Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU7762

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
200.069.498
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rv 118; BW 7:363, 7:369, 7:370 7:371

Ten onrechte, want overbodig, is door de voorgestelde medepachter een incidentele vordering tot voeging ingesteld. Door zijn oproeping op de voet van art. 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werd hij (reeds) partij in het geding. Als opgeroepen partij is hij in de gelegenheid om zijn standpunt aan het hof ter beoordeling voor te leggen, waarvan hij ook gebruik heeft gemaakt. Door de voorgestelde medepachter is niet toegelicht wat voeging hieraan zou kunnen toevoegen. Bij zijn incidentele vordering heeft hij dus geen belang, zodat die vordering dient te worden afgewezen.

De toewijzing van de vordering in conventie heeft de pachtkamer in eerste aanleg gegrond op art. 7:370 lid 1 aanhef en onder d BW, volgens welke bepaling de pachtrechter de vordering tot beëindiging kan toewijzen indien de pachter niet toestemt in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe pachtovereenkomst, voor zover dat aanbod niet een wijziging van de pachtprijs inhoudt.

De tegen deze beslissing gerichte grieven in het principaal beroep slagen. De brief van 21 juli 2008 bevat een voorstel om over het beëindigen van de lopende pachtovereenkomst en het aangaan van een nieuwe, geliberaliseerde pachtovereenkomst in onderhandeling te treden. Verpachters hebben hun voorstel niet geconcretiseerd wat betreft onder meer de looptijd van de overeenkomst en de prijs. Bij gebreke van deze elementen was het voorstel onvoldoende bepaald om van een aanbod te kunnen spreken. In de loop van de onderhavige procedure hebben verpachters alsnog aangegeven “hetzelfde prijsniveau te handhaven”, maar ook daarmee is het voorstel nog onvoldoende concreet omschreven, daargelaten of een nadere concretisering van na de opzegging bij de beoordeling van een beëindigingsvordering in aanmerking kan worden genomen. Anders dan verpachters aanvoeren belette de reactie van pachter hen niet tot het doen van een concreet aanbod. Ook bestaat er geen grond om in verband met de afhoudende reactie van pachter het door verpachters gedane voorstel aan een volwaardig aanbod gelijk te stellen. In dit verband is van belang dat de opsomming van beëindigingsgronden in art. 7:370 lid 1 BW een limitatief karakter draagt, waarmee de wetgever klaarblijkelijk heeft beoogd de pachter te beschermen. Daarbij past een extensieve interpretatie van een van die beëindigingsgronden niet.

Ten overvloede voegt het hof aan het voorgaande toe dat het allerminst vanzelfsprekend is dat een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst een redelijk aanbod zou kunnen zijn als bedoeld in art. 7:370 lid 1 aanhef en onder d BW. Uit art. 7:371 lid 2 BW lijkt te volgen dat de wetgever uitsluitend aan een aanbod tot het aangaan van een nieuwe reguliere pachtovereenkomst heeft gedacht. Het daar genoemde art. 7:325 BW is immers volgens art. 7:397 lid 1 BW niet van toepassing in geval van geliberaliseerde pacht. Indien niettemin zou moeten worden aangenomen dat een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst binnen het bereik van art. 7:370 lid 1 aanhef en onder d valt omdat de tekst van de wet dat niet uitsluit, geldt dat zo’n aanbod slechts zelden als redelijk zal kunnen worden aangemerkt, omdat geliberaliseerde pacht immers een aanzienlijke verslechtering van de rechtspositie van de pachter impliceert. In verband daarmee en gelet op het belang van pachter bij voortzetting van de pacht samen met de voorgestelde medepachter en beoogd bedrijfsopvolger (zie hierna) zou een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst in ieder geval in het onderhavige geval niet als redelijk hebben kunnen gelden.

In de processtukken hebben verpachters pachter nog diverse andere verwijten gemaakt, onder meer wat betreft de inbreng van het gepachte in de maatschap. Deze verwijten, die redelijkerwijs niet kunnen worden beschouwd als een uitwerking van het reeds in de opzegging gebezigde verwijt, moeten buiten beschouwing blijven omdat immers volgens art. 7:369 lid 2 Burgerlijk Wetboek de verpachter slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. Dat voorschrift strekt ertoe dat de pachter aan de hand van de in de opzegging vermelde grond(en) moet kunnen bepalen of hij in de opzegging wil berusten, dan wel het op een procedure wil laten aankomen.

