Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU7713

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11-00334
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Gebruik van de weg met Porsche met Duits kenteken. Naheffing en boete terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2904
FutD 2011-3103
V-N Vandaag 2012/288
V-N 2012/11.25.1

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00334

uitspraakdatum: 29 november 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 maart 2011, nummer AWB 10/3363,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: BPM) opgelegd van € 5.318. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 2.659.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 maart 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.7 De gemachtigde van belang¬hebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is inwoner van Nederland en gehuwd met A (hierna: de partner).

2.2 Bij controles op 12 augustus 2008 en 19 september 2008 is gebleken dat belanghebbende in Nederland gebruik maakte van de weg met een personenauto van het merk Porsche, voorzien van een (tijdelijk) Duits kenteken A-000B, voertuigidentificatienummer 001. Het Duitse kenteken van de Porsche stond toen op naam van de partner van belanghebbende op een adres in Duitsland. Tot de stukken van het geding behoren een Informatieformulier buitenlandse kentekens, opgemaakt door de Belastingdienst/Douane, gedagtekend 13 augustus 2008 en gericht aan belanghebbende, en een Informatieformulier buitenlandse kentekens, opgemaakt door de Belastingdienst/Douane bij een controle op (het Hof leest:) 19 september 2008, getekend door de controleambtenaren B en C. Op vragen van de Inspecteur met betrekking tot laatstgenoemd formulier heeft C per e-mail van 1 februari 2010 als volgt bericht:

"(…)

Wij hebben een informatieformulier aan X uitgereikt tijdens de controle. Hij heeft zich gelegitimeerd met een paspoort (nr. …)".

2.3 Bij brief van 14 januari 2009 heeft de Inspecteur het voornemen kenbaar gemaakt aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM met boete op te leggen naar aanleiding van de controle in september 2008. De gemachtigde van belanghebbende, een kantoorgenoot van de huidige gemachtigde, heeft zich, per faxbericht van 27 januari 2009, verzet tegen dit voornemen. Bij brief van 12 februari 2009 heeft de Inspecteur - onder meer - het volgende aan de gemachtigde van belanghebbende bericht:

"(…) In uw verklaring bevestigt u dat uw cliënt op 12 augustus 2008, met een auto zonder Nederlands kenteken voor de eerste keer in Nederland werd aangehouden. Uit deze verklaring kan niet worden opgemaakt dan wel afgeleid dat het "Informatieformulier buitenlandse kentekens" op dat moment aan hem is uitgereikt. Wel heeft de Belastingdienst (…), conform de aankondiging tijdens de controle door de politie Q op 12 augustus 2008, dit formulier nog op dezelfde dag aan X verzonden.

U stelt dat uw cliënt het inlichtingenformulier niet heeft ontvangen. (…) [H]et risico van een onvolkomen postbezorging [dient] niet voor rekening van uw cliënt te komen. (…) X is derhalve bij de eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland op 12 augustus 2008 niet op de juiste wijze gewaarschuwd. De aangezegde naheffingsaanslag en boetebeschikking kunnen derhalve niet in stand blijven.

Dit betekent dat het door de Belastingdienst/Douane op 19 september 2008 aan uw cliënt uitgereikte informatieformulier wordt aangemerkt als een eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland door X, die het voertuig op dat moment feitelijk tot zijn beschikking had."

Aan het slot van de brief heeft de Inspecteur nadere informatie verstrekt over de toepassing van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) op het gebruik van de weg in Nederland met een motorrijtuig dat is geregistreerd in het buitenland.

2.4 Blijkens een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 augustus 2009 door D en E, is bij controle op 3 augustus 2009 gebleken dat belanghebbende gebruik maakte van de weg in Nederland met een personenauto van het merk Porsche, voertuigidentificatienummer 001, voorzien van het Duitse kenteken C DD111.

2.5 Bij brief van 19 november 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende kenbaar gemaakt voornemens te zijn om naar aanleiding van de in 2.4 bedoelde constatering een naheffingsaanslag met boete op te leggen. De gemachtigde van belanghebbende heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 20 november 2009 dat - onder meer - het volgende inhoudt:

"(…)

In dat kader bericht ik u, dat cliënt betwist dat aan hem op 12 augustus 2008 een mededeling is uitgereikt. Een en ander wordt tevens bevestigd door het schrijven van de Douane gedateerd 12 februari 2009. Vorenstaande houdt in, dat eerst op 19 september 2008 aan cliënt een mededeling is uitgereikt, welke derhalve wordt aangemerkt als een eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland door cliënt. Als bijlage is een kopie van voornoemd schrijven gehecht. (…)"

2.6 De Inspecteur heeft op 23 november 2009 aan de gemachtigde - onder meer - het volgende bericht:

"(…)

Uw cliënt heeft wetenschap van de op hem als gebruiker van de openbare weg (…) rustende verplichting inzake de BPM. Deze wetenschap blijkt in ieder geval (ook) uit de op 19 september 2008 uitgereikte mededeling dienaangaande."

