Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU7722

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11-00031
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Uitgaven voor levensonderhoud. Eigen inkomsten dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 111 met annotatie van vanArnhem
FutD 2011-3106
V-N Vandaag 2011/3095
V-N 2012/11.2.2
V-N 2012/34.19.3

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00031

uitspraakdatum: 29 november 2011

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2011, nummer AWB 09/4374, in het geding tussen de Inspecteur

en

X te Z (hierna: belanghebbende).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.009. Aan heffingsrente is bij beschikking € 78 berekend.

1.2 Op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en – naar het Hof begrijpt – de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 4 januari 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.019 en de Inspecteur gelast de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig te verminderen.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend en belanghebbende een conclusie van dupliek.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011 te Arnhem. Deze zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak met nummer 11/00030. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft twee kinderen uit een vorig huwelijk, een dochter (A) en een zoon (B). De dochter is geboren op 16 oktober 1981.

2.2 De dochter heeft zich op 15 augustus 2006 ingeschreven voor de opleiding Sociaal Pedagogisch Werker aan het C. Op 12 september 2007 heeft zij zich laten uitschrijven.

2.3 In het tweede kwartaal van 2006 heeft de dochter de volgende (netto) bedragen ontvangen:

Stichting D 1.261

Stichting E 1.330

F 99

Teruggaaf inkomstenbelasting 2005 435

Huurtoeslag 375

Zorgtoeslag 100

In totaal 3.600

De kosten van levensonderhoud van de dochter in het tweede kwartaal van 2006 bedragen volgens een overzicht van belanghebbende:

Huur 1.450

Eten en verzorging 400

Zorgverzekering 207

Kleding 100

Diversen 450

In totaal 2.607

2.4 In het derde kwartaal van 2006 heeft de dochter de volgende (netto) bedragen ontvangen:

Stichting E 1.937

F 99

Huurtoeslag 690

Zorgtoeslag 102

In totaal 2.828

De kosten van levensonderhoud van de dochter in het derde kwartaal van 2006 bedragen volgens een overzicht van belanghebbende:

Huur 1.350

Eten en verzorging 600

Kleding 150

Studieboek 130

G 200

Diversen 573

In totaal 3.003

2.5 In het vierde kwartaal van 2006 heeft de dochter de volgende (netto) bedragen ontvangen:

Stichting E 1.725

F 99

Huurtoeslag 458

Zorgtoeslag 73

In totaal 2.355

De kosten van levensonderhoud van de dochter in het vierde kwartaal van 2006 bedragen volgens een overzicht van belanghebbende:

Huur 1.350

Eten en verzorging 600

Zorgverzekering 262

Kleding 150

Studiekosten 812

Diversen 771

In totaal 3.945

2.6 Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar 2006 een bedrag van in totaal € 1.320 als persoonsgebonden aftrekpost opgevoerd wegens in het tweede, derde en vierde kwartaal gedane uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of belanghebbende op grond van de wettelijke bepalingen een bedrag van (twee kwartalen x € 330 =) € 660 in aftrek kan brengen wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend.

3.2 Niet meer in geschil is dat belanghebbende voor het vierde kwartaal van 2006 een bedrag van € 330 in aftrek kan brengen. Evenmin staat nog ter discussie dat belanghebbende voor dit kwartaal niet in aanmerking komt voor een extra aftrekpost van € 330 als bedoeld in artikel 36, lid 2, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

3.3 Bij ontkennende beantwoording van de in 3.1 vermelde vraag is in geschil of belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel desondanks een bedrag van € 660 in aftrek kan brengen. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.679.

3.6 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Algemeen

4.1 Ingevolge artikel 6.1, lid 2, aanhef en onderdeel c, in verbinding met lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) zijn als persoonsgebonden aftrekposten aan te merken, de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

4.2 Artikel 6.13, lid 1, van de Wet bepaalt dat uitgaven voor levensonderhoud van kinderen uitgaven zijn voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling wordt een kind in belangrijke mate door de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 386 per kwartaal beloopt. In dat geval worden ingevolge artikel 36, lid 1, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling de uitgaven voor levensonderhoud van dit kind in aanmerking genomen voor een bedrag van € 330 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.

4.3 Het Hof stelt voorop dat bij de vraag wat iemand voor zijn levensonderhoud nodig heeft, niet alleen acht dient te worden geslagen op de eerste levensbehoeften, maar ook op wat redelijkerwijs nodig is voor het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig zijn plaats in de samenleving (HR 6 december 1945, nr. B. 8008, HR 11 februari 1953, nr. 11 202, BNB 1953/86, HR 27 januari 1999, nr. 34 158, BNB 1999/108 en HR 23 april 2004, nr. 38.588, LJN AO8214, BNB 2004/221). Hierbij dienen eigen inkomsten en vermogen van de ondersteunde mede in aanmerking te worden genomen (HR 16 februari 1955, nr. 12 109, BNB 1955/147 en HR 17 september 2004, nr. 39 418, LJN AO3075, BNB 2005/3).

