrachtsbelasting verschuldigd over dit bedrag, afgerond € 1.562 (6% van € 26.025), strekt op grond van artikel 24, vierde lid, van de SW in mindering op het verschuldigde recht van schenking. De Rechtbank heeft aldus terecht het zonder toepassing van dit wetsartikel verschuldigde recht van schenking van € 8.349 met dit bedrag verminderd tot een aanslag van € 6.787

Slotsom

Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 6 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter,

De griffier is verhinderd deze uitspraak

te ondertekenen

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 december 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.