Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU6894

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
200.088.457/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt ambtshalve dat sprake is van een aanvulling op grond van artikel 32 Rv en niet een verbetering op grond van artikel 31 Rv. Ondertoezichtstelling kan niet met terugwerkende kracht verlengd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 29 november 2011

Zaaknummer 200.088.457

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.A. van der Lem, kantoorhoudende te Deventer,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: WSJ.

Belanghebbenden:

1. [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de stiefvader.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 28 februari 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige]), met ingang van 1 maart 2011 verlengd tot

1 januari 2012.

Bij beschikking van 19 juli 2011 heeft de kinderrechter de beschikking van 28 februari 2011 verbeterd en de ondertoezichtstelling met ingang van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012 verlengd.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 27 mei 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 28 februari 2011 voor zover deze betrekking heeft op de uithuisplaatsing te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van WSJ met betrekking tot - zo leest het hof - de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juni 2011, heeft WSJ het verzoek bestreden en verzocht de moeder in het ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:

- een brief, met bijlagen, van 13 juli 2011 van mr. Van der Lem;

- een brief, met bijlage, van 19 juli 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle;

- een brief, met bijlage, van 22 juli 2011 van mr. Van der Lem;

- een brief van 14 oktober 2011 van mr. Van der Lem;

- een brief van 27 oktober 2011 van de raad;

- een brief, met bijlagen, van 28 oktober 2011 van mr. Van der Lem.

Op 16 augustus 2011 is [de minderjarige] gehoord door een raadsheer-commissaris.

Ter zitting van 16 augustus 2011 is de zaak behandeld. Verschenen is de moeder bijgestaan door haar advocaat. Namens WSJ waren aanwezig de heer [X] en mevrouw [Y]. Tevens is verschenen de stiefvader van [de minderjarige], de heer [de stiefvader]. Het hof heeft gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 2010 (NJ 2010, 973, LJN: BL7043) ter zitting de stiefvader als belanghebbende aangemerkt. De vader is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Namens de raad is - met bericht - niemand verschenen. Ter zitting heeft mr. Van der Lem mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit het - inmiddels ontbonden - huwelijk tussen de moeder en de vader is [de minderjarige] geboren. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige]. [de minderjarige] is met ingang van 4 januari 2006 onder toezicht gesteld en bij beschikking d.d. 14 december 2009 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, uithuis geplaatst. De termijnen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn telkens verlengd, laatstelijk bij de beschikking waarvan beroep, hersteld bij beschikking van 19 juli 2011.

2. WSJ heeft, bij verzoekschrift van 30 november 2010, verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.

3. Bij beschikking d.d. 29 december 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, de termijn van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd van 1 januari 2011 tot 1 maart 2011. De beslissing over het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012 heeft de rechtbank aangehouden.

4. Bij beschikking d.d. 28 februari 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012.

De standpunten van partijen met betrekking tot de omvang van het verzoek

5. De moeder heeft in haar beroepschrift onder meer gesteld dat de machtiging tot uithuisplaatsing ten onrechte voor een langere periode is verlengd dan de duur van de ondertoezichtstelling.

6. WSJ heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat er een beschikking is afgegeven voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing heeft WSJ de beschikkingen van 29 december 2010 en 28 februari 2011 overgelegd. Hieruit blijkt volgens WSJ dat namens de moeder ten onrechte wordt opgemerkt dat er geen sprake is van een ondertoezichtstelling.

7. Bij brief d.d. 22 juli 2011 heeft de moeder een herstelbeschikking d.d. 19 juli 2011 van de kinderrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, overgelegd. Uit deze beschikking blijkt dat WSJ op 29 juni 2011 de rechtbank heeft verzocht om verbetering van de beschikking van 28 februari 2011. De kinderrechter heeft op grond van artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geoordeeld dat er sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor herstel. De beschikking is als volgt verbeterd. Als overweging is toegevoegd dat - zakelijk weergegeven - voldaan is aan het vereiste van artikel 1:256 lid 2 BW in samenhang met artikel 1:254 lid 1 BW en dat het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen met ingang van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012. In het dictum is - voor zover hier van belang - toegevoegd dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengt met ingang van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012.

