Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU7721

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11-00241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waterschapsheffing.

Toezegging van Philips van Bourgondië uit 1458 kan belanghebbende niet baten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2891
FutD 2011-3124
Belastingblad 2012/83
V-N 2012/11.25.23

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00241

uitspraakdatum: 29 november 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbenden)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 februari 2011, nummer AWB 10/2081,

in het geding tussen belanghebbenden en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft aan belanghebbenden voor het jaar 2009 aanslagen in de watersysteemheffing ongebouwd (buitendijks) van Waterschap Rivierenland opgelegd van in totaal € 1.907,75.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbenden heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 februari 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbenden (hierna: de gemachtigde), alsmede de Ambtenaar.

1.7 Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbenden zijn eigenaar van in totaal ca. 75 ha buitendijks gelegen gronden aan de Maas, genaamd het A-gebied te Z. Deze gronden zijn gelegen in het gebied van het Waterschap Rivierenland.

2.2 De gronden worden gebruikt voor het weiden van vee en het telen van gras.

2.3 Belanghebbenden ontvangen in het kader van het uitvoeringsprogramma Land van Heusden en Altena, dat onderdeel uitmaakt van het Groen Blauw Stimuleringskader (GBSK) Noord-Brabant, een subsidie welke een tegemoetkoming vormt in de beheerskosten van een aantal landschapsbomen en knotbomen, een elzensingel, een aantal hakhoutsingels, een onverharde weg met bloemrijke bermen, een amfibieënpoel en een wandelpad over boerenland.

2.4 De gronden maken voorts onderdeel uit van het Collectief weide- en akkervogelbeheerplan Land van Heusden en Altena dat valt onder het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). Dit project beoogt het weidevogelbeheer te stimuleren en te optimaliseren. De gronden van het A-gebied zijn onder meer belangrijk als broedgebied voor de tureluur en de zwarte stern.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is primair of de onderhavige aanslagen terecht zijn opgelegd. Subsidiair is in geschil of de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbenden voeren aan dat zij in het verleden nooit aanslagen van het waterschap hebben ontvangen. Zij achten dit terecht omdat het waterschap in hun visie geen taken uitvoert ten behoeve van de onderhavige buitendijks gelegen gronden en omdat in 1458 door Philips van Bourgondië aan hun voorouders is toegezegd dat door hem en zijn erfopvolgers nimmer aanslagen zullen worden opgelegd aan hen en hun nakomelingen. Een wetswijziging kan hieraan niet afdoen. Dat zij in 2009 voor het eerst aanslagen hebben ontvangen is voorts in strijd met het vertrouwensbeginsel omdat zij niet individueel zijn geïnformeerd over een wijziging in wetgeving of beleid. Subsidiair voeren belanghebbenden aan dat de aanslagen, zo deze ondanks het voorgaande terecht zouden zijn opgelegd, moeten worden verlaagd tot aanslagen berekend met toepassing van het lagere tarief voor buitendijks gelegen natuurterreinen.

3.3 De Ambtenaar voert aan dat de Waterschapswet is gewijzigd in 2007 en dat de wijzigingen in werking zijn getreden op 1 januari 2009. De sindsdien geldende wettekst laat geen vrijstellingen toe. Het waterschap voert wel taken uit ten behoeve van de onderhavige gronden doordat bij droogte water uit de Maas in het gebied wordt gepompt waarvan ook de onderhavige gronden kunnen profiteren. Voorts voert hij aan dat de aanslagen naar het juiste tarief zijn opgelegd. De onderhavige gronden kunnen met inachtneming van de in de Waterschapswet en de belastingverordening opgenomen definitie niet worden aangemerkt als natuurterreinen.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 De gemachtigde concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en primair tot vernietiging van de aanslagen en subsidiair tot verlaging van de aanslagen tot aanslagen berekend met toepassing van het lagere tarief voor buitendijks gelegen natuurterreinen.

3.6 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Waterschapswet (hierna: de Wet) luidt, voor zover voor deze procedure van belang is, als volgt:

“Artikel 116

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. (…)

b. (…)

c. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.

Artikel 117

Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.”

De Verordening op de watersysteemheffing waterschap Rivierenland 2009 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover voor deze procedure van belang is, als volgt:

“Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. (…)

e. (…)

f. buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen en die niet zijn onttrokken aan het stroomprofiel van de rivier; deze gebieden zijn aangegeven op de bij de kostentoedelingsverordening behorende kaart;

g. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;

h. ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

i. gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin het waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te oefenen;

j. de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117, aanhef, Waterschapswet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.

2. De heffing wordt geheven van hen die:

a. (…)

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap;

d. (…).

3. Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

4. (…). “

4.2 Niet in geschil is dat belanghebbenden eigenaar zijn van de onderhavige gronden, dat de gronden tot het gebied van het waterschap behoren en dat de gronden buitendijks gelegen onroerende zaken zijn.

4.3 Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen zijn belanghebbenden, als eigenaren van de onderhavige gronden, op grond van de Wet en de Verordening terecht in de heffing betrokken. De Wet en de Verordening bieden geen ruimte om de onderhavige gronden buiten de heffing te laten. De omstandigheid dat belanghebbenden zelf de gronden onderhouden maakt dit niet anders, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen.

4.4 De Ambtenaar maakt met zijn ter zitting niet weersproken stelling dat het waterschap met behulp van een gemaal dat door het waterschap is opgericht op een stuk grond dat in 1977 van belanghebbenden is gekocht, in droge perioden water in het gebied brengt waarvan ook de eigenaren van de onderhavige gronden gebruik kunnen maken, bovendien aannemelijk dat het waterschap wel degelijk taken uitvoert (mede) ten behoeve van de onderhavige gronden. Dat belanghebbenden zelf de gronden onderhouden en ook over een eigen gemaal beschikken doet daaraan niet af.

