Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU6639

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
11-00150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Bezwaar tegen beschikking vaststelling verzamelinkomen 2005 is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2745
FutD 2011-3047
V-N Vandaag 2011/3009
V-N 2012/15.5

Uitspraak

uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00150

Uitspraakdatum: 22 november 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 8 februari 2011, nummer AWB 10/1675, in het geding tussen de Inspecteur

en

X te Z (hierna: belanghebbende)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.495. Het verzamelinkomen bedraagt € 1.495. Belanghebbende is op grond van deze aanslag geen IB/PVV verschuldigd. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslagen IB/PVV is bij afzonderlijk opgelegde beschikking een bedrag aan heffingsrente berekend van negatief € 125.

1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met als dagtekening 6 oktober 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2005 opgelegd alsmede een beschikking vaststelling verzamelinkomen op grond van artikel 21c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in verbinding met artikel 21j van de AWR, waarbij hij het verzamelinkomen nader heeft vastgesteld op € 8.095. Het verzamelinkomen is opgebouwd uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.512 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.583. Het bedrag van de verschuldigde IB/PVV blijft nihil.

1.3. De Inspecteur heeft bij zijn in een geschrift vervatte uitspraken op het bezwaarschrift van belanghebbende de navorderingsaanslag en, naar het Hof begrijpt, de beschikking vaststelling verzamelinkomen gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij haar uitspraak van 8 februari 2011 gegrond verklaard en daarbij de navorderingsaanslag en, naar het Hof begrijpt, de beschikking vaststelling verzamelinkomen vernietigd.

1.5. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.8. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.9. Na sluiting van het onderzoek ter zitting en mededeling aan partijen dat in de zaak schriftelijk uitspraak zal worden gedaan, heeft het Hof vastgesteld dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest en daarin aanleiding gevonden op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek te heropenen. De griffier van het Hof heeft vervolgens bij brief van 3 oktober 2011 bij de Inspecteur nadere schriftelijke inlichtingen ingewonnen.

1.10. Tussen het Hof en partijen heeft naar aanleiding daarvan een briefwisseling plaatsgevonden, waarna partijen het Hof hebben verzocht om zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De onderneming heeft ten doel het verrichten van alle voorkomende bouw- en onderhoudswerkzaamheden.

2.2. Ter uitvoering van de werkzaamheden heeft belanghebbende in het onderhavige jaar de beschikking over een bestelauto die tot het ondernemingsvermogen behoort. Het betreft een A met het kenteken 00-BB-11 (hierna: de bestelauto). De bestelauto heeft een hoogte van ongeveer 2,6 meter en een lengte van ongeveer 6,5 meter en is voorzien van een verhoogd dak. De laadruimte van de bestelauto is ingericht met schappen, rekken en kasten ten behoeve van materialen en gereedschappen in verband met de te verrichten werkzaamheden. Op de auto zijn de naam van de onderneming en reclame-uitingen aangebracht. De bestelauto is voorzien van een schuifdeur aan de zijkant en twee deuren aan de achterzijde. De laadruimte van de bestelauto is aan de buitenzijde geblindeerd. De afmetingen van de bestelauto zijn afgestemd op de werkzaamheden binnen de onderneming. In de bestuurscabine zijn voor twee personen zitplaatsen aanwezig, inclusief de bestuurder.

2.3. De cataloguswaarde van de bestelauto bedroeg € 30.000. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met 22 percent van de cataloguswaarde van de bestelauto, ofwel € 6.600.

2.4. De Inspecteur heeft in zijn brief van 6 oktober 2009 het volgende aan belanghebbende medegedeeld:

“Betreft

Z/Navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2005

Geachte heer B,

Op 16 september 2009 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik voornemens ben om uw cliënt Z over 2005 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekerin¬gen over 2005 op te leggen.

Ik stel het verzamelinkomen nader vast op € 8.095.

Het bedrag van de te betalen inkomstenbelasting blijft nihil.

Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met deze beschikking, moet u binnen zes weken na de dagtekening ervan een bezwaarschrift indienen.

Een bezwaarschrift wordt als tijdig beschouwd indien het binnen de gestelde termijn is ontvangen.

Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.”

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de bestelauto moet worden aangemerkt als een bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen (artikel 3.20, derde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bezwaar.

3.5. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof heeft de Inspecteur na de heropening van het vooronderzoek gevraagd de onder 2.4 genoemde brief van 6 oktober 2009 te duiden. In zijn brief van 19 oktober 2011 heeft de Inspecteur opgemerkt, dat hij bij de onder 2.4 genoemde brief een navorderingsaanslag heeft vastgesteld die geen gevolgen heeft voor de hoogte van de belasting. Naar het oordeel van het Hof had de Inspecteur bij zijn beslissing op het door belanghebbende gemaakte bezwaar, aan zijn bevinding dat bij de primitieve aanslag over 2005 niet te weinig belasting was geheven, de conclusie moeten verbinden dat de navorderingsaanslag over 2005 diende te worden herroepen. Door deze aanslag desondanks te handhaven, zij het als een die was verminderd tot nihil, heeft hij het bepaalde in artikel 16, lid 1, van de AWR miskend (Hoge Raad, 1 april 2005, nr. 40321, LJN AR6000, BNB 2005/196). Om deze reden had de Rechtbank de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslag over 2005 moeten vernietigen. Nu de Rechtbank reeds op andere gronden de navorderingsaanslag heeft vernietigd, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank in zoverre in stand laten.

4.2. In voornoemde brief van 19 oktober 2011 heeft de Inspecteur het Hof tevens meegedeeld, dat hij in zijn brief van 6 oktober 2009 bij voor bezwaar vatbare beschikking de wijziging van de hoogte van het verzamelinkomen heeft vastgesteld op grond van artikel 21c, eerste lid, van de AWR in verbinding met artikel 21j van de AWR (hierna: de beschikking vaststelling verzamelinkomen).

4.3. Ingevolge artikel VI van de Wet tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken (Staatsblad 2008, 269) vindt het in artikel I, onderdeel B, van deze wet opgenomen artikel 21a van de AWR voor het eerst toepassing met betrekking tot inkomensgegevens over het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel.

4.4. Artikel 21a van de AWR is op 1 januari 2009 in werking getreden, zodat eerst de inkomensgegevens over het jaar 2008 bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld kunnen worden.

4.5. Het Hof begrijpt de uitspraak van de Inspecteur op het door belanghebbende gemaakte bezwaar aldus, dat hij daarbij het bezwaar tegen de beschikking vaststelling verzamelinkomen ontvankelijk heeft verklaard en dit bezwaar vervolgens ongegrond heeft verklaard. De Inspecteur had het bezwaar tegen de beschikking vaststelling verzamelinkomen, gelet op het onder 4.4 overwogene niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat deze beschikking geen voor bezwaar vatbare beschikking is. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft, naar het Hof begrijpt, de uitspraak op het bezwaar tegen de beschikking vaststelling verzamelinkomen gegrond verklaard en de beschikking vernietigd. Naar het oordeel van het Hof had de Rechtbank de uitspraak op het bezwaar tegen de beschikking moeten vernietigen en het bezwaar niet ontvankelijk moeten verklaren. Nu de Rechtbank dit heeft nagelaten, zal het Hof ambtshalve alsnog op voornoemde wijze beslissen.

4.6. Het Hof komt dan aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep door de Inspecteur niet toe.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Kosten

Het Hof verwijst met betrekking tot de proceskostenveroordeling naar de samenhangende zaak met het nummer 11/00151.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de beschikking vaststelling verzamelinkomen;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking vaststelling verzamelinkomen;

- verklaart het bezwaar tegen de beschikking vaststelling verzamelinkomen niet-ontvankelijk en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Aldus gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.L.M. Egberts.

De beslissing is op 22 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.