8. De moeder heeft in haar brief d.d. 22 juli 2011 aangegeven dat gelet op de bewoordingen in het beroepschrift - "Moeder kan zich niet met de bestreden beslissingen tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing verenigen en ontwikkelt daartegen de volgende grieven" - haar hoger beroep ook tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling is gericht. De moeder stelt dat ten tijde van de indiening van het beroepschrift de duur van de ondertoezichtstelling volgens de inhoud van de beschikkingen van 29 december 2010 en 28 februari 2011, was verstreken en dat dit de reden was waarom ten aanzien van de ondertoezichtstelling niet uitdrukkelijk grieven zijn aangewend. De grieven tegen de verlenging van de uithuisplaatsing moeten volgens de moeder echter worden begrepen als tevens te zijn gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

Het oordeel

9. Het hof ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of de beschikking van 19 juli 2011 een verbetering conform artikel 31 Rv betreft of een aanvulling conform artikel 32 Rv. Het staat het hof vrij een eventuele onjuiste kwalificatie van een beslissing van de lagere rechter te wijzigen en een beslissing door de lagere rechter aangeduid als verbetering op de voet van artikel 31 Rv aan te merken als een aanvulling op de voet van artikel 32 Rv (HR 13 juli 2007, NJ 2008, 154, LJN: BA5199). Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat het in het onderhavige geval gaat om een aanvulling ex artikel 32 Rv en niet om een verbetering ex 31 Rv. In de oorspronkelijk beschikking d.d. 28 februari 2011 heeft de rechtbank immers noch in haar overwegingen noch in het dictum een overweging respectievelijk beslissing opgenomen over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De rechtbank heeft derhalve in haar beschikking van 28 februari 2011 verzuimd te beslissen over een onderdeel van het inleidend verzoek, te weten de verdere verlenging van de ondertoezichtstelling, en heeft op dat punt alsnog beslist bij beschikking van 19 juli 2011, waarmee de eerdere beschikking van 28 februari 2011 is aangevuld.

10. Op grond van artikel 32 lid 3 Rv staat tegen een aanvulling - anders dan tegen een verbetering - wel een hogere voorziening open. Bij de berekening van de appeltermijn wordt uitgegaan van de dag waarop de aanvulling is uitgesproken. Het hof stelt vast dat de moeder reeds in haar beroepschrift gronden heeft gericht tegen met name het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, ervan uitgaande dat de termijn van de ondertoezichtstelling per 1 maart 2011 was verlopen. Dit beroepschrift is tijdig ingediend. Naar aanleiding van de herstelbeschikking van 19 juli 2011 heeft de moeder bij brief van 22 juli 2011 de gronden aangevuld en specifiek gericht op de beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling met ingang van 1 maart 2011. Naar het oordeel van het hof is de moeder derhalve ook ontvankelijk in dit door haar ingestelde hoger beroep. Het hof overweegt als volgt ten aanzien van hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd.

11. Het hof stelt vast dat doordat bij beschikking d.d. 29 december 2010 de ondertoezichtstelling ten aanzien van [de minderjarige] tot 1 maart 2011 is verlengd en doordat de rechtbank in haar beschikking d.d. 28 februari 2011 de ondertoezichtstelling vanaf 1 maart 2011 niet heeft verlengd, de ondertoezichtstelling per 1 maart 2011 is geëindigd. Nu de ondertoezichtstelling per 1 maart 2011 is geëindigd, is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling bij beschikking d.d. 19 juli 2011 niet alsnog met terugwerkende kracht verlengd had kunnen worden. Voor zover de rechtbank het verzoek van WSJ heeft geïnterpreteerd als een verzoek tot het verlenen (in plaats van een verlenging) van een ondertoezichtstelling, is het hof van oordeel dat dit niet mogelijk is. Op grond van artikel 1:254 lid 4 BW kan een (eerste) verzoek tot ondertoezichtstelling immers alleen worden ingediend door een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad of het Openbaar Ministerie. WSJ had derhalve niet kunnen worden ontvangen in een dergelijk verzoek.

12. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de beschikking van 19 juli 2011 dient te worden vernietigd.

13. Nu een machtiging tot uithuisplaatsing nooit langer kan gelden dan de (resterende) looptijd van de ondertoezichtstelling en nu de ondertoezichtstelling per 1 maart 2011 is beëindigd, dient het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van 1 maart 2011 tot 1 januari 2012 te worden afgewezen. De grief van de moeder dat de machtiging tot uithuisplaatsing ten onrechte voor een langere periode is verlengd dan de duur van de ondertoezichtstelling, slaagt derhalve.

14. Om de bovenstaande reden dient ook de beschikking van 28 februari 2011 te worden vernietigd.

15. Hetgeen de moeder voor het overige heeft aangevoerd tegen de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing behoeft derhalve geen bespreking meer.

Slotsom

16. Op grond van het voorgaande dienen de beide beschikkingen van 28 februari 2011 en 19 juli 2011 te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikkingen van 28 februari 2011 en 19 juli 2011, beide van de kinderrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle;

en in zoverre opnieuw beslissende:

stelt vast dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum], per 1 maart 2011 is geëindigd;

wijst het inleidend verzoek van WSJ tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum], voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf 1 maart 2011, af;

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, A.W. Beversluis en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 november 2011 in bijzijn van de griffier.