4.5 Anders dan belanghebbenden betogen volgt uit de door hen – met toestemming van de Ambtenaar – na de zitting overgelegde koopovereenkomst waarbij het onder 4.4 bedoelde stuk grond in 1977 is verkocht, niet dat het waterschap geen vergoeding zou mogen vragen voor de onder 4.4 genoemde activiteiten van het waterschap. In artikel 8 van de betreffende overeenkomst is slechts vermeld dat belanghebbenden geen vergoeding aan het waterschap behoeven te betalen indien zijzelf water lozen op of onttrekken aan het verkochte stuk grond. Deze bepaling betreft activiteiten van belanghebbenden zelf en staat los van de onderhavige heffing.

4.6 De gemachtigde beroept zich naar het oordeel van het Hof ten onrechte op de uit 1458 daterende toezegging van Philips van Bourgondië, dat door hem en zijn nazaten geen belasting zal worden opgelegd aan de toenmalige inwoners van Z en hun nakomelingen, aangezien noch is gesteld noch aannemelijk geworden dat het waterschap is aan te merken als een nazaat of rechtsopvolger onder algemene titel van Philips van Bourgondië. In dit verband kan ook niet worden staande gehouden dat door het waterschap een in rechte te honoreren vertrouwen zou zijn gewekt dat het zich aan die toezegging zou houden.

4.7 Aan het gegeven dat tot en met 2008 door het waterschap aan belanghebbenden geen aanslagen zijn opgelegd kan, nu de Wet eerst met ingang van 2009 is gewijzigd onder meer inhoudende dat geen vrijstelling meer kan worden verleend, evenmin het in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend dat belanghebbenden in het onderhavige jaar niet in de heffing zouden worden betrokken. Dat over de wetswijziging door het waterschap niet individueel is gecommuniceerd met belanghebbenden doet daaraan niet af.

4.8 Zoals door de Ambtenaar terecht is gesteld kunnen de argumenten van belanghebbenden, nu de heffing terecht heeft plaatsgevonden, evenmin grond opleveren voor het buiten invordering laten van de opgelegde aanslagen.

4.9 Een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat het primaire standpunt van belanghebbenden moet worden verworpen.

4.10 De Ambtenaar heeft gesteld, onder meer onder overlegging van foto’s van de onderhavige gronden, dat de gronden feitelijk worden aangewend voor agrarisch gebruik en dat niet kan worden volgehouden dat ten aanzien van deze gronden de nadruk ligt op een duurzame inrichting en beheer als natuurgebied.

4.11 Volgens de in de Wet en de Verordening gegeven definitie zijn als natuurterreinen aan te merken ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.

4.12 Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de onderhavige gronden als bossen of open wateren zouden zijn aan te merken.

4.13 Onder geheel of nagenoeg geheel moet naar het oordeel van het Hof ook in dit geval worden verstaan 90 percent of meer. Dat betekent dat de inrichting en het beheer van de onderhavige percelen slechts beperkt, minder dan 10 percent, mogen zijn afgestemd op andere doelstellingen dan het behoud of de ontwikkeling van natuur. Voor het antwoord op de vraag in welke mate de inrichting en het beheer zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur, is naar het oordeel van het Hof van belang of, en in hoeverre, de gronden zijn ingericht en daadwerkelijk worden gebruikt voor andere doeleinden dan behoud of ontwikkeling van natuur.

4.14 Gelet op de begripsbepalingen in Wet en Verordening geldt voor ongebouwde onroerende zaken het algemene begrip daarvan als hoofdregel en vormen natuurterreinen, als species van ongebouwde onroerende zaken, de uitzondering. Dit brengt mee dat op belanghebbenden, die een beroep doen op die uitzondering, tegenover de betwisting door de Ambtenaar de last rust aannemelijk te maken dat zij van toepassing is.

4.15 Belanghebbenden wijzen ter onderbouwing van toepassing van de uitzondering op het feit dat de onderhavige gronden met name in de winterperiode af en toe onder water staan, op de onder 2.3 genoemde subsidieregeling (GBSK) voor de beheerskosten van landschapsbomen, knotbomen, hakhoutsingels en dergelijke die deel uitmaken van de onderhavige gronden en op het onder 2.4 genoemde, van het SNL deel uitmakende, Collectief weide- en akkervogelbeheerplan Land van Heusden en Altena waaronder de gronden vallen. Nu vaststaat dat de gronden worden gebruikt voor het weiden van vee en het telen van gras en de gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft erkend dat het vee dat op de onderhavige gronden wordt geweid, dient voor de vleesproductie dan wel de fokkerij en dat dit vee onder meer wordt voorzien van water en bovendien vaststaat dat er ten behoeve van het telen van gras (sproei)bemesting plaatsvindt, is door belanghebbenden tegenover de stellingen van de Ambtenaar en in het licht van de door de Ambtenaar overgelegde foto’s naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting en het beheer van de gronden slechts beperkt, voor minder dan 10 percent, zijn afgestemd op andere doelstellingen dan het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dat er op de gronden onder meer landschapsbomen, knotbomen en hakhoutsingels staan waarvoor subsidie wordt verkregen en dat de gronden belangrijk zijn als broedgebied voor weidevogels, kan niet tot een andere conclusie leiden.

4.16 Ook het subsidiaire standpunt van belanghebbenden kan derhalve geen stand houden.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.C.M. de Kroon, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek en mr. G.L.J. ’t Hoen als griffier.

De beslissing is op 29 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.