Belangenafweging in het kader van art. 7:370 lid 1 aanhef en onder c BW valt uit in het voordeel van pachter (zie arrest).

Vordering tot aanwijzing van medepachter wordt toegewezen. Magere agrarische opleiding hier geen bezwaar in verband met de aard van het bedrijf. Ook de omstandigheid dat de voorgestelde medepachter tevens een klusbedrijf heeft, is geen beletsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.069.498

(zaaknummer rechtbank 250203)

arrest van de pachtkamer van 22 november 2011

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo,

tegen:

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.G. Besling,

en met als opgeroepen partij, tevens eiser in het incident tot voeging:

[A],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo.

Het hof zal partijen hierna aanduiden als respectievelijk [appellant], [geïntimeerden] en [A]

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar de arresten van 20 juli 2010, 9 november 2010 en 17 mei 2011.

1.2 Bij het arrest van 17 mei 2011 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen, die vervolgens op 3 oktober 2011 heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan de comparitie hebben partijen elk een vragenlijst met bijlagen overgelegd. Ter zitting hebben [appellant] en [A] naar aanleiding van een verzoek van [geïntimeerden] en een bevel van het hof bovendien een kopie overgelegd van de tussen hen gesloten maatschapsovereenkomst van 30 september 2002.

1.3 De advocaten van partijen hebben bij gelegenheid van de comparitie de zaak nader bepleit en daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

1.4 Ten slotte heeft het hof met instemming van partijen opnieuw arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast.

2.2 Tussen (de rechtsvoorgangster van) [geïntimeerden] als verpachters en [appellant] als pachter bestaat sinds 1 november 1980 een pachtovereenkomst, die thans betrekking heeft op de percelen kadastraal bekend gemeente [.....], groot 3.32.85 ha en [.....], groot 3.11.80 ha.

2.3 Tussen [appellant] en [A] bestaat sinds 30 september 2002 een maatschap waarin [appellant] het gebruik en genot van het gepachte heeft ingebracht. Bij brief van 27 juli 2003 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] in het kader van bedrijfsopvolging gevraagd of zij ermee konden instemmen dat [A] medepachter zou worden. Daarop is van de zijde van [geïntimeerden] afwijzend ge¬reageerd.

2.4 Bij brief van 21 juli 2008 heeft geïntimeerde sub 1 namens [geïntimeerden] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“Onderhavige pachtovereenkomst… eindigt thans op 1 november 2010.

De vraag is wat er na 1 november 2010 moet gebeuren. Gaarne willen wij met u in overleg treden teneinde een voor alle partijen bevredigende regeling te treffen. Wij denken hierbij aan: beëindiging van de pachtovereenkomst in onderling overleg. Eventueel zo u zulks wenst gevolgd door het sluiten van een nieuwe overeenkomst op basis van de mogelijkheid als opgenomen in de nieuwe pachtregeling, te weten: de zogenaamde geliberaliseerde pacht.”

2.5 [appellant] heeft op 1 augustus 2008 onder meer als volgt geantwoord:

“Aangezien ik praktiserend landbouwer ben en nog lang hoop te blijven gaat mijn voorkeur uit naar het continueren van de pacht per 1 november 2010. Het omzetten van het bestaande contract van reguliere pacht naar geliberaliseerde pacht is voor mij geen optie.”

2.6 Bij brief van 14 oktober 2008 (tevens bij exploot van 16 oktober 2008 aan [appellant] betekend) heeft de advocaat van [geïntimeerden] namens hen de pachtovereenkomst opgezegd tegen het einde van de lopende pachttermijn (1 november 2010). Daarbij hebben [geïntimeerden] zich beroepen op de opzeggingsgronden als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder a, c en d Burgerlijk Wetboek. De brief werkt die gronden als volgt uit:

“Ten aanzien van de opzeggingsgrond als vermeld onder artikel 370 lid 1 a merk ik op dat u cliënte bij brief, door haar ontvangen op 27 juli 2003, heeft meegedeeld, uw zoon bij het bedrijf en de bedrijfsvoering te willen betrekken en uw zoon als medepachter te accepteren. Bij brief van 18 augustus 2003 heeft cliënte u medegedeeld niet op uw ver¬zoek te willen ingaan. Inmiddels zijn we ruim vijf jaar verder. In die tussentijd heeft cliënte niets meer van u vernomen inzake een bedrijfsoverdracht aan uw zoon. Geconstateerd is dat op het gepachte maïs staat. Er wordt vanuit gegaan dat u de werkzaamheden voor de maïsteelt volledig door een derde/derden laat uitvoeren. Dit is in strijd met de Pachtwet en met de algemene voorwaarden van de pachtovereenkomst.

