Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU7727

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-00324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges.

Aanvraag bouwvergunning. Herbouw dijkwoning. Fair play.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2906
Belastingblad 2012/80
V-N 2012/11.25.8

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00324

uitspraakdatum: 29 november 2011

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2010, nummer AWB 09/323, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Buren (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Van belanghebbende is bij nota van 29 juni 1998 (kenmerk 97.105) een bedrag van ƒ 7.829 (€ 3.553) aan leges gevorderd voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning (hierna: de legesnota).

1.2 Het bezwaar van belanghebbende is door de Ambtenaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 juni 2010 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord de echtgenote van belanghebbende, als de gemachtigde van belanghebbende. De Ambtenaar is, zonder kennisgeving van afwezigheid, niet verschenen.

1.7 Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Nadien heeft het Hof in hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard aanleiding gezien het onderzoek te heropenen in de zin van artikel 27j, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht. De griffier van het Hof heeft vervolgens bij brief van 30 mei 2011 bij de Ambtenaar nadere inlichtingen ingewonnen, waarbij een afschrift van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is meegezonden. De Ambtenaar heeft bij brief van 24 juni 2011, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2011, gereageerd. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 24 juli 2011, ingekomen bij het Hof op 27 juli 2011, gereageerd.

1.8 Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de echtgenote van belanghebbende, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Ambtenaar.

1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 22 maart 1993 is aan A een bouwvergunning verleend die betrekking heeft op de herbouw van een voormalige dijkwoning die in 1982 was gesloopt. Het betreft het perceel a-straat 1 te Q.

2.2 De in 2.1 vermelde bouwvergunning is in 1996 overgeschreven op naam van belanghebbende. Hiervoor is ƒ 4.500 (€ 2.042) aan A betaald.

2.3 Belanghebbende heeft op 27 november 1997 een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor de bouw van een woning op het perceel a-straat 1 te Q. Belanghebbende heeft op het aanvraagformulier aangegeven dat het gaat om een ‘bouwvergunning voor het gewijzigd uitvoeren van een bouwplan waarvoor reeds een bouwvergunning is afgegeven’.

2.4 De bouwvergunning is op 29 juni 1998 verleend. Hierbij zijn voorwaarden en eisen gesteld, waaronder dat de woning dient te worden gesitueerd op acht meter uit de achterste perceelsgrens, het vloerpeil op de begane grond overeen dient te komen met het vloerpeil van een andere woning en dat het balkonhek aan de achterzijde gesloten dient te worden uitgevoerd. Belanghebbende dient verder gewijzigde tekeningen te overleggen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden en eisen wordt voldaan.

2.5 De Ambtenaar heeft eveneens op 29 juni 1998 de legesnota vastgesteld, daarbij ervan uitgaande dat er sprake is van een nieuw bouwplan en daarmee van een nieuwe aanvraag.

2.6 Bij brief van 29 juli 1998 maakt belanghebbende bezwaar tegen de legesnota.

2.7 Belanghebbende heeft op 18 juni 1999 om een wijziging van de verleende bouwvergunning verzocht. De gewijzigde bouwvergunning is verleend met kenmerk B. Voor de gewijzigde bouwvergunning is ƒ 150 aan leges in rekening gebracht.

2.8 Belanghebbende heeft op 31 maart 2000 om een wijziging van de verleende bouwvergunning verzocht. De gewijzigde bouwvergunning is verleend met kenmerk C. Voor de gewijzigde bouwvergunning is ƒ 150 aan leges in rekening gebracht.

2.9 De uitspraak op bezwaar inzake de legesnota is gedagtekend 13 januari 2009 waarbij in de uitspraak onder meer is opgemerkt dat het bezwaar in de afgelopen jaren al door verschillende personen en instanties is behandeld, maar dat de Ambtenaar nog nooit uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de legesnota moet worden vernietigd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Ambtenaar ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende heeft onder meer betoogd dat de in 2.4 vermelde bouwvergunning wegens bevoegdheidsgebreken is vernietigd en dat daarna, maar vóór het in 2.7 vermelde verzoek, een nieuwe aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend. De bouwvergunning is vervolgens verleend, waarbij volgens belanghebbende nogmaals een legesnota ad ƒ 7.829 (€ 3.553) is uitgereikt. De Ambtenaar bestrijdt dat er sprake is van een tweede legesnota. Hij heeft echter in zijn brief van 24 juni 2011 (zie 1.7) en ter zitting van het Hof gesteld dat op het moment dat belanghebbende kan aantonen dat er door hem een betaling heeft plaatsgevonden van een bedrag aan leges van ƒ 7.829 (€ 3.553) het geschil ten einde is en het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, aangezien tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende slechts eenmaal een bedrag van ƒ 7.829 (€ 3.553) aan leges is verschuldigd. Het Hof begrijpt deze stellingname van de Ambtenaar aldus, dat indien een bedrag van ƒ 7.829 (€ 3.553) op enige legesnota door belanghebbende is betaald, de onderhavige legesnota door het Hof dient te worden vernietigd.

4.2 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat er een betaling heeft plaatsgevonden van een bedrag aan leges van ƒ 7.829 (€ 3.553). Redengevend daarvoor is de bij de brief van 24 juli 2011 (zie 1.7) overgelegde kopie van de legesnota met daarop vermeld ‘7.150 – D en 679 – E’ en de geloofwaardige toelichting hierop van belanghebbende ter zitting. Het Hof heeft bij dit oordeel in ogenschouw genomen dat, gelet op de zeer lange duur van de behandeling van het bezwaarschrift – namelijk ruim tien jaar (zie 2.6 en 2.9) – en het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat deze exceptionele vertraging in de afdoening van het bezwaar geheel voor rekening en risico van de Ambtenaar dient te komen, onder deze omstandigheden het niet fair of redelijk is meer bewijs van belanghebbende te verlangen.

Slotsom

Hoewel niet uitgesloten kan worden dat belanghebbende het bedrag van ƒ 7.829 (€ 3.553) rechtsgeldig heeft betaald naar aanleiding van de onderhavige legesnota, zal het Hof – gelet op de stellingname van de Ambtenaar, zoals aangehaald in 4.1 – het hoger beroep gegrond verklaren en de legesnota vernietigen. Het Hof betrekt bij dat oordeel het niet aan belanghebbende toe te rekenen zeer langdurige verloop van de bezwaarfase, zoals weergegeven in 4.2, welk naar het oordeel van het Hof een rol heeft gespeeld bij de onduidelijkheid die is ontstaan omtrent de rechtsgeldigheid van de onderhavige legesnota en de vraag welke legesnota door belanghebbende is voldaan.

5. Kosten

Het Hof vindt aanleiding de Ambtenaar te veroordelen in de reiskosten die de gemachtigde van belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 25.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vernietigt de legesnota,

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 25,

- gelast dat de gemeente Buren het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 111 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 29 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

S. Darwinkel B.F.A. van Huijgevoort

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 november 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.