4.4 Tussen partijen is terecht niet in geschil dat voor wat betreft de hoogte van de kosten van levensonderhoud dient te worden aangesloten bij de daadwerkelijk gemaakte kosten (vgl. HR 23 december 1953, nr. 11 628, BNB 1954/44, HR 27 januari 1999, nr. 34 158, BNB 1999/108 en HR 23 april 2004, nr. 38.588, LJN AO8214, BNB 2004/221). Hierbij gaat het Hof uit van de door belanghebbende aangeleverde overzichten van de kosten van levensonderhoud van de dochter.

Tweede kwartaal 2006

4.5 Het Hof stelt voorop dat bij de berekening van de eigen inkomsten van de dochter rekening moet worden gehouden met de teruggaaf van inkomstenbelasting 2005 ad € 435.

4.6 Vervolgens is de vraag of de door de dochter ontvangen huur- en zorgtoeslag buiten aanmerking moeten blijven bij de berekening van het inkomen. Ook al zou het standpunt van belanghebbende worden gevolgd dat de huur- en zorgtoeslag buiten aanmerking moeten blijven – het Hof kan het antwoord op deze vraag voor dit kwartaal in het midden laten – dan nog kan dat niet tot het door belanghebbende gewenste gevolg leiden. De door de dochter genoten (netto) inkomsten zonder de huur- en zorgtoeslag hebben immers (€ 3.600 -/- € 375 -/- € 100 =) € 3.125 bedragen (zie 2.3), terwijl de kosten van levensonderhoud slechts € 2.607 hebben bedragen (zie 2.3). Dit wordt niet anders indien voor de maand april 2006 nog wordt uitgegaan van kosten van levensonderhoud ter grootte van - een in de ogen van het Hof redelijk bedrag van - € 450, ofwel in totaal € 3.057. De kosten van levensonderhoud konden derhalve worden bestreden uit de ontvangen (netto) bedragen, zodat belanghebbende zich redelijkerwijs niet gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van betalingen aan de dochter. De aftrekpost is derhalve terecht door de Inspecteur geweigerd.

Derde kwartaal 2006

4.7 Het Hof is, anders dan de Rechtbank, van oordeel dat bij de berekening van de eigen inkomsten van de dochter de ontvangen huur- en zorgtoeslag in aanmerking moeten worden genomen. Het betreft immers door de dochter van de overheid ontvangen bedragen die een tegemoetkoming vormen voor haar kosten van levensonderhoud (vgl. HR 20 juni 1979, nr. 19 359, BNB 1979/252).

4.8 In aanmerking nemende dat de dochter € 2.828 netto heeft ontvangen (zie 2.4) en haar kosten van levensonderhoud € 3.003 bedroegen (zie 2.4), concludeert het Hof dat de kosten van levensonderhoud € 175 hoger zijn dan de ontvangen (netto) bedragen, zodat belanghebbende zich voor dit bedrag redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van betalingen aan de dochter. Daarmee is echter niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling dat de bijdrage ten minste € 386 per kwartaal moet belopen. De aftrekpost is derhalve terecht door de Inspecteur geweigerd.

Vierde kwartaal 2006

4.9 Ter zitting van het Hof is de Inspecteur ermee akkoord gegaan dat belanghebbende voor dit kwartaal in aanmerking komt voor de aftrekpost van € 330.

Vertrouwensbeginsel

4.10 Belanghebbende doet verder nog een beroep op het vertrouwensbeginsel daarbij verwijzende naar de aanslagregeling inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2004 en 2005. In de ingediende aangiften voor deze jaren heeft belanghebbende een aftrekpost opgevoerd wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar en wel voor zijn zoon. De Inspecteur heeft voor beide jaren deze aftrekpost geaccepteerd terwijl zijn zoon volgens belanghebbende minder behoeftig was dan zijn dochter en voor het jaar 2005 zelfs met de Belastingdienst is gecorrespondeerd over deze aftrekpost.

4.11 Het Hof is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De reden hiervoor is dat de situaties niet vergelijkbaar zijn, alleen al omdat de bedragen van de eigen inkomsten en kosten van levensonderhoud in de verschillende jaren niet hetzelfde zijn.

Slotsom

4.12 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.009 minus € 330, ofwel € 37.679.

Heffingsrente

4.13 Het hoger beroep heeft mede betrekking op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep ter zake van de heffingsrente is slechts gegrond voor zover het de in 4.12 vermelde vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning betreft. Het Hof vermindert derhalve de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig de in 4.12 vermelde vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.679; en

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 29 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

S. Darwinkel B.F.A. van Huijgevoort

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 november 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.