Over de opzeggingsgrond als vermeld in artikel 370 lid 1 c betreffende de belangenafweging merk ik op dat de eigenaren er belang bij hebben de gronden pachtvrij te kunnen verkopen. Vervolgens kan de mede-eigendomssituatie beëindigd worden. Eén der mede-eigenaren heeft dringend behoefte aan financiële middelen. Gezien het feit dat u reeds in 2003 aangaf over bedrijfsopvolging te denken, kan aangenomen worden dat u – die inmiddels in ieder geval ook over AOW beschikt – het gepachte niet meer nodig heeft voor uw levensonderhoud dan wel het gepachte niet meer bedrijfsmatig in gebruik heeft. Overigens heeft cliënte u aangeboden per 1 november 2010 met u een nieuwe pachtovereenkomst te willen sluiten op basis van de nieuwe pachtregeling: de zogenaamde geliberaliseerde pacht. U heeft aangegeven daar niet op in te willen gaan.

Ten aanzien van de opzeggingsgrond als vermeld onder artikel 370 lid 1 d merk ik op dat cliënte in haar brief van 21 juli 2008 heeft aangegeven desgewenst te willen instemmen met het sluiten van een nieuwe overeenkomst op basis van de mogelijkheid als opgenomen in de nieuwe pachtregeling, te weten: de zogenaamde geliberaliseerde pacht. In uw brief van 1 augustus 2008 heeft u aangegeven dat het omzetten van een bestaand contract van reguliere pacht naar geliberaliseerde pacht per 1 november 2010 geen optie is.

In de ogen van cliënte stemt u derhalve niet in met een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe pachtovereenkomst.”

2.7 [appellant] heeft zich bij brief van zijn gemachtigde van 25 november 2008 gemotiveerd tegen de opzegging verzet.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1 Ten onrechte, want overbodig, is door [A] een incidentele vordering tot voeging ingesteld. Door zijn oproeping op de voet van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werd hij (reeds) partij in het geding. Als opgeroepen partij is hij in de gelegenheid om zijn standpunt aan het hof ter beoordeling voor te leggen, waarvan [A] ook gebruik heeft gemaakt. Door [A] is niet toegelicht wat voeging hieraan zou kunnen toevoegen. Bij zijn incidentele vordering heeft hij dus geen belang, zodat die vordering dient te worden afgewezen.

3.2 De slotsom in het incident is dat de vordering van [A] zal worden afgewezen, met zijn veroordeling in de proceskosten, zij het ook dat het hof de aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen kosten zal begroten op nihil.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het hof roept in herinnering dat de zaak in conventie een vordering tot beëindiging van de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst betreft en dat [appellant] in reconventie thans vordert primair dat [A] als medepachter zal worden aangemerkt en subsidiair diens indeplaatsstelling. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de vordering in conventie toegewezen en heeft [appellant] in zijn vordering in reconventie (die in eerste aanleg alleen strekte tot het aanmerken van [A] als medepachter) niet-ontvankelijk verklaard.

4.2 Met grief 1 in het principaal beroep en de (enige) grief in het incidenteel beroep, die beide betrekking hebben op de feitenvaststelling in het bestreden vonnis, heeft het hof hiervoor onder 2 reeds rekening gehouden. Bij die stand van zaken hebben partijen bij die grieven geen belang meer.

4.3 De toewijzing van de vordering in conventie heeft de pachtkamer in eerste aanleg gegrond op artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder d Burgerlijk Wetboek, volgens welke bepaling de pachtrechter de vordering tot beëindiging kan toewijzen indien de pachter niet toestemt in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe pachtovereenkomst, voor zover dat aanbod niet een wijziging van de pachtprijs inhoudt.