Daaropvolgend heeft de Inspecteur, met dagtekening 10 december 2009, de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich in hoger beroep nog slechts toe op de vraag of belanghebbende de mogelijkheid had moeten worden geboden tot herstel als bedoeld in het Besluit van de Minister van Financiën van 12 september 2006, nr. CPP2006/1980M (hierna: het herstelbeleid).

3.2 Belanghebbende stelt dat hij het Informatieformulier buitenlandse kentekens (hierna: de Informatiebrief) van 13 augustus 2008 niet heeft ontvangen en dat de Informatiebrief van 19 september 2008 niet aan hem is uitgereikt. Uit de kopie van die Informatiebrief blijkt dat die brief door hem niet voor ontvangst is getekend. Nu, naar hij stelt, niet vaststaat dat de Informatiebrieven hem hebben bereikt, is het herstelbeleid op hem van toepassing.

3.3 De Inspecteur stelt dat het herstelbeleid niet (meer) op belanghebbende van toepassing is.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Wet is, voor zover hier van belang, de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik in Nederland van de weg met een niet geregistreerde personenauto die feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon.

4.2 Gelet op het voertuigidentificatienummer gaat het in dezen steeds om dezelfde, niet in Nederland geregistreerde, Porsche met een Duits kenteken. In hoger beroep is niet langer in geschil dat belanghebbende met die Porsche in Nederland gebruik heeft gemaakt van de weg op 12 augustus 2008, 19 september 2008 en 3 augustus 2009. Evenmin is de berekening van de naheffingsaanslag nog langer in geschil, net zo min als de omstandigheden dat het Informatieformulier van 13 augustus 2008 belanghebbende niet heeft bereikt en dat het Informatieformulier van 19 september 2008 door hem niet voor ontvangst is getekend.

4.3 Belanghebbende stelt dat hij analfabeet is. Gelet op het feit dat hij zich steeds in verbinding heeft gesteld met zijn advocaat om zich te verweren tegen de voornemens van de Inspecteur om aan hem een naheffingsaanslag met boete op te leggen, acht het Hof aannemelijk dat de inhoud van de correspondentie hem ter kennis is gekomen en de consequenties daarvan zijn besproken tussen belanghebbende en zijn gemachtigde.

4.4 Gelet op de onder de feiten geciteerde correspondentie acht het Hof aannemelijk dat aan belanghebbende op 19 september 2008 een Informatiebrief is uitgereikt. Dat hij die brief niet voor ontvangst heeft getekend doet daaraan niet af. Op grond van die correspondentie en de inhoud van de overige stukken van het geding waarvan, naar het Hof aannemelijk acht, belanghebbende eveneens op de hoogte was, moet worden geoordeeld dat belanghebbende op de hoogte was van de juiste toepassing van de Wet en dat het herstelbeleid op hem, bij de constatering op 3 augustus 2009, niet van toepassing was. Dat herstelbeleid is immers niet van toepassing "ten aanzien van degene die het motorrijtuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die bekend is of behoort te zijn met de toepassing van de wet, bijvoorbeeld (cursivering door het Hof) uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat aan hem eerder een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" is uitgereikt, dan wel de inspecteur hem anderszins schriftelijk heeft geïnformeerd over het gebruik van een in het buitenland geregistreerd voertuig." Daaraan doet niet af, zoals belanghebbende kennelijk meent, dat de waarschuwing die besloten ligt in het Informatieformulier niet, althans niet aantoonbaar, op de juiste wijze is gegeven nu de Informatiebrief van 19 september 2008 door hem niet voor ontvangst is getekend.

4.5 Dat in dat geval de naheffingsaanslag juist is opgelegd, is niet verder in geschil.

4.6 Belanghebbende heeft in hoger beroep geen zelfstandige gronden tegen de opgelegde boete aangevoerd. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de boete tot uitgangspunt genomen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur de van toepassing zijnde regelgeving onjuist heeft toegepast. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de vaststaande feiten en de bovenstaande oordelen van het Hof dat belanghebbende wist, althans moet hebben geweten, wat de gevolgen voor de heffing van BPM zouden zijn indien hij in Nederland gebruik zou maken van de weg met een niet in Nederland geregistreerde personenauto. Niettemin is hij van de weg gebruik blijven maken. Daarmee heeft hij zich naar het oordeel van het Hof willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Er is sprake van voorwaardelijk opzet bij belanghebbende. De door de Inspecteur opgelegde boete acht het Hof in dit geval passend en geboden.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 29 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 november 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.