4.4 De tegen deze bepaling gerichte grieven in het principaal beroep slagen. De brief van 21 juli 2008 bevat een voorstel om over het beëindigen van de lopende pachtovereenkomst en het aangaan van een nieuwe, geliberaliseerde pachtovereenkomst in onderhandeling te treden. [geïntimeerden] hebben hun voorstel niet geconcretiseerd wat betreft onder meer de looptijd van de overeenkomst en de prijs. Bij gebreke van deze elementen was het voorstel onvoldoende bepaald om van een aanbod te kunnen spreken. In de loop van de onderhavige procedure hebben [geïntimeerden] alsnog aangegeven “hetzelfde prijsniveau te handhaven” (memorie van antwoord in het principaal beroep onder 10), maar ook daarmee is het voorstel nog onvoldoende concreet omschreven, daargelaten of een nadere concretisering van na de opzegging bij de beoordeling van een beëindigingsvordering in aanmerking kan worden genomen. Anders dan [geïntimeerden] aanvoeren belette de reactie van [appellant] hen niet tot het doen van een concreet aanbod. Ook bestaat er geen grond om in verband met de afhoudende reactie van [appellant] (zie hiervoor onder 2.5) het door [geïntimeerden] gedane voorstel aan een volwaardig aanbod gelijk te stellen. In dit verband is van belang dat de opsomming van beëindigingsgronden in artikel 7:370 lid 1 Burgerlijk Wetboek een limitatief karakter draagt, waarmee de wetgever klaarblijkelijk heeft beoogd de pachter te beschermen. Daarbij past een extensieve interpretatie van een van die beëindigingsgronden niet.

4.5 Ten overvloede voegt het hof aan het voorgaande toe dat het niet vanzelfsprekend is dat een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst een redelijk aanbod zou kunnen zijn als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder d Burgerlijk Wetboek. Uit artikel 7:371 lid 2 Burgerlijk Wetboek lijkt te volgen dat de wetgever uitsluitend aan een aanbod tot het aangaan van een nieuwe reguliere pachtovereenkomst heeft gedacht. Het daar genoemde artikel 7:325 Burgerlijk Wetboek is immers volgens artikel 7:397 lid 1 Burgerlijk Wetboek niet van toepassing in geval van geliberaliseerde pacht. Indien zou moeten worden aangenomen dat een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst binnen het bereik van artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder d valt omdat de tekst van de wet dat niet uitsluit, geldt dat zo’n aanbod niet snel als redelijk zal kunnen worden aangemerkt, omdat geliberaliseerde pacht immers een aanzienlijke verslechtering van de rechtspositie van de pachter impliceert. In verband daarmee en gelet op het belang van [appellant] bij voortzetting van de pacht samen met [A] als medepachter en beoogd bedrijfsopvolger (zie hierna) zou een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst in ieder geval in het onderhavige geval niet als redelijk hebben kunnen gelden.

4.6 De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof thans onderzoekt of de beëindigingvordering van [geïntimeerden] op een van de beide andere in de opzegging gebezigde gronden kan worden toegewezen.

4.7 In hun opzegging hebben [geïntimeerden] voor hun beroep op artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek verwezen naar de wijze waarop het gepachte wordt geëxploiteerd, namelijk voor het telen van maïs, waarbij de werkzaamheden voor de maïsteelt volledig door derden worden uitgevoerd. Ook indien dit laatste juist zou zijn, volgt daaruit niet dat [appellant] het gepachte niet persoonlijk in gebruik heeft. Het uitbesteden van werkzaamheden aan loonwerkers is zeker wat betreft de teelt van maïs in de landbouw algemeen gangbaar en de maïs wordt in het eigen bedrijf van [appellant] aangewend als voer voor de door hem gehouden rosékalveren.

4.8 In de processtukken hebben [geïntimeerden] [appellant] nog diverse andere verwijten gemaakt, onder meer wat betreft de inbreng van het gepachte in de maatschap (zie hiervoor onder 2.3). Deze verwijten, die redelijkerwijs niet kunnen worden beschouwd als een uitwerking van het reeds in de opzegging gebezigde verwijt, moeten buiten beschouwing blijven omdat immers volgens artikel 7:369 lid 2 Burgerlijk Wetboek de verpachter slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. Dat voorschrift strekt ertoe dat de pachter aan de hand van de in de opzegging vermelde grond(en) moet kunnen bepalen of hij in de opzegging wil berusten, dan wel het op een procedure wil laten aankomen.

4.9 Wat betreft de inbreng in de maatschap overweegt het hof ten overvloede dat volgens de tekst van de overeenkomst alleen het gebruik en het genot zijn ingebracht. Voor zover er al van zou kunnen worden uitgegaan dat met deze inbreng aan [A] zeggenschap over (de wijze van exploitatie van) het gepachte is toegekend, geldt dat de stemverhouding binnen de maatschap niet zodanig is dat [appellant] door [A] kan worden overstemd.

4.10 Met betrekking tot de opzeggingsgrond als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek overweegt het hof als volgt.

4.11 Volgens de bedoelde bepaling kan de pachtrechter de beëindigingsvordering toewijzen indien een redelijke afweging van de belangen van de verpachter bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de pachter bij verlenging van de overeenkomst in het voordeel van de verpachter uitvalt.

4.12 [appellant] heeft een goed renderend landbouwbedrijf. Het gepachte vervult in dat bedrijf een rol van betekenis, in het bijzonder wat betreft voederwinning en mestafzet. Uitgaande van de door [appellant] opgegeven bedrijfsgrootte zal een verlies van het gepachte het voortbestaan van het bedrijf niet in gevaar brengen. Wel zal dat verlies een negatieve invloed op de bedrijfsresultaten kunnen hebben. Dat geldt ook indien inmiddels de bedrijfsgrootte is afgenomen, zoals [geïntimeerden] veronderstellen (pleitaantekeningen mr. Besling onder 3), maar door [appellant] wordt ontkend. Het hof houdt bij de belangenafweging geen rekening met de door [appellant] aangekondigde uitbreiding van zijn stalruimte met 620 plaatsen voor rosékalveren, omdat onvoldoende vaststaat dat die uitbreiding daadwerkelijk zal kunnen worden gerealiseerd.

4.13 Hun belang bij het beëindigen van de pacht hebben [geïntimeerden] slechts wat betreft één van hen, geïntimeerde sub 2, geconcretiseerd. Bij memorie van antwoord in het principaal beroep hebben zij als productie overgelegd zijn belastingaanslag 2009 waaruit blijkt dat het verzamelinkomen van geïntimeerde sub 2 niet meer dan € 14.573,— bedraagt. De persoonlijke omstandigheden van geïntimeerde sub 2 zijn door [geïntimeerden] voor het overige niet opgehelderd en bij gelegenheid van de comparitie van partijen is geïntimeerde sub 2 ook niet ter zitting verschenen. Door de advocaat van [appellant] en [A] is bij gelegenheid van de comparitie van partijen voorgerekend dat uit dezelfde belastingaanslag blijkt dat het vermogen in box 3 € 111.425,— moet zijn (kennelijk is bedoeld: boven het heffingsvrij vermogen dat voor geïntimeerde sub 2 geldt). Die berekening is van de zijde van [geïntimeerden] niet betwist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geïntimeerde sub 2 enig vermogen heeft, klaarblijkelijk ook afgezien van zijn aandeel in de verpachte gronden.

4.14 Voor zover [geïntimeerden] zich beroepen op hun belang “om ten langen leste uit de onverdeeldheid te geraken middels verkoop opdat de kinderen van verpachters te zijner tijd niet in dezelfde onverdeeldheid belanden” (memorie van antwoord onder 18) geldt dat het voortduren van de pachtovereenkomst een verkoop van het gepachte niet verhindert, zodat niet valt in te zien waarom [geïntimeerden] genoodzaakt zouden zijn de onverdeeldheid te laten voortduren.

4.15 [geïntimeerden] beroepen zich er verder op dat [appellant] inmiddels ouder dan 65 jaar is en AOW geniet. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen hebben [geïntimeerden] zich in het verlengde hiervan beroepen op het vertrouwen dat zij konden ontlenen aan de regeling van de Pachtwet, zoals die gold tot 1 september 2007, volgens welke een verpachter de pacht kon doen eindigen op het moment dat de verpachter 65 jaar werd. Bijzondere feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat een en ander in het onderhavige geval bijzonder klemt, hebben [geïntimeerden] echter niet aangevoerd. Tegenover het bedoelde vertrouwen staat de welbewuste keuze die de wetgever met het nieuwe pachtrecht heeft gemaakt om de leeftijdsgrens van 65 jaar niet te handhaven. Ook hebben [geïntimeerden] redelijkerwijs rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de brief van 27 juli 2003 (hiervoor onder 2.3) een vervolg zou krijgen en dat in rechte om de indeplaatsstelling of medepacht van [A] zou worden gevraagd. Gelet daarop konden [geïntimeerden] er niet zonder meer op rekenen dat het bedrijf van [appellant] in verband met diens leeftijd zou worden beëindigd.

4.16 Hetgeen overigens door [geïntimeerden] omtrent hun belangen is aangevoerd, acht het hof niet van wezenlijk gewicht.

4.17 Een en ander overziende beoordeelt het hof de belangen van [appellant] bij verlenging van de overeenkomst als van meer gewicht dan die van [geïntimeerden] bij beëindiging.

4.18 Uit hetgeen is overwogen, volgt dat de vordering in conventie dient te worden afgewezen.

4.19 Vervolgens is de vordering in reconventie aan de orde. Primair strekt die vordering tot het aanmerken van [A] tot medepachter op de voet van artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek. Uit hetgeen [A] als opgeroepen partijen heeft aangevoerd, volgt dat hij inderdaad medepachter wil worden.

4.20 [A] heeft drie jaar lagere agrarische school (dus geen diploma) en heeft vervolgens de lagere technische school doorlopen, richting bouw. Aldus is de landbouwkundige scholing van [A] mager. Gelet op de aard van het door [appellant] en [A] gedreven bedrijf (het houden van rosékalveren, die niet op het bedrijf worden geboren, maar daar slechts worden gemest), de omstandigheid dat [A] reeds jarenlang in dat bedrijf meeloopt en de beantwoording door [A] van de bij gelegenheid van de comparitie van partijen aan hem gestelde vragen, kan niettemin niet worden gezegd dat [A] als voorgestelde medepachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt.

4.21 [A] heeft op dit moment een klusbedrijf, dat hij uitoefent naast zijn werkzaamheden op het bedrijf van de maatschap. Het hof ziet daarin geen beletsel voor toewijzing van de vordering in reconventie. [A] heeft aangegeven dat hij zijn klusbedrijf zal afbouwen naarmate zijn vader diens bijdrage aan het bedrijf in verband met zijn leeftijd zal moeten verminderen.

4.22 [appellant] en [A] hebben in het kader van de door hen voorgenomen bedrijfsopvolging belang bij toewijzing van de vordering tot het aanmerken van [A] als medepachter. Hetgeen [geïntimeerden] daartegenover hebben gesteld, legt geen wezenlijk gewicht in de schaal. Naar billijkheid dient de primaire vordering dan ook te worden toegewezen. De subsidiaire vordering (tot indeplaatsstelling) behoeft geen bespreking meer.

4.23 De slotsom is dat de bestreden vonnissen niet in stand kunnen blijven. Opnieuw recht doende zal het hof de vordering in conventie afwijzen en het primair gevorderde in reconventie toewijzen. [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, in eerste aanleg in conventie en in reconventie, en in hoger beroep zowel wat betreft het principaal als het incidenteel appel. [geïntimeerden] dienen tevens de kosten te dragen van de oproeping van [A] in het geding.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van [A] af;

veroordeelt [A] in de kosten van het incident en begroot de kosten aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen op nihil;

in de hoofdzaak:

vernietigt de vonnissen van de pachtkamer van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen van 26 augustus 2009 en 12 mei 2010 en doet opnieuw recht;

in conventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.200,— voor salaris voor de gemachtigde;

in reconventie:

merkt [A] aan als medepachter;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie, aan de zijde van [appellant] begroot op € 600,— voor salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het principaal beroep en het incidenteel beroep, de kosten van de oproeping van [A] daaronder begrepen, en begroot die kosten wat betreft het principaal beroep aan de zijde van [appellant] en [A] op € 263,— voor griffierecht, op € 162,74 voor explootkosten en op € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, en wat betreft het incidenteel beroep op € 447,—;

bepaalt dat [geïntimeerden] wettelijke rente verschuldigd zijn voor zover zij aan voormelde veroordelingen niet binnen veertien dagen na heden voldoen;

verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en D. van Emden en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011.